„Men zal dadelijk voor u zorgen, mevrouw,” antwoordde Raffles haastig.

„Zeg eens, kent ge dien hond, die u de hand likt, welke over het bed

hangt?”

Grace Collingwood scheen niets ervan gemerkt te hebben en keek nu over

den rand van het bed naar den terriër, die een zachten kreet van

blijdschap liet hooren.

„Het lijkt me wel.... ik heb het gevoel, alsof ik heel zwaar gedroomd

heb en in dien droom zag ik een hond, die heel veel gelijkt op deze.

Wie behoort hij toe?”

„Het is uw hond, mevrouw.”

„Mijn hond? Wel, dat is zonderling,” zeide de vrouw, terwijl zij

zachtjes den kop van het dier streelde.

Zij scheen weder groote moeite te doen, ergens over na te denken, maar

Raffles belette haar dit, door aanstonds weder van onderwerp te

veranderen.

„Luister eens, mevrouw, ge zijt op dit oogenblik nog zwaar ziek. Gij

wilt toch gaarne genezen?”

„Als ik werkelijk ziek ben, natuurlijk mijnheer,” antwoordde de vrouw

en op haar gelaat verscheen een uitdrukking van verbazing en angst.

„Ik ben geneesheer. Wij hebben u gisteren bewusteloos gevonden. Ik zal

u laten overbrengen naar een uitstekende inrichting, die beheerd wordt

door een van mijn vrienden. Nog een paar weken geduld en gij zult de

inrichting kunnen verlaten als een sterke, gezonde vrouw. Stemt gij er

in toe?”

„Ik weet het niet, mijnheer. Ik heb zoo’n zonderling leeg gevoel in

mijn hoofd,” antwoordde de vrouw op klagenden toon. „Maar ik wil gaarne

doen, wat ge zegt, als mij dat genezen kan. Zijt gij een vriend?”

„Dat zeide ik u reeds, mevrouw. Ik ben een groot vriend van u.”

Raffles wierp een blik op zijn horloge, gaf de vrouw nogmaals haar

geneesmiddel in en verliet toen het vertrek, om er voor te zorgen, dat

Grace Collingwood een stevig ontbijt kreeg, terwijl ook de trouwe

terriër niet vergeten werd.

Het dier had zich reeds zeer aan de beide mannen gehecht en Charly was

er eindelijk in geslaagd, den hond een paar malen van het bed van zijn

meesteres weg te lokken.

De viervoetige verschoppeling, die maar al te vaak met stokslagen en

steenworpen verjaagd werd van het erf, waar hij wat voedsel trachtte te

veroveren, had aanstonds groote genegenheid opgevat voor de mannen, die

hem met liefde en zachtheid behandelden en hem volop te eten gaven.

Dienzelfden morgen nog werd Grace Collingwood vervoerd naar de

psychiatrische inrichting van Dr. James Dujardin te Metz, wien Raffles

alles mededeelde, wat hij van de ongelukkige vrouw wist, zonder echter

namen te noemen of in bijzonderheden te treden.

En zoodra hij de vrouw daar veilig wist, vertrok hij met Charly en met

den terriër nog dienzelfden middag naar Verdun, waar de trouwe

chauffeur Henderson hen wachtte.

Het had niet weinig moeite gekost den terriër mede te krijgen, maar

eindelijk had het dier zich toch in zijn lot geschikt, dat zich aan hem

voordeed in den vorm van een stevigen halsband en een sterke lederen

lijn.

Dienzelfden avond nog werden de toebereidselen voor het vertrek gemaakt

en den volgenden dag reisde het kleine gezelschap met de groote

tourauto naar Calais, teneinde zich daar in te schepen naar Dover.

Het was omstreeks negen uur in den avond, toen de auto stil hield voor

een fraai huis in de Regentstreet te Londen, hetwelk Raffles reeds

eenige jaren bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen.

HOOFDSTUK VI.

OP EEN SPOOR.

Het was den volgenden dag omstreeks negen uur in den ochtend, toen

Raffles en Charly gezeten waren in de bibliotheekzaal van het fraaie

huis.

De kleine terriër zat bij hen, buitengewoon nieuwsgierig en vol

belangstelling voor de vreemde dingen, die hij hier reeds had ontdekt.

Hij had al vriendschap gesloten met den ruwharigen foxterriër van

Raffles, Busto geheeten, en een goede behandeling en goed eten zou van

den mageren en hier en daar geheel onthaarden hond weder een fraai dier

maken.

Raffles had een groot werk uit een van de boekenkasten genomen en

bladerde daar ijverig in, terwijl Charly zich voorzien had van een in

het Engelsch zeer bekend werk „Who’s who”, een boek, waarin men in het

kort alles kon vinden van personen van eenige bekendheid in Groot

Brittannië en Ierland.

Na eenigen tijd te hebben gebladerd en aanteekeningen te hebben

gemaakt, riep Raffles plotseling uit:

„Ik vind in dit werk over onzen Engelschen Adel een Allan Collingwood,

die ongetwijfeld de man is, dien wij moeten hebben, wiens geraamte wij

in den kelder van den molen gevonden hebben.”

„Wie is hij dan?” vroeg Charly, van zijn boek opziende.

Raffles wierp een blik in het boek, dat op de tafel voor hem lag en las

toen voor:

„Allan William John Collingwood, eenige zoon van graaf Andrew, Douglas,

Henry Collingwood, dertiende Hertog van Norfolk, studeerde aan de

Universiteit van Oxford in de rechten, was eenigen tijd

gezantschaps-attaché te Weenen, Constantinopel en Boedapest,

reserve-officier bij het veertiende Regiment Royal Fuseliers.”

„Van een huwelijk lees je niets?”

„Niets, maar vergeet niet, dat dit werk reeds van het jaar 1913

dateert. Zie eens of je een deel kunt vinden van een later jaar.”

Charly stond op, ging naar de kast, opende die, zocht eenigen tijd en

nam er toen een dik boek uit, waarmede hij weer naar de tafel terug

keerde.

„Dit is van het jaar 1918,” riep hij.

„Ik wist niet, dat wij dat reeds in onze boekerij hadden. Zoek eens

snel op, wat daarin van Collingwood gezegd wordt.”

Charly begon haastig te bladeren en riep na eenigen tijd uit:

„Hier heb ik het al. Allan William John Collingwood enz... enz.... nam

bij het uitbreken van den oorlog onmiddellijk dienst, gesneuveld 22

Aug. 1917, bij den aanval op de Duitsche stelling van Béthincourt.”

„En niets van zijn huwelijk?” vroeg Raffles verwonderd.

„Niets.”

„Dat is zonderling,” hernam Raffles. „Die papieren liegen toch niet?

Wat kan de oorzaak zijn, dat dit niet in dat boek vermeld staat, dat er

altijd prat op gaat, alles omtrent onzen adel mede te deelen.”

„Misschien heeft Collingwood zijn huwelijk wel om de een of andere

reden verborgen willen houden, of is hij plotseling door den dood

achterhaald, voor hij gelegenheid had gevonden, algemeene bekendheid te

geven aan zijn huwelijk,” gaf Charly te kennen.

„Daarop zou de omstandigheid wijzen, dat de ongelukkige Collingwood die

papieren bij zich droeg, inplaats van ze veilig in zijn huis te hebben

opgeborgen.”

„In ieder geval staat het vast, dat hij slechts weinige dagen voor zijn

dood gehuwd is,” hernam Raffles peinzend. „Ik geloof, dat de

Collingwoods altijd zeer rijk zijn geweest.”

„Ja, ze hebben groote bezittingen in het zuiden van Schotland en ook in

Londen bezitten zij bouwterrein, hetwelk in den loop der eeuwen

honderdvoud in waarde is gestegen.”

„Wanneer de kleine Andrew niet wordt terug gevonden, of dood mocht

zijn, dan sterft de linie waarschijnlijk uit.”

„De rechte linie zeker.”

„Maar iemand moet dat groote fortuin dan toch erven?”

„O, er zullen verwanten genoeg zijn, die zich aanstonds zullen komen

aanmelden, zoodra het vaststaat, dat kapitein Collingwood gesneuveld

is, zonder erfgenamen achter te laten. Dat is waar ook, leeft de vader

van dien kapitein nog?”

Charly sloeg het boek weder op, zocht even en antwoordde toen:

„In 1918 leefde de oude man in ieder geval nog.”

„Hoe oud is hij nu?”

„Twee en zeventig jaar.”

„Nu, Charly, voorloopig weten wij genoeg. Deze boeken kunnen ons niets

meer leeren. Alleen zul je er nog wel in kunnen vinden, waar de oude

graaf Andrew gewoonlijk verblijf houdt.”

Na opnieuw een blik in het register te hebben geworpen, antwoordde

Charly:

„De oude graaf woont gedurende het grootste gedeelte van het jaar tot

ver in den herfst op zijn landgoed „Margrete Hall” in de buurt van

Edinburg.”

„Ik meen mij den naam te herinneren,” hernam Raffles. „Het is geloof ik

gelegen temidden van de schoone Lammermuir Hills, ten zuiden van de

stad.”

Raffles sprong haastig op en ging voort:

„Wij zullen niet veel tijd verliezen met praten, mijn waarde. Laten wij

maar aanstonds op reis gaan en die zaak eens onderzoeken.”

„Ik denk, dat wij den kleinen Andrew bij zijn grootvader zullen vinden,

en dat daarmede de zaak geëindigd is,” ze de Charly schouderophalend.

„Bijna, wij hebben dan niets anders te doen, dan die ongelukkige vrouw,

die wij in Frankrijk hebben achtergelaten, in de armen van haar

schoonvader te voeren, die zeer waarschijnlijk volstrekt niet weet,

waar zij ergens vertoeft.”

„En die misschien zelfs niet eens weet dat zij wettelijk met zijn zoon

getrouwd is,” voegde Charly er aan toe.

Raffles bleef op zijn weg naar de deur stil staan, wendde zich naar den

jongen man om en riep toen:

„Dat is volstrekt niet zoo onmogelijk. Het klinkt zelfs waarschijnlijk.

Het is zeer wel aan te nemen, dat kapitein Collingwood niet eens den

tijd heeft gevonden, aan zijn vader mededeeling te doen van zijn

huwelijk. Maar nu genoeg gepraat. Wij kunnen omtrent dit alles

zekerheid erlangen, wanneer wij ons naar „Margrete Hall” begeven.”

„Wanneer wil je op reis gaan?”

„Wel, er lijkt mij niet veel tegen te zijn, wanneer wij nog voor de

lunch vertrekken.”

„Per trein?”

„Waarom zouden wij van dat omslachtige en langzame vervoermiddel

gebruik maken, wanneer wij maar behoeven te kiezen uit een vijftal

auto’s. Wij kunnen den weg van Londen naar Edinburg, in rechte lijn

ongeveer zeshonderd kilometer, en waarover de trein met veel omwegen

bijna twaalf uur doet, gemakkelijk in zeven uur afleggen. Als wij over

een uur vertrekken kunnen wij tegen den tijd van het diner in de

Schotsche hoofdstad zijn.”

De beide vrienden lieten nu geen tijd meer verloren gaan, maar maakten

dadelijk toebereidselen voor de reis.

Gaston, de grijze kamerbediende van Lord William Aberdeen, pakte de

valiezen bijgestaan door Henderson, die zich zeer verheugde over dit

uitstapje.

Toen alles om bij elven gereed was, vroeg Charly:

„Zouden wij Olim—dien naam hadden de beide vrienden aan den bulterriër

gegeven—niet meenemen?”

„Dat kan volstrekt geen kwaad,” riep Raffles uit.

„En hoe staat het met onze namen?”

Raffles dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Het is misschien het verstandigst, wanneer wij voorloopig onzen naam

maar verzwijgen. Wij weten immers niet vooruit, welke toestanden wij

daar aantreffen. Ik zal dus maar weer mijn naam van graaf Palmhurst

aannemen en jij bent mijn trouwe secretaris Charles Gray. Niemand kan

ons die verandering van naam kwalijk nemen, want wij komen met het

goede doel, de belangen te behartigen van die ongelukkige vrouw.”

Alles was nu reisvaardig, de groote tourwagen, een prachtige,

zestigpaards Sunbeam, stond voor de deur. De valiezen waren er achterop

bevestigd met sterke riemen en Henderson, de reusachtige chauffeur, zat

achter zijn stuurwiel.

Wat Olim betreft, het brave dier, dat zich al goed thuis scheen te

gevoelen bij zijn meesters, had een plaatsje tusschen de beide vrienden

gekregen en scheen zeer in zijn schik te zijn met dit onverwachte

reisje.

Henderson had zijn orders reeds gekregen en niet zoodra was de wagen

buiten Londen, of hij schakelde de hoogste versnelling in en de wagen

reed met een negentig kilometer vaart den breeden straatweg op, die in

noordelijke richting voert. De weg ging over Hardfort, en de beroemde

universiteitsstad Cambridge, waar geluncht werd.

Dadelijk daarna werd de reis voortgezet en in snelle vaart stoof de

auto door de graafschappen van Huntingdon, Rutland en Lincoln.

Het was omstreeks vier uren in den middag, toen de auto met een der

geweldige stoomponten over de breede Humber gezet moest worden en een

oogenblik later liep zij Hull binnen. Daar werd de benzinevoorraad

aangevuld en de reis werd voortgezet door het graafschap van York, door

Durham en Northumberland.

Om zes uur werd de grens van Schotland overschreden, en temidden van de

prachtige heuvels van Cheviot, langs de onvergelijkelijk schoone meren

van Selkirk ging het verder.

Reeds lang had men de lantaarns moeten opsteken, die den weg bijna een

halve kilometer ver daghelder verlichtten.

Het was omstreeks zeven uur, toen de auto eindelijk Edinburg binnenreed

om stil te houden voor het groote hotel, hetwelk Raffles Henderson had

aangewezen.

De reis was tamelijk vermoeiend geweest en daarom begaf het drietal

zich, na in het hotel te hebben gedineerd, vroegtijdig ter ruste, na

een korte wandeling in de oude nijverheidsstad.

Den volgenden morgen maakten zij zich reeds vroeg klaar, teneinde

gevolg te geven aan hun plan, een bezoek te brengen aan het buiten van

den graaf Andrew Collingwood.

De auto moest eerst weder op haar weg terug keeren over een afstand van

een vijf en twintig-tal kilometer. Bij Oxton sloeg zij een zijweg in,

nadat Raffles den weg had gevraagd aan een paar boerenarbeiders, en na

ongeveer een half uur te hebben gereden temidden van een verrukkelijk

landschap stond de auto eensklaps halverwege op een tamelijk hoogen

heuvel voor het hek van een prachtige buitenplaats.

Te midden van een groot park verhief zich een fraai, zeer oud landhuis,

dat echter uitstekend onderhouden was.

Vette koeien graasden op de uitgestrekte weide, tusschen de boomstammen

van het park zag men herten bewegen en op eenigen afstand van het

heerenhuis verhief zich een groot bijgebouw, waarschijnlijk de

paardenstallen.

Alles wees er op, dat de eigenaar van dit landgoed wel zeer rijk moest

zijn.

Dicht bij het hek, dat wagenwijd open stond, en toegang gaf tot de

breede oprijlaan, was een oude tuinman aan het werk.

Hij was bezig de dorre bladeren bijeen te harken, die door den laatsten

storm van de boomen waren gerukt.

Raffles was uit de auto gestapt en sprak den ouden man vriendelijk aan.

„Kun je mij ook zeggen, goede vriend, of graaf Andrew op dit oogenblik

reeds te spreken is?”

De tuinman richtte zich op, naam zijn stompje pijp uit den mond, keek

Raffles met de grootste verbazing aan en zeide toen op eenigszins

schorren toon:

„Als gij den ouden graaf wilt spreken, mijnheer, dan zult gij naar het

kerkhof moeten gaan. Hij is zeker twee jaar dood.”

Raffles en Charly wisselden een snellen blik met elkander.

En toch was het zeer goed mogelijk, want de oude graaf kon eenige dagen

nadat het boek ter perse was gegaan, hetwelk Charly geraadpleegd had,

gestorven zijn.

Niettemin waren de beide vrienden niet op deze mededeeling verdacht en

zij schrokken dan ook meer dan zij wilden bekennen.

Raffles had zich echter spoedig hersteld en zeide nu:

„Dat was ons geheel en al onbekend, vriend. Ben je hier al lang in

dienst, als ik vragen mag.”

„Al bijna zoolang als ik terug kan denken, mijnheer,” antwoordde de

oude tuinman. „Het moet langer dan een halve eeuw zijn. Ik heb den

ouden graaf, die twee jaar gelegen stierf, nog als student gekend. Ja,

mijnheer, toen was alles heel anders, dan het nu is.”

„Dat kan ik mij voorstellen,” hernam Raffles, „gij hebt dus ook

kapitein Allan goed gekend?”

„Heel goed, mijnheer. Hij was een vriendelijk man, en ik heb er altijd

zwaar onder geleden, dat.... maar ik zie wel dat ik oud word, ik praat

mijn mond voorbij. Dat zijn dingen, die een vreemdeling niet raken.”

„Ik denk er niet aan, om onbescheiden te zijn, mijn vriend,” hernam

Raffles, „maar je wilt mij zeker toch wel zeggen, wie nu de eigenaar

van het goed is? En wie het groote fortuin van den graaf geërfd heeft,

benevens den titel?”

De oude tuinman scheen even te aarzelen, wierp een schuwen blik om zich

heen en antwoordde toen:

„Onze nieuwe meester is de neef van graaf Andrew—Arthur Millford.”

„Zeker nog een jonge man?” vroeg Raffles vol belangstelling.

„Een jaar of veertig.”

„Gehuwd?”

„Neen, mijnheer,” antwoordde de tuinman kortaf met een stuursch gezicht

alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken.

„Ik weet wel dat je mij er van verdenkt, dat ik mijn neus in andermans

zaken steek, maar ik verzeker je, dat ik dit alles alleen gevraagd heb,

omdat ik groot belang stel in de lotgevallen van.... den zoon van den

jongen graaf, Andrew, of liever in zijn naaste bloedverwanten.”

De tuinman, die alweder aan zijn werk was gegaan, had verrast opgekeken

bij deze laatste woorden en liet nu zijn hand weder rusten.

„Zijn naaste bloedverwanten, mijnheer,” herhaalde hij langzaam, „die

had hij niet, toen hij sneuvelde. Tenminste geen wettige, gij zult het

vreemd vinden dat een ondergeschikte dat zegt, maar de oude graaf was

nog van den ouden stempel en beschouwde mij een weinig tot de familie

te behooren. Graaf Andrew is nooit getrouwd geweest.”

„Dat is hij wel, vriend,” zeide Raffles op zachten toon.

De oude tuinman werd zeer bleek, en begon zoo te beven, dat hij tegen

een boom moest leunen.

Hij keek Raffles met groote verschrikte oogen aan en vroeg toen

stamelend:

„Hoe kunt gij dat weten, mijnheer, gij moet u vergissen.”

„Ik vergis mij niet. Je jonge meester trad een paar dagen voor hij bij

Béthincourt sneuvelde, in het huwelijk met een jonge vrouw, die hem

reeds een paar jaar tevoren een zoon had geschonken.”

HOOFDSTUK VII.

EEN LAGE STREEK.

De oude tuinman bleef nog eenigen tijd in dezelfde houding staan en

eensklaps barstte hij in snikken uit.

„O, als mijn goede meester dat maar had geweten, misschien had hij hem

dan wel alles vergeven.”

„Hij leefde dus in onmin met zijn zoon?” vroeg Raffles.

„Dat deed hij al sedert een paar jaren. Hij kon het mijnheer Allan niet

vergeven, dat hij zich een andere vrouw had uitverkoren dan de oude

graaf voor hem bestemd had.”

„Ja, ja, iets dergelijks vermoedde ik wel,” zeide Raffles half voor

zich heen. „Hoe is uw naam, vriend.”

„Ik heet Russell, mijnheer.”

„Laat ik je dan zeggen, Russell, dat ik in staat ben hier mede te

deelen, hoe kapitein Allan den dood heeft gevonden, maar zeg mij eens,

hield je veel van den ouden graaf en van zijn zoon?”

„Ik zou voor hen beiden door het vuur zijn gegaan, mijnheer,”

antwoordde Russell, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen. „Een oud

man als ik mag niet alles zeggen, maar ik had het liefst met den ouden

graaf willen sterven. Het is daarna nooit meer goed geworden hier.”

„Ja, dat gebeurt helaas maar al te vaak, wanneer een landgoed van

meester verandert,” hernam Raffles ernstig. „Je schijnt veel met

verschillende dingen op de hoogte te zijn, Russell. „Zeg mij eens, wist

je, dat graaf Allan een zoon had?”

„Ja, mijnheer, dat wist ik, maar de oude graaf wilde hem niet

erkennen.”

„Graaf Allan is hier zeker nooit geweest?”

„Nooit, nadat hij met de jonge vrouw vertrok, behalve een enkele maal,

toen de oorlogsverklaring was afgekondigd.”

„Stierf de oude graaf kort daarna?”

„Een paar maanden later.”

„Maar weet niemand hier dan wat er van gravin Collingwood en haar zoon,

den jongen Andrew terecht is gekomen?”

„Dat weet niemand, mijnheer.”

„Dan zal ik het je zeggen, Russell. Ga daar op die boomstronk zitten.

Je bent oud en wat ik je heb mede te deelen, zal je zeer schokken. Maar

zweer mij, dat je over alles, wat ik je zal zeggen, met niemand zal

spreken, voor ik je daartoe verlof geef.”

„Dat zweer ik, mijnheer.”

„Luister dan goed toe.”

En nu begon Raffles op zijn gewone zakelijke, duidelijke wijze het

verhaal te doen van zijn wonderlijke ontmoeting met de waanzinnige van

Béthincourt.

Met gebogen hoofd, zonder dat er een spier aan hem bewoog, had Russell

naar het verhaal geluisterd.

Toen hij eindelijk het gelaat weder ophief, nadat Raffles had

uitgesproken, was het nat van tranen.

Zijn stem beefde van aandoening, toen hij stamelde:

„Dat is vreeselijk om aan te denken, mijnheer. Hier heerscht dus een

vreemdeling, die ons het leven zuur maakt, want dat doet hij. Ik wil

het niet langer verzwijgen, terwijl de jonge graaf Andrew zonder

eenigen twijfel recht heeft op den titel, het fortuin en het landgoed.

Die jongen moet nu tien jaar zijn. God weet waar hij is, of hij nog wel

leeft.”

„Dat zullen wij onderzoeken, Russell,” zeide Raffles eenvoudig.

„Wat? Wilt gij trachten graaf Andrew op te sporen?”

„Dat wil ik en ik zal niet rusten voor wij hem gevonden hebben. Maar

zeg mij eens, Russell, is het je soms bekend, of graaf Andrew een

testament heeft gemaakt ten gunste van zijn neef Arthur Millford.”

„Dat was volstrekt niet noodzakelijk, mijnheer. De titel en het fortuin

gingen automatisch op den ander over, van het oogenblik af, dat graaf

Allan zonder mannelijke nakomelingen stierf.”

„Kun je mij zeggen, waar de vrouw van graaf Allan woonde, toen haar man

ten oorlog trok?”

„Ik meen mij zeker te herinneren, mijnheer, dat graaf Allan adviseur

was van een groote levensverzekering-maatschappij in New Castle. Daar

woonde hij tot kort voor den oorlog.”

„Is het je bekend dat zijn vrouw hem naar Frankrijk is gevolgd?”

„Daar weet ik niets van, mijnheer.”

Raffles stond een oogenblik in gepeins en vroeg toen verder:

„Kan hij in New Castle een anderen naam hebben aangenomen.”

„Ik weet zeker van niet, mijnheer. Ik heb nog een paar maal een brief

van zijn zuster voor hem op de post moeten doen.”

„Had graaf Allan een zuster?” riep Raffles levendig uit.

„Ja, mijnheer.”

„Waar woont zij?”

„Zij woont op het huis, daar wordt zij ook maar zoowat geduld,” voegde

hij er op schamperen toon aan toe. „Zij denkt er dan ook al over om

heen te gaan en te trachten ergens haar brood te verdienen als

gouvernante.”

„Graaf Millford schijnt geen erg aangenaam mensch te zijn.”

„Ik mag geen kwaad spreken van mijn meester, mijnheer,” antwoordde

Russell een weinig stroef.

„Dat pleit voor je. Ik zal je niet langer ophouden. Wij gaan aanstonds

naar New Castle. Maar dan komen wij terug, want ik zou zeer gaarne de

zuster van graaf Allan eens gesproken hebben. Aan haar mag je

voorzichtig mededeelen, wat ik je zooeven vertelde, maar aan niemand

anders, goed begrepen?”

„Ik heb het gezworen, mijnheer,” antwoordde Russell eenvoudig. „Mag ik

uw naam weten?”

„Ik ben graaf Palmhurst.”

Raffles knikte den ouden tuinman nog eens vriendelijk toe, stapte toen

weder in de auto, na Henderson op gedempten toon een paar bevelen te

hebben gegeven en liet zich toen achterover in de kussens vallen, om de

oogen te sluiten en in diep nadenken te verzinken.

Zonder zich ergens op te houden reed de auto naar de groote havenstad

van New Castle, welke zij twee uren later bereikten.

In een café liet Raffles zich het adresboek van de stad geven, zocht

daarin de namen der grootste verzekeringsmaatschappijen op, vond er een

twaalftal van en begon ze met groot geduld op te bellen.

Bij de vijfde reeds slaagde hij.

Het was een groote maatschappij, en de klerk die hem te woord stond,

deelde hem mede, dat inderdaad door deze instelling eenige jaren graaf

Allan Collingwood als rechtskundig adviseur was verbonden tot op het

tijdstip, waarop de oorlog uitbrak.

De klerk wist hem zelfs, na zich even van het toestel te hebben

verwijderd, het adres van den jongen graaf op te geven.

Na haastig te hebben geluncht begaven de drie mannen zich naar het

opgegeven adres.

Het was een tamelijk groot huis in een der nieuwe buurten van de stad.

Een portier was er niet, maar na eenige navraag kwam Raffles te land

bij een bejaarde dame, die recht tegenover het huis woonde en met een

nieuwsgierigheid aan vele oude menschen eigen, vele bijzonderheden van

het leven van het jonge paar had doorvorscht.

Ze was in de gelegenheid geweest de jonge vrouw, met wie graaf Allan

het huis was komen betrekken, een van die kleine diensten te bewijzen,

welke men niet zoo spoedig vergeet, en nu en dan hadden de beide

vrouwen elkander een kort bezoek gebracht, zonder dat er een bepaalde

vriendschapsband was ontstaan.

Deze dame nu wist Raffles mede te deelen, dat er op een Augustusdag in

het jaar 1917, de bladen begonnen reeds van de boomen te vallen, zooals

de oude vrouw er aan toevoegde, een groote brief, met vijf roode zegels

toegelakt aan het huis van graaf Allan werd afgegeven.

Die brief had zeker de doodstijding van den kapitein bevat, want van

dat oogenblik af had zij zijn ongelukkige vrouw slechts als een

onnoozel zwakzinnige gekend.

Maar ook dit duurde slechts heel kort, want nauwelijks eenige dagen

later, toen medelijdende buren zich reeds gereed maakten, zich over den

kleinen Andrew te ontfermen, en ook over de arme vrouw, die anders

misschien den hongerdood zou zijn gestorven, kwam er een huurauto

voorrijden, waaruit een heer stapte, die het huis binnenging, en er een

half uur later weder uit te voorschijn kwam, thans in gezelschap van de

krankzinnige en den knaap.

Lord Lister No. 0377: De Heuvel van den Dooden Man · 第 3 / 4 段