VI.

Terwijl Theresia, nevens haren oom zittend, zwijgend en met kloppend

hart op het beslissend antwoord van den geest wachtte, kwam Willem van

zijne reis naar Hasselt terug.

Hij deed den man, die zijnen koffer voerde, voor het hek stilhouden,

betaalde hem zijn loon en riep op den hovenier.

Jakob Mispels kwam buiten, droeg den koffer in huis en zeide dan tot den

jongeling met eene uitdrukking van geheimzinnigheid en schrik:

"Willem, zij is op het kasteel."

"Wie? mijne nicht?"

"Zij zegt ten minste, dat zij uwe nicht is en Theresia De Wit heet; maar

God beware ons, zij schijnt veeleer de nicht of de zuster van Nox!"

"Zij is dus zeer leelijk?" vroeg de jongeling in gepeinzen.

"Afgrijselijk, Willem! Zij heeft haar, dat te berge staat boven haar

voorhoofd: hare oogen fonkelen als gloeiende kolen; haar mond is nijdig

en boos. Wanneer zij u beziet, dringt haar blik u tot in het binnenste

der ziel en doet u ijskoud worden."

"Welk portret maakt gij daar van mijne nicht!"

"Indien zij uwe nicht is, Willem."

"Gij twijfelt er aan? Wat wilt gij zeggen?"

"Ik weet het zelf niet. Gij zult met mij spotten, evenals Peternelle.

Sedert gij op het kasteel gekomen zijt, gebeurt er iets met mijne arme

vrouw, dat mij onuitlegbaar schijnt. Zij gelooft aan niets meer!"

"Wat gij zegt, Jakob, schijnt mij nog veel onuitlegbaarder. Theresia De

Wit zou mijne nicht niet zijn?"

"Lach met mij zoo gij wilt; maar het zou mij niet verwonderen, Willem,

dat in de plaats uwer nicht een tweede duivel op Wildenborg ware

gekomen, om tegenwoordig te zijn bij het helsche feest, dat, eilaas,

morgen hier zal worden gevierd."

"Begint gij alweder met uwe dwaasheden?" viel de jongeling hem in de

rede. "Wees toch redelijk, ik bid u."

"Dwaasheden?" kreet Jakob Mispels. "Heeft de booze geest niet dikwijls

genoeg de gedaante eener vrouw aangenomen, om de menschen in zijne

strikken te vangen? Is het niet waar misschien, dat eertijds een graaf

van Vlaanderen, zonder het te weten, gedurende vijf jaar met den duivel

of met eene duivelin is getrouwd geweest? Ach, mijn arme Willem, ik doe

geweld om niet te weenen. Gij ook moet trouwen met het onbekende

schepsel, dat beweert uwe nicht te zijn! Indien mijn schrikkelijk

vermoeden eens gegrond ware! Gij, echtgenoot van eenen helschen geest?

Het denkbeeld alleen doet mij sidderen van hoofd tot voeten."

"Heeft mijn oom u van dit huwelijk gesproken?"

"Ja, tot mijn groot verdriet. Hij wil noch gebeden noch smeekingen

aanhooren. Het doodshoofd zegt, dat gij met Theresia De Wit moet

trouwen, en de zwarte man...."

Zijne vrouw Peternelle, die op dit oogenblik uit den stal kwam, hoorde

zijn laatste woord en riep verstoord uit:

"Zwijg, zinnelooze die gij zijt. Ik had u verboden, mijnheer Willem met

uwe dwaze grillen te vervelen, en daar zijt gij weder volop aan den

gang.... Geloof hem niet, Willem. Hij zal u alle soorten van gekheden

wijsmaken en u zeggen, dat uwe nicht leelijk is, maar hij bedriegt u.

Theresia De Wit is een schoon, lieftallig en vroolijk meisje; en, mocht

men de menschen aan bovennatuurlijke wezens vergelijken, dan zou men

veeleer moeten zeggen, dat zij een engel is."

"Een engel! Waar zijn toch uwe zinnen, vrouw," riep Jakob met

verontwaardiging. "Heeft een engel zulk rechtstaand haar en zulke

fonkelende, venijnige oogen? En hebt gij niet gezien, hoe minnelijk Nox

haar de handen lekte, als ware hij verblijd eenen ouden vriend of eene

oude vriendin terug te vinden?"

"Kinderachtigheden altemaal," hernam Peternelle. "Vermits mijnheer

Willem met Theresia De Wit moet trouwen, wensch ik hem geluk, dat het

lot hem eene fraaie en bekoorlijke bruid heeft bestemd."

"Ik bedank u, goede Peternelle," zeide de jongeling met eenen glimlach.

"Uw wensch is evenwel ijdel; want ik zal niet trouwen."

"Bravo, dan zal de duivel bedrogen zijn!" juichte Jakob.

"Maar, Willem," bemerkte Peternelle, "indien gij weigert te trouwen, zal

uw oom u onterven. Gij hebt groot ongelijk: uwe nicht is eene bevallige

juffer, en honderden in uwe plaats zouden juichend zulke schoone bruid

aanvaarden."

"Schoon?" gromde Jakob. "Zij is terugstootend en leelijk, zeg ik u!"

"Zij is minzaam en bekoorlijk."

"Zij heeft oogen gelijk Nox!"

"Zij heeft levendige blauwe oogen."

"Nu, vrienden, eindigt dien nutteloozen twist," viel Willem in. "Het is

mij onverschillig, of mijne nicht leelijk zij of niet. Daarenboven, ik

zal haast weten, wie van u beiden zich misgrijpt."

De oude Jakob, die de deur genaderd was, wierp eenen blik naar buiten;

hij sprong terug in de kamer, greep den arm des jongelings, trok hem

naar de deur en zeide:

"Daar is zij! Zij staat in den hof; ik geloof zelfs, dat zij naar hier

komt! Zie, of ze niet vreemd en leelijk is."

Maar nauwelijks had Willem de maagd beschouwd, die droomend en met

gebogen hoofde te midden van den hof stond, of hij deinsde achteruit en

slaakte eenen versmachten schreeuw. Hij was bleek als een linnen en hij

staarde met wijd geopende oogen rond de kamer als iemand, die duizelig

is van verbaasdheid of van schrik.

"Niet waar, niet waar, het is de zwarte man? Gij hebt hem herkend?"

zuchtte Jakob. "Ach, ik heb den dood op het lijf. Zie mij beven als een

blad! God sta ons bij!"

"Onbegrijpelijk!" morde Willem. "Neen, het is geene begoocheling; mijne

zinnen zijn niet ontschikt. Zouden er waarlijk vreeselijke dingen op

Wildenborg gebeuren? Die vrouw, een schijn, eene valsche gedaante?"

Op dit oogenblik trad Theresia De Wit in de kamer.

Zoohaast zij den jongeling had gezien, bleef zij verrast staan, als door

eenen geheimen slag getroffen; zij insgelijks verbleekte, maar even ras

kleurde eene hooge rozetint haar wangen en voorhoofd. Met eenen blijden

glimlach op de lippen zeide zij:

"Gij hier, mijnheer? Ha, misschien is het God zelf, die u zendt!"

"Rosa mystica!" kreet Willem met de handen opgeheven. "Mijne nicht?

Onmogelijk, onmogelijk! Mijn hoofd is ontsteld, alles draait voor mijn

gezicht. O, verlos mij uit dien schrikkelijken twijfel! Wie zijt gij?"

"Ik ben Theresia De Wit en, dank zij den hemel, waarschijnlijk uwe

nicht."

"Maar, neen!" riep Willem met ziekelijke aan gejaagdheid. "Zijt gij de

Rosa mystica, die ik van kindsbeen af heb bewonderd en bemind, dan is uw

naam Flora. Mijne nichte Theresia De Wit kunt gij niet zijn."

"De verklaring van dit raadsel is gemakkelijk," antwoordde het meisje.

"Toen ik, als onderwijzeresse der juffers de Bernavaux, op het kasteel

van Everdaal kwam, vond men den naam Theresia te gemeen en men heette

mij Flora."

"Ho, zou het toch mogelijk zijn!" galmde Willem met groote blijdschap.

"En het kind, dat ik te Brussel in de processie voor een engel aanzag?

De Rosa mystica?"

"Dat kind was ik, Theresia De Wit, uwe nicht."

Met eenen kreet van geluk liep Willem tot de maagd en greep bevend hare

handen in de zijne.

"Gij zijt de bruid, die God zelf mij heeft voorbestemd," zeide hij.

"Onze oom, zijn geest, wil, dat gij mijne vrouw wordet. Gij weerstaat

den wil van het noodlot niet?"

"Ik heb geweigerd," was het antwoord.

"Geweigerd! Zoudt gij de hoop van mijn gansche leven verbrijzelen? O,

heb medelijden met mij!"

"Ik kende u niet en schrikte terug van een huwelijk met iemand, dien ik

nog nooit had gezien. Maar gij, mijnheer, gij, kozijn, gij hebt dus de

hand eener onbekende aanvaard?"

"Neen, neen. Nu echter ga ik mijnen oom zegenen, mijnen oom en de

bovennatuurlijke macht, die ons heeft beheerscht sedert onze kindsheid.

Kwam nu slechts de goede Nox om ons te roepen! Wat zal onze oom blijde

zijn, als hij zal weten, dat wij ons met geluk aan de beslissing van den

geest onderwerpen!"

"O, Hemel!" riep het meisje eensklaps, "onze oom is bezig met het

doodshoofd te raadplegen! Uit medelijden met mijn verdriet wil hij

zijnen ingebeelden geest eene nieuwe beslissing afdwingen. Gebeurt het

zoo, dan zal een even wreed vonnis tusschen ons geveld worden. Kom, kom,

op Nox niet gewacht; loopen wij tot onzen oom; rukken wij hem van het

doodshoofd weg, voordat eene nieuwe dwaling in zijn krank verstand zich

hebbe geworteld!"

En beiden ijlden ter kamer uit.

Jakob Mispels stond te beven en veegde zich eenen traan uit de oogen, in

de overtuiging dat de arme Willem onder de bekoringen des duivels was

bezweken. Peternelle integendeel lachte en juichte.

Toen de jongelieden ongeroepen in de zaal des kasteels traden, riep

mijnheer Reimond op vasten toon hun toe:

"Nutteloos, onmogelijk! Gij moet te zamen trouwen: de geest wil het!"

Willem sprong tot zijnen oom, omhelsde hem vurig en zeide:

"O, lieve oom, mijne dankbaarheid voor u is grenzenloos. Wij onderwerpen

ons met vreugde aan den wil van den goeden geest. Ik trouw, hoe eerder

hoe liever! De bruid, die gij mij hebt voorbestemd, is de Rosa mystica,

het beeld, dat mijn gansche leven heeft beheerscht...."

"Hoe, wat zegt gij?" onderbrak Reimond verbaasd. "Zij? uwe nicht, de

Rosa mystica, wier verrassende geschiedenis gij mij hebt verteld?"

"Ja, zij is de ziel, aan welke mijne ziel door eene geheimzinnige keten

was verbonden. Dank, dank; ik zegen u; gij overlaadt mij met geluk: al

mijne wenschen zijn vervuld als door eenen tooverslag!"

Mijnheer Reimond wreef zich de handen; zijne oogen glinsterden van

zegevierende blijdschap.

"Ha ha!" juichte hij, "zoo bewijzen de geesten hunne wetenschap en hunne

macht! Welnu, mijn zoon, twijfelt gij nog? De geheimzinnige invloed, die

u heeft vergezeld gedurende geheel uw leven, om op een bepaald oogenblik

u hier te zamen te brengen en u een voorspeld huwelijk als een opperst

geluk te doen afsmeeken? Kunt gij dit alles wel verklaren, zonder de

tusschenkomst van wezens, die bekend zijn met den wil van God?"

"Wonderbaar, onbegrijpelijk!" morde Willem. "Die goede, milde geest was

misschien mijn engelbewaarder...."

"Neen, mijn vriend, het is eene dier wachtende zielen, die de ruimte

vervullen en daar niet zelden, als boden des Heeren, tot de vervulling

Zijner besluiten medewerken. Gij ziet wel, dat de openbaringen van den

geest onwederroepelijk zich moeten vervullen; en alle tegenstand ijdel

en nutteloos is."

"Ja, heer oom, ten mijnen opzichte is de verwezenlijking zijner

openbaringen bereikt door geheimzinnige wegen, wier onfeilbaarheid mij

doet verstommen."

"En gevolgelijk is mijne opvaart naar de andere wereld even

onherroepelijk vastgesteld.... Maar gij, nichte, gij zwijgt en schijnt

niet verheugd? Stemt dit huwelijk dan niet overeen met den wensch uws

harten?"

Het meisje had bij zijne laatste woorden van verdriet of van schrik

gesidderd. Zij antwoordde op treurigen toon:

"Ik aanvaard, niet van de geesten maar als eene gift van God, den

bruidegom, dien Zijne goedheid mij sedert lang heeft voorbeschikt. Mijne

vreugde is echter vergald door eene smartelijke vrees. Wat hier door

eenen wonderlijken samenloop van omstandigheden geschiedt, zal u

misschien bevestigen in de overtuiging, dat gij morgen moet sterven. Ik

had besloten de wreede gedachte des doods in u te bevechten, en ik

juichte reeds over de waarschijnlijke zegepraal."

"Eenvoudig meisje, waarom nog gestreden tegen eene onverwinbare macht?

Wist gij, hoe mijne ongeduldige ziel zucht en snakt naar het oogenblik,

dat zij tot de wereld der geesten, haar waar vaderland, zal mogen

opklimmen!"

Na eenige oogenblikken stilte voegde Theresia de handen te zamen en

zeide met tranen in de oogen:

"Oom lief, heb toch medelijden met mij! De gedachte, dat gij morgen

zoudt kunnen sterven, verbrijzelt mij het hart. Gij, uit wiens milde

hand wij met het stoffelijk welzijn een gansch leven van geluk en

zielsgenoegen ontvangen, gij zoudt morgen voor altijd aan onze

dankbaarheid worden ontrukt? O, gij moet leven, opdat wij onze schuld

jegens u zouden kunnen betalen!"

"Nutteloos, alles is nutteloos," morde Reimond.

"Maar, Willem," kreet het meisje, "blijf niet zoo werkeloos; laat mij

niet alleen tegen die wreede begoocheling worstelen. Onze weldoener zou

morgen sterven? Neen, neen, dit kan niet dit mag niet zijn: wij moeten

hem danken, hem beminnen, hem gelukkig maken tot het natuurlijk einde

van een lang en vroolijk leven."

De jongeling hoopte niet, dat de dwaalgedachte zijns ooms nog te

overwinnen was, hij zeide evenwel:

"Heer oom, luister naar de liefderijke bede van Theresia. Blijf op aarde

om uw werk te zien en ons geluk te deelen!"

"Welke dwaze gedachten verduisteren uw verstand?" viel Reimond

ontevreden uit. "Meent gij dan, dat mijne toestemming voldoende kan zijn

om den geest tot eenen leugenaar te maken? Ho, gij lastert en hoont den

geest, die uw geluk heeft voorbereid."

Theresia, wier dankbaar hart geweldig in opstand kwam bij de

overtuiging, dat de beschermer harer ouders, dat haar edelmoedige

weldoener het slachtoffer van een beklaaglijk dwaalbegrip ging worden,

verhief het hoofd en zeide met zekere stoutheid:

"Maar oom, verontschuldig mij en laat mij toe, u te zeggen wat ik de

waarheid meen te zijn. Er woont geen geest in het doodshoofd; uw lichaam

is niet krank en niets verplicht u te sterven. Uwe verbeelding alleen is

ziek."

"Aldus, gij waant mij zinneloos?" morde Reimond met droeven spot. "Het

is zóó dat gij mij wilt beloonen, evenals uw vader deed?"

"Mijn vader vervulde zijnen plicht en ik wil den mijnen vervullen tot

het einde. Gij zult niet sterven, gij hebt noch voor God nog voor de

menschen het recht om u zelven te dooden. Indien gij morgen ophoudt te

leven, zal hier niet de uitspraak van ingebeelde geesten volvoerd zijn;

neen, maar de vertoornde hemel zal eenen akeligen zelfmoord aanschouwen.

Ach, heb medelijden met uwe arme ziel; lever ze niet schuldig aan het

oordeel van den oppersten Rechter!"

Reimond zag haar, het hoofd schuddende, aan.

"Nicht, nicht!" zeide hij, pijnlijk aangedaan, "waarom martelt gij mij

door dien laster tegen de geesten? Uwe woorden doorvlijmen mijn hart als

messen. Ik zou mij moeten vergrammen, u verwijderen misschien om zulke

plechtige taal niet meer te hooren; maar ik begrijp, dat een gevoel van

dankbaarheid en en van liefde u doet verdwalen. Ongelukkig kind, gij

vreest dus niet, dat de wraak der geesten al het geluk vernietige, dat

anders u op de wereld stond te wachten?"

"Gij bedriegt u, mijn oom; uwe verbeelding doolt," zeide de maagd.

"Heb medelijden met haar, oom lief!" smeekte de jongeling.

"Gij ook, Willem, gij blijft in uw hart loochenen, dat de geest van het

doodshoofd vooruitziet in de toekomst?" kreet Reimond verbaasd en gram.

"Neen, ik gevoel mij de macht niet meer om het langer te miskennen,"

antwoordde Willem aarzelende; "maar wat uwen dood betreft, is zijn

vonnis zoo wreed, dat Theresia's dankbaar hart het weigert te

aanvaarden."

"Willem, ik bezweer u, wees oprecht in dit opperst oogenblik!" riep de

maagd. "Waarom veinst gij aan het bestaan van dien kwaden geest te

gelooven? Dit is het middel niet om onzen oom van zijne noodlottige

dwaling te genezen."

"Zwijg, nichte, zwijg!" gromde Reimond, de handen in de hoogte heffende.

"Onvoorzichtig en vermetel kind, wilt gij dan eenen hopeloozen strijd

tegen de geesten voeren? In deze onmogelijke worsteling moet gij

bezwijken."

"Welnu, heer oom, laat mij den strijd ten minste beproeven. Ik zal u

bewijzen, dat ik machtiger ben dan uwe geesten. Wildet gij doen wat ik u

zou aanraden, binnen eene week wandeldet gij reeds lachend en juichend

met ons in den hof!"

"En wat zou ik moeten doen?" spotte Reimond.

"Ten eerste, gij zoudt goed voedsel moeten nemen, dat ik zelve en

onmiddellijk u zou bereiden. Vleesch, ossenvleesch."

"Ho! vleesch? Gij zijt zinneloos!" kreet Reimond met afgrijzen.

"Brood dan, eieren, melk."

"Mijn lichaam is reeds half gestorven; het weigert alle voedsel."

"Laat dan ten minste geneesheeren op Wildenborg komen. Willem zal ze in

de naastgelegene dorpen gaan opzoeken."

"Geneesheeren? Ik zou opstaan tegen de geesten en hen laten gelooven,

dat ik twijfel aan de onveranderlijkheid hunner besluiten? Vreemdelingen

op Wildenborg? Valsche geleerden, die de menschelijke wetenschap

aanbidden en de wetenschap der geesten bespotten en loochenen?"

"Ik smeek u, oom lief, verwerp mijne bede niet, ik zal u beminnen en

dankbaar zijn, mijn leven lang!" zuchtte het meisje, hem teederlijk

omhelzende.

Maar mijnheer Reimond, die over haar aandringen diep was verstoord,

wierp hare armen van zijne schouders en zeide op strengen toon:

"Verwijder u, nichte. Te lang heb ik uwe zinnelooze taal aangehoord, ik

hoopte zulke smart niet meer te moeten onderstaan vóór mijne opvaart

naar de wereld der zielen. Ik vergeef u, in aanzien uwer onwetendheid.

Ga, Theresia, verlaat deze zaal; uwe tegenwoordigheid is mij pijnlijk."

Het meisje, in stede van te gehoorzamen, liet zich op eenen stoel

vallen, legde de handen voor de ogen en begon overvloedig te weenen.

"Ach, heer oom," smeekte Willem, "heb deernis met mijne arme nicht! Het

denkbeeld uws doods verscheurt haar het hart. Al wat zij zeide, werd

haar ingesproken door de dankbaarheid, door de zucht om iets tot uw

geluk op aarde te mogen bijdragen. Nu verstoot gij haar en jaagt haar

weg! Zij kan dwalen, maar zulke wreede straf toch heeft zij niet

verdiend."

"Kom, nichte, ween niet meer," zeide Reimond. "Blijf nog met mij, ik heb

u van ernstige dingen te spreken; maar geef wel acht op de voorwaarde,

die ik stel, zoowel voor Willem als voor u. Zoohaast één uwer nog een

woord rept over hetgeen gij mijnen dood noemt, of over voedsel of over

geneesheeren, verwijder ik u onverbiddelijk uit mijne tegenwoordigheid.

Die voorwaarde wil ik geëerbiedigd zien, niet alleen heden, maar

insgelijks morgen, tot het uur mijner opvaart naar de wereld der zielen.

Aanvaardt gij Theresia? Antwoord mij, of vertrek oogenblikkelijk van

hier!"

"Eilaas, kan het niet anders zijn, ik zal mij aan het wreede noodlot

onderwerpen!" klaagde de maagd.

"Welnu, luistert dan; want ik ben zeer moede en ik snak om alleen te

zijn. In de lade dezer tafel zult gij na mijn vertrek van de aarde een

eigenhandig testament vinden, dat u beiden instelt tot erfgenamen mijner

goederen. Ik zal aan Jakob Mispels en aan zijne vrouw een legaat maken,

om hunne lange en trouwe diensten te beloonen; gij zult hen in bezit

dezer gift stellen zonder moeielijkheden en zonder kosten voor hen, en,

willen zij in hun huis op Wildenborg blijven wonen, verdrijft ze nimmer.

Mijnen hond Nox beveel ik aan uwe zorg. Hij was mijn eenige vriend in de

lange eenzaamheid. Dat hem niets ontbreke zoolang hij leeft; herinnert

u, dat, indien het arme beest wierd mishandeld of gebrek leed, mijne

ziel in de andere wereld er om zou treuren. Gij belooft dezen mijnen

wensch getrouw te vervullen?"

"Ja, heer oom," antwoordde Willem, "wij zullen voor Nox zorgen met

liefde, niet alleen omdat hij een trouw en verkleefd gezel van onzen

weldoener was, maar tevens in de overtuiging, dat onze bezorgdheid voor

hem u in de wereld der zielen zal verblijden."

"Dank, dank, mijn goede neef," zeide Reimond met innige tevredenheid.

"Gij zult eens in de verborgene wetenschap dringen; uwe natuur is niet

verre van de noodige zuiverheid. Ho, welk geluk, indien ik, ofschoon

niet stoffelijk levend, door u kon gehoord worden en met u kon spreken!

Ik laat u alleen en persoonlijk het doodshoofd tot erfdeel. Houd het in

waarde, het is een kostelijker voorwerp dan de kroon eens konings.

Wanneer gij na uw huwelijk de rust des gemoeds zult teruggevonden

hebben, trek u dan somtijds in eenzaamheid terug, zet u neder voor het

doodshoofd en doe met aanhoudendheid en vasten wil wat ik u heb geleerd.

Bekomt gij de macht om den geest van het doodshoofd te zien en te

hooren, dan zult gij tevens machtig genoeg geworden zijn, om mijne ziel

op te roepen. Ik zal komen, en wij zullen te zamen spreken van

wonderbare, verborgene dingen, en mijn raad zal u en uwe echtgenoote

wapenen tegen alle verdriet en tegen alle wederwaardigheid. Reikt mij

nu de hand, kinderen, en verdrijft alle smart, zijt vroolijk als ik. De

dag van morgen is een feestdag. Het afscheid van eenen goeden vriend,

die vertrekt om een eindeloos geluk te gemoet te gaan, mag u niet

pijnlijk vallen.... Kom, Theresia; gij aarzelt om mij de hand te geven?

Het is geen beslissend vaarwel: morgen zullen wij elkander nog zien."

De maagd naderde langzaam; de hand, die zij haren oom toereikte, scheen

te beven.

"Heb moed, mijne dochter," zeide Reimond. "Uwe meening aangaande den

dood is eene menschelijke dwaling. Sterven is het einde eener lastige

taak bereiken, het is de vrede na den oorlog; de verlossing eener ziel

uit de stof, die hare verhevene natuur verduisterd hield. Maar genoeg

daarover, vermits het u bedroeft.... Nichte, gij kunt op het kasteel

niet slapen en zult in het dorp moeten vernachten. Er is daar, in het

Gulden Paard, goede herberg bij brave, godvreezende lieden. Jakob

Mispels zal u vergezellen. Ik zal hem een briefje medegeven voor den

pastoor; deze goede priester zal over u waken en u zeggen wat gij te

doen hebt. Gaat nu, mijne vrienden, en blijft helder van gemoed en

gerust van hart tot morgen."

De beide jongelieden verlieten zwijgend de zaal. Willem zuchtte,

Theresia weende.

In den hof voor de deur van den gang bleef het meisje staan en zeide tot

haren kozijn:

"Ach, ik kan mij aan de schrikkelijke gedachte zijns doods niet

gewennen, Er moeten middelen bestaan om dit ongeluk te voorkomen; maar

hoe deze middelen ontdekt, zoo alleen en verre van de menschen? Gij,

Willem, gij zijt man; hebt gij niets gevonden, niets beproefd om onzen

armen oom het leven te behouden?"

"Ik kom van Hasselt en van Leuven," antwoordde hij. "Twee of drie goede

geneesheeren heb ik bezocht; geen enkele wist mij raad te geven. De tijd

is te kort, zeiden zij, en die ziekten overwint men niet in eenen dag."

Op dit oogenblik schoot de hond met geweld tusschen de beenen des

jongelings door en deed hem schier vallen. Het beest liep recht naar het

huis van den hovenier.

"Het is Nox, die den ouden Jakob gaat roepen," mompelde Willem.

"En meenen de geneesheeren, die gij hebt geraadpleegd, dat mijnheer

Reimond morgen zal sterven?" vroeg het meisje.

"Zij achten het mogelijk, nicht, maar zijn er niet zeker van. Evenwel,

volgens de inlichtingen, welke ik hun gaf, waren zij eenparig van

gevoelen, dat hij niet lang meer kan leven."

"Welke ziekte meenen zij, dat hem naar het graf leidt?"

"De ziekte der verbeelding, nichte. Deze ziekte moet volgens hen reeds

sedert lang de hersens van onzen oom ontstoken en er iets vernietigd

hebben. Zij beschouwen zijne kwaal als biedende zeer weinig kans tot

genezing."

"En gij, Willem, gij schijnt zoo moedeloos?"

"Ik acht alle verdere pogingen overbodig en onderwerp mij aan het lot

met smartelijke verduldigheid."

Daar naderde de hovenier, die achter den hond naar het kasteel kwam. De

oude man opende zijne oogen wijd en zag den jongeling met treurnis en

verbaasdheid aan. Hij scheen hem zijne onvoorzichtigheid te verwijten en

gromde onverstaanbare woorden, terwijl hij hem voorbijging.

"Eilaas, er is dus geene hoop meer!" zuchtte Theresia. "Wij zullen

machteloos hem moeten zien sterven?"

"De geneesheer van Leuven hoeft mij wel een fleschje gegeven, dat

volgens hem ten minste den dood van onzen oom kan vertragen," zeide

Willem, "maar sedert mijnen terugkeer op het kasteel is mijn vertrouwen

gansch weg, en ik weet zelfs niet, of ik het geneesmiddel wel zou

gebruiken."

"Waarom niet, kozijn? Men moet worstelen tot het einde."

"Het is, ziet gij, nichte, dat er heden iets onverklaarbaars met ons is

geschied. Dat ik u hier vind, u, de Rosa mystica mijner kinderlijke

begoochelingen, dat gij, die ik leerde kennen onder den naam van Flora,

nu eensklaps mijne nichte Theresia De Wit geworden zijt, dat het

huwelijk, waartoe mijn oom mij wilde dwingen, integendeel al mijne

wenschen moest vervullen,--zulke samenloop van wonderbare

omstandigheden, uitwerksels van geheimzinnige oorzaken, dit alles komt

mij onbegrijpelijk voor. Het zij nu de wil van God, de veropenbaring van

eenen geest of de schikking van het nootlot, althans wij zijn beheerscht

door eene bovennatuurlijke macht. En indien het orakel van het

doodshoofd zich voor ons heeft bewaarheid, waarom zou het dan niet even

onfeilbaar zijn voor onzen oom?"

Het meisje bezag hem verwonderd.

"Wat wilt gij zeggen? Ik begrijp u niet!" murmelde zij.

"Ik wil zeggen, dat het wreed zou zijn, eene harde worsteling tegen den

wil van onzen oom te beginnen, om hem een machteloos geneesmiddel te

doen nemen. Overweeg, dat wij hem den inhoud van het fleschje niet mogen

ingeven dan een uur vóór middernacht. Waarom zouden wij zijnen

doodsstrijd bitter maken door hem een ijdel en vruchteloos geweld aan te

doen?"

"IJdel en vruchteloos?" herhaalde het verraste meisje. "Gelooft gij dan

insgelijks aan de wetenschap en macht der geesten, Willem?"

"Gisteren nog lachte ik met deze dingen als met grillen eener zieke

verbeelding. Nu weet ik niet meer wat ik geloof. De innige blijdschap,

het geluk, de droefheid, de wanhoop, dit alles ondereen maakt mijne

zinnen duizelig. Er zijn dingen, die het menschelijk verstand te boven

gaan. Wij weten zoo weinig van de stoffelijke wereld!"

"Kom, geef mij het fleschje en spreek er niemand van, bovenal Jakob

niet. Hij zou zijnen meester kunnen verwittigen. Vertrouw op mij: onze

oom zal het geneesmiddel nemen, al moest ik hem met geweld den mond

openen. Faalt uw moed, ik zal worstelen tegen den nijdigen dood, zoolang

er eene vonk der hoop voor mijne oogen glinstert. Wat is er in dit

fleschje?"

"Ik weet het niet. De dokter had er zelf niet veel betrouwen in, en hij

gaf het mij slechts als iets, waarvan hij niet veel verwachtte."

Jakob Mispels trad uit het kasteel, ontdekte zich het hoofd en zeide tot

Theresia, terwijl hij op zekeren afstand van haar bleef staan:

"Mejuffer, mijnheer Reimond heeft mij bevolen u naar het dorp te leiden.

Het is erg genoeg voor mij, ik ben gewond aan den voet en kan schier

niet meer gaan. Indien het Willem geliefde ons te vergezellen, anders

zal ik mijne vrouw Peternelle medenemen. In het eenzaam bosch, men weet

niet wat men kan ontmoeten. Gij moogt hier niet langer blijven,

mejuffer; mijnheer zegt, dat ik u onmiddellijk naar het dorp moet

brengen."

Zij volgden beiden den hovenier en verdwenen met hem in zijne woning.

De Ziekte der Verbeelding · 第 8 / 11 题