IV.

Des anderen daags 's morgens was de oude Jakob vroeger dan naar gewoonte

opgestaan. Hij was zichtbaar bekommerd, en ging uit het huis en keerde

weder, zonder doel of reden, evenals iemand, die vervolgd wordt door

eene angstige gedachte. Zijne vrouw bleef wel een uur sprakeloos, en

scheen geene acht op zijne ongerustheid te slaan. Toen zij hem eindelijk

vroeg, wat hem dus over en weder deed dwalen, vertelde hij haar, dat hij

eenen leelijken droom had gehad en nog beefde van het akelig gezicht,

dat hem had verschrikt.

"Ach, Peternelle," zeide hij, "ik lag gerust te slapen. Eensklaps werd

ik wakker en hoorde iemand om hulp roepen op eenen toon, zoo klagend en

zoo scheurend, dat het mij als een mes door het harte sneed. Het is te

begrijpen, ik herkende de stem van Willem!.... Ik spring van het bed en

open het venster, mijne haren rijzen te berge op mijn hoofd, ik moet mij

vasthouden om niet van vervaardheid neder te storten. Schromelijk

schouwspel, dat voor mijne oogen voorbijschiet! Daar zie ik den zwarten

man, die lachend door de lucht vliegt. Met zijnen klauw houdt hij een

mensch bij het haar, terwijl hij met den anderen hem het vleesch van de

leden rukt. Het arme slachtoffer schreeuwde om hulp, dat gansch

Wildenborg er van weergalmde. Eilaas, het was Willem, die dus door den

boozen geest werd weggehaald!"

"Om 's hemels wil, Jakob, waarom mij altijd doen beven met uwe ijselijke

vertelsels?" zeide de vrouw verstoord.

"Hebt gij niets gehoord, Peternelle?"

"Wat zou ik gehoord hebben, vermits gij het hebt gedroomd?"

"Maar indien het eens eene verwittiging was?"

"Laat mij gerust," knorde de vrouw. "Gij breekt u des nachts het hoofd,

om mij des daags te kunnen verschrikken. Ik moet werken, het huis

opschikken, de koe verzorgen en aan het ontbijt van mijnheer Willem

denken."

"Geve God, dat hij uw ontbijt nog noodig hebbe," zuchtte Jakob.

"Babbel zooveel gij wilt, ik luister niet meer naar uwe

kinderachtigheden," zeide de vrouw, terwijl zij eenen emmer greep en

zich naar den stal begaf.

Jakob bleef nadenkend op de achterdeur staren en schudde met

ontevredenheid het hoofd.

Na lang wachten keerde hij zich om, ging met tragen stap in den hof,

naderde allengs tot het achtergedeelte van het kasteel en bleef daar,

met de armen op de borst gekruist, in de hoogte zien naar een gesloten

venster.

Eene wijl mompelde hij in zich zelven, schudde het hoofd en maakte

stille gebaren, maar, als nam hij een plotselijk besluit, hij verliet

deze plaats, greep onderweg eene spade en ging in eene soort van

moeshof, waar hij een afgemaaid klaverbed begon om te spitten.

Het was zichtbaar, dat hij onder den arbeid evenzeer vervolgd bleef door

aanjagende en kommervolle gepeinzen, want niet zelden onderbrak hij zijn

werk, om van verre tot het gesloten venster op te zien, en dan ontsnapte

hem telkens een gemor van ongeduld of van angst.

Zijne ongerustheid werd grooter en grooter, en toen hij ongeveer

gedurende een uur zijn werk met vele onderbrekingen had voortgezet,

plantte hij zijne spade in den grond en zeide:

"Neen, ik kan het niet meer uithouden! Reeds sedert drie uren is de zon

aan den hemel--en nog niet opgestaan? Het is niet natuurlijk. Was mijn

droom eene waarschuwing? De vrees, de twijfel doet mij vergaan. Hij

heeft mij verboden hem te wekken, maar is mijne komst hem bij geval

onaangenaam, wat beteekent het in vergelijking van de benauwdheid, die

ik doorsta? En daarenboven met eens op de teenen naar boven te gaan, zal

ik hem niet wekken, indien hij waarlijk slaapt. Het is gelijk, dit

gewicht moet mij van het hart!"

Terwijl hij deze woorden sprak, had hij den moestuin verlaten en naderde

nu het achterdeel van het kasteel. Hij opende de deur zeer langzaam,

opdat ze, draaiende, niet op hare hengsels zou knarsen, en stapte met

looze treden in den gang.

Aan den voet van de trap bleef hij eensklaps staan, hief zijne handen

omhoog, deinsde verbleekend terug en morde huiverend:

"Hemel! het riekt hier naar de solfer! Zou er een ijselijk ongeluk

geschied zijn? Mijn droom? Vluchten wij!"

Maar waarschijnlijk twijfelde hij zelf aan den waren aard van den reuk,

dien hij meende gewaar te worden, want na eene wijl naderde hij de trap

en klom voet voor voet naar boven.

Hij bemerkte tot zijnen grooten schrik, dat de deur der kamer gansch

openstond. Dit gezicht gaf hem een akelig voorgevoel, en het was met

kloppend hart en aarzelend, dat hij binnen de kamer sloop.

Daar ontvloog hem een schreeuw, hij sprong, bleek als een doode, terug

tot tegen den muur, en waggelde op zijne beenen van verschriktheid.

Het bed was ledig en het deksel lag half ten gronde, als hadde men den

slapende met geweld van zijne rustplaats weggerukt.

Zoohaast de arme hovenier den adem en het bewustzijn terugkreeg, sprong

hij huilend ter kamer uit, viel schier van al de trappen, vluchtte door

den hof en liep in zijn huis, waar hij zich op eenen stoel liet zakken

en kermend uitriep:

"Peternelle, Peternelle, water en azijn: laaf mij, of ik val van mij

zelven! Eilaas! eilaas, men wil mij niet gelooven, daar hebt gij het nu!

Die ongelukkige, die arme Willem! Hadde hij nooit den voet op dit

vermaledijd kasteel gezet! Zulk einde en nog zoo jong!"

"Water en azijn? Wat is er gebeurd? Hebt gij weder iets uitgevonden om

mij vervaard te maken?" vroeg de vrouw verbleekend.

"Neen, neen, Peternelle, ditmaal is het ernstig waar," antwoordde Jakob.

"Is mijnheer Reimond overleden? Eilaas, het moest er toch eens van

komen. God zij zijne arme ziel genadig!" zuchtte de vrouw, haar

voorschoot aan de oogen brengende.

"Veel erger, veel erger, Peternelle! Laat mij adem scheppen, laat mij

een beetje bekomen. Houd u sterk, vrouw lief. Het is om daar neder te

vallen en nooit meer op te staan."

"Welnu, indien onzen meester niets overkomen is, wat nieuw inbeeldsel

ontstelt er dan uwe zinnen?"

"Zwijg, spreek zoo niet, Peternelle. Uwe ongeloovigheid zou u een

ongeluk over het hoofd kunnen halen. Peternelle, ik ben gaan zien naar

de kamer.... naar de kamer van Willem, en--God beware ons!--het bed is

ledig!"

"Het bed is ledig?" morde de vrouw. "Dit is zonderling en verwonderlijk,

inderdaad."

"Niet waar? Die arme jongen! Het deksel lag verward, en men kon zien,

dat er een schrikkelijk geweld.... O, hemel, mijn droom van dezen nacht

was dus waarheid!"

"Lagen de kleederen van Willem in de kamer?" vroeg Peternelle, die

geweld deed om tegen de verschriktheid te worstelen.

De hovenier wreef zich het voorhoofd als om zijn geheugen op te klaren.

"Zijne kleederen?" herhaalde hij. "Neen, die heb ik niet bemerkt."

"Gij ziet wel, Jakob, dat gij u alweder door uwe verbeelding laat

verleiden en mij nutteloos den dood op het lijf jaagt?"

"Hoe dat?"

"Wel, begrijpt gij niet, sukkelaar, dat, indien mijnheer Willem in

zijnen slaap door Gods vijand ware verrast geworden, zijne kleederen

toch in de kamer zouden gebleven zijn?"

"Dit is niet zeker, Peternelle. Ik weet eene geschiedenis van eenen

smid, die zijne ziel aan den zwarten man had verkocht en toen Lucifer

kwam om hem te halen, gaf hij hem den tijd om zich eerst te wasschen en

op te kleeden."

"Kindervertelsel! Het was zeer vroeg, toen mijnheer Willem gisteren te

bed ging. Hij zal zijne kamer verlaten hebben, om eene morgenwandeling

te doen. Misschien is hij buiten het kasteel en in het bosch. In stede

van hier te blijven beven, ga, zoek naar mijnheer Willem, gij zult hem

vinden en van uwe ijdele benauwdheid verlost worden."

"Gij meent het, Peternelle? O, mocht gij u niet bedriegen! Ik ga, ik

loop, ik zal het gansche kasteel en zijne omstreken doorzoeken, en

roepen en schreeuwen.... maar, eilaas, ik vrees, dat het er weinig zal

aan helpen. Arme jongen, arme jongen!"

En het hoofd met moedeloosheid schuddende, liep hij de deur uit.

De vrouw hernam haar huiswerk en schonk de koffie op, zij legde eenige

eieren in een keteltje met ziedend water, en spreidde een ammelaken over

de tafel.

Alhoewel zij zich sterkmoedig had getoond in het bestrijden der

bijgeloovigheid van haren man, was zij evenwel niet zonder eenige

ongerustheid. Zij had een kruis gemaakt en prevelde een stil gebed

tusschen het gaan en keeren, om haren arbeid te verrichten.

"God zij geloofd, daar is mijnheer Willem!" riep zij eensklaps uit, den

jongeling vroolijk toelachende.

"Goeden dag, Peternelle," zeide Willem. "Hoe verblijdt u mijne komst!

Gij ziet er bekommerd en angstig uit?"

"Zit neder, mijnheer. Hebt gij wel geslapen?"

"Zeer wel, uiterst wel; ik was ook zoo vermoeid."

"En gij hebt niets gezien? Niets?"

"Wat zou ik gezien hebben, mijne lieve Peternelle?"

"Ach, mijn man heeft mij vervaard gemaakt, hij is naar uwe kamer gegaan,

heeft het bed ledig gevonden en meende, dat u een schrikkelijk ongeluk

moest overkomen zijn."

De jongeling haalde medelijdend de schouders op.

"Waar is Jakob?" vroeg hij.

"Hij is naar u gaan zoeken, op het kasteel, in de velden, in het bosch.

Hij zal mij nog van benauwdheid doen sterven met zijne dwaasheden. Daar

is uw ontbijt, mijnheer, denk niet meer aan onze gekke vrees."

De jongeling begon de koffie te nuttigen en at langzaam het brood en de

eieren, die hem waren voorgezet. Zijn geest moest insgelijks door droeve

overweging beneveld zijn, want hij onderbrak soms zijn ontbijt, zuchtte

en schudde het hoofd met mismoed.

"Gij zijt treurig, mijn goede Willem," bemerkte de vrouw. "En gij zegt

nogtans, dat gij wel hebt geslapen?"

"Ja Peternelle," was het antwoord, "ik ben treurig. Dezen morgen, toen

ik wakker geworden was, kwamen allerlei pijnlijke gedachten mij

bestormen. Ik heb mijne kamer verlaten om onder de opene lucht

verkwikking te zoeken, achter het kasteel ligt er een groote boom, die,

door den wind uitgerukt, over de gracht gevallen is. Langs daar geraakte

ik in de bosschen. Die wandeling heeft mij weemoedig gemaakt.... Geloof

gij insgelijks, Peternelle, dat mijn oom overmorgen zal sterven?"

"Eilaas, hij zal sterven!" zuchtte zij.

"En meent gij ook, gelijk Jakob, dat de duivel, of ik weet niet welke

bovennatuurlijke oorzaak, daarmede bemoeid is?"

De oude vrouw schudde ontkennend het hoofd.

"Ha, gij gelooft het niet? Gij hebt een gezond verstand, gij

Peternelle?" riep de jongeling. "Welnu, wat is uwe gedachte over de

onbegrijpelijke ziekte mijns ooms?"

"Mijne gedachte is, dat onze arme meester, door het eeuwig studeeren en

zoo gansch opgesloten te leven, zijne zinnen eenigszins heeft gekrenkt.

Ik heb het altijd gevreesd, maar mijn man maakt mij zoo vervaard met

zijne ijselijke droomen en zijne akelige vertelsels, dat ik zelve niet

goed meer weet, of ik nog bij mijn volle verstand ben."

"Arme Peternelle, gij moet niet veel vermaak van uw leven gehad hebben

op Wildenborg. Is hier nooit een geneesheer gekomen?"

"Mijnheer Reimond wil van geene dokters hooren spreken, en hij heeft

gedreigd ons van Wildenborg te doen verhuizen, indien wij ooit eenen

dokter op Wildenborg toelieten."

"Alzoo, Peternelle, gij zijt zeker, dat mijn arme oom gaat sterven, en

gij hebt geene de minste hoop meer op de behoudenis zijns levens?"

"Eilaas, niet de minste. De pastoor van het dorp zegt het insgelijks, er

is niets aan te doen!"

"Ha, de pastoor komt somwijlen op Wildenborg?"

"Hij komt er dikwijls, hij is de eenige mensch, die tot mijnheer Reimond

mag naderen. Zij zijn goede vrienden. Zoohaast de arme menschen in het

dorp nood hebben, komt de pastoor op Wildenborg, en onze meester schenkt

hem telkens eene milde, zeer milde aalmoes. Ook voor de kerk is mijnheer

Reimond vrijgevig, hij heeft eene aanzienlijke somme gelds geschonken,

om eenen kelk en een groot kruis van louter zilver te doen maken. Die

kostelijke juweelen versieren op de hoogtijden het autaar, en, wees

zeker, er is in twintig uren in het rond niets rijkers of schooners te

zien."

"Zonderling!" mompelde Willem, "en uw man gelooft, dat zulk godvruchtig

en goedhartig mensch betrekkingen heeft met den duivel!"

"Mijn man is een sukkelaar," antwoordde Peternelle. "Hij was zoo van

zijne kindsche dagen af, hij droomt van niets dan van spoken en geesten.

Vroeger lachte ik daarmede, en zijne dwaze vertelsels ontstelden mij

niet, maar nu word ik oud en vreesachtig, mijn goede Willem. Evenwel,

indien gij hier bleeft, zou uw gezelschap mij den verloren moed

teruggeven, ik ben er zeker van, ik gevoel mij reeds verjongd en geheel

veranderd, sedert gij hier zijt."

Na een oogenblik overweging zeide Willem:

"De pastoor meent insgelijks, dat mijn oom overmorgen zal sterven? Het

is niet mogelijk. Dat hij ziek is, dit kan men niet miskennen, maar of

hij niet maanden lang nog zal leven, wie zou dit kunnen verzekeren?"

"Het is gemakkelijk te begrijpen," antwoordde de oude vrouw. "Hij is

niet ziek, maar hij laat zich zelven sterven van honger."

"Zoo! wat zegt gij daar, Peternelle?"

"De waarheid, zeg ik, Willem. Sedert zes maanden, dat mijnheer zich

ingebeeld heeft, dat hij het uur zijns doods kent, is hij begonnen met

minder en minder voedsel te nemen. Deze laatste vijftien dagen gebruikte

hij niet genoeg om eenen vogel in het leven te houden."

"Maar dit is niet voldoende, om hem juist op een voorzegd oogenblik te

doen sterven."

"En het hoofd dan, Willem?"

"Ja, Peternelle," zuchtte de jongeling, "het hoofd, de verbeelding. Zou

er dan geen hulpmiddel overblijven?"

"Ik denk het niet: de pastoor zegt, dat wij met verduldigheid ons aan de

besluiten van God moeten onderwerpen."

Willem zweeg eene wijl en scheen door de treurnis gansch overmeesterd.

Daar stormde de oude Jakob in de kamer, en vloog met tranen van

blijdschap den jongeling aan den hals.

"Den hemel zij dank!" juichte hij. "Ditmaal ten minste heb ik mij

bedrogen! Ho, het ware toch te schrikkelijk geweest. Willem, Willem, gij

zijt nog levend? Ik voel mij schier bezwijken van blijdschap!"

"Wel, wel, mijn goede Jakob, in uwe eenvoudigheid hebt gij gaan denken,

dat de duivel...."

Maar de hovenier onderbrak zijne woorden en zeide met haast:

"Neen, neen, spreken wij daar nu niet van. Het is reeds een kwart uurs

geleden, dat Nox mij in den hof is komen zeggen, dat uw oom op u wacht.

Ga spoedig naar het kasteel, hij zou verstoord kunnen zijn."

De jongeling, die niet zonder vreugde aan de dwaasheden van den hovenier

ontsnapte, ging ter kamer uit en bevond zich eenige oogenblikken daarna

in tegenwoordigheid van zijnen oom. Deze, na eenen hartelijken

morgengroet, zocht hem aan zich bij de tafel neder te zetten, legde de

hand op het doodshoofd en sprak op ernstigen toon:

"Mijn vriend, ik heb schier den ganschen nacht doorgebracht met den

geest over u en over uwe toekomst te raadplegen. Uwe ziel is voor alsnu

nog niet sterk genoeg om onmiddellijk in gemeenschap met de wereld der

geesten te komen. Wij zullen dus niet nutteloos de proefneming van

gisteren voortzetten, maar beloof mij, dat gij, na mijnen overgang tot

een ander leven, nieuwe en herhaalde pogingen zult inspannen, om den

geest, die in het doodshoofd woont, te zien en te hooren. Gij antwoordt

niet, Willem? Weigert gij mij deze belofte?"

"O neen, oom lief, ik zal het pogen, zelfs zonder hoop," stamelde de

jongeling.

"De hoop en de overtuiging zullen komen, vriend. Ik zal u het doodshoofd

tot erfdeel nalaten. Het is een kostelijker voorwerp dan mijn fortuin.

Nu wil ik u onderhouden over eene verrassende openbaring, welke de geest

mij dezen nacht heeft gedaan. Willem, om gelukkig te zijn op aarde en

uwe ziel vooruit te helpen in den weg naar de volmaaktheid, moet gij

zonder uitstel trouwen."

"Trouwen?" herhaalde de jongeling met verbaasdheid.

"Deze gedachte verschrikt u, vriend?"

"Ho, neen, heer oom, maar om te trouwen is er eene bruid noodig, en gij

zult bekennen, dat de keus geene onverschillige zaak is?"

"Zeker niet, van deze keus hangt integendeel het geluk des levens af.

Wist de mensch slechts in deze gewichtige zaak het goede van het kwade

te onderscheiden! Maar zijne stoffelijke zintuigen bedriegen hem zeer

dikwijls, en dan moet hij, eeuwen lang misschien, de dwaling van een

oogenblik betreuren en er voor boeten. De geest, die in het doodshoofd

woont, heeft daarvan eene groote ondervinding. Weet gij wat het huwelijk

is, Willem, ten minste wanneer het volgens de ware vereischten wordt

gesloten? Het huwelijk is de samenvoeging van twee onvolledige zielen,

die elkander bijbrengen wat aan elk hunner ontbreekt. Om klaarder te

zijn, zij volledigen elkander en helpen elkander vooruit in de baan van

den zedelijken voortgang. Lichaamsschoonheid en geldelijk fortuin doen

er niets toe, integendeel, zij zijn meest altijd oorzaken van den

beklaaglijksten misgreep. De voorwaarde, die men te vervullen heeft, is

deze: de inborst der vrouw moet de vollediging zijn der inborst van den

man. Zoo moet een zwakke man eene sterke vrouw hebben, een gierigaard

eene vrijgevige, een treurder eene blijmoedige, een trotschaard eene

nederige, en zoo wederkeerig. Indien men door hinderpalen, welke in het

maatschappelijk leven bestaan, niet wederhouden was, zou men altijd en

onfeilbaar de vrouw kiezen, die men behoort te hebben tot het volledigen

van zijn zedelijk wezen, want er bestaat tusschen de zielen, die

elkander betamen, eene geheimzinnige aantrekking, evenals de

aantrekking, die de _electriciteit_ ons in de stoffelijke wereld doet

ontdekken. De vrouw moet voor den man zijn wat in de natuur de _pole

négatif_ is tot den _pole positif_. Begrijpt gij, mijn vriend?"

"Zeker, ik begrijp zeer wel, heer oom," antwoordde Willem met

verwondering. "Ik zelf heb meer dan anderen misschien zulke onuitlegbare

aantrekking ondervonden."

"Ik twijfel er niet aan," zeide mijnheer Reimond, "maar gij hebt u

waarschijnlijk misgrepen. De geest heeft mij veropenbaard waar de eenige

ziel is, die u gelukkig maken en u vooruit helpen kan naar de eindelijke

volmaaktheid. Het is uwe nicht Theresia De Wit."

"Mijne nicht Theresia De Wit?" kreet Willem met eene uitdrukking van

afkeer.

"Gij kent haar immers niet?"

"Neen, heer oom, ik heb haar nooit gezien."

"Des te beter."

"Ik zou mij toch eerst moeten kunnen overtuigen, dat zij wel de ziel is,

die mijne ziel...." stamelde Willem op angstigen toon.

"De geest kent haar, hij bevestigt, dat zij alleen het geluk uws levens

en het geluk uwer reis door de eeuwigheid kan verzekeren."

"Maar, oom lief, een huwelijk? Dit gaat zoo niet!"

"Ja, wel, het moet zoo gaan."

Het hoofd met eene soort van gekwetste fierheid oprichtende, vroeg de

jongeling:

"En indien ik weigerde mij dus eene onbekende vrouw te laten opdringen?"

"Ik zou voor uw geluk zorgen, zelfs tegen uwen dank, Willem, en u

dwingen den raad en den wil van den geest te volgen en te volbrengen.

Het middel is eenvoudig, ik zou mijn testament veranderen en er in

schrijven, dat gij en Theresia De Wit slechts mijne erfgenamen kunt

worden, nadat uw huwelijk voltrokken zij. Intusschen zou het bureel van

weldadigheid mijne goederen beheeren en ze behouden, totdat gij u beiden

aan uwe ware bestemming zoudt hebben onderworpen. Overweeg en wedersta

den geest niet nutteloos: zijne uitspraak is onveranderlijk!"

Willem liet het hoofd op de borst vallen en bleef zwijgend. Hij overwoog

met snelheid zijnen neteligen toestand en de zonderlinge gril, waarvan

men hem het slachtoffer wilde maken. Zijn oom had hem gisteren gezegd,

dat hij den geest zou raadplegen over een middel om de goederen, die tot

Wildenborg behoorden, onverdeeld te laten. Dat huwelijk was dus het

gevonden middel. Het werd hem klaarblijkend, dat de geest niemand anders

was dan zijn oom zelf, en dat deze in zijne krankzinnigheid het

doodshoofd alles deed zeggen, wat hij verlangde te hooren. Er ontstond

in het gemoed des jongelings nog eene hoop: hij zou pogen de beslissing

zijns ooms met dezelfde wapens te bestrijden. Hij hoefde tot geene

leugens zijne toevlucht te nemen, wat hij in zijn leven had ontmoet,

geleek sterk genoeg naar de geheimzinnige aantrekking van twee zielen,

meende hij, om dit tegen zijn huwelijk met Theresia De Wit te doen

gelden.

"Worstel niet langer, aanvaard uw lot," morde mijnheer Reimond,

ontevreden over het lange stilzwijgen van zijnen neef. "Uw erfdeel

verliezen of u onderwerpen!"

"Ik zal niet worstelen, ik zal mij onderwerpen," antwoordde Willem,

"indien gij mij toelaat, u de redenen mijner aarzeling te verklaren.

Blijft gij, heer oom--of de geest--bij uwe beslissing, het zij zoo, ik

zal denken, dat Theresia De Wit waarlijk bestemd is om mij gelukkig te

maken."

"Ik luister," zeide mijnheer Reimond.

"Maar, oom lief, het is tamelijk lang. Zult gij mij met welwillendheid

en geduld aanhooren?"

"Spreek, wij hebben tijds genoeg."

"Welnu, mijn goede oom, gij zult zien, dat ik niet tot heden hoefde te

wachten, om door de geheime aantrekking der zielen beheerscht te

worden.... Ik was schier nog een kind, en mijne moeder leefde nog. Eens

vergezelde ik haar naar een voorgeborcht van Brussel, waar zij eene oude

vriendin had. Dewijl ik alsdan de hoofdstad voor de eerste maal zag,

wandelden wij tot 's avonds laat door de meest bevolkte straten, ik keek

mij blind en dwaas op al de pracht en al den rijkdom, die in de

magazijnen en winkels uitgestald lagen. Des anderen daags was mijne

moeder onpasselijk van vermoeidheid. Het was de feestdag van

Onze-Lieve-Vrouw, ik zou alleen ter kerke gaan en mocht, na de mis tot

op den noen, met wandelen in het voorgeborcht mij vermaken. De lucht was

wonderzuiver en de zon ongewoon glansrijk. Waarschijnlijk hadden de

invloed van het schoone weder, het gevoel van vrijheid, of de

schitterende dingen, die ik had gezien, op mijnen geest eenen diepen

indruk uitgeoefend. Ik kende mij zelven niet meer, het hart klopte mij

in den boezem, ik hijgde met machtige ademhalingen, mij dacht, ik was

groot en sterk geworden te midden eener natuur, wier pracht en glans mij

verbaasden. Eensklaps hoorde ik muziek en zag de burgers naar de

voornaamste straat van het voorgeborcht loopen. Ik volgde hen, en op het

oogenblik dat ik den hoek der zijstraat bereikte, naderde daar de

processie ter eere van Onze-Lieve-Vrouw. O, wat scheen mij dit alles

schoon en wonderbaar! Niet alleen de gouden vanen en de zilveren

lantaarnen, welke het zonnelicht deed fonkelen, maar er waren wel

tweehonderd kinderen in de processie, gekleed als engeltjes met vlerken,

als maagdekens met bloemen gekroond, als pelgrims met kalebas en staf,

als heiligen, als priesters, als kardinalen.--Terwijl ik, om zoo te

zeggen, mijnen adem wederhield om niets van het verrukkend schouwspel te

verliezen, zag ik in de verte al eene schaar hemelsche geesten opdagen,

het waren jonge meisjes, iets grooter dan de andere kinderen. Zij waren

gansch omhuld in sneeuwige tul of kant, en hun wazen sluier, lichter nog

dan de lucht, vlotte op den onvoelbaren wind. Elk hunner droeg eene

soort van staf, waarop in het Latijn een woord uit de litanie van

Onze-Lieve-Vrouw blikkerde. Waarlijk, mijn getroffen verbeelding deed ze

mij aanzien voor zoovele engelenhoofdjes, drijvend op witte, vlokkige

wolken, tusschen welke de schoonste starren des hemels heenblikkerden.

Toen deze schaar mij naderde, bemerkte ik wel, dat ik mij had bedrogen

en al deze engelen slechts meisjes waren, kinderen als de andere, die

mij reeds waren voorbijgegaan. De begoocheling mijner zinnen hield

slechts stand voor eene enkele. Zij droog eenen gulden staf met de

woorden _Rosa mystica_, _geheimzinnige Roos_. Dit was, dacht mij, geen

menschelijk wezen, zoo bovennatuurlijk schoon, zoo vreemd, zoo

onbegrijpelijk! Met neergeslagen oogen over den grond glijdend, zonder

dat eene enkele beweging een stoffelijk lichaam onder den kanten sluier

kwame verraden! Wat mij geschiedde, is mij nu nog onbekend: ik beefde

van bewondering, nauwelijks kon ik ademhalen, het was als wilde mijne

ziel mij verlaten om den engel te gemoet te vliegen.... _Rosa mystica_,

als hadde zij de verborgene stem mijner ziel gehoord, hief het hoofd op,

toen zij mij voorbijdreef, en sloeg in mijne oogen eenen stillen, diepen

blik, die de kloppingen mijns harten onderbrak en mij terzelfder tijd

met eenen onuitlegbaren schrik en met eene eindelooze blijdschap

vervulde.... De processie was reeds verre, toen ik uit mijne

dwaalzinnigheid ontwaakte. Door eene onbewuste kracht gedreven, en

snakkend om het hemelsch verschijnsel nog eens te aanschouwen, liep ik

al het volk vooruit en bereikte juist de kerkdeur op het oogenblik, dat

de eerste standaard zich nog boog om er onder door te gaan. Ik zag de

_Rosa mystica_ nog eens, en zij ook hief weder haren blik tot mij op.

Zij scheen verrast over mijne uiterste verbaasdheid, doch glimlachte zoo

zoet, dat het mij scheen, dat ik het hart mij in den jagenden boezem

voelde wegsmelten. Hopende voor de derde maal haar te zien, bleef ik bij

de kerkdeur staan. Al degenen, die de processie hadden vergezeld, kwamen

er opvolgend uit. _Rosa mystica_ alleen verscheen niet weder, en

eindelijk werd de deur des tempels gesloten. Voor mijn ontsteld gemoed

was dit een ontegensprekelijk bewijs, dat ik mij niet had bedrogen. De

engel, die zulken broederlijken glimlach mij had gegund, was terug naar

den hemel!"

"Verwonderlijk inderdaad!" murmelde mijnheer Reimond, "Het was misschien

de ziel van een kind, dat vroeger nog op dezelfde wijze in de processie

had gegaan, en waaraan God had toegelaten, in zichtbaren vorm eene

geliefde plechtigheid bij te wonen. De Rosa mystica ware dus geen engel

geweest, maar een der geesten, die in de lucht op een nieuw leven

wachten."

"Voor mij zou deze zaak geheimzinnig en onuitlegbaar gebleven zijn, heer

oom, hadde ik haar later niet wedergezien onder eene andere dan eene

engelengedaante."

"Gij hebt haar wedergezien?" vroeg mijnheer Reimond met aangejaagde

nieuwsgierigheid. "Uwe geschiedenis boezemt mij veel belang in. Ga

voort, ik bid u."

"Gij zult het wellicht niet gelooven, heer oom, maar dit eenvoudig

voorval heeft eenen grooten invloed op mijne inborst en op mijn leven

uitgeoefend. Van dan af werd ik eenzaam en droomend, altijd waarde het

zoet verschijnsel voor mijne oogen, en glansde in licht en in duisternis

de onvergetelijke glimlach mij tegen. Ik werd godvruchtig bovenmate, en

zoodanig tot het gebed geneigd, dat mijne moeder, uit vrees voor het

verlies mijner gezondheid, deze ziekelijke ontheffing des geestes meende

te moeten bestrijden. Welke was mijne beweegreden? Hoopte ik nader tot

den engel te komen door mij geheel aan den dienst des Heeren toe te

wijden? Ik weet het niet.--Met de jaren verzwakte toch deze herinnering,

en de dood mijner goede moeder, waardoor ik alleen in de wereld bleef,

bracht veel bij om mij andere gepeinzen te geven. Zoo bereikte ik den

ouderdom van achttien jaar, ik dacht nooit meer aan den engel, dan op

die zeldzame oogenblikken, wanneer de ziel als het ware terugkeert in

het leven, en wij droomend ons verleden zich als een tooverdoek voor

onze oogen zien ontrollen. Het is omtrent dien tijd, dat ik klerk werd

bij mijnen eersten meester. Op eenen Zondag vergezelde ik hem naar het

dorp Hemixem, waar hij familie had. Ik was alleen tot op den oever der

Schelde gewandeld, en stond zonder doel naar de stoomboot van Temsche te

kijken, die de kaai naderde om eenige reizigers af te zetten en er

andere op te nemen. Daar ontvliegt mij een doffe schreeuw, ik staar

bevend op eene jonge juffer, die van achter het beschot der boot met

wijdgeopende oogen mij verwonderd aanziet. Het was de _Rosa mystica_,

eenen anderen naam wist mijn geheugen haar niet te geven. Zij was het!

Hadden mijne oogen haar niet herkend, de onstuimige sprongen mijns

harten hadden mij er van overtuigd. Terwijl ik daar stond als in een

steenen beeld veranderd, gaf de dampklok het sein, de stoomboot bewoog

hare raderen en het verschijnsel werd mij voor de tweede maal

ontvoerd.--Deze ontmoeting leende natuurlijk nieuwe kracht aan de bijna

uitgewischte herinnering, en ik moet bekennen, dat na dien dag allengs

iets min bovennatuurlijks zich mengde in de onbegrepene neiging, welke

ik voor .... voor de _Rosa mystica_ gevoelde. Zij kwam mij niet meer

voor als een engel, zij was eene juffer, eene jonge maagd, een aardsch

wezen als ik. Weder bleef ik twee jaren zonder haar terug te zien, en

weder had ik schier de ontmoeting vergeten, toen ik, op den ijzeren weg

zijnde, haar herkende op den tocht, die in de statie van Contich ons

voorbijreed.... Veel later zag ik zo eens te Mechelen, tusschen het

volk, dat zich verdrong om den prachtigen ommegang van Onze-Lieve-Vrouw

van Hanswijk te bewonderen. Ik woelde door de menigte naar de plaats,

waar ze stond, doch ontwaarde haar niet meer, ik doorliep markten en

straten tot den laten avond, doch vruchteloos.... Nu ongeveer twee

maanden geleden, van Waalhem naar Mechelen gaande, om eene boodschap van

mijnen meester te volbrengen, hoor ik achter mij een verwittigend

zweepgeklets en het gedaver van snel rollende wielen, ik loop terzijde

van den weg en keer mij om. Daar zie ik de _Rosa mystica_ met eene oude

dame en twee jongere juffrouwen in eene opene koets zitten, in eene

rijke heerenkoets! Zij, in het voorbijrijden, groet mij stil en

ingetogen, doch met minzaamheid, dunkt mij. Ik, door een gevoel van

droefheid aangegrepen bij het gepeins, dat zij tot eene rijke familie

behoort, neem den hoed werktuiglijk af, wanneer zij reeds voor mijne

oogen onzichtbaar is geworden.... Erken, oom lief, dat dit alles

buitengewoon is, dat er iets moet zijn, dat ons immer na lange scheiding

weder op dezelfde plaats brengt, opdat wij elkander niet zouden

vergeten. Daarenboven, dat eene geheimzinnige macht, een verborgen wil,

ons belet elkander te naderen of elkander aan te spreken, voordat het

vastgestelde uur zij geslagen?"

"Inderdaad, gij zijt beiden onder eenen invloed, die bovennatuurlijk

schijnt," bemerkte mijnheer Reimond, "maar het kan wel een toevallige

samenloop van omstandigheden zijn. Eindigt daar uwe geschiedenis?"

"Ho, neen, heer oom, ware het zoo, ik zou het der moeite niet waard

hebben geacht, om uwe welwillende aandacht zoo lang te misbruiken."

"Gij hebt haar diensvolgens nog gezien?"

"Ja, en met haar gesproken; gij zult het gaan hooren. Eergisteren zegt

mijn meester, dat hij naar naar het kasteel van Everdaal moest rijden,

om er met de gravin De Bernavaux te spreken, en dat ik hem zal

vergezellen. Op het kasteel aangekomen, treedt mijn meester in eene zaal

met de gravin, en geeft mij vrijheid om in de dreve en in den tuin te

wandelen, totdat hij mij doe roepen. Ik dwaal schier een half uur onder

het hooge geboomte en nader tot eenen muur, waarachter ik juichende

stemmen hoor van jonge meisjes of van kinderen, die zingen en spelen en

lachen. Eéne stem is er, die mij wonderzoet en blijmoedig schijnt; hare

galmen betooveren en ontroeren mij; maar daar springen van achter den

muur drie juffrouwen, en, door mijne tegenwoordigheid verrast, bekijken

zij mij ondervragend. Ik, gansch buiten mij zelven, en niet wetende wat

ik doe, hef de armen in de hoogte en roep uit: "_Rosa mystica!_" Zij was

het! Beschaamd over mijne vermetelheid, blijf ik haar zwijgend

aanschouwen. Zij insgelijks wordt rood.--"O, hemel, mijnheer," murmelt

zij, "reeds twaalf jaar, en gij hebt het niet vergeten?"--"En gij,

juffrouw?" verstout ik mij te vragen.--"En ik ook niet," antwoordt zij

verbaasd. "Het is een onuitlegbaar raadsel!" Op dit oogenblik trad de

gravin, door mijnen meester gevolgd, uit het kasteel. "Flora, Flora!"

riep mevrouw De Bernavaux, "kom haastig hier, ik heb u noodig!"--Zij

heet dus Flora? Op mijne vraag of Flora hunne zuster was, zeiden de

jonge juffrouwen mij, dat Flora als gezelschapsjuffer op het kasteel

woont. Mijn meester wilde onmiddellijk vertrekken; ik moest gehoorzamen.

Onderweg maakte ik allerlei ontwerpen. Nu wist ik waar zij woonde, de

maagd, wier herinnering en beeld mijn gansche leven hadden beheerscht.

Zij was niet rijk, ten minste niet genoeg om mij alle hoop op een

huwelijk met haar te ontzeggen. Ja, ja, het gepeins aan een huwelijk

ontstond gansch klaar en volledig in mijnen geest. Zij insgelijks had

twaalf jaar mijne herinnering behouden. Het was eene bekentenis, en ik

had de overtuiging dat sedert onze kindsheid er een geheimzinnige band

tusschen onze zielen had bestaan, en God zelf ons voor elkander had

bestemd. Mijn voornemen was, dit alles aan mijnen meester te openbaren

en zijne edelmoedige hulp in te roepen; maar toen wij ten zijnen huize

afstapten, vond ik uwen brief, die mij naar Wildenborg riep. Ik ben

onmiddellijk vertrokken."

Er heerschte eene wijl stilte, gedurende welke mijnheer Reimond het

hoofd schudde en tegen een lastig gepeins scheen te worstelen.

"Niet waar, oom lief," zeide Willem, "indien er ooit eene aantrekking

tusschen twee zielen bestond, dan is het tusschen Flora en mij geweest?

Gij zult deze bovennatuurlijke stem niet willen miskennen, en mij niet

dwingen tot een huwelijk met mijne nicht Theresia De Wit, die ik niet

ken en niet kan beminnen?"

"Gij laat u door uwe verbeelding misleiden," antwoordde mijnheer Reimond

op strengen toon, "en, zooals de meesten doen, begrijpt gij de zaken op

de wijze, die met uwe voorbestaande wenschen overeenkomt. Wat is er dan

toch zoo wonderlijks in deze geschieden? Gij ziet eens een jong meisje,

dat eenigen indruk op u uitoefent. Op twaalf jaar tijds ontmoet gij ze

nog drie of vier keeren. Weet gij wat er wonder is? Dat gij ze niet

honderdmaal hebt ontmoet."

Een zucht ontsnapte Willem bij deze koele uitlegging zijns ooms.

Mijnheer Reimond wist de voorvallen wel zonder begoocheling te

beschouwen, wanneer het zijne eigene grillen niet gold. De arme jongen

had diensvolgens zijn doel niet bereikt. Zijn oom liet hem den tijd niet

om daaraan te twijfelen, dewijl hij nu zeide:

"Gij moet trouwen met Theresia De Wit. De geest van het doodshoofd heeft

het bevolen: zijne uitspraak is een onherroepelijk vonnis."

"Maar, mijn lieve oom," kreet Willem met wanhoop, "gij zult mij toch

niet zoo onmeedoogend tot een gansch leven van treurnis veroordeelen!"

"Integendeel, gij zijt het zelf die uw geluk wilt verbrijzelen, niet

alleen voor dit tegenwoordig leven, maar voor vele toekomstige levens.

Verkiest gij naar de hand van die Flora te staan en uwe ziel, duizend

jaar verre misschien, in de baan der eeuwigheid achteruit te drijven,

gij zijt vrij. Ik van mijnen kant ken mijnen plicht, en ik zal hem

volbrengen. Laat hooren, onderwerpt gij u aan de wil der geesten of

niet? Ik wacht een antwoord. Gij zwijgt, Willem? Het is dus eene

weigering?"

De genster van een plotselijk gepeins lichtte eensklaps in des

jongelings oogen.

"Oom, mag ik mijne beslissing uitstellen tot morgen?" vroeg hij.

"Tot morgenavond, indien gij het verlangt."

"Ik dank u; misschien zal dezen nacht de geest, uit medelijden met mij,

u eene edelmoedige inspraak geven."

"Hoop het niet, mijn vriend, en martel u zelven niet door eene

vruchtelooze worsteling tegen iets, dat onveranderlijk moet blijven."

"Ach, misschien zal ik de noodige kracht tot de onderwerping vinden."

"Het zal mij grootelijks verblijden; want ik bemin u, Willem. Ondanks de

betrekkelijke onvolledigheid uwer ziel zijt gij een goede, brave jongen;

en ik zou uw geluk willen verzekerd zien, vooraleer ik opvaar tot een

nieuw leven."

"Gij blijft dus altijd bij de schrikkelijke gedachte, dat gij gaat

sterven?"

"Overmorgen, den 31sten Augustus."

"En indien gij bij geval den 1sten September nog leefdet? Zoudt gij

dan niet bekennen, dat de geest u heeft bedrogen? Zoudt gij mij dan nog

met mijne nicht willen doen trouwen?"

"Ho, hoe zou ik het betreuren! sterven van schaamte en van smart!"

zuchtte mijnheer Reimond met eene soort van afgrijzen. "Wat! mijn

gansche leven zou eene krankzinnigheid geweest zijn? Die hooge

wetenschap eene ijlhoofdigheid? De geesten schimmen, door mijne zieke

hersens geschapen? Zwijg daarvan, Willem; gij doet mij ijskoud worden

van schrik. Gelukkig dat gij dwaalt. Mijn dood op het vastgestelde uur

zal van het bestaan der geesten en van de waarheid hunner leering

getuigenis geven!"

De ontmoedigde jongeling zag eene korte wijl zijnen oom met

verslagenheid aan; doch hij stond welhaast recht en, knikkende, als

bevestigde hij zich zelven in een genomen besluit, zeide hij:

"Heer oom, toen ik naar Wildenborg kwam, liet ik mijn reispak te

Hasselt. Ik heb hier geen linnen, en mij ontbreken vele noodige dingen.

Indien gij de goedheid hadt, mij het toe te laten, zou ik gaarne over en

weder naar Hasselt rijden, om mijnen koffer te halen."

"Gij zult morgen terug zijn?"

"Ja, heer oom."

"Welnu, reis naar Hasselt. Ik was toch voornemens, dezen ganschen dag

alleen te blijven. Mijn tijd wordt kort; ik moet lang met den geest

spreken en schikkingen nemen voor mijn vertrek naar de wereld der

zielen. Ga, mijn vriend, en bedroef u niet door eene vruchtelooze

worsteling tegen de uitspraak des geestes. Theresia De Wit zal uwe bruid

zijn, of uwe dwalende ziel het wille of niet!"

De jongeling drukte zwijgend de hand zijns ooms en verliet de zaal onder

het murmelen van een treurig vaarwel.

Hij vond de vrouw des hoveniers op den dorpel harer deur en zeide haar:

"Peternelle, ik ga naar Hasselt, en verder nog, indien het moet zijn. Ik

wil weten, of er geen hoegenaamd middel bestaat, om mijnen oom te

genezen of ten minste zijn leven te verlengen. Denk eens, hij wil, dat

ik onmiddellijk trouwe met mijne nicht!"

"Met Theresia De Wit?" kreet Peternelle verschrikt.

"Ja; zeg daar niets van aan uwen man; ik ga naar Hasselt om mijnen

koffer te halen. Vaarwel tot morgen."

Eenige oogenblikken daarna stapte Willem door de dreve, om de baan te

bereiken, die over de heide naar den steenweg van Hasselt liep.

De Ziekte der Verbeelding · 第 6 / 11 题