II

't Is oorloge in de locht en in

de boomen;

de wind berent de Leye, en doet

ze stroomen

te bergewaard. Den oest zal, op

het veld,

de hagel slaan, en 's hemels wild

geweld!

't Is hooimaand. In den meersch is man

en vrouwe,

den arrebeid, om God en land,

getrouwe:

eenieder, haastig, henenvimt

en vorkt....

Naar huis! De donder dreunde daar

al! Horkt!

't Is heet! De zonne duikt heur in

de wolken.

"Te wapen!" roept er een: "Waar zijn

de dolken?

De vijand is in 't land! 't Zij waar

hij zit,

bereidt den goedendag, en--elk

in 't lid!"

Laatste verzen · 第 54 / 155 题