VIII.

De zon was glansrijk aan den zuiveren hemel opgerezen en een stralend

licht overstroomde het kasteel van Wildenborg. Mijnheer Reimond was nog

niet dood. Wel had hij de voortduring van zijn leven door geene enkele

beweging verraden; maar hij ademde nog immer als iemand, die in eenen

diepen slaap ligt gedompeld.

Op het aandringen van Peternelle, was de pastoor met Willem naar haar

huisje gegaan, om er eenen tas koffie en eene boterham te nemen; want de

goede vrouw begreep wel, dat dit lange waken hun het nuttigen van eenig

voedsel noodig had gemaakt.

Willem zat aan de kleine tafel voor den priester, en zeide in gepeinzen:

"Hoe zwak is toch het menschelijk verstand en hoe kan zijne verbeelding

tot wonderlijke dwaalbegrippen verdolen! Mijn oom heeft mij uitgelegd,

welk zijn leerstelsel is aangaande zijn geloof in de geesten. Zijne

woorden verbaasden mij; zijn stelsel scheen mij redekundig en

samenhangend als de leering van eenen volledigen godsdienst. Ik gevoelde

eene zonderlinge bekoring om de mogelijkheid zulker dingen te erkennen;

en waarlijk, eerwaarde, ofschoon ik in mij zelven zeide, dat het hoofd

mijns ooms moest ontschikt zijn, twijfelde ik of hij misschien niet

klaarder dan anderen in de bovennatuurlijke wereld en in de toekomst

zag. Dan, dit was slechts eene begoocheling mijner zinnen; nu is het mij

genoegzaam bewezen, dat de gedachten mijns ooms niets dan ziekelijke

hersenschimmen zijn."

"Ja, mijn zoon," sprak de pastoor, "de hersens des menschen vormen een

zeer ingewikkeld en uitgebreid zintuig. Er is geene onzer aandoeningen,

onzer hartstochten, onzer neigingen of onzer noodwendigheden, die niet

met ziekelijke afdwaling of met geheele verdooldheid kan worden

geslagen. Vroeger ben ik jaren lang aalmoezenier in een groot

zinneloozenhuis geweest. Daar ziet men allerlei krankheden en gebreken,

evenals in een hospitaal, met dit verschil dat niet het lichaam of de

leden ziek zijn, maar wel de wortelen der zenuwen, die uit de hersens

ontschieten. Ik heb honderden krankzinnigen gezien, die keizer en

koning, ja, door ziekelijken hoogmoed zelfs heilig of paus of God

meenden te zijn, velen roemen op het bezit van duizenden millioenen of

van gansche landstreken; sommigen haten iedereen, anderen smelten van

teederheid en vriendschap voor menschen en dieren, of schrikken van een

blad, dat beweegt, of wanen zich oorlogsheld, geleerde of uitvinder van

wonderlijke dingen. Maar de ziekte uws ooms is eene gansch bijzondere,

eene uiterst gevaarlijke, die vroeger niet bestond en eigen is aan onze

eeuw van twijfel en ongeloovigheid. Kon men door eene valsche wetenschap

de noodzakelijkheid der hoop op een toekomstig leven geheel uit het hart

der menschen rukken, het ware zeker een eindeloos ongeluk; maar de

ziekte, waaraan uw oom nu lijdt, zou niet bestaan."

"Ik begrijp niet, eerwaarde," zeide de jongeling, die met gespannen

aandacht luisterde en zelfs vergat te eten.

"Inderdaad," was het antwoord, "zonder ondervinding der zaak is het

moeielijk om te begrijpen. De mensch is geboren met een innig gevoel der

eeuwigheid van zijn eigen wezen; dit gevoel zegt hem, dat niet alles met

den stoffelijken dood kan eindigen, en dat zijne ziel zal opvaren naar

eene andere wereld, om daar belooning of straf voor zijne daden te

vinden. Deze overtuiging maakt deel van de menschelijke natuur; zelfs de

Wilden, die slechts een duister besef van het bestaan der Godheid

hebben, eeren hunne dooden, offeren hun voedsel en betuigen, dat zij aan

het voortbestaan des menschen na den dood des lichaams gelooven. Wat

doet men nu, onder voorwendsel van wetenschap of van mode? Men spoort de

lieden aan, om de geheimenissen van den Godsdienst te loochenen en te

verwerpen, alleenlijk omdat het geheimenissen zijn, en ze niet door de

menschelijke rede alleen of door stoffelijke middelen kunnen worden

bewezen. Maar men versmacht niet zoo gemakkelijk de noodzakelijkheid

onzer natuur om op de toekomst te hopen, en men belet onzen geest niet

zoo lichtelijk onverpoosd in de hoogte te zien naar het raadselwoord

onzer bestemming. Er komt dan een oogenblik, dat deze noodzakelijkheid

weder de overhand verkrijgt, en dat men bezwijkt onder de

onweerstaanbare strekking onzer ziel naar het bovennatuurlijke. In stede

van alsdan terug te keren tot den godsdienst, die de oplossing dezer

vraagpunten door eeuwenoude openbaring heeft ontvangen, blijft men slaaf

der mode, welke in zeker gedeelte der samenleving heerscht; en, om aan

eene valsche schaamte te ontsnappen, wil men hetzelfde doel langs eenen

anderen weg bereiken. Dan dwaalt het menschelijk verstand zonder licht

of leiddraad in de onzichtbare wereld der geesten; de verbeelding, dus

vlottend op de donkere zee der bovennatuurlijke dingen, kan noch kust

noch haven vinden om te rusten. Door eenen altijd klimmenden hoogmoed

verleid, schept zij stelsels en leeringen, die anders niets zijn dan de

misvormde openbaringen van het geloof, waarvan zij, eilaas, de

zuiverheid heeft verduisterd. Wat anders is het stelsel van uwen oom en

van anderen nog, dan eene belachelijke nabootsing der leerregels van den

godsdienst? Men wil niet meer gelooven, en men is evenwel door zijne

ingeborene natuur gedwongen te gelooven. Dan neemt men zijne toevlucht

tot draaiende tafels, tot slapende profeten, tot sprekende geesten en

andere hersenschimmige dingen; en, terwijl men alle geheimenissen en

wonderheden verwerpt, gelooft men zich zelven eenen mirakeldoener en

eenen geestendrijver! En wat is dikwijls het einde daarvan? Het

krankzinnigenhuis."

"Wonderlijk toch," bemerkte Willem, "dat een geleerd en anders

verstandig man, als mijn oom, tot het geloof aan zulke onbestaanbare

dingen kan verdolen!"

"Het is geenszins wonderlijk, mijn zoon," antwoordde de pastoor. "Gij

hebt gezien, hoe de arme Jakob Mispels onophoudend door hersenschimmige

gevaren wordt gefolterd, hoe de vrees voor spoken en duivels zelfs het

besef van Gods almacht en rechtvaardigheid in hem verduistert? Dit is

het bijgeloof der eenvoudige en ongeleerde lieden, wanneer zij door

afdwaling des gevoels de leering van den godsdienst overdrijven. Zoo is

integendeel de dweperij met kloppende tafels, sprekende geesten en

andere dingen van dien aard het bijgeloof van de hoogere en middelbare

standen der maatschappij, inbeeldsels, even belachelijk als de droomen

van Jakob Mispels, en zeker min verschoonbaar. Laat iemand beweren, dat

hij het middel heeft gevonden om eenen hoed te doen spreken of eenen

slapende door de muren te doen zien, even ras is de gansche wereld er

mede bemoeid. Niet de arme eenvoudige lieden, neen, rijken en geleerden,

dames uit de groote wereld, wijsgeeren, dokters, staatkundigen. Zeker,

velen leenen zich uit scherts of uit mode tot zulke algemeene

ingenomenheid; maar zij zijn niet min schuldig aan de gevolgen dezer

afdwaling van het besef der waarheid en der wezenlijkheid. Het bijgeloof

aan geesten en aan verborgene geheimzinnigheden is uiterst besmettelijk.

Nauwelijks heeft zulke beklaaglijke hersenkoorts eenigen tijd geduurd,

of de zinneloozenhuizen krielen van ijlhoofdige mirakeldoeners. En,

eilaas, van alle ziekten des geestes is de verdwaling der verbeelding in

het bovennatuurlijke de minst geneesbare!"

"Alzoo, eerwaarde, gij gelooft waarlijk, dat mijn arme oom zal

bezwijken?" vroeg de jongeling met treurige stemme.

"Ik heb slechts eene zeer zwakke hoop, mijn zoon. Mij blijft altijd nog

de vrees, dat hij uit den langen slaap niet zal opstaan, of slechts zal

ontwaken om te sterven."

"Mijne nicht is zoo gelukkig nogtans; hare blijdschap verscheurt mij het

hart."

"Mij boezemt het arme meisje insgelijks medelijden in," bevestigde de

priester, het hoofd schuddende. "Zij schijnt haren oom met

overdrevenheid te beminnen, en zij worstelt tegen den dood met eene

heldhaftige standvastigheid. Wat smartelijke slag zal haar treffen,

indien zij hare hoop teleurgesteld ziet!"

Willem meende nog zijne nicht te beklagen; maar daar kwam de hovenier

met de armen in de hoogte de kamer ingesprongen, en riep:

"Mijnheer pastoor, mijnheer Willem, komt, komt, mijn meester leeft nog;

hij heeft de handen verroerd en zich op de zijde gelegd in zijn bed!"

"Is hij ontwaakt? Heeft hij de oogen geopend?" vroeg de priester.

"Neen, neen; maar Theresia zendt mij om u te roepen."

"Misschien vreest zij, dat zijn uur is gekomen!" murmelde de pastoor.

"Kom, mijn zoon, wij zullen gaan zien. Houd u sterk; tranen noch

klachten kunnen den dood verjagen, wanneer God hem toelaat tot een

mensch te naderen."

Toen zij in de bovenzaal traden, zagen zij wel, dat Theresia hun teekens

van blijdschap deed; maar iets anders dan dat de zieke op de zijde lag,

bemerkten zij niet.

"Hij heeft zich verroerd, eerwaarde; hij gaat ontwaken!" murmelde

Theresia met teruggehoudene stem.

"Is het niet eene krampachtige beweging, die hem heeft aangegrepen?"

vroeg de priester even stil.

"Neen, neen, hij heeft zich langzaam en zeer zacht op de zijde gelegd.

Ik meende hem te roepen; maar ik dorst niet, eerwaarde; gij hebt het mij

verboden."

De pastoor naderde tot het hoofdeinde en sprak luid:

"Reimond, hoort gij mij?"

Eene siddering scheen de leden van den zieke te doorloopen. Hij opende

de oogen zoo wijd en met zulken glasachtigen blik, dat Jakob Mispels,

eenen angstkreet slakend, in de kamer terugsprong, als hadde een spook

hem aangegrijnsd.

Mijnheer Reimond, alhoewel zijne oogen geopend waren, zag klaarblijkend

nog niet, of ten minste de bewustheid en de herinnering waren nog

afwezig; maar allengs kwam er leven in zijnen blik, en dan, den pastoor

en het meisje verbaasd aanstarende, mompelde hij:

"In de wereld der zielen? Gij insgelijks? Er zijn jaren verloopen? Gij

zijt allen gestorven?"

Theresia stak haren arm onder zijn hoofd en zoende hem, terwijl zij met

tranen van geluk uitriep:

"Neen, neen, oom lief, wij leven en gij insgelijks! Gij zijt gered, de

dood is overwonnen. God heeft u behouden voor onze dankbaarheid, voor

onze liefde!"

"Gij leeft? Ik leef?" kreet Reimond met eene soort van afgrijzen.

"Achteruit, weg, laat mij los!"

En, zittend in zijn bed zich oprichtende, staarde hij verstomd en bevend

rond de kamer, als kon hij zijne oogen niet gelooven.

"De zon, de dag, het licht?" morde hij. "Zes uren? Ik ben niet dood?

Eilaas, welk ongeluk! Ik wil niet leven, ik wil sterven!"

En hij sloeg zich de handen voor het aangezicht en stortte tranen van

spijt en verdriet, omdat hij, in stede van naar zijne gewaande wereld

der zielen verhuisd te zijn, zich nog in stoffelijken vorm op aarde

bevond.

Theresia liet hem eene wijl aan zijne droefheid overgeleverd, totdat

hij zijn aangezicht weder ontdekte. Dan voegde zij de handen te zamen en

smeekte met eene zoo zoete stem, dat de klank er van alleen het hart

ontroerde:

"O, mijn goede oom, heb toch eenig medelijden met mij! Zie mijne tranen.

Ik heb God zoo vurig gebeden, dat Hij u liete leven. Mijn gebed is

verhoord, en gij wilt sterven? Gij zoudt dus tegen den Hemel zelven

opstaan, om ons, die u zoo innig beminnen, met smart en met wanhoop te

overladen? Onmogelijk, zulke wreedheid is vreemd aan uwe milde natuur.

Gij kunt de waarheid niet meer loochenen: vermits gij nog leeft, was het

eene dwaling, te gelooven dat gij moest sterven."

"Ja, ja, het was eene dwaling," morde hij, "maar er zijn misleidende

geesten."

En de hand van zijnen neef grijpende, zeide hij klagend:

"Willem, Willem, het was een spotgeest! Hij heeft mij jaren lang

bedrogen. Indien ik nog niet onmiddellijk tot de wereld der zielen mag

opvaren, zullen wij te zamen eenen rechtzinnigen geest zoeken, en wij

zullen hem vinden, wees zeker.... Maar, indien hij mij insgelijks

aangaande uw huwelijk had misleid? Gij zijt vrij, mijn neef; alhoewel

uwe nicht een goed en liefderijk meisje is, zijt gij niet verplicht met

haar te trouwen."

"Het is de wil van God: wij moeten vereenigd worden, om te zamen u

gelukkig te maken, oom lief," mompelde Willem, die schier niet spreken

kon van ontroering.

"Mij gelukkig maken?" herhaalde Reimond met eenen lichten spotlach. "Gij

meent dus, dat ik nog lang op aarde zal blijven?"

"Ja, ja, weldoener mijner ouders, ja, goede oom, gij zult leven tot

eenen hoogen, zaligen ouderdom!" riep Theresia, hem streelend de armen

om den hals slaande. "Tot nu toe was de wereld voor u eene sombere,

droeve eenzaamheid. Wij zullen ze rondom u verlichten, al die vijandige

gepeinzen van u verjagen en u bewijzen, dat God de aarde schoon en

vroolijk genoeg heeft gemaakt, om er geduldig te wachten totdat Hij ons

roepe. Bezie mij. Die oogen stralend van genegenheid tot u, dat

voorhoofd waarop de mismoed nog geene rimpelen heeft gegraven, die mond

u toelachend van dankbaarheid, zullen zij u niet meer verheugen dan het

grimmig doodshoofd, waarop gij jaren lang hebt gestaard? Ach, aanvaard

het leven, dat u overblijft. De bloemen des moeds en der blijheid zullen

voor uwe voeten ontschieten bij elken stap. Gij zult eten, sterk worden,

de milde natuur beminnen; wij zullen wandelen, rijden, op reis gaan,

zingen, juichen, God danken, weelde rondstrooien, de armen helpen, in de

liefdadigheid de zon zoeken, die uw edelmoedig hart met het licht der

zelfvoldoening moet vervullen! O, ik smeek u, geef mij een troostend

woord! Droog mijne tranen; zeg, dat gij niet meer wilt sterven!"

Reimond scheen half overwonnen; doch hij worstelde nog en schudde

twijfelende het hoofd.

Willem trad nader.

"Oom lief," sprak hij met eene stem, die van diepe ontsteltenis

getuigde, "wat Theresia u voorspelt, zal waarheid worden. Ons gansche

leven, elk oogenblik van ons bestaan zal aan uw geluk worden toegewijd.

O, weersta haar gebed niet langer; verjaag het ziekelijk denkbeeld des

doods! Waarom nog denken aan de openbaringen van eenen geest, die u zoo

wredelijk heeft bedrogen?"

"En gij zult mij helpen om eenen goeden geest te vinden?"

"Ja, ja, ik zal al doen wat gij verlangt."

"Hij is gevonden, de goede geest!" juichte Theresia. "Ik ben de goede

geest; ik zal u verdedigen tegen de bekoringen van de vijanden der

ziel!"

"Welnu, kinderen," riep Reimond, de armen openende, "zijt tevreden, ik

zal leven zoolang het God belieft!"

Een zegevierende schreeuw klonk door de zaal, en de beide jongelieden

sprongen juichend de omhelzing van hunnen oom te gemoet.

De pastoor schouwde dankend ten hemel.

Jakob danste, Peternelle lachte, en Nox, de hond, liep kwispelstaartend

en van vreugde knorrend rondom het bed.

* * * * *

Nu is Wildenborg een schoon buitengoed. Wegen en dreven zijn door het

bosch getrokken; het kasteel is hersteld en glanst uit de verte door het

blinkend wit zijns gevels en het helder-groen zijner vensters. Geen

onkruid meer in den hof; slingerende paden, lustboschjes en bloemen

overal. De lucht is er beladen met balsemgeuren; de eenzaamheid is er

bezield door den zang der vogelen en door de galmen eener zoetluidende

vrouwestem, welke des avonds begeleid wordt door de klanken der piano of

der luit. Men houdt er dienstknechts, meiden en hoveniers. Er is

dikwijls gezelschap; somwijlen rijden er op éénen dag vier of vijf

koetsen door den hof; somwijlen ook is het als eene processie van arme

menschen, die de dreef instapt om naar het kasteel te gaan, waar de

pastoor, in naam der eigenaars van Wildenborg, milde en overvloedige

aalmoezen uitdeelt.

Mijnheer Reimond leeft nog; hij wandelt gansche dagen in den hof; hij is

zelfs liefhebber van bloemen geworden en lacht niet zelden de natuur aan

als ware het leven op aarde hem zoet.

Wel heeft hij nu en dan neiging naar eenzaamheid; wel schijnt hij nog

immer aangedreven om opnieuw in gemeenschap met de geesten te komen;

maar zoohaast zijne afgetrokkenheid of de vastheid van zijnen blik die

strekking verraadt, omringen hem geesten van eenen anderen aard,

engelen, die hem geene rust laten en tegen zijne geheime gepeinzen

worstelen, totdat ze weder geheel zijn overwonnen en verjaagd.

Deze goede geesten zijn Willem en zijne echtgenoote Theresia; deze

beschermengelen zijn hunne vier lieve kinderen, die geleerd hebben, den

ouden oom te beminnen, en die hem tergen en op zijnen rug klimmen, en

hem streelen en hem zoenen, totdat de glimlach der voldoening zijn

gelaat kome bestralen.

Jakob Mispels rust op het kerkhof onder een schoon kruis; Peternelle

woont nog in haar huisje, en heeft eene meid, om haar te dienen.

Nox, de hond, is van ouderdom half lam; maar het arme beest doet nog

geweld om zich dankbaar te toonen voor zijne meesters en hunne kinderen,

die allen jegens hem goed zijn en voor hem zorgen.

[Voetnoot 1: Necromancie]

[Voetnoot 2: Phrenologie.]

De Ziekte der Verbeelding · 第 10 / 11 题