III

Het Vlaamsche heer staat immer pal,

daar 't winnen of daar 't sterven zal:

alhier, aldaar, aan lange lansen,

de leeuwen dansen.

De winden schudden, met geweld,

de zwarte blomme in 't geluw veld:

de kwaden zien, beneên de transen,

de leeuwen dansen.

Met bezemen, zoo komen ze af,

om 't Vlaamsche Volk, als ijdel kaf,

dat 't zweerd onweerd is, af te ransen.

De leeuwen dansen!

Hardop! Hardop! De trompe steekt:

de boeien los, de banden breekt!

Ten vijande in! Dat op z'n schansen,

de leeuwen dansen!

Sta vuist en voet de vane omtrent!

En, gij, die God noch eere en kent,

ruimt bane, eer, op uw veege bansen,

de leeuwen dansen!

Laatste verzen · 第 55 / 155 题