Toen Willem den gang des kasteels bereikte, kwam de hond hem tegemoet en
berook hem van alle kanten. Dit onderzoek moest op het dier eenen
gunstigen indruk doen, want het liep kwispelstaartend voor den
jongeling, die, verwonderd over de onverwachte vriendschap van Nox, hem
de hand streelend op den rug legde.
In de zaal stappende, zag hij zijnen oom bij de tafel zitten, met de
hand op een doodshoofd. Het gezicht zijner onbegrijpelijke magerheid en
bovenal zijn voorkomen als van een geest of van een geraamte deden hem
huiveren, en hij bleef te midden der zaal staan, stilzwijgend groetende
en niet wetende wat te doen of hoe zich te gedragen jegens den
zonderlingen man, die nu zijne glinsterende oogen op hem hield gericht
en hem van 't hoofd tot de voeten nauwkeurig bekeek en onderzocht.
Nox sprong verheugd rondom Willem en liet een zacht geknor hooren.
"Mijn hond bemint u, het is een goed teeken," zeide mijnheer Reimond.
"Kom nader, mijn vriend, en geef mij de hand."
De jongeling ging tot zijnen oom, drukte hem de hand en zeide:
"God zij gezegend, dat Hij mij toelaat mijnen edelmoedigen weldoener,
den beschermer mijner ouders en mijner kindsheid, eens te zien! O, lieve
oom, geloof mij, geen oogenblik van mijn leven is er voorbijgegaan,
zonder dat mijn dankbaar hart uwer goedheid indachtig was. Eilaas, de
hemel heeft mijne gebeden niet verhoord: gij zijt ziek."
"Laat ons daarover nu niet spreken," viel mijnheer Reimond in. "Zet u
daar neder, op dien stoel voor mij. De dankbaarhoid is eene schoone
bloem der ziel, maar dit gevoel mag niet overdreven zijn. Wat ik voor
uwe ouders en voor u heb gedaan, is de moeite niet waard, dat men er van
spreke."
"Neen, zeg dit niet, oom lief," ging de jongeling met ontroering voort.
"Wat zou ik, arme weeze, zonder uwe milde hulp in de wereld geweest
zijn? Wie hadde er voor mijne opvoeding gezorgd? En geniet ik tot op den
dag van heden uwe weldaden niet?"
"Het is zoo, mijn vriend, spreken wij van wat anders. Nadat gij uwe
studiën op het athenaeum hadt voleindigd, zijt gij op het kantoor van
eenen notaris gaan schrijven, sedert hebt gij uwen patroon verlaten, en
zijt bij Mechelen op een dorp gaan wonen? Uw eerste meester was dus niet
tevreden over u?"
"Ja wel, heer oom, hij was zeer tevreden, maar ik overwoog, dat ik
zonder bescherming bij het staatsbestuur nooit eene plaats van notaris
in eene groote stad kon verhopen. Een dorpsnotaris, die een vriend van
mijnen meester was, bood mij de plaats van klerk aan, met het uitzicht
om eens zijn opvolger te kunnen worden, aangezien hij geene
bloedverwanten had, aan wie hij zijne bediening kon nalaten. Ik heb met
blijdschap aanvaard, des te meer, daar ik op een eenzaam dorp beter
mijne studiën kon voortzetten."
"Alzoo, gij studeert nog?"
"Het is te zeggen, al mijne beschikbare uren geef ik aan het lezen van
nuttige boeken. Het is eene noodzakelijkheid mijner natuur geworden,
mijnen geest meer en meer te ontwikkelen, en het zal u wonder schijnen,
heer oom, maar gij zijt de oorzaak van mijnen weetlust, en om uwentwil
alleen poog ik door zelfonderwijs immer meer en meer geleerdheid te
verkrijgen."
"Ik begrijp niet," murmelde mijnheer Reimond.
"Het kan u eene vleierij schijnen, heer oom, waarom evenwel zou ik de
waarheid verzwijgen? Mijne moeder zaliger sprak mij altijd met zooveel
bewondering over uw hoog verstand en uwe diepe geleerdheid, dat die
indruk mijner kindsheid mij is bijgebleven en ik, door eene geheime
drijfveer bewogen, vermeende, met mijnen geest te oefenen, iets te doen
dat u aangenaam kon zijn."
Een glimlach van innige tevredenheid verlichtte het gelaat van mijnheer
Reimond, die eerst den jongeling met welgevallen aanzag, en dan zwijgend
den blik in de oogen van het doodshoofd vestigde, als wilde hij het over
iets raadplegen.
Willem zeide in zich zelven, dat, indien zijn oom werkelijk over zekere
dingen vreemde gedachten kon hebben, hij evenwel in het geheel niet ziek
in de hersens scheen te zijn. Deze overweging verheugde hem, want hem
lag inderdaad een innig gevoel van dankbaarheid in het hart, en hij had
ondanks de vijftienjarige scheiding, zijnen weldoener oprecht blijven
beminnen.
Mijnheer Reimond, als hadde hij een bevestigend antwoord van het
doodshoofd ontvangen, drukte de hand van zijnen neef en zeide:
"Uwe moeder was eene brave vrouw. De ziel, die in uw lichaam woont,
heeft goede neigingen, en zij is op weg om eenen grooten stap vooruit te
doen naar de eindelijke volmaaktheid. Gij hebt nu geen fortuin, Willem,
en deze ontoereikendheid uwer stoffelijke middelen hindert u om
wetenschap en geleerdheid aan te winnen. Verheug u, mijn vriend: mijne
ziel gaat zich afscheiden van haar zichtbaar omkleedsel. Ik zal u geld
en goed genoeg nalaten, om u voor de zorgen des levens te behoeden."
"O, heer oom, waarom dus wanhopen?" zuchtte de jongeling op treurigen
toon. "Waarlijk, ik bemerk met diepe smart, dat gij zeer ziek zijt; maar
met de noodige geneesmiddelen zoudt gij u gemakkelijk kunnen beteren.
Uwe eenzaamheid, uw stil leven heeft waarschijnlijk uwe maag ontsteld.
Het hangt van u af, hare krachten weder op te wekken door een beetje
oefening in de opene lucht."
"Ik ben niet ziek, vriend," was het antwoord.
"Ach, gij zijt zoo uitermate mager, heer oom!"
"Het is, omdat de dood nadert. Nog vier dagen."
"Maar zeg dit niet, oom lief! Het is een inbeeldsel!"
"Een inbeeldsel! Inderdaad, voor u zijn de geheimenissen der
onstoffelijke wereld nog verborgen. Ik zal sterven op de laatste minuut
van den 31sten, dezer maand. Het is onfeilbaar en onherroepelijk."
De jongeling schudde het hoofd met moedeloosheid.
"Gij gelooft mij niet?" hervatte mijnheer Reimond. "Het is u
onbegrijpelijk, hoe een mensch zoo nauw het uur van zijnen overgang naar
een nieuw leven kan weten? Daar is hij, die sedert zes maanden mij elken
dag verwittigt, dat het oogenblik voor mij nadert."
En dit zeggende, legde hij den vinger op het doodshoofd.
De tranen stonden Willem in de oogen; doch hij sprak niet. Hij wist
inderdaad niet wat te zeggen. Zijnen oom openlijk in zijne dwaze
gepeinzen bestrijden, dit dorst hij niet doen; en geloof in deze
zinneloosheid veinzen, dit was tegenstrijdig met de oprechtheid zijns
harten.
"Gij ziet mij zoo verbaasd aan? Evenals de andere menschen meent gij,
dat ik waanzinnig ben, niet waar?" morde de oom. "Och, Willem, ik
beschuldig u daarom niet. Het is iedereen niet gegeven, met de
onstoffelijke wereld in gemeenschap te komen en geheimenissen te kennen,
die slechts aan zeer gelouterde zielen nu en dan eens worden
geopenbaard. Indien ik u zeide dat in dit doodshoofd een geest woont,
wiens taal voor mij klaar en verstaanbaar is, indien ik u verzekerde,
dat die geest reeds dertigmaal onder verschillende menschelijke
gedaanten heeft geleefd, zoudt gij mij gelooven?"
"Ik zou u willen gelooven, heer oom, maar bij gebrek aan kennis der
zaak, is mij dit nu onmogelijk," stamelde de jongeling in verlegenheid.
"Wel geantwoord, Willem; gij loochent ten minste het bestaan van geesten
niet volstrektelijk."
"Zeker niet; boven de stoffelijke natuur zijn er onstoffelijke wezens,
de godsdienst leert ons en het geweten doet ons voor gevoelen, dat niet
alles met het aardsche leven eindigt."
Deze woorden, met overtuiging gesprokon, schenen mijnheer Reimond
bijzonder te behagen; hij knikte goedkeurend met het hoofd en zeide:
"Gij gelooft dus aan de onsterfelijkheid der ziel, aan een toekomstig
leven, aan de straf des kwaads en aan de belooning des goeds: in één
woord, aan de rechtvaardigheid Gods?"
"Is het mogelijk, heer oom, aan zulke klaarblijkende waarheden te
twijfelen?"
"Ha, Willem, er zijn er, die daaraan durven twijfelen, maar oneindig
meer zijn er, die slechts een bekrompen of onduidelijk begrip van deze
waarheden hebben. Ik weet niet, mijne ziel heeft voor de uwe een
geheimzinnige neiging. Zij denkt, dat de uwe zuiver genoeg voor deze
hooge wetenschap zou kunnen zijn. Ware het zoo, ik zou met een gevoel
van opperst geluk deze aarde verlaten. Niet alleen omdat aldus de
vruchten van mijn arbeidzaam streven voor de menschheid niet zouden
verloren gaan, maar nog omdat ik u vóór mijnen dood eene weldaad zou
kunnen bewijzen, duizendmaal kostbaarder dan het fortuin, dat gij erven
gaat.... Laat hooren, mijn goede neef, wilt gij leeren hoe men in
betrekking komt met de wereld der geesten? Wilt gij het ten minste
beproeven? Want het is niet zeker, dat uwe ziel reeds genoeg beproefd en
gelouterd zij."
"Om u vermaak te doen, zal ik alles beproeven wat gij wenscht, heer
oom," antwoordde de jongeling op eenen toon van lijdzame onderwerping.
"Welnu, vriend, luister dan met inspanning der hersenen, en, valt de
redeneering u in het eerst wat zwaar, doe geweld om mij te begrijpen.
Doordring u van de gedachte, dat, indien ik u bekwaam kon vinden tot het
aanvaarden der zedelijke erfenis mijner ziel, ik het zou aanzien als
eene duizendvoudige belooning voor het weinige goed, dat ik uwen ouders
en u kan hebben gedaan. Gij zult gaan hooren wat de geest, die in het
doodshoofd woont, mij heeft veropenbaard. Geef aandacht, ik bid u."
Mijnheer Reimond schoof zijnen stoel nader en begon dus op langzamen,
plechtigen toon:
"Ziehier wat de geesten leeren. Voordat onze wereld bestond, zag
God--het eenig eeuwig, geheel zuiver, volmaakt en almachtig wezen--dat
de onmeetbare ruimte van het heelal ijdel was. Hij schiep de engelen--en
Hij schiep ze in onnoembaar getal--om die ledigheid te vervullen, der
ruimte leven te geven en Hem in zijne majesteit te loven en te dienen.
De engelen waren betrekkelijk zuivere geesten; maar geheel volmaakt
waren ze niet, anders zou elk hunner zooveel zijn geweest als God zelf,
die alleen volmaakt kan zijn. Het gebeurde, dat een dier geesten,
Lucifer geheeten, door den hoogmoed verleid, met honderden millioenen
zijner gezellen tegen den eenigen God wilde opstaan; maar zijne
vermetelheid ontving eene verschrikkelijke en verdiende straf. Hij werd
nedergebliksemd en veroordeeld om eeuwiglijk van het aanschijn des
Heeren verwijderd te blijven en zonder einde in duisternis te treuren en
te lijden. Dan wilde God de opengevallene plaatsen in de scharen zijner
trouwgeblevene dienaars aanvullen; maar Hij zou rondom zijnen troon
geene andere dan beproefde geesten toelaten. Daarom schiep Hij den
mensch. De mensch is een onvolmaakte engel, die door de bekoring en de
overwinning, door het lijden en den moed, door de worsteling en de
sterkte, in éen woord door arbeiden en door strijden, tot de volstrekte
macht en zuiverheid moet geraken, ten minste voor zooveel een geschapen
wezen zuiver en machtig kan zijn naast God.... Begrijpt gij dit, mijn
vriend?"
"Ho, zeer wel, oom lief," antwoordde de jongeling, die met verbaasdheid
luisterde.
"Welnu, God schiep ook de aarde en de gansche wereld, met hare kruiden
en dieren, met hare schoonheden en hare gebreken, met hare verlokkingen,
haar geluk, hare rampen, hare vreugde, haar verdriet, hare vijandschap,
hare liefde, omdat de mensch tusschen al deze tegenstrijdigheden zou te
worstelen hebben, en zijne zedelijke natuur door opvolgende
overwinningen zou beproefd en gelouterd worden.... Hier is nu de reden
van het bestaan der geesten: het lichaam des menschen is slechts aarde,
een stoffelijke vorm, die den waren mensch, dat is te zeggen de ziel,
den geest omkleedt. Anders kon hij toch zijne bestemming niet vervullen;
want een ongevleesde geest heeft geene zintuigen en kan met de stof niet
in aanraking komen of van de stof eenige aanvechting onderstaan.
Diensvolgens, om te kunnen lijden en worstelen, moest de ziel des
menschen in eenen aardelijken vorm gewikkeld worden, ten einde bij
middel der stof in aanraking met de stof te komen en haar zelfs
gedeeltelijk onderworpen te worden. Dit zegt u ook, dat evenwel de
eigenlijke mensch in de ziel bestaat en hij zijn lichaam kan verliezen,
zonder dat hij ophoudt te wezen.--Vat gij deze redeneering, neef?"
"Zij wordt mij wel iets of wat duister, heer oom," mompelde de
jongeling.
"Ik zal pogen duidelijker te zijn, Willem. Op de volgende wijze
verklaart de geest de bestemming van den mensen voor de eeuwigheid. Al
de menschelijke zielen werden bij duizenden millioenen en op hetzelfde
oogenblik geschapen, maar zij kregen niet altezamen een stoffelijk
omkleedsel. De eerste, die de proeve op aarde onderstond, was Adam, en
opvolgend na hem, tot den dag van heden, een onnoembaar getal anderen.
Een mensch leeft meer dan één leven, er zijn er wel, die honderdmaal
reeds de beproeving opnieuw hebben begonnen en bij gebrek aan kracht,
aan deugd en aan voortgang, nog veel malen zullen te herleven hebben.
Vooronderstel, dat vele honderdduizenden menschen op een jaar sterven.
Waar meent gij, dat hunne zielen gaan?"
"De godsdienst laat daarover geenen twijfel," bemerkte de jongeling.
"Inderdaad niet," antwoordde mijnheer Reimond. "Op het einde zal het
zijn, zooals de godsdienst ons leert, maar in afwachting van het vergaan
der wereld?"
"Zulke dingen zijn moeielijk om te begrijpen," mompelde Willem, die niet
meer wist wat te antwoorden.
"Inderdaad, maar gij zult ze eindelijk wel doorgronden," hernam de oom
op aanmoedigenden toon. "Zijn er tusschen die honderdduizenden zielen
eenige, welke de noodige zuiverheid hebben bereikt, deze worden
opgenomen in den hemel, en elk hunner krijgt de plaats van eenen der
afgevallene engelen. De andere nog onvolmaakte zielen gaan in de ruimte,
en moeten daar wachten, totdat het God believe hun eene nieuwe proeve,
dit is een nieuw leven op aarde, toe te staan. Al deze zielen, al deze
geesten zonder stoffelijk lichaam bevolken de lucht, waarin zij zich,
wanneer zij willen, met de snelheid des bliksems bewegen, maar zij
blijven nog liefst in de streken, welke zij als mensch hebben bewoond,
en in de nabijheid hunner vrienden, hunner ouders of hunner kinderen.
Bij voorbeeld, terwijl ik hier met u spreek, omringen ons wel twintig
geesten. Onder hen herken ik mijnen vader en den uwen, mijne vrouw en
uwe moeder, die ons beluisteren en zich verblijden in de hoop, dat gij
de geheimzinnige, de bovennatuurlijke kracht zult aanwinnen om hen te
zien en met hen te spreken."
Eene siddering scheen den jongeling aan te grijpen. Het gepeins, dat
zijne afgestorvene ouders naast hem stonden en hem zagen, deed eenen
gansch vreemden indruk op hem. Het was, alsof het hem benauwd om het
harte werd, en een lang opgehouden zucht ontsnapte zijner borst.
"Wees niet vervaard, mijn vriend," zeide zijn oom, "deze onstoffelijke
zielen zijn hinderloos, en het is hun niet toegelaten, kwaad te doen aan
de zielen, die in vleeschelijken vorm lijden en strijden op aarde. Weet
nu verder, dat sommige menschen, die door opvolgende beproevingen en
door het innig betrachten van deugd en wetenschap tot eenen verren graad
van zuiverheid gevorderd zijn, het vermogen hebben om in gemeenschap te
komen met de wachtende zielen, die de ruimte vervullen, anders gezegd,
die de eigenschap bezitten, om de onstoffelijke geesten op te roepen en
ze te dwingen tot mededeeling van hetgeen zij weten. De geest, die in
dit doodshoofd woont, heeft reeds dertigmaal geleefd. Hij nadert tot de
vereischte zuiverheid en weet daarom dingen te openbaren, waarvan min
gevorderde zielen geene kennis hebben. Dit alles is toch wel bevattelijk
voor uw verstand, niet waar?"
"Het is verrassend en wonderlijk," antwoordde Willem, "maar volgens u
zouden alle menschen zonder uitzondering engelen worden en ten hemel
gaan? Dit strijdt met den godsdienst en met het geweten, die ons leeren,
dat er belooning of straf zal zijn na dit leven."
"Deze strijdigheid bestaat slechts in schijn, mijn vriend, het zal
waarlijk op het einde geschieden zooals ons wordt geleerd. Nadat
honderden millioenen gezuiverde zielen ten hemel gevaren zijn, en
zoohaast ook de laatste plaats der gevallen engelen vervuld is, zal God
de wereld doen vergaan, en de zielen, welke alsdan ondanks de vele
beproevingen nog onzuiver, boos en zondig zijn gebleven, zullen
neergebliksemd worden, om in de eeuwige duisternis en in het gezelschap
der duivelen te boeten en te lijden."
Nox, die sedert eenigen tijd rondom den stoel van den jongeling
snuffelend dwaalde, sprong nu met zijne voorste pooten op zijne knie en
woelde met den snuit tegen de borst van zijne frak, als rook hij daar
iets bijzonders.
"Nox, hier, stil!" sprak mijnheer Reimond op bevelenden toon.
Het beest verliet den verbaasden Willem en kroop tot voor de voeten
zijns meesters.
"Gij hebt vleesch in uwen zak, mijn neef?"
"In het geheel niet," stamelde de jongeling, eenige papieren
uittrekkende.
"Ha, ik zie wat het is!" riep mijnheer Reimond met eenen glimlach. "Gij
hebt daar den brief, dien ik u toezond. De hond heeft hem reeds eenmaal
in den muil gehad, en hij herkent hem aan den reuk."
"Wat wonderlijk beest!" zuchtte Willem. "Ik begrijp, dat de hovenier er
van vervaard is. Men zou haast gaan gelooven, dat Nox een menschelijk
verstand heeft. Toen hij mij kwam roepen, scheen hij te willen spreken!"
"Het is een arm dier, dat mij verkleefd en dankbaar blijft, omdat ik het
eens te hulp kwam, toen het zich in gevaar des levens achtte," zeide
mijnheer Reimond. "Wat den ouden Jakob betreft, hij is een goed man en
een trouw hart, maar zijn moed en zijn verstand zijn niet groot. In
zijne eenvoudigheid droomt hij van niets dan van schrikkelijke dingen,
en zoohaast hij iets ziet dat hij niet kan begrijpen, meent hij, dat
bovennatuurlijke oorzaken in het spel zijn. Wat wonders is daaraan, dat
Nox geleerd heeft den hovenier te gaan roepen, vermits hij nooit eten
krijgt dan wanneer ik Jakob doe komen? De eenzaamheid en de eeuwige
stilte hebben misschien iets bijgebracht om de natuur van het arme dier
te wijzigen. Misschien woont in hem eene ziel, die gereed is om tot eene
hoogere en gelukkige proef over te gaan,--maar dit kan ik in alle geval
niet verzekeren."
"Eene ziel in den hond? Eene menschelijke ziel?" mompelde Willem met
eenen glimlach van ongeloof.
"Waarom niet?" was het antwoord. "Indien God het zoo wil, om
wederspannige of geheel ondeugende zielen te straffen of ze aan eene
zware proef te onderwerpen? Er zijn trotsche dwingelanden, die in ezels
overgaan, opdat zij onder den stok van den drijver zouden worden
verootmoedigd, hoovaardige vrouwen, die padden worden en onder dezen
verachten vorm gedurende een gansch leven in het slijk wroetelen,
oorlogshelden, welke om roem te behalen stroomen bloeds vergoten, die
haas worden, opdat de eeuwige vrees hunnen wreeden overmoed stille, en
het lood der jagers ook hun bloed doe vlieten, maar niet in alle dieren
wonen menschelijke zielen, en het is den geesten niet veroorloofd
daarover eenige bepaalde openbaringen te doen.... Nu, mijn goede Willem,
heb ik u gezegd wat ik noodig acht om u een klaar denkbeeld van de
geestenwereld te laten opvatten. Is u nog iets duister, zeg het, ik zal
u meer uitlegging geven, indien gij het verlangt."
"Neen, oom lief, ik weet genoeg," antwoordde de jongeling met eene stem,
die van vermoeidheid en treurnis getuigde.
"Des te beter, mijn neef; dan kunnen wij seffens beginnen met de
eindelijke proef, waartoe mijne woorden u hebben voorbereid," zeide
mijnheer Reimond opstaande "Ha, Willem, mijn vriend, misschien zult gij,
vóórdat een uur verloopen zij, reeds in gemeenschap zijn met de wereld
der zielen. Mocht dit gelukken, ik zou God zegenen voor die hooge
weldaad, aan u en aan mij bewezen! Kom hier, zet u op dezen stoel voor
het doodshoofd, ik zal u leeren, hoe gij den geest, die er in woont,
moet pogen te zien en te hooren."
"O, ik bid u, heer oom, ontsla mij van deze proefneming!" smeekte
Willem. "Ik weet niet, mijne ziel is waarschijnlijk nog niet zuiver
genoeg; het is, als boezemde deze verborgene wetenschap mij schrik en
afkeer in. Wees zeker, al duurden uwe pogingen eenen ganschen dag, ik
zou den geest niet zien."
"Gij gelooft zulks?" hernam de oom. "Ongetwijfeld bedriegt gij u. Deze
afkeer is natuurljjk. In stoffelijke gedaante schrikt de mensch van alle
geheimzinnigheid; maar gij moet die vrees overwinnen en, met vasten moed
en met volledig vertrouwen, u leenen tot de onschatbare les, welke ik u
wil geven. Zoohaast gij den geest ziet, zoohaast gij zijne taal
verstaat, zult gij juichend en dankend mij in de armen vliegen. Ha, er
is op aarde geen grooter geluk dan deze wetenschap, die ons bestaan
verbreedt tot de uiterste palen van het heelal. Nu, zit hier voor het
doodshoofd."
"Maar, oom lief, indien gij de goedheid hadt, mij ten minste voor heden
te verontschuldigen!"
"Zeker niet, Willem; het is uwe stoffelijke natuur, die worstelt om de
bovenhand te behouden. Zij moet bevochten en overwonnen worden: het ware
eene lafheid dus toe te geven aan hare zelfzucht. Gij weigert? Zou ik
mij misgrepen hebben? Zal ik de smart onderstaan, in u, mijnen neef,
eene verachterde en nog zeer zwakke ziel te moeten herkennen?"
De jongeling bemerkte, dat zijn tegenstand het hart zijns ooms met
droefheid vervulde. Uit eerbied, uit toegevendheid voor hem, besloot hij
zich lijdzaam te leenen tot al wat hij van hem kon eischen. Hij stond
op, zette zich voor hot doodshoofd en zeide:
"Gij hebt ongelijk, heer oom, aan mijnen moed of aan mijnen goeden wil
te twijfelen. Ik ben zeker, of ten minste ik geloof mij zeker, dat ik
den geest niet zal zien; maar vermits gij er anders over denkt, welaan,
ik ben bereid. Wat moet ik doen?"
"Het zal gaan, gij kent u zelven niet, Willem!" riep mijnheer Reimond
met blijdschap. "Heb vertrouwen; gij zult niet alleenlijk de erfgenaam
mijner stoffelijke goederen zijn, maar tevens de erfgenaam van het
zedelijk vermogen mijner ziel! Schuif uwen stoel bij de tafel,--zet u op
uw gemak,--leg de rechterhand op het doodshoofd,--zie nu in zijne holle
oogen, diep zeer diep, en tracht aldus uwen blik beweegloos te houden,
op zulke wijze, dat niets meer van de dingen, die in deze kamer zijn, uw
gezicht verstrooie of store. Doordring u zelven nu van de gedachte, dat
gij eenen geest wilt zien, eenen geest in menschelijke gedaante; want in
eenen anderen vorm kunnen zij zich voor onze stoffelijke oogen niet
openbaren. Willen en blijven willen, overtuigd zijn en gelooven, niet
verzwakken, standvastig en onverwinnelijk willen, is hier de
tooverroede, die de wereld der zielen voor uw aangezicht moet
ontsluiten. Poog diensvolgens uwen geest in zulke spanning te brengen,
dat hij door dit zelf magnetismus om zoo te zeggen uw lichaam verlate en
zich vermenge met de onstoffelijke wezens, die de lucht vervullen. Zoo
is het wel; verroer u niet meer, blijf zwijgend en, wat er ook
geschiede, keer uw gezicht niet van het doodshoofd af, noch uw gepeins
noch uwen wil van het doel dezer proeve. Stil nu!"
De jongeling beschouwde deze proefneming om geesten op te wekken als
eene beklaaglijke zinneloosheid van zijnen oom. Evenwel, om zijnen
zieken weldoener niet te bedroeven, volbracht hij nauwkeurig zijne
begeerte en had letterlijk de hem gegevene les gevolgd. Hij zat
beweegloos als een steenen beeld en hield de oogen zoo vast in de holle
oogen van den schedel gevestigd, dat zijn gezicht er van schemerde en
hij er duizelig van werd.
Hij behield echter zijn geduld, want hij hoopte, dat zijn oom zelf
welhaast deze nuttelooze poging moede zou worden en hem er van zou
ontslaan. Dan hij bedroog zich grootelijks: er verliep wel een half uur
zonder dat mijnheer Reimond teeken van leven gaf; integendeel, hij
scheen zijnen adem op te houden om zijnen neef niet te storen en zijne
aandacht van het nagejaagde doel af te trekken.
Wat Willem betreft, deze verveelde zich onzeglijk; alles scheen voor
zijn verduisterd gezicht te draaien, en het zweet stond in parelen op
zijn voorhoofd. Hij gevoelde, dat hij het niet langer volhouden kon, en
vroeg zich zelven juist, of hij dit pijnlijk spel niet beslissend zou
onderbreken,--toen zijn oom met verdoofde stem aan zijn oor suisde:
"Keer den blik niet af, Willem; gij zult gelukken: ik heb op uw gelaat
de teekens gevolgd, die van de immer aangroeiende uitzetting uwer ziel
getuigen. Nog een half uur geduld, en de groote geheimenis zal zich voor
u ontsluieren."
"Nog een half uur, o hemel!" zuchtte Willem verschrikt.
"Zwijg, blijf standvastig, ik bezweer u, vriend, indien gij eenige
liefde, eenige dankbaarheid voor mij hebt, laat uwen moed in dit opperst
oogenblik niet verzwakken. Niet waar, gij ziet in de diepte van het
doodshoofd nevelachtige wolkjes, die bewegen en schijnen te zwoegen om
eene bepaalde gedaante aan te nemen?"
"Ik zie wolkjes die vlotten, witte ringen die draaien, vonken die
glinsteren, en alle soorten van zonderling duizelige dingen," stamelde
Willem.
"Ha, dit is het! Uwe ziel begint ziende te worden. Geduld, geduld, de
proeve voortgezet met onwrikbaar vertrouwen. Stil nu, geen woord, geen
ander gepeins meer dan het doel alleen!"
Gedurende nog een geheel kwart uurs hield Willem het vol; maar dan
gevoelde hij, dat een onweerstaanbare slaaplust hem allengs overviel.
Hij geeuwde nu en dan, doch poogde deze teekens der verveling door het
geweldig sluiten van den mond te verbergen. Eindelijk kon hij de
koortsige trekkingen zijner zenuwen niet meer bedwingen; geeuwde met
wijdgeopenden mond, en zijn opgehouden adem welde tegen zijnen wil met
een pijnlijk geluid uit zijne borst op.
"O, oom lief, heb medelijden met mij!" zuchtte hij, het hoofd
afkeerende. "Ik val in slaap; reeds heb ik geene bewustheid meer van
hetgeen ik doe."
"Nog wat moed, nog wat geduld, vriend; wij raken misschien het doel!"
"Neen, neen, nog ééne minuut en ik stort met het hoofd op de tafel, om
morgen eerst te ontwaken! Het is mijne schuld niet, heer oom. Ik ben
onzeglijk vermoeid van den gansenen dag te hebben gereisd. Gij ziet wel,
dat, niettegenstaande zulke afgematheid, de goede wil mij niet heeft
ontbroken."
"Inderdaad. Gij waart reeds verre gevorderd nogtans! Maar het zij zoo;
men bekomt deze onschatbare wetenschap zoo niet in eens. Wanhoop niet,
Willem; wij zullen morgen met meer geluk waarschijnlijk de proeve
hernemen. Schei uit nu: het is genoeg voor heden. Daarenboven, het zal
haast avond worden, en het uur der eenzaamheid nadert voor mij. Wat u
betreft, gij snakt naar rust. Ik heb in het achterste gedeelte van het
kasteel eene kamer voor u doen bereiden. Jakob Mispels, de hovenier, zal
u dienen; hij heeft last om u alles te bezorgen wat u noodig is, en
verlangt gij iets, dat zich niet op Wildenborg bevindt, Jakob zal naar
het dorp gaan om het te halen. Gedurende den nacht zal ik den geest van
het doodshoofd over u raadplegen; hij zal mij misschien openbaren, hoe
gij onmiddellijk tot de gemeenschap der zielen kunt geraken. Heb goeden
moed en slaap gerust. Tot morgen, mijn vriend!"
Hij reikte de hand tot zijnen neef. Deze sprak op den toon van diep
medelijden en van smart:
"Alzoo, mijn goede oom, gij blijft bij de schrikkelijke gedachte, dat
gij binnen weinige dagen zult sterven?"
"Eene gedachte, Willem? Het is eene volstrekte zekerheid."
"Maar indien gij wenschtet te leven?"
"Het zou er niets aan doen. Daarenboven, mijn jongen, ik snak vurig naar
den dood."
"Onbegrijpelijk!" zuchtte Willem met moedeloosheid.
"Wat is daar onbegrijpelijks in?" hernam de oom met eenen glimlach.
"Elke maal dat een mensch na een tamelijk goed leven sterft, doet hij
eenen stap vooruit naar de eindelijke volmaaktheid, die hem met eene
plaats bij God de eeuwige zaligheid moet geven. Wanneer men op reis is
naar het grootste geluk, verlangt men dan tot langen stilstand gedwongen
te zijn? Treur niet over mijnen onfeilbaren dood; gij ziet wel, dat ik
noch verschrikt, noch weemoedig ben."
De jongeling erkende, dat er niet tegen dit ingeworteld denkbeeld van
zijnen oom te worstelen was. Hij murmelde een goedennacht en meende de
zaal te verlaten; maar mijnheer Reimond hield hem terug en zeide:
"Ik heb den ganschen dag over eene moeielijke zaak nagedacht. Willem,
gij hebt eene verre nicht, die de andere helft mijner goederen moet
erven. Ik wensch, dat Wildenburg met zijne aanklevende bosschen, weiden
en landerijen onverdeeld blijve; het is een vaderlijk erfgoed. Mijn
inzicht is, Wildenborg in uw deel te plaatsen; maar dewijl ik verlang,
dat het als onverkoopbaar en onverdeelbaar beschouwd worde, zou daardoor
de waarde van uw deel verminderd zijn. Ik zal het middel zoeken om u
eene schadeloosstelling te verzekeren; wij zullen morgen daarover
spreken. Ik zal u vroeg doen roepen. Ga nu, en slaap wel."
Willem murmelde eene groetenis en verliet de zaal.
Toen hij zich onder den blauwen hemel bevond, ontsnapte hem een lange
zucht, als viele er een gewicht van zijn hart. In stede van naar het
hoveniershuisje te gaan, trad hij, door den nood aan eenzame overweging
gedreven, in het groene prieel en zette zich op de bank neder. Hij
vouwde de armen op de borst, staarde ten gronde en bleef dus zeer lang
in diepe gepeinzen verzonken.
Eindelijk hief hij het hoofd op en mompelde met eene uitdrukking van
verbaasdheid:
"Wat geschiedt mij? Daar zit ik te droomen aan de mogelijkheid der
wonderlijke dingen, die mijn oom mij heeft verteld! Wat is de geest des
menschen toch zwak, en hoe machtig is op hem de indruk der
bovennatuurlijke geheimenissen! Zoo een gansch uur in de holle oogen van
een doodshoofd staren, het betoovert en maakt de hersenen duizelig. Arme
oom, hij is zeer ziek, zijne verbeelding is verdwaald. Er is, eilaas,
niets aan te doen. Wat ben ik moede! Eten wij metterhaast een beetje, en
zoeken wij troost en verkwikking in de rust."
Hij verliet het priëel en richtte zijne stappen naar de woning des
hoveniers. Zijn geest was beneveld en zijn hart weemoedig. Hij vond
Jakob Mispels en zijne vrouw druk bezig bij den haard met de bereiding
van zijn avondmaal; er lag reeds een wit ammelaken over de tafel
gespreid.
De hovenier, zoohaast hij den groet des jongelings hoorde, kwam hem te
gemoet geloopen, greep zijne hand en vroeg met koortsige
nieuwsgierigheid:
"Welnu, welnu? Hoe is het afgeloopen? Heeft uw oom u goed onthaald? Is
hij tevreden over u?"
"Ik vermeen het te mogen denken," was het antwoord.
"Heeft hij u van zijnen dood, van zijnen schrikkelijken dood gesproken?"
"Ja, meer dan ik verlangde."
"Hoe? Hij zou u gezegd hebben, dat de duivel....?"
"Laat mij gerust met die gekheden, Jakob," morde Willem ontevreden.
"Mijn arme oom verbeeldt zich, dat hij gaat sterven, dit is alles."
"Zoo, gij meent het? Gij twijfelt aan de waarheid van hetgeen ik u heb
gezegd?"
"Geloof hem niet, Willem," viel Peternelle haren man in de rede. "Al wat
hij vertelt, zijn dwaasheden. Men zou welhaast gaan meenen, dat hij
kindsch wordt."
"Ik kindsch?" grommelde Jakob dreigend. "Ik zal u straks over die
beleediging spreken!"
"Mijn oom is ziek, ziek in het hoofd," zuchtte de jongeling. "En er
blijft weinig hoop op genezing!"
"Ziek in het hoofd? Zot, wilt gij zeggen? De pastoor schijnt zulks ook
te denken; maar het is niet waar: mijn meester heeft te veel verstand en
te veel geleerdheid, ziedaar de eenige oorzaak van zijn ongelukkig lot."
Ondertusschen had de vrouw de spijzen opgediend.
"Mijnheer Willem," zeide zij, "gelief u daar bij de tafel te zetten. Ik
heb gedaan wat in mijne macht was om u een goed avondmaal te bereiden.
De reis zal u eetlust gegeven hebben. Moge de keuken der oude Peternelle
u bevallen!"
Met betuigingen van dankbaarheid begon Willem de hem voorgediende
spijzen te nuttigen.
Jakob was reeds bezig met opnieuw van zijnen meester en van den duivel
te spreken.
"Maar, om Gods wil, zwijg toch een beetje en laat mijnheer gerust,
terwijl hij eet!" zeide zijne vrouw.
"Wat heeft een mensch van zwijgen?" wedersprak de hovenier. "Als men
eet, kan men des te beter luisteren. Gij denkt zeker, dat ik mijnheer
Willem, het kind, dat ik op de armen heb gedragen, in eene dwaalgedachte
zal laten, als ik de mogelijkheid zie om hem van de waarheid te
overtuigen? Gij gelooft, Willem, dat mijn meester geene betrekkingen
heeft met den zwarten man? Gij hebt dus geene acht op Nox gegeven, en u
is het niet klaarblijkend geworden, dat Nox niets anders is dan een
geest, een _Mistoffel_, die hem bewaakt?"
"Nox is een hond gelijk alle andere honden," bemerkte de jongeling.
"Een hond gelijk alle andere honden? Kendet gij de geschiedenis van dien
helschen dienaar, welken gij meent voor een beest te mogen aanzien, gij
zoudt wel anders spreken. Maar waarom zou ik u die geschiedenis niet
vertellen, terwijl gij toch niets te doen hebt dan te eten? Vrees niet,
zij is schrikkelijk, doch kort. Welnu, luister. Het is tien jaar
geleden, sedert den 13den Juli; mijn meester leefde wel eenzaam, maar
de zaken gingen op Wildenborg niet als nu. Op eenen zekeren nacht werden
wij onverwachts gewekt door een vreemd geraas in de lucht. Het was,
alsof de aarde beefde, alsof er honderd wagens te gelijk door den hemel
reden. Daarop begon het te bliksemen en te donderen, dat wij meenden de
wereld te zien vergaan. Het vuur des hemels was zoo hevig, dat wij de
handen voor de oogen moesten houden om niet met blindheid te worden
geslagen. Vol schrik en angst loop ik met mijne vrouw naar het kasteel,
en daar vinden wij mijnheer--die alsdan zich zelven nog niet
opsloot--bezig met in een boek vol groote zwarte letteren te lezen. Het
tempeest groeit aan, de donderslagen doen het kasteel op zijne
grondvesten daveren; daar vallen eensklaps hagelsteenen zoo zwaar als
duiveneieren, en de verbrijzelde schalien vliegen kletterend door de
lucht.... Wij stonden nevens mijnheer te beven en te bidden, toen
eensklaps een klagend noodgeroep, als van een stervend mensch, zich
buiten het kasteel liet hooren. Mijnheer Reimond sprong met verrassing
recht en zeide mij: "Jakob, er is iemand voor het hek, die om hulp
roept. Hij smeekt om eene schuilplaats: ga opendoen en laat hem binnen."
Hadde men mij op dit akelig oogenblik eenen hooiwagen vol goud willen
geven, ik hadde geenen enkelen voet buiten gezet. Mijn meester zag het
wel; want hij ging zelf naar het hek en keerde even ras terug met eenen
hond, dit is te zeggen met den duivel, die zijn _Mistoffel_ moest
worden. Nauwelijks was het gruwelijke beest binnengelaten, of een
donderslag, als van honderd kanonnen, trof het kasteel en scheurde
zijnen gevel tot in den grond. Ik schreeuwde om hulp en mijne vrouw viel
buiten kennis op den vloer.... Het is sedert dan, dat de arme Peternelle
half stom geworden is. Ziedaar, Willem, de geschiedenis van Nox. Is het
zóó, dat een gewone hond ergens aankomt? Eilaas, in dien schromelijken
nacht heeft mijn arme meester zijne ziel aan den zwarten man verkocht,
en nu is zijn tijd om. Gelooft gij nu nog, Willem, dat ik niet weet wat
ik zeg? Nox? Nox? Is dit een naam voor den hond van een Christenmensch,
zeg?"
"Die naam is Latijn, en hij beteekent eenvoudig _nacht_," mompelde
Willem, de schouders ophalende.
"_Nacht!_ Ziet gij wel, dat Nox een geest der duisternis moet zijn?"
De jongeling, die niet den minsten lust had om langer naar de vertelsels
van den spreekzieken Jakob te luisteren, stond van de tafel op.
"Ik dank u, mijne vrienden, en u bijzonderlijk, goede Peternelle," zeide
hij. "Het avondmaal was wel bereid, en het heeft mij uitmuntend
gesmaakt. Het is nu bijna donker daarbuiten, ik gevoel mij vermoeid en
slaperig. Wees zoo goed, Jakob, en leid mij naar mijne kamer."
Ondanks de pogingen, welke de hovenier aanwendde, om hem wat te doen
blijven en onder het drinken van een glas bier een avondkoutje te
houden, wilde Willem volstrekt naar bed gaan. Inderdaad, hij kon de
oogen schier niet meer geopend houden van vermoeidheid.
"Welnu, morgen zult gij uitgerust zijn," zeide Jakob. "Uitgesteld is
niet verloren--Peternelle, ga in den stal, haal de lantaarn en ontsteek
het licht er in. Hoe, Willem, gij meent, dat er geene duivels zijn?"
"Ik heb dit niet beweerd," zeide de jongeling met ongeduld.
"Maar gij gelooft toch niet, dat de duivel zielen koopt of menschen
weghaalt. Ik weet eene geschiedenis, die klaar bewijst dat gij u
bedriegt, en ik ga ze u vertellen."
"Gij zijt onbarmhartig voor mij, Jakob. Vertel zooveel gij wilt, ik
antwoord niet meer."
"Dit is mij gelijk, indien gij mij slechts laat spreken. Ziehier de
zaak. In het dorp Neerglabeek waren eens boerenknechts, op eenen
heiligendag onder de hoogmis, in eene herberg. Zij zouden gaarne met de
kaart gespeeld hebben, maar daartoe moesten zij gevieren zijn, en zij
waren slechts gedrieën. Er treedt een vreemdeling binnen, die een glas
bier vraagt. Op het eerste voorstel der drie knechts stemt hij toe om de
vierde man bij het kaartspel te zijn."
De vrouw verscheen met de lantaarn, Willem wenschte haar goedennacht en
stapte ten huize uit, gevolgd door den ouden Jakob, die onderweg zijn
vertelsel dus voortzette.
"Zij waren lustig aan het spelen, maar een der knechts stoot met zijne
mouw het krijt van de tafel en bukt zich om het op te rapen. Wat ziet
hij, o hemel! Hij ziet, dat de vreemde makker paardevoeten heeft!"
Ondanks zijne verveling kon Willem zich niet wederhouden van met de
wonderlijke eenvoudigheid van zijnen ouden leidsman te lachen.
"De arme knechts lachten niet," hernam Jakob Mispels. "Zij sprongen
kermend recht en wilden vluchten, maar er kwam een schromelijke
donderslag, en al de kaartspelers waren verdwenen! Het stonk er in de
kamer, als hadde men er honderd busselen solferstekken gebrand.... Zie,
daar in dat achterpoortje van het kasteel moeten wij zijn. Ik heb uwe
kamer gereed gemaakt, en ik hoop dat u niets zal ontbreken. Volg mij, ik
zal u den weg wijzen."
Hij bracht den jongeling boven eene trap en voor eene kamer. Daar lagen
op den grond twee half verbrande stokken, dwars over elkander, in de
gedaante der letter X.
"Trap daar niet op en ontschik het niet," zeide de hovenier.
"Wat beteekent dit?" mompelde Willem.
"Dit is een onfeilbaar middel om u voor nachtelijk ongeluk te behoeden,"
was het antwoord. "Zulke houten zijn een onoverstapbare dwarsboom voor
alle tooverheksen, duivels, spoken, kabouters, nikkers en ander helsch
gespuis."
Van ongeduld schier buiten zich zelven, greep de jongeling de stokken
van den grond en wierp ze tot beneden de trap.
"Gij zoudt mij eindelijk nog de koorts doen krijgen, of mij zoo dom
maken als.... als een visch."
"Ho, word daarom niet kwaad, mijn lieve Willem," zuchtte de oude man
vreesachtig. "Ik doe het met een goed inzicht; maar wilt gij liever
gevaar loopen van iets schrikkelijks te zien, het staat u vrij."
"Dit is de kamer, waar ik den nacht moet doorbrengen, niet waar? Welnu,
Jakob, ga naar huis en wees gerust, mij zal niets geschieden. Laat mij
slapen zoolang het mij lust en wek mij niet ontijdig. Goeden nacht....
Wilt gij niet heengaan?..."
"Ja, ja, zeker, ik ga," zeide Jakob, de trappen langzaam afdalende. "Die
steedsche menschen hebben harde koppen; maar zij weten het niet goed.
Als ik nog denk aan hetgeen den zandboer van Hechtel is overkomen! Die
meende ooit, dat men geene spooken moet vreezen, maar hij werd, och
arme, deerlijk gestraft. Op eenen nacht zag hij eene witte gedaante--als
een geraamte, met eenen witten lijkdoek op de schouders--die hem met den
vinger wenkte. Halfdood van schrik en bevend...."
Hij was reeds beneden de trap, en zijne stem werd onvatbaar voor Willem,
die binnen de kamer was getreden en in aller haast zich ontkleedde.
Een oogenblik daarna lag de vermoeide jongeling reeds onder de lakens,
op een bed, dat hem goed en zeer zacht scheen.
Hij sloot de oogen en twijfelde niet, of hij zou onmiddellijk in slaap
vallen; maar naarmate zijn hoofd verzwaarde, scheen zijn geheugen of
zijne verbeelding eene onwillekeurige werkzaamheid te krijgen. Hij zag
allerlei vreemde dingen in de duisternis voor zijne oogen wemelen:
spoken, geesten, duivels, zwarte honden, geraamten, doodshoofden.
Ofschoon hij wel wist, dat dit slechts eene begoocheling zijner
ontstelde zinnen was, stond niettemin het koude zweet hem op het
aangezicht en klopte zijn hart van zenuwachtigen angst.
Eindelijk toch bezweek hij onder de afgematheid en viel in eenen diepen
slaap.