Het was nacht. In eene groote bovenzaal van het kasteel Wildenborg lag
mijnheer Reimond met gesloten oogen op een bed. Bleek als een linnen en
mager als een geraamte, had hij geheel het voorkomen van een lijk. Op
een paar stappen van het bed stond eene tafel met een crusifix, een
wijwatervat en twee kaarsen van geel was, wier waggelende vlammen
slechts in hunne nabijheid een twijfelachtig licht verspreidden. Aan het
voeteneinde zat de pastoor, lezend in een boek. Theresia hield zich bij
het hoofdeinde en weende in stilte, met de handen voor de oogen, Willem
stond nevens haar en staarde ten gronde, de oude Peternelle zat geknield
met den rozenkrans aan de hand, en prevelde een gebed.
Een paar stappen verder en schier in de duisternis zat Jakob, de
hovenier. Zijne wijdgeopende oogen dwaalden angstig en vragend rond;
doch telkens na zulk een vluchtig onderzoek, keerde hij het hoofd af en
staarde met mistrouwen in het donkere einde der zaal, waar hij wijlen
een zonderling gerucht, als de ratel in de keel van een stervend mensch,
zich liet hooren. Dit vreemd gegrol, wanneer het door toevallige
toonverandering eene bijzondere aandoening scheen te verraden, deed den
armen Jakob sidderen en verbleeken.
Nox was in de zaal. Van tijd tot tijd naderde hij het bed, zette zijne
voorste pooten er op en lekte zijns meesters hand, die boven het deksel
lag. Dan verroerde de zieke nog de vingeren, als om het beest te toonen,
dat hij nog leefde; en Nox keerde terug naar het donkere gedeelte der
zaal, waar hij, dof knorrende, zich in eenen hoek nederlegde.
Dit gaan en komen van den hond en zijne verrassende doenwijze vervulden
den bijgeloovigen Jakob met eenen onzeglijken angst. Ondanks de
tegenwoordigheid van den pastoor, twijfelde hij niet, of het ijselijke
beest zou op slag van middernacht in duivelsgedaante verschijnen, om de
ziel zijns meesters in bezit te nemen en ze mede te voeren naar de hel.
De doodsche stilte, welke er onverbroken heerschte, sedert mijnheer
Reimond iedereen het zwijgen had bevolen of afgesmeekt, bracht niet
weinig bij, om de verschriktheid van den armen Jakob te vermeerderen.
En inderdaad, de doffe zuchten dezer lieden, die stom als steenen
beelden rondom het bed van eenen stervende zaten; de versmachte snikken
van Theresia, het sissend geprevel der oude Peternelle; maar bovenal de
krijschende metaalklank, door den slinger van het uurwerk voortgebracht,
dit alles stoorde de stilte om ze gevoelbaarder, eendiger en
geheimzinniger te maken.
Mijnheer Reimond lag roerloos op het bed en scheen reeds dood te zijn;
maar met veel aandacht kon men bemerken, dat hij nu en dan op eene
verborgene wijze zijne oogen half opende, om naar het uurwerk te zien en
dus den gang des tijds gade te slaan, als vreesde hij het juiste
oogenblik zijner opvaart naar de andere wereld te missen. Dit uurwerk
was het beeld des doods, dat hij den hovenier had doen naar boven
brengen en op de schouwplaat had doen zetten.
Sedert langen tijd hield Theresia insgelijks den blik op den Dood
gevestigd: want de noodlottige vinger naderde allengs tot het elfde uur.
Het meisje ging met onhoorbaren stap naar een nachttafeltje, dat achter
het hoofdeinde van het bed stond, goot daar iets in een glas water en
kwam dan weder bij den zieke.
Zij stak hare linkerhand onder zijn hoofd en lichtte het op, wat geweld
hij ook deed om deze poging te wederstaan.
"Nicht, nicht, gij zijt onmeedoogend," zuchtte hij. "Laat mij in vrede
deze opperste worsteling doorstaan. Mijne gebeden blijven dus onmachtig
tegen uwe zinnelooze hoop? Wat wilt gij?"
"Oom lief," zeide zij, "uw adem ratelt zoo dor; het snijdt mij door het
hart; gij vergaat van dorst. Ach, doe uw arm lichaam niet nutteloos
lijden! Hier is water; drink eene teug."
"Drinken?" morde de zieke, "mijn lichaam is dood. Drinken de zielen?
Verwijder dit glas van mijne lippen, en maak mijne laatste oogenblikken
niet pijnlijk."
"Uit medelijden met mij, ik bid, ik smeek u, goede oom!"
"Neen, neen, ik heb geenen dorst. Achteruit, nicht, gij martelt mij."
"Onbegrijpelijke verdwaaldheid!" zuchtte het meisje. "Gij weigert te
drinken, omdat gij vreest, dat een glas water uw leven zou kunnen
verlengen? En gij gelooft in de macht der geesten!"
"Laster, laster!" gromde Reimond. "Ha, ik vrees te drinken!"
En verstoord en met bevende lippen ledigde hij het glas water.
Hij aanschouwde de maagd met eenen grijnslach en zeide verwijtend:
"Hoe bitter! Een geneesmiddel? Aan mij? Gij blijft dus hardnekkig hopen,
arme dwaze? Mijn dood alleen kan u overtuigen? Welaan, heb nog een
beetje geduld: op den slag van middernacht zult gij gelooven."
Het uurwerk hergalmde elfmaal.
De zieke richtte zich half op en zeide:
"Vrienden, treedt nader; het laatste uur van mijn tegenwoordig aardsch
leven is begonnen. Ik verlang, dat de klank uwer stem mij niet meer
store. Mijne ziel moet pijnlijk arbeiden om los te raken uit hare
stoffelijke banden, en telkenmaal dat gij hare aandacht van deze drukke
worsteling afkeert, doet gij haar onuitsprekelijke smarten doorstaan.
Vooronderstelt, dat ik nu, op dit oogenblik, ga sterven, en neemt
afscheid van mij, een voorloopig, een tijdelijk afscheid; want onze
zielen zullen elkander daarboven in de ruimte wederzien."
Hij reikte de hand tot den pastoor en sprak met eene heldere,
onverzwakte stem:
"Vader, ik dank u uit den grond des harten voor uwe vriendschap en voor
uwen goeden, oprechten raad. Kon ik hem niet geheel volgen, vergeef het
mij. Vaarwel, en herinner u mijner in uwe gebeden."
De priester wilde zijne vermaningen herhalen en den zieke tot een
klaarder besef van zijnen toestand en van zijne Christelijke plichten
roepen; maar mijnheer Reimond onderbrak zijne woorden en zeide:
"Ja, eerwaarde, ik weet het wel, gij hebt gelijk: de mensch moet altijd
God voor oogen houden en mag niet vergeten, dat belooning of straf hem
wacht na elk leven. Maar wees gerust: ik sterf met betrouwen in Gods
goedheid en met het vaste geloof in Zijne almacht en in Zijne
rechtvaardigheid. Zeker, ik heb niet geleefd zonder zonde en zwakheid;
mij berouwt het te laat. Ik zal er voor boeten daarboven. Nog meer dan
eens zal ik moeten leven, strijden en lijden, vooraleer de plaats van
eenen der gevallene engelen te bekomen; maar wat doet het, indien ik
toch eindelijk, al ware het zelfs na duizend levens, den grooten God in
der eeuwigheid mag loven en dienen?"
Hij nam opvolgend de hand der andere tegenwoordige personen.
"Gij, mijn neef," zeide hij, "zult waarschijnlijk eens door het verkeer
der geesten den kortsten weg naar de volmaaktheid vinden. Ik zie met
vreugde, dat gij ten minste eene ijdele hoop hebt verzaakt en mij
toelaat te denken, dat gij mijnen dood als onfeilbaar aanvaardt. Wanneer
gij de echtgenoot uwer nicht zult geworden zijn, blijf haar beminnen en
liefhebben. Weigert haar gemoed aan de macht der geesten te gelooven,
verschoon de zwakheid harer natuur. Zij heeft een goed hart; en dewijl
zij u voorbestemd was door God, moet gij overtuigd blijven, dat de geest
van het doodshoofd de waarheid zeide, toen hij openbaarde, dat zij
alleen op aarde u kan gelukkig maken.... Nicht, het gevoel der liefde en
der dankbaarheid is machtig in u; keer die krachten uwer ziel op uwen
man en op uwe kinderen; en dus de heilige plichten der vrouw en der
moeder vervullende, zult gij eens met hem, met hen en met mij vereenigd
worden in den schoot van God, bron der volledige zaligheid."
De hovenier en zijne vrouw stonden beiden te weenen voor het bed; de
smart van Jakob Mispels was zoo luidruchtig, dat zijne snikken door de
zaal galmden.
"Mijn arme Jakob, mijne goede Peternelle," zeide de zieke, "waarom dus
tranen storten? Zijt getroost. Wist gij hoe het in de andere wereld met
de zielen staat, gij zoudt juichen en mij gelukwenschen.... Vaartwel,
mijne vrienden. Het is geen afscheid, dat ik van u neem; morgen ben ik
hier terug, wel is waar zonder lichaam, maar veel machtiger en
zuiverder. Mijne ziel zal tusschen u allen wonen, ik zal u zien en
hooren en mij verblijden in uw minste geluk.... Nox, Nox! Ha, daar zijt
gij.... mijn trouwe gezel. Kom, dat ik u nog eens.... nog eens. Wat
gebeurt mij?... Er schiet eene wolk voor mijne oogen. Nox, ik heb voor
u.... mijne krachten falen.... de ziel worstelt.... zij worstelt
woedend.... woedend tegen het zelfzuchtig lichaam.... vaartwel....
vaartwel!"
En deze laatste woorden stamelende, liet mijnheer Reimond zich als
ontzenuwd en machteloos op het kussen nedervallen; hij wreef zich over
de oogen en wilde nog spreken, doch de verwarde woorden, die zijnen
lippen ontvielen, verstierven allengs tot een onduidelijk gesuis, en
eindelijk scheen alle beweging in hem opgehouden.
Het was een oogenblik van uitersten angst; allen staarden stom en bleek
op den zieke, in de smartelijke meening, dat hij inderdaad ging sterven.
Jakob Mispels alleen glimlachte en hief de handen dankend ten hemel,
terwijl hij in zich zelven mompelde:
"Ha, ha, hij is dood! God zij geloofd, de vijand komt te laat!"
Eene lange wijl bleef de pastoor, met het hoofd over den stervende
gebogen, zijne ademing afluisteren; hij voelde hem insgelijks de borst,
en keerde zich eindelijk tot het meisje en tot Peternelle, die met de
handen voor de oogen stonden te snikken.
"Neen, mijne kinderen," zeide hij, "levert u nog niet geheel over aan de
smart. Het lange spreken moet den zieke vermoeid hebben. Ik begrijp het
niet, zijn hart klopt regelmatig en zijne ademing is vrij en rustig.
Verliest den moed niet: de doodsstrijd is nog niet begonnen. Laat ons
bidden!"
Bij het hooren dezer woorden slaakte Jakob Mispels eenen pijnlijken
kreet. Hij had reeds gejuicht over den natuurlijken dood zijns meesters
als over eene zegepraal op de hel. Wreed was hem de onverwachte
teleurstelling; het geloof aan het schrikkelijk einde van mijnheer
Reimond ontstond met nieuwe kracht in zijnen geest. Hij keerde langzaam
terug naar zijnen stoel, en liet er zich zuchtend op nedervallen.
De andere aanwezige personen hadden de aanbeveling des priesters
gehoorzaamd en baden met vurigheid.
Er heerschte dus weder eene volledige stilte;--maar de vinger des Doods
ging intusschen vooruit op de uurplaat, en welhaast zou hij het
gevreesde getal XII bereiken.
Allen bemerkten het wel; want, ofschoon biddend, keerden zij met immer
aangroeienden angst nu en dan het oog naar het uurwerk. Geen hunner die
niet geloofde, dat Reimond op den slag van middernacht zou sterven; zij
beschouwden den ongelukkigen man als krankzinnig, en twijfelden niet, of
zijne zieke verbeelding zou macht genoeg hebben om zijnen levensdraad op
het aangekondigde oogenblik te breken. In den geest van Willem was de
onfeilbaarheid van den dood zijns ooms eene zoo sterke overtuiging, dat
hij niet de minste vonk der hoop had behouden.
Jakob Mispels scheen vernietigd; hij had zich het aangezicht met de
handen bedekt, uit vreeze van ijselijke dingen te zien, en zat diep
voorovergebogen als iemand, die zich zoo klein mogelijk maakt en den rug
biedt aan de slagen des vijands.
Evenwel blikte hij somwijlen door zijne vingeren naar de uurplaat, en
telkens sidderde hij van top tot teen; want de vinger des Doods raakte
schier het noodlottig getal. Ook zijne ooren stonden gespannen om het
minste gerucht op te vangen, hoe onduidelijk en geheimzinnig het mochte
zijn. Wat hem onmatig verschrikte, was, dat hij sedert eenigen tijd het
geknor van Nox niet meer had gehoord. Waar was de hond? Was hij bezig
met zijne gedaante te veranderen?
Eensklaps deed het uurwerk de lucht onder eenen scherpen metaalklank
sidderen; terzelfder tijd ontstond er een pijnlijk gehuil in het donkere
gedeelte der zaal. De hovenier slaakte eenen snijdenden schreeuw, sprong
recht en vluchtte kermend de deur uit; maar de duisternis van een gang
dreef hem terug in het vertrek. Hij liet zich geknield ten gronde vallen
en hief de bevende armen in de hoogte, terwijl hij, halfdood van schrik,
in onverstaanbare woorden 's hemels bijstand afsmeekte. Elke slag van
het uurwerk vermeerderde zijnen angst en ontrukte hem eenen nieuwen
noodkreet; maar toen hij ook den twaalfden klank had hooren versterven,
zonder dat eenig bovennatuurlijk wezen zich had vertoond, stiet hij eene
lange ademing uit, als viel er een zware steen van zijn hart, en een
zucht van blijdschap welde op uit zijnen verengden boezem.
Hij stond op, blikte rond met wijdgeopende oogen en naderde tot het bed,
waar de andere personen hijgend, stil en roerloos op den zieke staarden,
in afwachting van zijnen laatsten snik.
Reeds was de vinger des Doods op de uurplaat zichtbaar vijftien minuten
voorbij het getal XII gevorderd, en nog niemand had een woord gesproken.
Wel was er een klank als een kreet van blijdschap uit den mond der maagd
ontsnapt, maar de pastoor had door een gebiedend teeken haar de stilte
bevolen, terwijl hij, met de hand op het hart van den zieke, den
doodsstrijd volgde.
Eindelijk zeide de priester:
"Het is onbegrijpelijk: zijn polsslag, ofschoon een beetje verzwakt, is
nog regelmatig. Hij zal sterven waarschijnlijk; doch het zal nog niet in
het eerste uur zijn. Misschien zal zijn doodsstrijd zich verlengen tot
den morgen. Hij schijnt nu rustig ingesluimerd."
Theresia lachte en dankte God met opgehevene handen, als waande zij
haren oom van den dood gered.
Willem stond verbaasd te kijken; hij kon schier niet gelooven, dat de
voorzegging, die mijnheer Reimond van den geest beweerde ontvangen te
hebben, onvolvoerd kon blijven.
Jakob Mispels, nu van zijnen schrik verlost, had grooten lust om te
dansen en te zingen; hij liep met zwaaiende armen door de zaal en stapte
zelfs geruchtmakend tot verre in de duisternis, als wilde hij Nox
uitdagen en bespotten; maar het beest sliep ongetwijfeld, want het
roerde zich niet.
"Blijft stil, kinderen," zeide de pastoor. "Heeft mijnheer Reimond zich
misgrepen over het juiste uur zijns doods, dit is geenszins
verwonderlijk; maar dit mag ons niet doen denken, dat hij heden de
wereld niet zal verlaten. Matigt uwe aandoeningen, vrienden; gij bereidt
u nieuwe smarten."
Nog eens den toestand van den zieke onderzocht hebbende, keerde de
priester zich tot het meisje en zeide:
"Uw oom schijnt te slapen. Gij hebt hem een geneesmiddel doen drinken.
Wat was dat geneesmiddel?"
"Ik weet het niet, eerwaarde," was het antwoord. "Willem heeft het te
Leuven van eenen dokter gekregen."
Zij stapte tot den nachttafel, greep daar een klein fleschje en reikte
het den geestelijke, die het nauwkeurig bekeek en eindelijk eenen
druppel er van aan zijne tong bracht.
"Opium!" mompelde hij. "Nu begrijp ik ten volle: gij hebt uwen oom eenen
slaapdrank ingegeven.... Juich niet zoo onvoorzichtig, mijne dochter.
Indien hij nimmer uit dien slaap moest opstaan?"
"Maar, eerwaarde," kreet het meisje met eene blijdschap, die zij
moeielijk kon bedwingen, "het is eene eerste zegepraal op de ziekte der
verbeelding en op den dood. Indien mijn oom ontwaakt, zal hij zelf
erkennen, dat zijn geloof in de geesten hem heeft bedrogen; en, blijft
hem nog de kracht over om eenige dagen te leven, dan zal ik hem wel
genezen, twijfel daar niet aan."
"Mocht uwe hoop zich verwezenlijken, mijne dochter," zeide de priester,
het hoofd schuddende; "maar het is niet waarschijnlijk, dat uw
liefderijke wensch verhoord worde. Zulke ziekte der verbeelding laat
zich niet door eene enkele teleurstelling overwinnen. In alle geval, God
is almachtig; Hij kan wonderen laten geschieden. Smeeken wij Zijne
genade af; onze eenige toevlucht is Zijne barmhartigheid voor eenen
armen zinnelooze. Bidden wij!"
En de pastoor maakte het teeken des kruises, trok eenen stoel bij,
knielde en liet het hoofd diep op de borst vallen.
De anderen volgden zijn voorbeeld, en het werd zoo stil in de zaal,
alsof er geen levend wezen ware tegenwoordig geweest.