De man kon een jaar of veertig zijn, met glimmend zwart haar, een

opvallenden grooten haviksneus, een klein zwart snorretje en die een

weinig gebogen liep als gevolg misschien van zijn groote lengte.

Van dit oogenblik af had de oude dame nooit meer iets van de jonge

vrouw noch van het kind gehoord.

Toegerust met deze wetenschap keerde Raffles met zijn beide metgezellen

nog dienzelfden dag naar het kleine plaatsje Oxton terug—en een uur

later wist hij, dat de persoonlijke beschrijving door de oude dame te

New-Castle van den geheimzinnigen bezoeker gegeven, die met Grace

Collingwood en haar kind was vertrokken, tot in de minste

bijzonderheden toepasselijk was op graaf Arthur Millford, den

tegenwoordigen eigenaar van den titel en het fortuin en het landgoed

der Collingwoods....

Toen Raffles des avonds tegenover Charly gezeten was, in de kleine,

gezellige gelagkamer, met zijn groot houtvuur, van het landelijk hotel,

waar zij hun intrek hadden genomen, begon hij, na dikke rookwolken naar

de lage zoldering te hebben gezonden:

„Het is nu dunkt mij zoo helder als glas, dat die Millford hier de hand

in het spel heeft gehad—ik bedoel in de verdwijning van dien knaap!

Daaraan kan dunkt mij niet getwijfeld worden.”

„Dan moet hij ook geweten hebben, dat graaf Allan wettig met Grace

getrouwd was, anders behoefde hij volstrekt geen vrees te koesteren,

dat het groote fortuin hem zou ontgaan. Een onechte zoon zou daarop

nooit rechten kunnen doen gelden.”

„Nu, dan heeft hij het geweten— —” hernam Raffles kalm. „Niemand belet

ons om dat aan te nemen, hij kan er door een toeval zijn achtergekomen,

hij kan het misschien alleen maar vermoed hebben!”

„Maar zou hij geweten hebben, dat hij daar een krankzinnige zou

aantreffen?”

„Het is mogelijk, dat men hem dienaangaande reeds had ingelicht—maar

het is even goed aan te nemen, dat dit een onverhoopt buitenkansje voor

hem geweest is! Misschien kwam hij wel naar New Castle om die arme

vrouw bang te maken en haar wijs te maken, dat haar huwelijk maar voor

schijn was gesloten, en haar met een zoet lijntje en een flink

geldbedrag heel ver uit de buurt te krijgen, naar Amerika bijvoorbeeld!

Die krankzinnigheid heeft natuurlijk zijn taak buitengewoon

vergemakkelijkt!”

„Maar mijn God—dan heeft hij den kleinen knaap misschien vermoord!”

riep Charly ontzet uit.

„Het was voor hem volstrekt niet noodig zijn handen met bloed te

bezoedelen,” hernam Raffles rustig. „De jongen was toen pas een jaar of

vijf, zes oud, en natuurlijk kon de schavuit er wel op rekenen, dat de

knaap vroeg of laat alle herinnering aan het gebeurde zou vergeten. Hij

zal hem alles hebben afgenomen wat aan zijn afkomst kon herinneren—en

misschien heeft hij hem toen ergens bij een boer in den kost gedaan of

bij een kruidenier, een turfhandelaar, een kattenmepper, wat weet ik

het. Om de krankzinnige behoefde hij zich natuurlijk in het geheel niet

meer te bekommeren, want die zou hem geen last meer veroorzaken.”

„Maar hoe kun je dit alles den schurk bewijzen?”

„Dat is juist het lastigste! Maar maak je niet ongerust—ik zal wel een

middel weten te vinden, om hem uit zijn tent te lokken! Natuurlijk

moeten wij goede getuigen hebben, want het is niet voldoende met den

eersten den besten knaap met goudblond haar aan te komen en dan te

zeggen, dat hij en niemand anders de wettige erfgenaam is van het

fortuin van graaf Andrew Collingwood. Wij hebben echter een grooten

voorsprong—wij zijn in het bezit van de trouwpapieren en den zegelring

van graaf Allan en van de beide portretjes—en daarmee gewapend zullen

wij eens van leer trekken tegen dien schobbejak, die zich nu als heer

en meester gedraagt op „Margrete Hall.”

HOOFDSTUK VIII.

IN DE VAL.

Er waren een paar dagen verloopen, sedert Raffles voor de eerste maal

met zijn auto voor het hek van het prachtige landgoed had stilgehouden.

Het was omstreeks tien uur in den morgen, toen Raffles op de kamerdeur

tikte, waarachter hij Charly bezig wist met het schrijven van een paar

brieven en vervolgens binnentrad.

„Heb je het druk?” vroeg hij, met een blik op de papieren die op tafel

lagen.

„Ik ben over vijf minuten gereed.”

„Heb je lust om deel te nemen aan de jacht op Millford?”

„De jacht? Verlaat hij dan het landgoed?”

„Ja, nog heden.”

„Hoe weet je dat zoo precies?”

„Hij heeft een dringend telegram uit Parijs gekregen!”

„Maar hoe ben je daar achter gekomen?”

„Heel eenvoudig—ik heb hem het telegram zelf gestuurd!”

„Wat is dat nu? Je kon hem toch onmogelijk een telegram uit Parijs

zenden?”

„Ik zelf natuurlijk niet—dat heeft een van mijn trouwste vrienden

daarginds gedaan.”

„En wat behelst het telegram dan wel?”

„O, slechts een paar woorden: „Er dreigt gevaar met den jongen. De

vrouw is dezer dagen in Nogent gezien. De waanzin neemt af. Overkomst

dringend gewenscht”

„Wat beteekent dat?” riep Charly verbaasd uit. „Hoe kon je dat juist

uit Parijs laten seinen? Wist je dan iets af van de zaak?”

„Niet het minste!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar het is bijna

zeker, dat de jongen zich op het oogenblik in Frankrijk bevindt. Ik heb

het telegram zelf nagemaakt met behulp van een blanco-formulier, en ik

heb er wel voor gezorgd, dat het stempel onduidelijk was. Het is een

Fransch telegram en dat is de hoofdzaak.”

„Maar de besteller, die het moest bezorgen, Edward— hoe kwam je

daaraan?”

„Het is in het geheel niet door een telegrambesteller bezorgd. Ik heb

Russell in den arm genomen en die was aanstonds bereid, mij de

behulpzame hand te bieden. Hij heeft het telegram van mij aangenomen en

hij zou het op het juiste oogenblik overhandigen.”

„Maar je hebt Nogent genoemd, dat dicht bij Parijs ligt. Nogent is een

voorstad en het woord zal toch wel niet onduidelijk zijn.”

Raffles haalde de schouders op en hernam:

„Ik noemde nu Nogent, dat dicht bij Parijs ligt, maar ik had evengoed

Lyon, Nizza, Bordeaux of Nancy kunnen noemen. De hoofdzaak is, dat

Millford door ongerustheid gedreven, zich aanstonds op weg begeeft, om

te zien wat er geschiedt.”

„Maar laten wij nu eens aannemen, dat hij den jongen naar Duitschland

gebracht heeft.”

„Mocht dat overhoopt het geval zijn, dat zal Millford, wanneer hij

tenminste geen ezel is, dadelijk inzien, dat er een kink in de kabel

gekomen is. En hij zal zijn maatregelen nemen. Maar ik heb

contra-mijnen gelegd. Men is op het kleine postkantoor van Oxton reeds

op de hoogte gebracht, en men zal daar zeer nauwkeurig acht slaan,

wanneer Millford daar komt, om er een telegram te presenteeren. Ik heb

mij voorgedaan als particulier detective, en men heeft mij beloofd, mij

aanstonds op de hoogte te zullen stellen.”

„Nu nog een enkele opmerking. Geloof je, dat Millford zoo onverstandig

en onvoorzichtig zou zijn, derden in zijn geheim te betrekken? Hij moet

toch vreezen, dat zijn medeplichtige hem vroeg of laat zal verraden?

„Als Millford daar werkelijk voor vreest, dan zou dat alleen bewijzen,

dat hij onhandiger is, dan waarvoor ik hem aanzie. Om te beginnen zal

hij zijn medeplichtige wel geen bijzonderheden hebben mede gedeeld en

ten tweede betaalt hij hem waarschijnlijk een aanzienlijk jaargeld uit.

Welnu, zoodra de man, die den jongen Andrew tot zich heeft genomen, de

zaak verraadt, slacht hij eigenhandig de kip met de gouden eieren,

werpt hij een bron dicht die tot dusverre rijkelijk vloeide. Verraad

kan hem niets opbrengen. Stilzwijgendheid daarentegen verzekert hem een

levenslang goed leventje.”

„Maar je doet het in je gefingeerde telegram voorkomen, alsof de

medeplichtige iets af weet van de zaak.”

„Dat beteekent niet veel. Millford moest hem toch in ieder geval hebben

medegedeeld, waarom het ging. Voor het overige heb ik mijn netten goed

uitgezet, en zelfs al ruikt Millford lont, dan zal hij ons toch niet

zoo makkelijk meer ontkomen. Ik hoop natuurlijk dat hij ons zelf op het

spoor van den jongen zal brengen.”

„Neem je den hond mee?”

„Ongetwijfeld.”

„Maar zou Olim den knaap na al die jaren nog herkennen?”

„Het zou minder verwonderlijk zijn, dan je denkt. Het is menigmaal

opgemerkt, dat dieren een verbazingwekkend geheugen hebben. Het staat

onwrikbaar vast, en is door getuigen geboekstaafd, dat olifanten in

dierentuinen en circussen zich zelfs na tien jaren een of andere

slechte behandeling van hun oppasser herinneren en zich daarover ter

elfder ure op vreeselijke wijze wreken. Honden, die hun meester in

jaren niet gezien hebben, herkennen hem, tenminste wanneer zij niet al

te jong waren, toen hun baas hen verliet.”

„Heb je Millford zelf al eens gezien?”

„Ja, gisteren. Ik had mij verborgen opgesteld bij het groote hek en ik

heb hem zien uitrijden. Het is een zeer karakteristiek gezicht. Hij

heeft iets van een menschelijken havik. Het is het gezicht van een man,

dien ik zeer goed in staat acht tot zulke gemeene streken en nog tot

heel wat anders ook.”

„Wanneer gaan wij op reis?”

„Wel, dat zal heelemaal van Millford afhangen. Het telegram wordt hem

om elf uur overhandigd. Henderson staat met de auto gereed en wij

zullen zorgen, dat wij tegen elf uur daar in de buurt zijn, om hem

onmiddellijk te kunnen volgen.”

„Zou de man geen achterdocht krijgen, als wij hem volgen?”

„Waarom zou hij? Hij heeft ons nooit gezien.”

„Maar neem nu eens aan, dat hij zich naar den medeplichtige begeeft, in

Frankrijk, zullen wij zeggen; daar verneemt hij natuurlijk aanstonds,

dat men nooit een telegram gezonden heeft. Wat zal er dan geschieden?”

„Daar ben ik ook nieuwsgierig naar,” antwoordde Raffles laconiek. „Als

wij in de buurt blijven, zullen wij het wel zien. Vermoedelijk zal hij

dadelijk begrijpen, dat men hem in de kaart heeft gekeken en, daar ik

hem voor een schrander man houd, zal hij zeker wel inzien, dat het

telegram is afgezonden met het doel, hem als het ware als lokvink te

gebruiken en hem te volgen. Als wij echter een weinig oplettend zijn,

zal de schurk er niet in slagen, den jongen opnieuw te verdonkeremanen.

Van elf uur af, daarvoor sta ik in, zal hij geen stap meer doen, of hij

wordt bespied.”

Raffles had, zijn horloge geraadpleegd en vervolgde nu:

„Kom aan, het is tijd. Wij zullen maar aanstonds op weg gaan. De

rekening is vereffend, nietwaar? We hebben niets anders te doen, dan in

te pakken.”

Diezelfde opmerking kon Charly een oogenblik later maken, want toen hij

naar buiten trad, zag hij daar den grijzen toerwagen gereed staan,

terwijl Henderson achter het stuurwiel zat.

De rit naar „Margrete Hall” duurde slechts twintig minuten en het was

pas tien minuten voor elven, toen de auto stil stond in een lommerrijke

dwarslaan, waar zij door dicht struikgewas verborgen van den weg af

onzichtbaar waren.

Met het horloge in de hand wachtte Raffles.

Na eenige minuten zeide hij:

„Elf uur. Nu geeft Russell hem het telegram.”

Van dat oogenblik af werd er niet of weinig meer gesproken.

Raffles had achter een dikken boom post gevat, vanwaar hij het breede

bordes van het perceel in het oog kon houden.

Er was nog geen kwartier verstreken, of de breede deur, die op dit

terras uitkwam, werd door een bediende open geworpen, juist toen er een

kleine auto kwam voorrijden.

Een tweede bediende, die een valies droeg, snelde haastig de treden van

het bordes af, en legde het valies ia de auto, waarop hij direct weder

in het huis terug keerde.

Daarop verscheen Millford, in reiscostuum gekleed, met een reispet op,

een gummi regenjas aan, bezig met zijn handschoenen deze dicht te

knoopen.

Hij kwam haastig het bordes af, raadpleegde zijn polshorloge, zeide

iets tot den chauffeur en stapte in.

„Ik geloof dat de muis aan het spek heeft gebeten en dat aanstonds de

val zal dichtklappen,” zeide Raffles op zachten toon, terwijl hij zich

tot Charly wendde. „Laten wij maar vast in de auto plaats nemen, want

aanstonds zal de jacht wel een aanvang nemen.”

Nauwelijks waren de beide vrienden goed en wel gezeten, of de kleine

auto kwam snel langs het oprijpad aanrijden, en zwenkte den breeden

straatweg op, die rechtstreeks naar Edinburg voerde.

„Hem na, Henderson”, beval Raffles. „En zorg er voor, dat je die kleine

auto nooit uit het oog verliest, al rijdt die nog zoo hard.”

Dit was juist een kolfje naar de hand van Henderson, die dadelijk zijn

eigen wagen weder op den grooten weg bracht.

„Ik zou wel eens willen weten, waar hij nu heen gaat,” riep Charly uit,

nadat de achtervolging bijna een half uur geduurd had.

„Mijn waarde Charly, die vraag lijkt mij tamelijk overbodig. Natuurlijk

gaat Millford naar Edinburg.”

„Waarom eerst daarheen?”

„Omdat er vandaar een rechtstreeksche verbinding is met Duinkerken.”

„Dat is waar ook. Hoe kon ik zoo dom zijn, om dat te vergeten.”

„Hij had zich natuurlijk ook kunnen inschepen te New Castle, vanwaar de

schepen gaan naar Londen, Rotterdam en Hamburg, te Scarborough, vanwaar

men eveneens Londen kan bereiken, te Hull, vanwaar wel tien lijnen naar

verschillende plaatsen loopen, of ook had hij rechtstreeks naar Londen

of naar Dover kunnen rijden met zijn auto. Nu hij echter den weg naar

Edinburg heeft ingeslagen, behoef je er niet aan te twijfelen, of

Duinkerken is de eerste pleisterplaats.”

De naaste toekomst zou Raffles in het gelijk stellen.

Want zoodra de kleine auto, nog altijd door den grooten toerwagen

gevolgd, Edinburg was binnen gereden, begaf Millford zich naar het

passagebureau van de maatschappij, welke den dienst naar Duinkerken

onderhoudt.

Zoodra hij het kantoor weder verlaten had, trad Raffles de deur binnen,

en wist een paar seconden later dat Millford een passagebiljet had

gekocht voor de Fransche havenstad.

Aanstonds kocht hij zelf drie plaatsen aan boord van het schip, dat

reeds over drie kwartier het anker zou lichten.

Millford bleek zich dadelijk aan boord te begeven, waarschijnlijk omdat

de tijd te kort was, en dat was Raffles een pak van het hart, want een

oogenblik vreesde hij, dat de schelm naar zijn medeplichtige in

Frankrijk zou telegrafeeren, misschien wel met betaald antwoord.

Daar Raffles van oordeel was, dat de auto hem in Frankrijk te pas kon

komen, liet hij het vaartuig onmiddellijk aan boord brengen en dat

kostte hem een paar pond aan fooien, want eigenlijk was het daarvoor

reeds te laat.

De overtocht had zonder eenig ongeval plaats en om acht uur in den

avond meerde het schip aan een der groote aanlegplaatsen in het

schilderachtige Duinkerken.

De douaneformaliteiten namen ongeveer een uur in beslag en het was toen

te laat om met den trein naar Parijs te gaan, verondersteld natuurlijk,

dat de Fransche hoofdstad inderdaad het doel van de reis van Millford

was.

Millford bleek echter groote haast te hebben.

Hij scheen tot iederen prijs zoo spoedig mogelijk en ten koste van wat

dan ook, nog dienzelfden nacht zijn doel te willen bereiken.

Want de drie mannen zagen hem achtereenvolgens een viertal garages

bezoeken totdat hij tenslotte gekregen scheen te hebben, wat hij zocht,

een kleine, maar blijkbaar zeer snelle auto.

„Ei, ei, het wordt nachtwerk,” bromde Raffles in zichzelf. „Nu, wij

zullen het wel zien, als het zoover is. Ingestapt, vrienden.”

Het bleek, dat Millford de reis alleen zou doen, want hij had zich niet

voorzien van een chauffeur.

Hij scheen den weg in dit gedeelte van Frankrijk dus goed te kennen.

De lantaarns werden opgestoken en de beide auto’s reden Duinkerken uit,

onderling gescheiden door een afstand van bijna twee honderd meter, en

terwijl Henderson zijn eigen lantaarns zooveel mogelijk gedempt had.

Op den voortreffelijken weg vorderden de beide auto’s zeer snel.

„Waar gaat de reis nu eigenlijk heen?” vroeg Charly, door een

zonderlinge opgewondenheid aangegrepen.

„Dit is de straatweg naar Parijs, mijn waarde,” antwoordde Raffles.

„Als hij daar moet zijn en hij blijft met deze vaart door rijden, dan

hebben wij een rit van ongeveer twee en een half uur voor den boeg.”

Al weer bleek Raffles goed te hebben gezien, want zonder zich ergens op

te houden snelde de kleine auto over den straatweg, die naar de

Fransche hoofdstad voert.

Het was bijna drie uur in den nacht, toen de auto door Millford

bestuurd Courbevois bereikte, een voorstad van Parijs; niet ver van de

kazerne aan de Place Charras gelegen, sloeg de auto de Rue de Belford

in.

Zij had haar vaart aanzienlijk gematigd en Raffles beval Henderson

onmiddellijk de auto te laten stil staan.

„Volg ons langzaam en zie toe, waar we blijven,” zeide Raffles op

zachten toon tot den reus. „Wacht in ieder geval, tot onze terugkomst.

Kom mede, Charly.”

De beide vrienden waren uit de auto gesprongen en snelden bijna

onhoorbaar en zich zoo dicht mogelijk tegen de huizen drukkend, de auto

achterna, die steeds langzamer reed en eindelijk stil hield voor een

klein huis, dat door een voortuin van den weg was gescheiden.

Zonder zich schijnbaar om zijn auto te bekommeren, sprong Millford van

het voertuig, opende het kleine hekje, dat slechts met een touw was

dicht gemaakt, volgde het voetpad, en belde aan.

Het was hier zoo stil in deze buurt, waar alles reeds sliep, dat

Raffles en Charly duidelijk het kraken van het ijzerdraad van de

ouderwetsche trekbel hoorden.

Onzichtbaar als schimmen, vlug als hazen, slopen zij naderbij.

Millford moest nog een paar keeren bellen, voor men hem de deur opende.

Niet zoodra was hij eindelijk binnen getreden nadat er op de eerste

verdieping van het huis een paar vensters verlicht waren, of Raffles en

Charly snelden op hun beurt langs het tuinpad, en liepen om het huis

heen.

Binnen enkele oogenblikken hadden zij een venster gelijkvloers

gevonden, dat slechts weinig weerstand kon bieden aan de vaardige hand

van den Gentleman-Inbreker.

De twee mannen klommen geruischloos naar binnen, overtuigden zich dat

zij hun revolvers bij zich hadden en openden daarop voorzichtig de deur

van de tuinkamer, waarin zij zich bleken te bevinden.

Zij stonden nu in de gang, en nauwelijks waren zij daar, of zij hoorden

boven hun hoofd het gerucht van slechts half gedempte, opgewonden

mannenstemmen.

Blijkbaar bewoonden de medeplichtige van Millford en zijn gezin het

huis alleen, en hij behoefde dus niet te vreezen dat men hem zou

hooren.

Sluipend als katten en zeker niet meer gerucht dan deze viervoeters

maken als zij hun prooi gaan bespringen, beklommen de beide mannen de

trap, en bereikten een portaal, juist toen er een deur geopend werd, en

er een man verscheen, die een knaap bij de hand had van omstreeks tien

jaar, die het prachtigste haar had dat men zich kon voorstellen en die

blijkbaar in allerijl in zijn zeer eenvoudige kleeding was gestoken, de

veters van zijn schoenen waren zelfs niet dicht gebonden.

Millford, want hij was het, richtte zich haastig naar de trap en wilde

juist zijn voet op de eerste trede zetten, toen hij bijna gestruikeld

was over iemand anders, niemand dan.... Raffles.

Met een vloek deinsde hij achteruit en keek een halve seconde later in

den glinsterenden loop van een revolver.

„Neem ons niet kwalijk, mijnheer Millford, dat wij uw reisje een

oogenblik komen verstoren,” begon Raffles op minzamen toon. „Ik heb

eenige woorden met u te spreken. Wees zoo goed mij weder naar het

vertrek te volgen, hetwelk gij zooeven verlaten hebt.”

Wijkend voor de steeds dreigende revolver, opende Millford, wit van

drift, en den knaap nog steeds aan de hand houdend, de deur van een

helder verlicht vertrek, waar Raffles en Charly zich nu bevonden in

gezelschap van een man van omstreeks zestig jaren, met een volkomen

kaal hoofd en die thans op zijn beenen stond te trillen.

„Laat om te beginnen onmiddellijk dien knaap los,” beval Raffles. „Zoo

is het goed. Kom hier, mijn jongen, je bent bij mij veiliger dan bij

dien schurk, die je je fortuin ontstolen heeft.”

Hij wendde zich met een verachtelijken blik tot Millford, die hem

doodsbleek aanstaarde en vervolgde:

„Wij zullen kort zijn, Millford, ik ben de man, die het telegram

gezonden heeft, daarmede heeft dat kaalhoofdige heerschap niets te

maken. Ik had je plannen doorzien, van het oogenblik af dat ik de

moeder van dezen knaap leerde kennen, gravin Grace Collingwood. Gij

hebt die ongelukkige vrouw ontvoerd en haar aan haar lot overgelaten op

gevaar af, dat zij van honger en ellende zou omkomen, en gij hebt den

knaap bij dezen schavuit gebracht, om van hem af te zijn, en om zelf de

erfenis van graaf Andrew te kunnen aanvaarden. Durft gij het soms

loochenen?”

„Ik weet niet wie ge zijt, maar ge praat wartaal,” riep Millford met

krijschende stem. „Ik weet niet wat ge bedoelt, er heeft nooit een

gravin Grace Collingwood bestaan. Mijn neef was niet met haar getrouwd,

hij is nooit met haar getrouwd geweest. Zijn kind was een bastaard.”

„Dat zegt gij, omdat gij denkt dat de bewijzen vernietigd zijn, waaruit

zijn wettig huwelijk bleek. Hier zijn ze, schurk. En hier is de

zegelring, die hem toebehoorde, en wat Grace zelf betreft, zij is op

den weg der beterschap, en zij zal kunnen getuigen, dat deze jongen

haar kind is. Ik zal u een goeden raad geven, Millford, ik geef u een

vollen dag tijd, om over de Zwitsersche grens te gaan, en ik handel

ridderlijker jegens u, dan gij verdient. Ik keer nu aanstonds met dezen

knaap terug om hem in zijn rechten te herstellen, en wanneer gij het

waagt, nog ooit een voet in de omgeving van Oxton te zetten, dan zal ik

geen medelijden met u hebben, maar u aanstonds aan de politie

overleveren. Gij weet zeker wel, welke straf u dan boven het hoofd

hangt.”

Raffles had zijn arm om den schouder van den verbaasden knaap heen

geslagen en met Charly verliet hij nu het vertrek, waarin twee mannen

achterbleven, die in tien minuten meer vloeken uitbraakten, dan zij

onder normale omstandigheden in een jaar tijd zouden hebben gedaan....

Nog geen volle week later was graaf Collingwood in het volle bezit van

zijn fortuin en zijn titel hersteld.

Lord Lister No. 0377: De Heuvel van den Dooden Man · 第 4 / 4 段