III.

Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en

berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen

gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den

jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem

de hand streelend op den rug legde.

In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de

hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en

bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem

huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende

en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den

zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht

en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.

Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.

"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond.

"Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."

De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:

"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener,

den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve

oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan,

zonder dat mijn dankbaar hart uwer goedheid indachtig was. Eilaas, de

hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."

"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u

daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone

bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor

uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van

spreke."

"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort.

"Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest

zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den

dag van heden uwe weldaden niet?"

"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe

studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van

eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en

zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet

tevreden over u?"

"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik

zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris

in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van

mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht

om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene

bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met

blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter

mijne studiën kon voortzetten."

"Alzoo, gij studeert nog?"

"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van

nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden,

mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen,

heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil

alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te

verkrijgen."

"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.

"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de

waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel

bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die

indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime

drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen

dat u aangenaam kon zijn."

Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer

Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend

den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over

iets raadplegen.

Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk over zekere

dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek

in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem

lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had

ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven

beminnen.

Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het

doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:

"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont,

heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te

doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem,

en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om

wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne

ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld

en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."

"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen

toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar

met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren.

Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld.

Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje

oefening in de opene lucht."

"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.

"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"

"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."

"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"

"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der

onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut

van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."

De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.

"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u

onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar

een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken

dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."

En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.

De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist

inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze

gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze

zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns

harten.

"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen meent gij,

dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik

beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de

onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen,

die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden

geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont,

wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde,

dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke

gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"

"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der

zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.

"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten

niet volstrektelijk."

"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens,

de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet

alles met het aardsche leven eindigt."

Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond

bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:

"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig

leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één

woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"

"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te

twijfelen?"

"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig

meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze

waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een

geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze

hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel

van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de

vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden

verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou

kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven

gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in

betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste

beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en

gelouterd zij."

"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer

oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.

"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de

redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen.

Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het

aanvaarden der zedelijke erfenis mijner ziel, ik het zou aanzien als

eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders

en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het

doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."

Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen,

plechtigen toon:

"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag

God--het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen--dat

de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen--en

Hij schiep ze in onnoembaar getal--om die ledigheid te vervullen, der

ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen.

De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt

waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf,

die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten,

Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen

zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne

vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd

nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des

Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en

te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner

trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon

geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den

mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de

overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de

sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte

macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen

wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn

vriend?"

"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid

luisterde.

"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden

en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen,

haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap,

hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te

worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende

overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden

van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde,

een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel,

den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen;

want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet

in aanraking komen of van de stof eenige aanvechting onderstaan.

Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des

menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij

middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs

gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de

eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen,

zonder dat hij ophoudt te wezen.--Vat gij deze redeneering, neef?"

"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de

jongeling.

"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze

verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al

de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde

oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk

omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en

opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen.

Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal

reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht,

aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben.

Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven.

Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"

"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.

"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het

zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan

der wereld?"

"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet

meer wist wat te antwoorden.

"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom

op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen

eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden

opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der

afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte,

en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve,

dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze

geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich,

wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij

blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond,

en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen.

Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig

geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en

uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de hoop, dat gij

de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te

zien en met hen te spreken."

Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat

zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen

gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het

harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.

"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke

zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan

de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet

nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en

door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad

van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te

komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd,

die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en

ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in

dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de

vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min

gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk

voor uw verstand, niet waar?"

"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u

zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel

gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren,

dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."

"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal

waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat

honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en

zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God

de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele

beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen

neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap

der duivelen te boeten en te lijden."

Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling

snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en

woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar

iets bijzonders.

"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.

Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten

zijns meesters.

"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"

"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren

uittrekkende.

"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij

hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal

in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."

"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er

van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk

verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"

"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het

eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide

mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en

een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In

zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen,

en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat

bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat

Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten

krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige

stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier

te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene

hoogere en gelukkige proef over te gaan,--maar dit kan ik in alle geval

niet verzekeren."

"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met

eenen glimlach van ongeloof.

"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om

wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene

zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels

overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden

verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen

verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen,

oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die

haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en

het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren

wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd

daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem,

heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de

geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal

u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."

"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem,

die van vermoeidheid en treurnis getuigde.

"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de

eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide

mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij,

vóórdat een uur verloopen zij, reeds in gemeenschap zijn met de wereld

der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge

weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor

het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont,

moet pogen te zien en te hooren."

"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte

Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver

genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en

afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik

zou den geest niet zien."

"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze

afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle

geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed

en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u

wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal

verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er

is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan

verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het

doodshoofd."

"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden

te verontschuldigen!"

"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de

bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware

eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik

mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef,

eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"

De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met

droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij

zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond

op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:

"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil

te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik

den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan,

ik ben bereid. Wat moet ik doen?"

"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond

met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam

mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het

zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,--zet u op

uw gemak,--leg de rechterhand op het doodshoofd,--zie nu in zijne holle

oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden,

op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw

gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van de gedachte, dat

gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in

eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet

openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet

verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de

tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet

ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen,

dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en

zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo

is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook

geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins

noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"

De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als

eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen

zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne

begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat

beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle

oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en

hij er duizelig van werd.

Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf

welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou

ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur

zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij

scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne

aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.

Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor

zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op

zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en

vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou

onderbreken,--toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:

"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat

de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel

getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor

u ontsluieren."

"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.

"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige

liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst

oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het

doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om

eene bepaalde gedaante aan te nemen?"

"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die

glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde

Willem.

"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de

proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen

ander gepeins meer dan het doel alleen!"

Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan

gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel.

Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het

geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de

koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met

wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met

een pijnlijk geluid uit zijne borst op.

"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd

afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van

hetgeen ik doe."

"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"

"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om

morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben

onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel,

dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft

ontbroken."

"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo;

men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet,

Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve

hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal

haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u

betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het

kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal

u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en

verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar

het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van

het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe

gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden

moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"

Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep

medelijden en van smart:

"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat

gij binnen weinige dagen zult sterven?"

"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."

"Maar indien gij wenschtet te leven?"

"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar

den dood."

"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.

"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen glimlach.

"Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij

eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene

plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is

naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen

te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik

noch verschrikt, noch weemoedig ben."

De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van

zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de

zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:

"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem,

gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet

erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden

en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn

inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang,

dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor

de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u

eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover

spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."

Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.

Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange

zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het

hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging

gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij

vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang

in diepe gepeinzen verzonken.

Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van

verbaasdheid:

"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der

wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des

menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der

bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van

een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme

oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas,

niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en

zoeken wij troost en verkwikking in de rust."

Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des

hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond

Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding

van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel

gespreid.

De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te

gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige

nieuwsgierigheid:

"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is

hij tevreden over u?"

"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.

"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"

"Ja, meer dan ik verlangde."

"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"

"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden.

"Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."

"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb

gezegd?"

"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat

hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij

kindsch wordt."

"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die

beleediging spreken!"

"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er

blijft weinig hoop op genezing!"

"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook

te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en

te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."

Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.

"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik

heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden.

De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle

u bevallen!"

Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende

spijzen te nuttigen.

Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel

te spreken.

"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust,

terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.

"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men

eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer

Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte

zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te

overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen

heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u

is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een

geest, een _Mistoffel_, die hem bewaakt?"

"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.

"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien

helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij

zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet

vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet,

zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar

geleden, sedert den 13den Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar

de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden

wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was,

alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel

reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de

wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de

handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden

geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel,

en daar vinden wij mijnheer--die alsdan zich zelven nog niet

opsloot--bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het

tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne

grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als

duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de

lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen

eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich

buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing

recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp

roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen."

Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen

geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het

wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen

hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn _Mistoffel_ moest

worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een

donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde

zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel

buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle

half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het

zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken

nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht,

en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat

ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch,

zeg?"

"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig _nacht_," mompelde

Willem, de schouders ophalende.

"_Nacht!_ Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?"

De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels

van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.

"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide

hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend

gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en

slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."

Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen

blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te

houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de

oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.

"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is

niet verloren--Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek

het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"

"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.

"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen

weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u

bedriegt, en ik ga ze u vertellen."

"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik

antwoord niet meer."

"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de

zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen

heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de

kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij

waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas

bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de

vierde man bij het kaartspel te zijn."

De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en

stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn

vertelsel dus voortzette.

"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne

mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet

hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"

Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de

wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.

"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen

kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke

donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de

kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie,

daar in dat achterpoortje van het kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe

kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik

zal u den weg wijzen."

Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen

op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de

gedaante der letter X.

"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.

"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.

"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden,"

was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor

alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch

gespuis."

Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken

van den grond en wierp ze tot beneden de trap.

"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom

maken als.... als een visch."

"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man

vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever

gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."

"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu,

Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij

slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht....

Wilt gij niet heengaan?..."

"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die

steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed.

Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die

meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och

arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante--als

een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders--die hem met den

vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."

Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem,

die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.

Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens,

op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.

Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap

vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of

zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag

allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen:

spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden.

Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner

ontstelde zinnen was, stond niettemin het koude zweet hem op het

aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.

Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen

slaap.

De Ziekte der Verbeelding · 第 5 / 11 题