V.

Bij een schoon en zonnig weder stapten twee vrouwen over de heide. Zij

waren voorafgegaan door een boer, die eene kleine reismaal op den

schouder droeg.

Eene der vrouwen was eene jonge juffer, wier zachtvervig zomerkleedsel,

eenvoudig doch smaakvol, de onbenevelde blijheid van een zuiver

maagdelijk gemoed scheen te verkondigen.

Ze had blonde haren, die boven haar voorhoofd in eene kunstmatige

verwarring tot eene soort van top waren gekrinkeld; daaronder

glinsterden als blauwe parelen hare kleine, doch ongemeen beweegbare

oogen. Op hare lippen speelde bestendig een stille, teedere glimlach,

als beschouwde zij de oorspronkelijke natuur, die haar omringde, met

vreugde des harten en met liefde.

Alhoewel er nog iets onbedwongens, iets kinderlijks in gansch haar

opzicht was, getuigde evenwel de snelheid van haren blik en de vastheid

harer gebaren, dat het dezer bevallige jonge maagd noch aan

gemoedssterkte noch aan helderheid des geestes kon ontbreken.

Gedurende zeer langen tijd scheen zij de tegenwoordigheid van hare

gezellin en van haren leidsman te vergeten. Vroolijk en nieuwsgierig

sprong zij over de heide, om eene haar onbekende bloem te gaan plukken,

of huppelde eenen vlinder achterna, of sprak juichend tot zich zelve, of

lachte of zong met luider stemme, als dwong de overvloed van kracht en

leven haar tot onophoudende beweging. Wanneer zij dan bemerkte, dat zij

verre achteruitgebleven was, nam zij hare vlucht en liep, snel en licht

als eene hinde, totdat zij haar gezelschap was genaderd. De andere vrouw

was ongetwijfeld eene dienstmeid; zij droeg aan elke hand eene groote

kartonnen doos en scheen vermoeid. Alhoewel zij den boer van dichtbij

volgde, had zij hem nog niet eens het woord toegestuurd.

Toen de jonge juffer in de verte den donkeren klomp der bosschen uit de

naakte heide zag opdagen, kwam zij terzijde van den boer en vroeg:

"He! jongen, zeg mij, ik bid u, wat is dat ginder? Het gelijkt naar

eenen zwarten berg."

"Dat? Het is Wildenborg," was het antwoord.

"Ha, daar woont mijnheer Reimond?--In dat duister bosch?"

"In het diepste van het bosch."

"Gij kent mijnheer Reimond, niet waar?"

"Neen, mejuffer."

"Gij ziet hem toch dikwijls, vermits gij van het dorp zijt?"

"Ik heb hem nooit gezien, mejuffer; en ik hoop, dat God mij zal

toelaten, hem nooit te ontmoeten."

Deze woorden, op eenen zonderlingen toon gesproken, verwonderden het

meisje.

"Wat wilt gij zeggen?" vroeg zij. "Ik begrijp u niet. Zijt gij vervaard

van mijnheer Reimond?"

"Iedereen is van hem vervaard."

"Waarom? Is hij boos? Doet hij den lieden kwaad?"

"Integendeel, men zegt, dat hij veel goed doet aan de armen."

"Wat vreemde dingen zijn dit?" riep de maagd lachend uit. "Gij kent hem

niet, hij is een goed mensch; en gij hoopt hem nimmer te ontmoeten?

Verklaar mij toch dit onverstaanbaar raadsel."

"Beware ons God!" zuchtte de meid. "Ik begrijp het wel: er zijn dieven,

struikroovers in dit leelijk bosch, en mijnheer Reimond is misschien het

hoofd der bende!"

"Kom, Isabel, gij zijt zinneloos," spotte het meisje. "Mijn oom een

struikroover! Waar zijn uwe gedachten?"

"Ja, mejuffer, gij kent uwen oom ook niet," zeide de meid. "Ik heb eens

een boek hooren lezen van eenen kapitein der struikroovers, die de rijke

lieden uitplunderde om de arme menschen te kunnen helpen. Wat gebeurd

is, kan nog gebeuren. Hadde ik geweten dat wij, dus verre van alle

dorpen en huizen, door een donker bosch zouden moeten gaan, ik ware

zeker te huis gebleven."

"Welnu, mijn jongen," vroeg het meisje, "waarom vreest men mijnheer

Reimond? Spreek niet met halve woorden. Gij zult mij verplichten; ik heb

redenen om te weten, hoe de zaken op Wildenborg staan. Gij aarzelt? Het

is dus wel schrikkelijk?"

"Ja, ja, mejuffer, zoo schrikkelijk, dat ik het niet durf zeggen!"

zuchtte de jonge boer met eene uitdrukking van diepe benauwdheid.

"Ach, gij maakt mij angstig met uwe achterhoudendheid," kreet de maagd.

"Spreek klaar, ik verzoek het u, ik zal er u dankbaar voor zijn!"

De jonge boer scheen door de zoete bede van het meisje overwonnen;

zijne stem bedwingende, antwoordde hij:

"Mejuffer, het kasteel van Wildenborg is vol geesten en spoken. Volgens

dat de lieden zeggen, gebeuren daar ijselijke dingen, die een

Christenmensen niet kan bijwonen, zonder zijne zaligheid te verliezen."

De beide vrouwen zagen hem verbaasd aan.

"Maar wat heeft dit kindervertelsel gemeen met mijnheer Reimond?" morde

de juffer.

"Kindervertelsel!" herhaalde de boer. "Vraag het aan de oudste en

verstandigste lieden des dorps, en zij zullen getuigen, dat het waarheid

is."

"Vermits gij vervaard zijt van mijnheer Reimond, beeldt gij u misschien

in, dat hij zelf een spook is?" schertste de maagd.

"Erger, veel erger," murmelde de boer.

"Hij is een toovenaar en gaat met den duivel om."

Een schaterlach onderbrak zijne woorden; zoowel de meid als de juffer

spotten luidruchtig met de verrassende uitlegging.

De boer aanschouwde hen met wijd geopende oogen. Het scheen hem eene

ongehoorde zaak, dat vrouwen zoo ongeloovig konden zijn, en konden

lachen met zulke ernstige dingen. Hij merkte wel aan de medelijdende

uitdrukking der juffer, dat zij hem voor eenen onnoozele of voor eenen

domkop aanzag. Dit kwetste hem.

"Ja, mejuffer," zeide hij op vinnigen toon, "de lieden uit de stad

meenen, dat zij alles beter weten dan de buitenmenschen; maar het

spreekwoord zegt: hij lacht het beste, die lacht ten leste. Gij gaat

naar het kasteel van Wildenborg: vóórdat het avond is, zult gij

misschien deze reis en uwe ongeloovigheid betreuren."

"Is er iemand kwaad geschied op Wildenborg?" vroeg het meisje.

"Niemand nadert het kasteel," was het antwoord.

"En hoe kan men dan weten, wat er gebeurt?"

"Iedereen weet het."

Het meisje zag wel dat er uit den bijgeloovigen jongen geene gegronde

reden te bekomen was. Zij haalde grimlachend de schouders op en bleef

achter, om in zich zelve over deze wonderlijke inlichtingen na te

denken.

Zoo gerust was de meid niet, alhoewel die geschiedenis van duivels en

van geesten haar weinig had ontsteld. Hare bekommerdheid had eene andere

oorzaak. Zij zweeg, totdat men het bosch genaderd was en zij van

dichtbij het ondoordringbaar geboomte zag, in welks donkeren schoot het

voetpad als in eenen afgrond scheen weg te duiken. Dan naderde zij meer

tot den boer en vroeg met doffe stemme:

"Vriend, zeg mij oprecht, wonen er geene binders of dieven in dit bosch?

Heeft men er nog geene menschen vermoord gevonden?"

"Ja wel," antwoordde hij, "ginder, op een honderdtal stappen van hier,

staat een steenen kruis. Daar heeft men eene vrouw vermoord, die van de

kerke kwam."

Een luide angstkreet ontvloog de meid. Zij verbleekte van schrik en

zuchtte bevend:

"O, mijn God! wat zegt gij daar? eene vrouw vermoord? Ik keer terug;

voor al het geld der wereld zet ik geenen voet in dit bosch!"

"Welnu, wat hebt gij, Isabel? Waarom blijft gij staan?" vroeg het

meisje.

"Mejuffer," antwoordde de meid, "dit bosch is een kuil vol struikroovers

en binders. De geschiedenissen van duivels en spoken hebben zij

uitgevonden, om de lieden verwijderd te houden en den eenzamen reiziger

in vrijheid te kunnen vermoorden. Laatst nog hebben zij, op honderd

stappen van hier, eene ongelukkige vrouw gedood.... Neen, neen, zeg wat

gij wilt, ik sterve nog liever hier op de heide, onder den blooten

hemel, dan in dit donker bosch mij aan de wreedheid der bloedzuchtige

dieven te gaan leveren."

"Gij hebt ongelijk, vrouw," zeide de boer, "het steenen kruis staat daar

reeds meer dan honderd jaar. Sedert dan heeft men niet meer gehoord, dat

iemand in het bosch is aangerand of mishandeld geworden."

De ontstelde meid wilde noch naar raad noch naar geruststellingen

luisteren. Het scheen haar zelfs te verbitteren, dat de juffer met hare

vervaardheid lachte; en zij had reeds de kartonnen doozen ten gronde

gezet, om in het voetpad terug te gaan, toen de jonge boer eensklaps met

blijdschap uitriep:

"Ha, daar komt mijnheer pastoor! Hij zal met ons door het bosch gaan,

want hij begeeft zich naar het dorp. Nu is er niets meer te vreezen!"

De verschijning van den geestelijke deed hetzelfde uitwerksel op de

meid; zij nam de doozen weder op en toonde zich bereid om in gezelschap

van den priester de reis voort te zetten.

De pastoor, die nevens den boord van het bosch kwam aangestapt om het

voetpad te bereiken, was een reeds bejaarde man met grijze haren. Hij

volgde zijnen weg met gebogen hoofde en denkend; en hij bemerkte de

lieden, die op hem wachtten, slechts op het oogenblik, dat hun

eerbiedige groet zijne ooren trof.

"Goeden dag, mijne kinderen," zeide hij. "Het is zeer heet op de heide;

maar vermits gij door het bosch schijnt te willen gaan, zult gij daar

lommer en verfrissching vinden."

Intusschen bezag hij met bijzondere aandacht en als vragend de jonge

juffer, die hem dankbaar toelachte.

"Mijnheer pastoor," sprak zij op zoeten toon, "wij zijn een beetje

vervaard. Zult gij het kwalijk nemen, dat wij een eind weegs met u

gaan?"

"In het geheel niet, mijn kind," antwoordde de pastoor. "Het zal mij

zelfs verheugen, met u eenige woorden in het bijzonder te kunnen

spreken. Indien ik mij niet bedrieg, ken ik u sedert lang."

"Gij zoudt mij kennen, eerwaarde? Het schijnt mij onmogelijk: ik weet

niet, dat ik ooit van mijn leven de eer had u te zien."

"Uw naam is Theresia De Wit?"

"Inderdaad!" murmelde het meisje verwonderd.

Onderwijl was men in het bosch getreden.

De priester vertraagde zijnen stap, om den boer en de meid te laten

vooruitgaan; en dewijl de juffer zijn inzicht merkte, bleef zij aan

zijne zijde.

"Mijn voorgevoel had mij dus niet bedrogen," zeide hij. "Uwe moeder was

de zuster van mijnheer Reimonds echtgenoote, en gij heet Theresia De

Wit?"

"Ja, mijnheer pastoor, hoe kunt gij toch dit alles zoo nauwkeurig

weten!"

"Het is, mejuffer, omdat ik in deze laatste tijden meer dan eens met

uwen oom over u heb gesproken, en wist, dat hij u naar Wildenborg zou

roepen. Gij kent uwen oom niet persoonlijk!"

"Ik herinner mij slechts, dat, toen ik een kind van drie of vier jaar

was, er dikwijls een hoogstaltige heer ten onzent kwam, die mij streelde

en mij speelgoed en lekkers gaf. Die man was mijn oom. Ik heb altijd

dankbaar aan hem gedacht; mijn vader zaliger, tot den dag zijns doods,

sprak mij onophoudend van hem."

"Uw oom schijnt tegen uwe ouders te zijn verbitterd geweest, bovenal

tegen uwen vader; hij meent, dat uw vader hem haatte. Hij moet zelfs

zijne vijandschap door daden bewezen hebben."

"Ach, eerwaarde," riep de maagd, "het is een beklaaglijke misgreep van

mijnen oom. Mijn vader had meer vriendschap voor hem dan iemand anders.

In deze zaak werd mijn vader het slachtoffer zijner verkleefdheid. Hij

heeft het mij dikwijls genoeg met tranen in de oogen verteld. Gij moet

weten, mijnheer pastoor, in dien tijd hield mijnheer Reimond zich bezig

met verborgene wetenschappen, met magnetismus, met draaiende tafels en

sprekende geesten. Hij droomde van niets anders dan van onmogelijke

dingen, en beeldde zich in, dat de mensch middelen kan ontdekken om,

evenals God zelf, de wetten der natuur te veranderen en mirakelen te

doen. Dit hebben mijne ouders mij gezegd. Mijn vader, die een verstandig

man was, bemerkte welhaast, dat een hoop bedriegers mijnen goeden oom

omringden en hem in zijne dwalingen versterkten, om hem op allerlei

wijzen het slachtoffer hunner hebzucht te maken. Zijne pogingen om hem

daarover de oogen te openen, bleven vruchteloos. Mijnheer Reimond had

alsdan eenen knecht of liever eenen vertrouweling, die vroeger hovenier

was geweest bij zijne ouders. Mijn vader meende, dat deze knecht de

voorname oorzaak was van de verblindheid zijns meesters, en hij deed

lang moeite om hem door mijnen oom terug naar Limburg te doen zenden.

Dit gelukte hem zoo weinig, dat de knecht bij mijnheer Reimond bleef

wonen, en mijne ouders van dan af mijnen oom nooit meer hebben mogen

zien."

"Die knecht heette Jakob Mispels, niet waar?"

"Hebt gij hem insgelijks gekend, eerwaarde?" vroeg het meisje met

verwondering.

"Ik ken hem nog, mijn kind: hij woont op Wildenborg en hij is de

hovenier des kasteels. Een zeer eenvoudig en onwetend man is hij; maar

dat hij schuld hebbe aan de vreemde gedachten uws ooms, dit schijnt mij

twijfelachtig."

"Het kan zijn, mijnheer pastoor, dat mijn vader zich hebbe misgrepen:

maar zijn inzicht ten minste was oprecht. Hij kende mijnheer Reimond

sedert zijne kindsheid, en hij was in staat om te oordeelen over de

eerste oorzaken der gevaarlijke richting zijns geestes. Mijn oom was in

de eenzaamheid dezer streek, om zoo te zeggen, door Jakob Mispels

opgevoed geworden. Van den avond tot den morgen had de hovenier met het

kind gespeeld, en dus eenen grooten invloed op zijn wordend verstand

uitgeoefend. Volgens dat mijn vader zeide, was er op de wereld geen

bijgelooviger mensch dan deze Jakob Mispels, en hij had het hoofd van

mijnen oom zoo vol gestoken met allerlei vertelsels van spoken en

geesten, dat het kind op zijn twaalfde jaar zelfs bij klaren dag geen

oogenblik meer alleen dorst blijven. Moest zijn gezelschap niet hoogst

schadelijk zijn voor mijnheer Reimond, en had mijn vader, die vreesde,

dat het verstand mijns ooms met verzwakking of met verdwaling was

bedreigd, geene redenen om de verwijdering van Jakob Mispels te

wenschen?"

De pastoor scheen na te denken over de woorden der juffer en knikte

bevestigend met het hoofd.

"Het is mogelijk, inderdaad," zeide hij, "dat de tegenwoordige

geestestoestand van mijnheer Reimond slechts eene wijziging van de

denkbeelden zijner kindsheid zij. Wonder toch, te moeten gelooven, dat

de eerste indrukken, welke door het menschelijk gemoed worden ontvangen,

tot zooverre onuitwischbaar blijven, en dat in mijnheer Reimond de

wetenschap, de studie en zelfs de overgeleerdheid het onderwijs van

eenen onwetenden en eenvoudigen hovenier niet hebben kunnen versmachten.

O, mejuffer, indien God u ooit de opvoeding van kinderen toevertrouwt,

waak bij hunne wieg en bij hunne eerste stappen; want, zooals zij uit de

handen hunner moeder of hunner voedster gaan, zoo zullen ze

waarschijnlijk blijven."

"Wees gedankt voor uwen welwillenden raad, heer pastoor," antwoordde de

maagd. "Ik ken al de waarde eener goede, eener doelmatige opvoeding;

want ik ben onderwijzeresse."

"Het is eene edele, eene gewichtige roeping.... die gij, mejuffer,

evenwel na dezen dag ongetwijfeld zult verlaten."

"Hoe meent gij het, eerwaarde? Ik hoop integendeel deze roeping zeer

lang te blijven vervullen."

"Maar, mijn kind, vermoedt gij dan niet, waarom uw oom u verzocht naar

Wildenborg te komen? Hij wil u zijn testament laten kennen: gij gaat een

nog al aanzienlijk fortuin erven."

"Ik een fortuin erven!" kreet het meisje met blijdschap. "Zou het waar

zijn? Mijn schoone droom zou zich dus verwezenlijken? O, gebeurde mij

zulk geluk, hoe zou ik den milden God zegenen tot het einde mijns

levens!"

"En die droom is?" murmelde de priester, die eenigszins door de

overmatige blijdschap der maagd was verwonderd.

"Die droom?" riep zij, "ik zou eene groote kostschool voor jonge

juffrouwen oprichten! Tot nu toe was ik slechts hulponderwijzeresse, en

ik moest vele dwalingen aanzien en aan vele verkeerde richtingen

gehoorzamen; maar dan zou ik vrij zijn en al het goede kunnen stichten,

dat mijn hart mij inboezemt."

Zij scheen eensklaps te verbleeken, en vroeg met eene uitdrukking van

angst:

"Maar, maar, o hemel, waar zijn mijne zinnen! Een testament? Gaat mijn

arme oom dan sterven!"

De pastoor knikte bevestigend.

"Hij is dus zeer ziek?"

"Op deze vraag is het mij moeielijk te antwoorden," zeide de oude

priester. "Uw oom is wat men noemt een ingebeelde zieke. Zijn lichaam is

niet krank, en evenwel gaat hij sterven. Indien hij zich in zijne

berekening niet heeft bedrogen, zal hij zelfs de zon van overmorgen niet

meer zien opgaan."

"Mijn oom, die mij rijk en gelukkig wil maken zonder dat ik mij aan die

weldaad verwachtte? Eilaas, hij zou sterven!" zuchtte het meisje. "Ik

zou geenen tijd hebben om hem mijne dankbaarheid te bewijzen? Ik zou

slechts naar Wildenborg gekomen zijn om bij zijn doodbed te bidden? O,

neen, neen; het fortuin ware mij bitter en pijnlijk; God zal hem laten

leven?"

En pijnlijk zuchtend, liet zij het hoofd op de borst zakken.

"Kom, gij moet u troosten en u sterk houden, mijne dochter," zeide de

pastoor. "Sterven is het lot aller menschen; de dood van mijnheer

Reimond, hoe beklaaglijk ook, zal toch een zeer zachte dood zijn."

"Maar, eerwaarde," riep de maagd, "mijn oom gaat sterven zonder ware

ziekte, en omdat hij zich verbeeldt, dat zijn einde is gekomen? Heeft de

ongelukkige dan geene vrienden gevonden, om die dwaling zijns geestes te

bevechten en te overwinnen?"

"Hij heeft ten minste éénen vriend gevonden en aanvaard," antwoordde de

priester. "Die vriend heeft sedert vijf jaar alles gedaan wat mogelijk

was, om zijnen geest tot het besef der waarheid en der wezenlijkheid

terug te brengen. Redenen van godsdienst, redenen van wetenschap,

redenen van menschelijken aard, alles bleef machteloos. Integendeel, de

worsteling verergerde het kwaad."

"En de dokters, eerwaarde, konden dezen hem niet helpen?"

"Ik geloof het niet, mejuffer, de ziekten der verbeelding laten zich

moeielijk genezen. Daarenboven, mijnheer Reimond leeft opgesloten en wil

volstrekt niemand dan mij alleen op Wildenborg toelaten. Sedert tien

jaren heeft hij nog geen ander bezoek dan het mijne willen aanvaarden."

"Ik begrijp," zuchtte het meisje. "Hoe schrikkelijk toch! Mijn arme oom

is krankzinnig! Eilaas, misschien zal hij zelfs mijne dankzeggingen niet

verstaan. Was het zóó dat ik den man moest terugzien, die mij in mijne

kinderjaren zoo liefhad en die mijne ouders zoo edelmoedig heeft

geholpen, toen oneer en armoede hen kwamen bedreigen?"

"Overdrijf niet, mijne dochter," zeide de priester. "Er zijn menschen,

die over alles, behalve over een enkel punt, de helderheid des verstands

behouden. Zoo is mijnheer Reimond, hij heeft een goed en edelmoedig

hart, hij redeneert met wijsheid over de meeste zaken: maar zoohaast

zijne gepeinzen zich op het bovennatuurlijke keeren, dan verdwaalt hij

in grenzenlooze beschouwingen en schept zich eene wereld der

onmogelijkste hersenschimmen. Vrees echter niet, hij is de goedheid

zelve en zal u zeer welwillend en minnelijk zijn."

"En hij gaat sterven?"

"Ja, ik twijfel er niet aan. Wat mij echter troost, is de hoop, de

overtuiging dat God hem de dwaling zijns geesten niet zal aanrekenen,

dewijl zij klaarblijkend het gevolg eener ziekelijke ontschikking der

hersens is."

Het meisje deed eenige stappen zonder spreken. Dan zeide zij

overwegende:

"Begrijp ik u wel, eerwaarde, dan zou mijn oom sedert tien jaar, buiten

uwe bezoeken, geene andere menschen gezien hebben dan Jakob Mispels?"

"En zijne vrouw."

"Mijn vader had gelijk! Dit was voor hem een verderfelijk gezelschap.

Zie, mijnheer pastoor, gij zult het misschien verwaand of overmoedig

vinden, maar ik ben zeker, dat het mij niet onmogelijk geweest ware,

mijnheer Reimond te genezen, indien hij mij slechts eenige maanden

vroeger naar Wildenborg had geroepen."

De priester schudde het hoofd met ongeloof.

"Vergeef het mij, ik bid u, eerwaarde. De eenzaamheid van mijnheer

Reimond, het gezelschap van den bijgeloovigen Jakob Mispels, de

afgelegenheid des kasteels, dit alles deed mijnen oom in eene

troosteloze somberheid leven. Wat was er noodig om dien nacht op te

klaren? Licht, licht des harten, opgeruimdheid, vreugde, liefde! Ha, ik

hadde hem dit licht gebracht: ik ben jong, ik heb vertrouwen in het

leven en vertrouwen in Gods goedheid."

De oogen der maagd fonkelden zoo zonderling, dat de oude priester haar

met verwondering aanzag.

"Misschien, misschien!" mompelde hij. "Nu is het evenwel te laat."

"Zijn lichaam is niet ziek?"

"Niet anders dan door de verbeelding."

"En indien men deze verbeelding kon overwinnen?"

"Onmogelijk, mijn kind, uwe hoop is ijdel."

"Ik zat het beproeven nogtans, al kon ik slechts zijn leven eenige dagen

verlengen, het ware reeds eene gelukkige belooning. Ik zou ten minste

den tijd hebben om mijnen weldoener te bedanken en zijne ziel met de

gedachtenis mijns vaders te verzoenen."

Zij gingen de dreve van het kasteel naderen.

"Daarginder moet ik u vaarwel wenschen, mejuffer," zeide de pastoor.

"Alhoewel ik geene hoop heb, zal ik echter God bidden, dat Hij uwe

liefderijke poging met genade aanzie. Waarschijnlijk zult gij erfgename

worden, zoo niet van het kasteel, ten minste van verscheidene goederen,

die op ons dorp gelegen zijn. Ik durf de noodlijdenden onzer gemeente

uwer milddadigheid aanbevelen, en indien uw hart u inspreekt iets te

doen voor ons arm kerkje, ik zal de hand zegenen, die den tempel des

Heeren versiert."

"Wees zeker, eerwaarde, noch uwe kerk noch uwe armen zal ik vergeten.

Ach, bleve mijn oom leven, ik maakte van hem eenen kwistigen beschermer

van alwie nood heeft. De weldadigheid is het helderste licht voor droeve

zielen!"

Dewijl men nu de dreve des kasteels was genaderd, nam de pastoor

afscheid van haar en zette zijnen weg door het bosch voort.

Het was niet zonder bekommerdheid, dat de meid den pastoor achter de

boomen zag verdwijnen. Zij aarzelde een oogenblik, maar toen zij aan 't

einde der dreve het ijzeren hek bemerkte, dat haar de tegenwoordigheid

van menschen aankondigde, schepte zij weder moed en verhaastte haren

stap.

Op een half boogschot van het hek bleef de jonge boer eensklaps staan,

zette de reismaal ten gronde en zeide met koddigen ernst:

"Ik ga niet verder. Het is de eerste maal van mijn leven, dat ik het

kasteel zoo nabij durf komen. Wist ik niet, dat de pastoor nog in het

bosch is, ik hadde geenen voet in de dreve gezet. Betaal mij en laat mij

vertrekken."

De juffer lachte luid met die vreemde doenwijze, de meid verstoorde zich

en noemde den jongen boer eenen dommen sukkelaar. Er was niets aan te

doen, hij eischte zijn loon, verwijderde zich in aller haast en liet de

beide vrouwen, met koffer en met doozen te midden van den weg staan.

Op het gerucht dezer korte betwisting was Jakob Mispels met zijne vrouw

achter het hek verschenen.

"Beware ons God!" morde hij spijtig, "daar hebt gij Theresia De Wit met

eene meid en eene volle lading reisgoed. Gelooft zij misschien, dat

Wildenborg eene openbare herberg is? Boe! welke windmaakster! Dit is

gekleed als eene barones.... Zonder de hulp van mijnheer Reimond zou

haar vader broodsgebrek geleden hebben misschien. Hoor ze lachen, de

zottin!"

"Ziet gij niet, Jakob, dat men u door teekens verzoekt, ginder te gaan

helpen om den koffer te dragen?" zeide Peternel. "Ga, steek eene hand

uit."

"Ik? Voor Theresia De Wit, die ons heeft willen doen wegjagen? Wel ja!"

"Wat schuld heeft deze Theresia daaraan? Zij was nog een onnoozel kind,

toen het gebeurde."

"Het is mij gelijk: ik verroer geenen vinger voor die kale steedsche

juffer. Meent zij hier de meesteresse te komen spelen? Wij erven zoowel

als zij. Wil zij knechts vinden, zij zoeke ze elders."

"Och, gij zijt onverstandig," snauwde Peternel met ongeduld. "Weigert

gij uwe hulp, dan zal ik zelve gaan."

Zij stapte buiten het hek. Jakob, misschien beschaamd over zijne

barschheid volgde haar en mompelde onderweg aan haar oor:

"Deze Theresia De Wit mag niet lang op Wildenborg blijven. Wie weet, of

zij anders door arglistige treken mijnheer Reimond niet tot

onrechtvaardigheid zou verleiden. Nu reeds wil hij de helft van zijn

fortuin aan den goeden Willem onttrekken, om ze aan die onbekende

praatmaakster te geven.... Ho, welke gedachte! Peternel, laat mij eens

doen, en wederspreek mij niet: ik zal ze zoo vervaard maken, dat ze van

Wildenborg zal wegvluchten, alsof ze den zwarten man in persoon hadde

gezien. Gij keurt mijn voornemen af? Geschieden er geene ijselijke

dingen genoeg op Wildenborg, en kan ik misdoen met de waarheid te

zeggen?"

"Kom, laat die dwaasheden achter, en poog een beetje beleefd te zijn,"

zeide Peternelle.

"Ha, ha! wat zijn dit hier voor zonderlinge en vreesachtige lieden!"

riep het meisje lachend. "De boer, die onzen reiskoffer tot hier heeft

gedragen, dorst het hek niet naderen, hij meent, dat Wildenborg krielt

van kwade geesten en spoken. Gij toch, vrienden, schijnt menschen te

zijn: ik bedank u voor uwe dienstwilligheid."

De hovenier maakte een kruis en slaakte eenen hollen zucht. Zijne vrouw,

die zijn inzicht merkte, gaf hem eenen stoot met den elleboog en gromde:

"Jakob, wilt gij u wel stilhouden met uwe grillen? Wees betamelijk en

pak den koffer aan."

De beide vrouwen volgden den hovenier tot in zijn huisje. Peternel bood

hun eenen stoel aan en vroeg, of ze geenen lust hadden om iets te eten,

maar de juffer, die reeds haren naam had doen kennen, betuigde haar

ongeduld, om zonder uitstel bij haren oom te worden toegelaten.

"Het kan niet zijn," morde Jakob. "Hij is in samenspraak met de

geesten."

En daar hij zag, dat de juffer met zijne woorden spotte, herhaalde hij:

"Uw oom is in samenspraak met geesten, met dwalende zielen, met

doofdshoofden en met spoken. De deuren des kasteels zijn langsbinnen

gesloten, en indien...."

"Ik bid u, doe mij den kostelijken tijd met zulke kinderachtige

vertelsels niet verliezen," onderbrak de maagd. "Mijn oom heeft mij

ontboden, hij zal verstoord zijn, omdat gij mij niet onmiddellijk tot

hem hebt geleid. Ga, meld hem mijne komst."

"Onmogelijk."

"Uwe vrouw is redelijker dan gij: zij lacht insgelijks met uwe grillen.

Zij schijnt verstandig en minzaam, en zal mijnen oom wel gaan

verwittigen."

"Hij is inderdaad opgesloten, mejuffer. Niemand kan hem naderen,"

antwoordde Peternelle. "Wilt gij intusschen iets eten of een kopje

drinken, het is u van harte gegund."

"Wees gedankt, wij hebben in de afspanning bij den steenweg gegeten. Al

wat ik wensch, is mijnen oom te mogen zien."

"Gij moet wachten, totdat de geesten vertrokken zijn," snauwde Jakob.

"En zal dit nog lang duren?"

De hovenier zag op naar het uurwerk en zeide:

"Het oogenblik nadert. Nog eenige minuten, nog een kwart uurs, ik weet

het niet. Nox zal mij komen verwittigen."

"Zoo? mijn oom heeft nog andere dienaars dan gij? Nox is een knecht?"

"Ja, ja, zijn Mistoffel, de booze geest, die hem dient."

"Och, gij zijt zinneloos!" hernam het meisje op spijtigen toon. "Een man

van jaren als gij! Hoe! zijt gij niet beschaamd, aan zulke dwaasheden te

gelooven? Ik zal mijnen oom over u klagen en hem zeggen, dat gij den

spot met mij gedreven hebt."

"Gij zult er den tijd niet toe hebben, mejuffer," mompelde Jakob. "Mijn

arme meester heeft nog anderhalven dag te leven. Dan komt de zwarte

man...."

Eensklaps vertoonde zich een groote, ruwharige hond in de deur. Het dier

opende den muil en scheen te willen bassen, maar het bracht niets uit

dan een heesch keelgegorgel.

"Zie, daar is Nox, zijn dienstknecht!" zuchtte de hovenier met eene

uitdrukking van schrik.

Het meisje richtte zich op, ging met de hand vooruit naar den hond en

zeide op zoeten toon:

"Nox, kom, mijn beestje, kom!"

En tot groote verbazing van den bijgeloovigen Jakob, liet de hond zich

streelen, knorde vriendelijk en lekte zelfs de vingeren der maagd. Het

dier keerde zich evenwel onmiddellijk om en liep de deur uit.

De hovenier aanschouwde de juffer met eene soort van afschuw en deinsde

zelfs een paar stappen terug, toen zij scheen hem te willen naderen. Te

oordeelen op zijne wijdgeopende oogen en zijne verschriktheid, moest hij

het meisje zelf aanzien voor iemand, die in betrekking stond met de hel.

"Onnoozele droomer," zeide zij lachend, "gij zijt vervaard van een

hinderloos beest."

"Hinderloos beest?" spotte Jakob. "Hij heeft nog nooit een

Christenmensch vriendschap betoond. En schijnt hij u te kennen en te

beminnen, mejuffer, hij moet weten waarom!"

"Ik wed, dat gij hem van uw leven nog niet hebt gestreeld."

"Beware mij God! Ik zal er mij wel voor wachten."

"Ziet gij? Door uwen schrik en uwe gekke grillen maakt gij het beest

vervaard. Maar genoeg met deze kinderachtigheden. Vermits mijn oom nu

spreekbaar is, leid mij tot hem."

Jakob liep met haast ter deur uit en deed van buiten teeken aan het

meisje, dat zij hem zou volgen. Zij had moeite om hem in te halen: het

was zichtbaar, dat hij haar vooruit wilde blijven.

Toen zij op het kasteel gekomen waren en het einde van eenen duisteren

gang hadden bereikt, bleef de hovenier omtrent eene opene deur staan en

wees met den vinger in eene zaal. Hij schikte zich tegen den

overstaanden muur en maakte zich zoo klein mogelijk, om niet door de

kleederen der juffer te worden geraakt.

"Daarbinnen is uw oom," fluisterde hij.

Bij het uitspreken dezer woorden was hij reeds teruggestapt in den gang.

De maagd bleef eene wijl voor de opene deur staan. Zij scheen hare

kleederen en haar hulsel op te schikken, maar zij overwoog eigenlijk met

snelheid, hoe zij zich jegens haren oom zou gedragen, ten einde, indien

het mogelijk was, de ongelukkige gedachte zijns aanstaanden doods te

bestrijden.

Met de blijde woorden: "O, mijn oom, mijn lieve oom!" sprong zij

juichend ter kamer in.

Maar zij bleef getroffen en verbluft staan, zoohaast zij den

uitgemergelden man zag zitten, die, met de hand op een doodshoofd, zijne

glinsterende oogen beweegloos op haar hield gericht. Zij wierp tevens

eenen vluchtigen blik op het geraamte, dat het uur aanwees, en op de

zonderlinge werktuigen, die, half onder spinnewebben verborgen, op de

berderen langs den muur stonden.

Ofschoon deze eerste indruk haar met eene soort van angst had geslagen,

worstelde zij om den verloren moed terug te winnen. Zij moest eenigszins

daarin gelukt zijn: want er verscheen een glimlach op hare lippen en zij

stapte aarzelend vooruit in de zaal, onder het murmelen van eenen

eerbiedigen groet.

"Wees niet bevreesd, mijn kind!" zeide mijnheer Reimond. "Kom nader. Gij

zijt mijne nichte Theresia De Wit, niet waar? Het verblijdt mij u te

zien. Er was een tijd, dat ik mijnen lust had met u op mijne knieën te

late rijden. Ik had u alsdan zeer lief, uwe moeder was mij eene beminde

zuster en uw vader mijn beste vriend, maar zij hebben mij

wreedelijk...."

"O, goede oom, gij herinnert u nog mijne kindsheid?" kreet het meisje,

met opene armen tot hem springende. "Het kind heeft u honderdmaal

omhelsd uit dankbaarheid, laat nu het meisje eenen dierbaren plicht

vervullen: zij omhelst u in naam van haren armen vader!"

En hoe mijnheer Reimond ook worstelde, om haar te verwijderen en deze

teedere uitstorting te beletten, de maagd hield hem omarmd en zoende hem

herhaalde malen.

Dan trok zij eenen stoel bij, zette zich nevens hem, greep zijne hand

en, deze drukkende, riep zij met eenen zoeten lach in de oogen:

"Gij zijt verwonderd, mijn goede oom? Misschien twijfelt gij aan de

oprechtheid mijner liefde tot u? Mijne ouders lieten geenen dag

voorbijgaan zonder mij van u te spreken...."

"Nichte, zet uwen stoel een beetje achteruit," mompelde mijnheer Reimond

met eene soort van ongeduld, doch op vriendelijken toon.

"Ach, oom lief," smeekte zij, "gij hebt de kleine Theresia zoo

teederlijk bemind! Het is nu vijftien jaar geleden, dat zij u niet meer

heeft gezien. Verstoot mij niet, ik bid u. Gij waart eertijds de

weldoener mijner ouders, gij hebt mij geroepen om mij een laatst en hoog

bewijs uwer genegenheid te geven. O, laat mij u zegenen, laat mij de

dankbaarheid mijns harten voor u uitstorten!"

Mijnheer Reimond aanschouwde droomend dit zoet maagdelijk wezen, dat

door de uitdrukking eener diepgevoelde erkentenis scheen verlicht. En of

de herinnering aan vroegere jaren hem beheerschte, en of de blauwe,

glinsterende oogen van het meisje hem betooverden, hij bleef met eenen

onduidelijken glimlach sprakeloos op haar staren, totdat eene siddering

hem aangreep, als ontwaakte hij dan eerst uit zijne verstrooidheid. Hij

rukte zijne hand los en schoof zijnen stoel achteruit.

Ditmaal hield Theresia zich stil en klaagde slechts door eenen

smeekenden blik.

"Uw vader?" mompelde Reimond. "Wat zegt gij van uwen vader? Ja, ik heb

gedurende vele jaren achting en genegenheid voor hem gevoeld, maar hij

is ondankbaar geworden en heeft mij ten laatste bespot en gehaat. Gij

hebt evenwel daaraan geene schuld, mijn kind."

"Oom lief, indien de schijn u niet had bedrogen, hoe onrechtvaardig

zoudt gij zijn!" kreet het meisje. "Mijn vader heeft mij gelast, indien

ik ooit het geluk had u te zien, u van zijne onverzwakte erkentenis te

overtuigen. Laat mij toe, heer oom, deze heilige zending te vervullen."

"Vervul deze moeielijke zending, nichte, beproef het ten minste."

Het meisje greep een stuk doek, dat op de tafel lag, en wierp het over

het doodshoofd.

"Wat doet gij daar?" riep mijnheer Reimond, met ontevredenheid

opspringend om den schedel weder te ontblooten.

Maar Theresia hield zijne hand terug en smeekte:

"Neen, neen, mijn lieve oom, laat dit leelijk ding bedekt. Het maakt mij

benauwd en het versombert mij den geest, ik wilde blijde zijn, omdat God

mij toelaat u te zien. Zit neder en hoor mij aan!"

En zonder op de bemerkingen van haren oom acht te geven, omhelsde zij

hem en trok hem met zacht geweld terug op zijnen stoel. Een zucht

ontsnapte den verbaasden man, en hij scheen haar het raadselwoord te

vragen van het meesterschap, dat zij op hem uitoefende. Hij was evenwel

niet ontevreden en glimlachte, als meende hij te doen te hebben met een

onnoozel kind, welks grillen men behoort te verschoonen.

Zij greep weder zijne hand en sprak:

"Heer oom, gij beschuldigt mijnen vader van ondankbaarheid. Het is

integendeel zijne dankbaarheid en oprechte vriendschap die de eenige

redenen zijn geweest van uwe verbittering tegen hem. Hij meende, ten

onrechte misschien .... maar zijn inzicht was toch zuiver,--hij meende,

dat valsche vrienden u op een gevaarlijk dwaalspoor brachten en u wetens

en willens bedrogen. Hij achtte zich insgelijks overtuigd, dat de

tegenwoordigheid van uwen hovenier, Jakob Mispels, voor u schadelijk kon

zijn. Zeer wel begreep hij, dat hij gevaar liep uwe vriendschap te

verliezen, indien hij eene worsteling begon tegen menschen en dingen,

die gij bemindet, maar uit erkentenis, uit verkleefdheid voor u, heeft

hij niet geaarzeld te doen, wat hij een plicht meende te zijn. Gij hebt

alle familiebetrekking met mijne ouders afgebroken en hun verboden, nog

ooit eene poging aan te wenden om tot u te naderen. Zij hebben

gehoorzaamd en uwen onverbiddelijken wil geëerbiedigd, maar wist gij wat

zij daardoor hebben geleden! Mijne moeder is vroeg gestorven. Van mijnen

vader alleen kan ik u spreken. Duizendmaal heeft hij mij verhaald, wat

goede man gij waart en hoe gij, in pijnlijke omstandigheden, hem

edelmoedig ter hulpe kwaamt. Soms stortte hij tranen, niet alleen over

uwe verstoordheid tegen ons, maar meer nog uit medelijden met u. Hij

verbeeldde zich, dat gij niet gelukkig kondt zijn, en hij betreurde uw

droevig lot.... En, oom lief, om rechtuit te spreken en met de hand op

het hart, mijn arme vader had gelijk! Vergeef mij mijne stoutheid: een

gelukkig man ziet er toch geheel anders uit dan gij!"

"Gij gelooft het? Welnu, gij bedriegt u, nicht," zeide mijnheer Reimond

met eenen lichten spotlach. "Ik ben gelukkig in den hoogsten graad, dien

het der menschelijke ziel vergund is, in haar stoffelijk omkleedsel te

bereiken."

"Ik zie nog mijnen arme vader, uitgestrekt op zijn smartelijk sterfbed,"

ging het meisje voort, "en ik hoor nog deze woorden van zijne bleeke

lippen vallen: "Mijn kind, ik laat u alleen op de wereld. Hij, die u een

tweede vader kon zijn, heeft, eilaas, eenen onrechtvaardigen haat tegen

ons opgevat. Ik zal God daarboven bidden, dat Hij uwen oom de waarheid

doe kennen en u eenen beschermer en eenen weldoener op aarde geve. Mocht

hij hier bij mijn doodbed staan, hij zou de getuigenis van eenen

stervende gelooven. Die voldoening is mij geweigerd. Misschien zult gij

hem zien in uw leven, mijn kind. Geef alsdan getuigenis mijner

dankbaarheid voor hem, zeg hem, dat ik hem zijnen misgreep heb vergeven,

en vraag hem ook vergiffenis voor het verdriet, dat ik onwillens hem kan

hebben aangedaan." Dit waren de laatste woorden van mijnen goeden

vader, oom lief, en hij is tot God opgevaren met uwen naam op zijnen

mond."

Het meisje weende bij de gedachtenis van den dood haars vaders, mijnheer

Reimond, zonder dat hij het wist, had zich insgelijks door de

weemoedigheid laten overmeesteren, en ook uit zijne oogen rolden eenige

blikkerende tranen. Nu stak hij zelf de armen uit en trok zijne

snikkende nicht tegen zijne borst.

"Troost u, mijn kind," zeide hij, "uwe ouders zijn in eene gelukkige

wereld. Sterven beteekent niets, het is slechts een overgang tot een

beter leven. Ik heb mij ten hunnen opzichte misgrepen waarschijnlijk.

Hebben zij verdriet gehad, zij zullen er om geloond worden. Het

verblijdt mij in alle geval, dat ik den laatsten wensch uws vaders

gedeeltelijk kan vervullen. De erfenis, die ik u zal nalaten, Theresia,

zal toereikend zijn, om u tegen alle levensmoeilijkheid te behoeden.

Kom, zit recht en bedwing u. Gij ontstelt mij te diep. Sedert vijftien

jaar is dit nu de eerste maal, dat mijne oogen zich door ontroering des

harten bevochtigen. Ik weet niet, mijne ziel moet u wel innig bemind

hebben, vermits uwe stem alleen nog eene onbegrijpelijke macht op mijn

gemoed uitoefent. Ween niet meer, lieve nicht, laat ons van andere zaken

spreken. Weet gij, dat ik morgen zal sterven?"

Het meisje herinnerde zich haar doel: zij veegde hare tranen af en

antwoordde met eenen glimlach van volstrekte ongeloovigheid:

"Men heeft mij van zulk iets gesproken, maar, oom lief, het is scherts,

niet waar? Gij sterven? Morgen? En gij zit daar vol leven, zonder ziekte

of lichamelijke ongesteldheid? Gij kunt niet zoo, op een gesteld uur,

sterven, tenzij gij u zelven wildet dooden, maar daaraan is niet te

denken: gij gelooft aan een ander leven en gij vreest God."

"Strijd niet tegen eene onveranderlijke waarheid, nicht. Morgennacht

verlaat mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel. Ik betreur, dat ik u niet

eerder naar Wildenborg heb geroepen, maar nu is het te laat. Wanneer het

oogenblik onzer opvaart nadert, kan niets het noodlottig uur vertragen.

Gij moet er u aan onderwerpen en er u in troosten, mijn kind. De dood is

geen ongeluk, integendeel, het is een stap naar de eindelijke en eeuwige

zaligheid."

"Maar, oom lief, wie toch heeft u wijsgemaakt, dat gij morgen zult

sterven? Een bedrieger, zeker?"

"Een bedrieger? Ho, ho, nichte, spreek met eerbied! Hij, die mij het uur

mijns doods openbaarde, is een geest, eene zuivere, klaarziende ziel,

voor wie de toekomst ontsloten ligt als een open boek."

Theresia zag haren oom met verwondering en medelijden aan. Na eene poos

stil zwijgens greep zij hem bij de hand en zeide:

"Van geesten of zielen ken ik niet veel, en ik wil er niet meer van

kennen dan wat de godsdienst mij heeft geleerd. Maar dit weet ik goed,

oom lief, dat dit alles slechts een inbeeldsel is, en dat gij zeker niet

wel doet met aldus uwe gezondheid door ziekelijke hersenschimmen te

krenken."

"Ik vergeef u, mijn kind," zeide mijnheer Reimond, "het zijn dingen, die

uw verstand te boven gaan. Wij zullen er niet meer van spreken. Wanneer

gij morgennacht, juist op het vastgestelde uur, mij zult zien sterven,

zal het u bewezen zijn, dat de geesten weten, wat voor den mensch in

stoffelijke gedaante is verborgen."

"Liet gij mij meesteresse op Wildenborg zijn, hoe zou ik u integendeel

bewijzen, dat ik meer macht heb dan al uwe geesten te zamen!" riep het

meisje.

"Zoo? en wat zoudt gij doen?" lachte Reimond.

"Wat ik zou doen, heer oom? Ik zou beginnen met dat doodshoofd, dat

daaronder ligt, naar het kerkhof en dat leelijk uurwerk naar den zolder

te doen dragen. Deze zaal zou behangen worden met rozevervig papier en

met sneeuwwitte gordijnen. Hier kwame een bont tapijt, fraaie stoelen,

blinkende meubels. De tuin zou vol bloemen staan, en nette wegeltjes

zouden door lieve lustboschjes heen slingeren. Gij zoudt knechts en

meiden hebben, eene koets en een paard, vogelen, dieren, schilderijen.

Ik zou uwe dochter zijn, ik zou u beminnen, u vermaken en u geenen tijd

laten om aan die sombere, onmogelijke dingen te denken. Wij zouden

wandelen den ganschen dag, God onder zijnen schoonen hemel danken voor

de wonderen der natuur en voor het vroolijk leven, dat Hij ons heeft

geschonken. En des avonds, bij onzen terugkeer, zou ik muziek spelen op

de piano en u de schoonste stukken der beroemde meesters voorzingen,

want, oom, ik ben eene goede toon kunstenares.... of ik zou u iets

voorlezen uit een vermakelijk boek, of wij zouden kouten over alles wat

gij wildet, zelfs over geesten en zielen, indien het u behaagde. En zoo

zou het zijn alle dagen, een hemel op aarde, en elken avond zouden wij

elkander omhelzen en te zamen den hemel bidden, dat Hij uw dierbaar

leven en ons geluk geliefde te verlengen. Zeg, oom lief, ware dit niet

beter dan in volle gezondheid te gaan sterven? Kom, verjaag die

ijselijke gedachte. Laat mij uw kind zijn, ik zal uwe oude dagen

beglanzen met het licht der vreugde, der dankbaarheid en der liefde!"

Zij had de handen opgeheven en smeekte om een gunstig antwoord, maar

mijnheer Reimond, die over het vraagpunt zijns aanstaanden doods niet te

overwinnen was, zag haar met eenen stillen twijfellach aan, en

murmelde:

"Wat gij daar zegt, is schoon, nichte. Ik dank u voor uwe genegenheid.

Er is niet aan te doen: morgen te middernacht zal mijn uur slaan....

Laat dit zoo; ik heb u van iets bijzonders te spreken. Gij gaat de helft

mijner goederen erven. Nogtans er is eene voorwaarde te vervullen. Kent

gij uwen kozijn Willem Reimond?"

"Neen, oom, ik herinner mij niet, hem ooit te hebben gezien."

"Hij is een fraaie jongen; hij heeft tamelijk verstand en een goed hart.

Evenals gij, zal hij de helft van mijn fortuin erven. Gij moet met hem

trouwen, Theresia."

"Hoe zegt gij, heer oom, ik begrijp niet."

"Gij moet met Willem Reimond trouwen."

"Ho, dit is toch niet ernstig!" kreet het meisje verbaasd. "Ik trouwen

met iemand, dien ik nog nooit heb gezien!"

"Gij zult hem zien, heden nog. Ik verlang uwe beslissende toestemming,

voordat ik sterve."

"O, God, wat eischt gij van mij! Ik mag die toestemming niet geven. Mijn

hart is verbonden sedert lang; met mijnen kozijn zou ik ongelukkig zijn:

ik zou hem nimmer kunnen beminnen. Wierd ik zijne vrouw, mijne ziel zou

desniettemin met ongeneeslijke treurnis aan eenen anderen man blijven

denken. Het ware een schuldig leven en een schrikkelijk lot!"

"Gij bedriegt u, nichte; indien gij niet met Willem Reimond trouwt, zult

gij ongelukkig zijn op aarde, en in de andere wereld voor uwe dwaling

eeuwen lang te boeten hebben misschien.... Neen, worstel niet nutteloos

tegen uw onvermijdelijk lot. De geest, die mij de verborgene waarheden

openbaart, heeft het gezegd: gij zult trouwen met Willem Reimond; en

zoolang deze verhevene ziel mij niet verklaart, dat God zijn besluit

heeft veranderd, is er niets te doen dan zich te onderwerpen: want geene

macht op aarde kan beletten, dat zijne voorspellingen worden

verwezenlijkt."

"Onmogelijk!" zuchtte het meisje. "De hemel zelf heeft mij eenen anderen

bruidegom voorbeschikt. Ik beef, ik ben benauwd; het denkbeeld alleen

van ontrouw te worden aan het dichterlijke liefdegevoel, dat zoolang mij

het hart vervult, slaat mij met schroom en smart."

"Welnu, dan is alles tusschen ons gedaan, en gij erft niet!" riep de oom

verbitterd.

Theresia slaakte eenen pijnlijken zucht, liet het hoofd op de borst

zakken en begon overvloedig te weenen.

Er heerschte eene lange stilte. Mijnheer Reimond hield den blik op de

droeve maagd gevestigd, eerst met gramschap, dan met verdriet en

eindelijk met medelijden.

Zij sprong op, legde hem weenend de armen om den hals en zuchtte:

"O, mijn goede oom, zie af van uw wreed besluit! Waarom toch zulke

noodlottige opoffering eischen van een onnoozel meisje? Heb medelijden

met mij! Spreek niet meer van huwelijk of van erfenis. Laat ons liever

denken aan de middelen om u te genezen, om u de gezondheid des lichaams

en de blijdschap des harten terug te geven!"

"Maar de geest, de geest....?" mompelde Reimond.

"Uw geest heeft u bedrogen, of gij hebt hem niet wel begrepen, oom lief;

gij zijt edelmoedig; gij kunt mij niet tot levenslange smart

veroordeelen. Ik smeek u met gevouwene handen, dwing mij niet tot een

huwelijk, dat mij ongelukkig maken moet!"

"De geest heeft mij bedrogen, of ik heb hem slecht begrepen?" herhaalde

de oom, het hoofd schuddende. "Dit laatste ten minste is niet volstrekt

onmogelijk...."

"Dank, dank!" kreet de maagd met het licht der blijdschap in de oogen.

"Ik geloof echter niet, nicht lief, dat ik mij over den waren zin zijner

openbaring kan hebben misgrepen. Het is gelijk, mijn medelijden met uw

verdriet drijft mij tot eene vermetele poging. Ik zal den geest nog eens

raadplegen en hem dwingen zijnen wil uitdrukkelijk te verklaren. Wat ook

ditmaal zijne veropenbaring zij, gij zult u zonder morren er aan

onderwerpen of oogenblikkelijk van Wildenborg vertrekken."

Hij ontdekte het doodshoofd, legde zijne rechterhand er op en vestigde

zijnen blik in de diepe oogholten, terwijl hij nog zeide:

"Theresia, heb geduld, hoe lang mijne poging ook moete duren: ik doe het

uit genegenheid voor u. Misschien zal uwe tegenwoordigheid mij hinderen;

ik zal het haast weten. In dat geval zult gij voor eenigen tijd mij

alleen laten en naar het huis van den hovenier gaan, totdat ik u doe

roepen. Nu geen woord meer!"

De diepste stilte heerschte in de zaal; mijnheer Reimond verroerde de

lippen en scheen met het doodshoofd in eene geheime taal te spreken.

Hoe sterkmoedig het meisje ook was, het werd haar ten laatste bang om

het hart, zonder dat zij eigenlijk wist waarom. Evenwel, zij dorst haren

oom niet storen; in de hoop op een gunstig antwoord, weerhield zij haren

adem en bleef roerloos den zonderlingen man aanschouwen, wien welhaast

het zweet der inspanning op het voorhoofd glinsterde.

De Ziekte der Verbeelding · 第 7 / 11 题