Maar eensklaps werd de gang wijder en op hetzelfde oogenblik doofde

Raffles het licht van zijn lantaarn weder, na zich te hebben omgewend,

en met een veelbeteekenend gebaar zijn vinger op de lippen te hebben

gelegd.

Het was nu volkomen duister, want op eenigen afstand ontwaarden de twee

mannen opnieuw het licht van de fietslantaarn.

Het voorwerp was op den grond gezet, en het licht dat daar zoo eenzaam

brandde, maakte een spookachtigen indruk.

Van de vrouw was aanvankelijk niets te zien, maar het was duidelijk dat

zij daarginds moest zijn, want de beide vrienden hoorden haar steunen

en zuchten en nu en dan een opgewonden kreet slaken.

Zij was zeker achter een hoek verborgen, en druk in de weer met haar

schop, want zij hoorden het geluid van metaal op hout.

De terriër had zich op den grond neergezet, dicht bij de lantaarn, en

rustte met den kop op de voorpooten.

Maar nu en dan hief hij met onrustige, snelle bewegingen den fijnen kop

op, snoof, en spitste de ooren, terwijl zijn donkere verstandige oogen

het duister van de gang trachtten te doorboren.

Blijkbaar had hij de aanwezigheid van de beide indringers geroken.

De lucht hier beneden was ondragelijk en bijna ongeschikt om te worden

ingeademd door menschelijke wezens, en reeds voelde Charly zich

onpasselijk worden toen hij plotseling hevig schrikte en met bonzend

hart den arm van Raffles greep.

Verder op in de gang of kelder, hoe men het wilde noemen, had een

snijdende gil weerklonken, gevolgd door den val van een lichaam.

„Kom spoedig mede—daar is iets ernstigs gebeurd!” zeide Raffles, zelf

ten zeerste ontsteld, terwijl hij Charly met zich meetrok, en zijn

lantaarn weder opstak.

Haastig legden de twee mannen den korten afstand af, die hen nog

scheidde van een soort kelder, waarop de gang uitliep, welke zij

zooeven verlaten hadden.

Onmiddellijk sprong de hond op om de beide indringers woedend aan te

blaffen.

Maar de beide mannen hadden wel aan iets anders te denken, dan aan den

bulterriër.

Een weinig ter zijde van de gang lag de krankzinnige van Béthincourt op

den rug uitgestrekt, met glazigen blik en half geopenden mond.

In de linkerhand hield zij een portefeuille van rood juchtleder

vervaardigd, die zij zooeven moest gevonden hebben, en de

rechterhand—de twee vrienden zagen het met afgrijzen—rustte op de

ontvleeschte vingers van een skelet, dat in zittende houding tegen den

wand van den kelder leunde.

Van de uniform was geen spoor meer te bekennen, uitgezonderd de metalen

deelen, maar aan de voeten staken nog de vetlederen laarzen....

Raffles lichtte voorzichtig de hand van de bewustelooze vrouw op en

ontdekte aan den vinger van het geraamte een gouden zegelring.

Hij hief het hoofd op, keek Charly ernstig aan, en zeide:

„Nu zullen wij misschien spoedig de oplossing van het raadsel weten,

beste Charly! Maar voor alles moeten wij deze ongelukkige vrouw hier

wegbrengen; de vondst van deze voorwerpen schijnt haar ten zeerste te

hebben aangegrepen en de verpeste lucht die hier heerscht zou haar

kunnen dooden.”

Raffles maakte voorzichtig de portefeuille los uit de krampachtig

gesloten vingers van de vrouw en liet het voorwerp in zijn zak glijden.

Een oogenblik scheen hij in beraad te zijn en toen nam hij snel en

vastbesloten den gouden zegelring van de beenderhand en stak dien

eveneens bij zich.

„Wie weet hoe dit voorwerp de arme vrouw nog kan te pas komen,” zeide

hij op gedempten toon. „En help mij nu om haar naar buiten te dragen.”

Zonder een woord te spreken, namen de twee mannen de krankzinnige op en

droegen haar, zich niet storend aan het woedende geblaf van den hond,

door de gang weer in de buitenlucht.

Zij zelven waren zoo duizelig geworden door de afschuwelijke lucht in

den kelder, dat zij zich gelukkig achtten de frissche nachtlucht weder

te kunnen inademen.

De terriër had zich nu over zijn meesteres heen gebogen en likte,

zachtjes jankend, het bleeke gelaat.

Hij scheen echter te beseffen, dat hij met vrienden te doen had, want

hij liet het rustig toe, dat Raffles de slapen van de vrouw bevochtigde

met een paar druppels van een opwekkend middel, dat hij meestal bij

zich droeg en welke hij op zijn zakdoek had uitgestort.

„Blijf jij hier zoo lang bij de ongelukkige vrouw wachten, Charly,”

zeide Raffles, „dan ga ik nog eens in dat vreeselijke hol terug om te

zien, of ik er nog iets naders kan ontdekken.”

„Blijf in hemelsnaam niet te lang weg,” riep Charly verschrikt uit.

„Men zou daar binnen bedwelmen. Het lijkt wel of men een grafkelder

inkomt.”

„Dat is het dan ook, Charly, in de ware beteekenis van het woord,”

zeide Raffles op vasten toon. „Je behoeft er niet aan te twijfelen, of

wij zijn zooeven in den kelder van den molen geweest, die door een van

de beide strijdende partijen tot onderaardsche schuilplaats was

ingericht. Hoogstwaarschijnlijk heeft de ontploffing van een

reusachtige granaat den molen boven den kelder doen instorten en tevens

den eenigen uitgang versperd door de loopgraaf over een afstand van

tientallen meters met aarde te vullen.”

„Wat moet ik doen als de vrouw wellicht uit haar bewusteloosheid

ontwaakt?”

„Dan kom je mij onmiddellijk waarschuwen, maar ik vrees dat dat niet

noodig zal zijn.”

„En de hond?”

„Wel, die zal wel niet wegloopen. Tracht hem wat aan je te wennen.

Hier, zie eens, of hij wat van die worst lust.”

En met deze woorden verdween Raffles, na het lekkere hapje aan Charly

te hebben overhandigd, weder in de nauwe, duistere gang, met zijn

lantaarn gewapend.

Hij liep nu zoo snel hij kon voort tot hij den kelder bereikte en begon

daar aanstonds zijn onderzoek.

Dit onderaardsche hol leverde een afschuwelijken aanblik op met zijn

twintigtal geraamten, die in allerlei houdingen in het rond lagen, of

nog steeds tegen den muur geleund waren.

Geweren, verroeste bajonetten, patroontasschen, kistjes met

geweerpatronen lagen overal verspreid.

Raffles opende een van deze kistjes, nam er een van de pakjes patronen

uit, en bekeek het opschrift.

„Duitsche patronen,” riep Raffles met een zachten kreet van verrassing.

„Deze kelder heeft dus het laatst aan de Duitschers behoord, toen hij

door een granaatontploffing werd vernield en de ingang voor goed werd

afgesloten voor deze ongelukkigen. Maar laat ons eens verder zien.”

Raffles nam zijn lantaarn weder ter hand en begon vlug den kelder te

doorzoeken, want reeds benam hem de benauwde lucht bijna den adem.

Hij vond tal van uniformknoopen liggen, koperen haken, verschillende

uitrustingsstukken en die bewezen hem, dat in dezen kelder op zijn

minst zestien Duitschers geweest moesten zijn, toen de

granaatontploffing plaats vond.

Maar toen hij het geraamte eens nauwkeurig onderzocht, waarnaast de

ongelukkige vrouw in bewusteloozen toestand was bevonden, vond hij daar

een zestal knoopen met een R en een F door elkaar gestrengeld, en die

knoopen waren zonder eenigen twijfel van een Engelsch uniform.

Engelsch was ook de lederen koppel en Engelsch waren de sporen, die nog

aan de hooge kaplaarzen zaten.

Ter hoogte van den schouder vond hij geel koperen nummers, ongetwijfeld

het regimentsnummer.

„Waarschijnlijk luitenant, misschien kapitein van de Royal Fuseliers,”

mompelde Raffles voor zich heen. „Denkelijk is hij met nog een paar

andere Engelschen in handen van de Duitschers geraakt, ter gelegenheid

van een overval, en hier heeft de dood vriend en vijand verrast. Wat

die arme krankzinnige betreft, zij schijnt aan het einddoel van haar

reis te zijn gekomen in dezen vreeselijken kelder, waar de dood een

waar festijn heeft gevierd, schijnt zij eindelijk te hebben gevonden

wat zij zocht, en misschien heeft dat haar den dood gebracht.”

Nog eenmaal wierp Raffles een blik om zich heen.

Toen deed hij alles in zijn zak, wat hij bij het geraamte van den

Engelschen officier had gevonden, nam de rijwiellantaarn op en verliet

zoo snel hij kon dit oord van verschrikking.

Bij den uitgang struikelde hij bijna over vier geraamten, welke hier op

den grond lagen.

Waarschijnlijk waren het de overblijfselen van vier ongelukkigen, die

met den moed der wanhoop getracht hadden, zich hier een uitweg te banen

door den velen tientallen meters dikken aarden wal.

Raffles stond een oogenblik naar lucht te snakken, half bedwelmd door

de vergiftige walm daar binnen, met de hand op de borst gedrukt en de

oogen gesloten.

Charly was opgestaan en snelde naar hem toe.

„Wat is het, Edward? Je ziet zoo bleek als de dood,” riep de jonge man

ontsteld uit.

„Laat maar. Over vijf minuten zal het weer over zijn,” zeide Raffles op

zwakken toon. „Hoe is het met de vrouw?”

„Nog altijd bewusteloos.”

„En de hond?”

„Hij went al een weinig aan mij. De worst heeft hij tenminste

opgegeten.”

„Wij zullen nog even wachten en dan zullen wij den ingang van den

vreeselijken grafkelder weder dicht werpen.”

„Waarom?”

„Omdat het voorloopig niet noodig is, dat iemand dat onderaardsche hol

ontdekt.”

„Je wilt het dus niet wereldkundig maken, wat ons hier is overkomen?”

„Ik denk er niet aan. Dat doe ik niet, voor wij hier nauwkeurig weten

wat de portefeuille bevat, en waarom die vrouw jarenlang gezocht heeft

om die te vinden. Al was het dan ook onbewust.”

Raffles had de schop reeds gegrepen en begon de opening weder met aarde

dicht te werpen.

Charly hielp zoo goed hij kon met een stuk van een plank, dat hij in de

omgeving gevonden had en binnen een kwartier was de opening voldoende

verborgen om geen vrees voor ontdekking te koesteren.

Zoodra dit geschied was hielden zij zich bezig met de ongelukkige

waanzinnige, die zij zorgvuldig op den bodem van de vrijgemaakte

loopgraaf hadden gelegd.

Raffles was naast haar neergeknield en liet het licht van zijn lantaarn

op haar gelaat schijnen.

Een oogenblik kon het schijnen alsof het leven uit haar gevlogen was,

zoo doodelijk bleek was haar gelaat, maar nu en dan schenen er snelle,

zenuwachtige rillingen over te loopen.

Na eenige oogenblikken zeide Raffles:

„Zij kan hier natuurlijk niet blijven. Wij zullen haar zoo spoedig

mogelijk naar het dorp, naar ons logement dragen. Het is maar een

kwartier loopen hier vandaan. Zie je daar kans toe?”

„Ze lijkt mij niet zwaar toe, en we moeten het in ieder geval

probeeren, want er kan ieder oogenblik een plasregen neerdalen en we

kunnen haar hier onmogelijk laten.”

De beide vrienden namen de bewustelooze vrouw op.

Zij was inderdaad niet zwaar.

De terriër scheen zich in het eerst te willen verzetten, maar toen

scheen zijn instinct hem te zeggen, dat hij met vrienden te doen had.

En zoo volgde het schrandere dier zachtjes steunend den kleinen stoet.

Raffles had zijn zaklantaarn met behulp van een kleinen haak aan zijn

jasknoop vastgehaakt en bij het licht behoefden zij niet te vreezen dat

zij zouden verdwalen, of met hun last een misstap zouden doen.

Twintig minuten later bereikten zij het logement de Roode Haan, juist

op het oogenblik dat de herbergier de luiken op de ramen wilde doen, en

zijn deur op het nachtslot, in de overtuiging dat zijn gasten dien

nacht wel niet meer zouden terugkeeren.

HOOFDSTUK V.

OP ONDERZOEK UIT.

Raffles liet aanstonds een kamer gereed maken voor die ongelukkige

vrouw, die door den herbergier en zijn vrouw dadelijk herkend werd.

Zij werd behoedzaam op een bed gelegd en daarop ging Raffles er nog op

uit, teneinde een apotheker op te sporen, den eenige dien het dorp op

dat oogenblik rijk was, en wiens voorraad nog niet al te goed voorzien

was.

De terriër had zich aanstonds op het kleedje geworpen, dat voor het bed

lag, waarop men zijn meesteres had neergelegd en scheen niet van zins

te zijn, zich te bewegen.

Na eenigen tijd keerde Raffles terug met wat hij noodig had.

Het had hem tamelijk veel moeite gekost en ook vrij wat geld, om den

plattelands apotheker, die eigenlijk niet veel meer was dan een

drogist, te bewegen uit zijn bed te komen en gereed te maken, wat hij

noodig had.

Charly had geduldig op zijn terugkomst gewacht, en de kastelein en

diens vrouw weggezonden, die de grootste nieuwsgierigheid aan den dag

hadden gelegd.

En nu zaten de beide vrienden voor het bed, teneinde de uitwerking gade

te slaan van het middel, hetwelk Raffles zooeven niet zonder moeite

tusschen de vast opeengeklemde tanden van de bewustelooze vrouw had

weten te gieten.

Nu en dan voelde Raffles haar pols en streek over haar slapen, die klam

waren van het zweet.

„Zij heeft hooge koorts,” zeide hij zacht. „Ik vrees dat dit avontuur

haar sterk heeft aangegrepen, Charly.”

„Zou zij nu eindelijk gevonden hebben wat zij zocht?”

„Dat kan dunkt mij niet twijfelachtig zijn. Natuurlijk is het louter

toeval, dat zij in dezen nacht gevonden heeft, waar zij reeds jarenlang

naar zocht. Zij schijnt evenwel nog zooveel besef te hebben gehad, dat

zij wist in deze streek te moeten zijn.”

„Ik denk dat een blik in de portefeuille ons het raadsel wel kan

onthullen.”

„Wij zullen die dan ook aanstonds onderzoeken, maar niet nadat wij er

zeker van zijn, dat de vrouw rustig slaapt, en dat het slaapmiddel, dat

ik haar heb toegediend, zijn uitwerking gedaan heeft.”

De beide vrienden behoefden niet lang te wachten, want een half uur

later bewees de gelijkmatige ademhaling van de vrouw, dat zij zonder

tot het bewustzijn te zijn geraakt in een tamelijk rustigen slaap was

verzonken.

Het was toen bijna half twee in den nacht.

Raffles en Charly stonden zachtjes op, wierpen nog eens een blik op de

ongelukkige vrouw, verlieten het vertrek en deden de deur dicht.

Zij behoefden nu slechts een paar stappen in de gang te doen, want hun

eigen logeervertrek grensde aan de kamer, waar de krankzinnige thans

rustte.

Raffles ontstak weder zijn electrische lantaarn, die hem wel zoo

practisch toescheen als het kleine petroleumlampje, plaatste het op de

tafel en haalde de portefeuille en den ring uit zijn zak. Het eerst

beschouwde hij het sieraad, terwijl Charly zich vol belangstelling over

hem heen boog.

De ring was van zwaar goud, en versierd met een fraaien jaspissteen,

waarin twee letters gegraveerd waren, een A en een C, waarboven een

klein vijfknoppig kroontje.

Raffles draaide den ring in zijn hand om en om, woog hem op de hand en

zeide toen:

„De ring schijnt mij erg licht toe, naar zijn omvang te oordeelen.”

„Misschien is hij wel hol.”

„Wij zullen het eens onderzoeken.”

Raffles haalde zijn vergrootglas uit zijn zak, dat hem slechts hoogst

zelden verliet en onderwierp den ring aan een nauwkeurig onderzoek.

Het duurde niet lang of hij had een fijn haakje gevonden dicht bij den

steen.

Hij duwde dit haakje met behulp van zijn pennemes terug en trok op deze

wijze een soort schuifje terug, dat een holte in den ring afsloot.

„Wat zit er in?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Niets anders dan een dun vlokje haar, Charly,” antwoordde Raffles op

gedempten toon. „Haar van een eigenaardige goudkleur, goudblond noemt

men dat, geloof ik.”

Hij bekeek het vlokje haar nog even, deed zorgvuldig het schuifje dicht

en legde den ring terzijde.

Daarop kwam de portefeuille aan de beurt.

Het voorwerp had in dit onderaardsche hol slechts weinig geleden en

scheen nog zoo goed als nieuw te zijn.

Raffles nam er eerst alle papieren uit, draaide toen de portefeuille om

en om en begon toen:

„Een portefeuille van echt Marokkijnleder, die zelfs voor den oorlog

vrij duur zal zijn geweest, gekocht bij J. Drummer, aan het Strand,

Hofleverancier, de naam van den man staat er in met kleine vergulde

lettertjes. De portefeuille is met grijs gemoireerde zijde gevoerd en

blijkbaar nog niet lang geleden gekocht. Men zou zoo zeggen, dat het

een afscheidsgeschenk was van een vrouw, wier man ten oorlog trok. En

nu de papieren.”

Raffles begon de papieren te rangschikken.

Hij vond allereerst een paar brieven, met een fijne vrouwenhand

geschreven, en die onderteekend waren met „Je innig liefhebbende

Grace”. Een portret van een kleinen knaap, nauwelijks drie jaren oud en

met hetzelfde goudblonde haar, dat hij in den ring had gevonden. Een

tweede portret van een zeer schoone vrouw, waarin hij niet dan met

eenige moeite de krankzinnige herkende, die nu rustig sluimerde in de

aangrenzende kamer, en tenslotte eenige gedrukte documenten.

Raffles las deze stukken het eerst met aandacht door, terwijl Charly

nieuwsgierig toekeek en zeide toen, terwijl hij op een van de papieren

wees:

„Dit is een trouwbewijs, Charly, een bewijs, waarop volstrekt niets

valt aan te merken. Het staat ten naam van Allan Collingwood en het

dateert van het jaar 1914, 28 Augustus. Diezelfde datum staat achter op

het portretje van den kleinen jongen, die was toen reeds drie jaar oud,

dus het is nu wel eenigszins na te gaan, wat er geschied is. De man

wiens ring hier ligt, je herinnert je, dat daar de letters A en C op

staan, had Grace Norton reeds bijna vier jaar voor den oorlog tot zijn

vrouw gemaakt, maar zijn echt niet gewettigd om een reden, die ons tot

dusverre niet bekend is. Maar niet zoodra was de oorlog uitgebarsten,

of hij haastte zich, dien band ook voor de wet te bekrachtigen.”

„Ja, zoo zal het wel gegaan zijn,” zeide Charly nadenkend. „Hoe oud is

de vrouw?”

Raffles wierp een blik op het officieele stuk en antwoordde toen:

„Zij is op dit oogenblik vijf en dertig jaar.”

„Zoo jong nog en nu al dat spierwitte haar?” riep Charly met eenig

medelijden uit. „Wat moet de vrouw dan geleden hebben.”

„Ja, dat is zeker,” bevestigde Raffles op ernstigen toon.

„Maar met dat al weten wij nog niet door welke oorzaak zij waanzinnig

is geworden.”

„Neen, dat weten wij nog niet. Het meest voor de hand liggend is, dat

de vrouw waanzinnig is geworden, toen zij plotseling een van de

nuchtere officieele brieven kreeg, waarin haar werd medegedeeld, dat

haar echtgenoot daar en daar gesneuveld was.”

„Wat zou er van het mooie ventje met zijn goudblond haar terecht zijn

gekomen?”

„Dat mag de hemel weten. Zijn vader dood, zijn moeder krankzinnig, heel

goed zal het wel niet met den armen knaap gegaan zijn.”

Hij nam het portretje van den jongen nog eens in zijn handen en zag nu,

dat naast den stoel, waarin de knaap was gefotografeerd, een fraaie

bulterriër zat, blijkbaar zelf nog zeer jong, die hoogstwaarschijnlijk

dezelfde was, die nu in het aangrenzende vertrek zoo trouw zijn

meesteres bewaakte.

„Als die hond kon spreken,” begon hij met een glimlach, „dan zouden wij

heel wat verder zijn, want hij heeft den knaap gekend.”

„Het is me eigenlijk een raadsel, hoe de arme krankzinnige van Engeland

hierheen is gekomen,” merkte Charly op, na op zijn beurt een blik op

het portret der vrouw te hebben geworpen.

„Dat is zeker vreemd genoeg, maar wij zouden ons bijvoorbeeld kunnen

indenken, dat zij toevallig in Frankrijk was, toen haar het bericht van

het sneuvelen van haar man bereikte.”

„Ik zou nog wel iets willen vragen. Hoe wist men nauwkeurig, dat

Collingwood gesneuveld was, daar de dood hem immers overviel, toen hij

nog met een ander Engelsch officier in Duitsche krijgsgevangenschap was

geraakt,” kwam Charly na eenigen tijd.

„Ook daarop moet ik je het antwoord schuldig blijven, Charly. Ik

vermoed echter, dat een paar Engelsche soldaten aan de ramp ontsnapt

zijn en het bericht van de noodlottige ontploffing hebben

overgebracht.”

De beide vrienden bleven nu geruimen tijd zwijgend tegenover elkander

zitten, ieder in zijn eigen gedachten verzonken.

Plotseling gaf Raffles een zachten klap op de tafel en zeide:

„Deze zaak boezemt mij het grootste belang in, Charly. Wanneer je het

goed vindt, dan zullen wij een onderzoek instellen naar den knaap, die

van adel is, misschien wel de erfgenaam van een groot fortuin, zonder

dat hij het zelf weet. Wie kan zeggen, wat er van het arme ventje

geworden is, toen zijn moeder zoo eensklaps het verstand verloor?”

„Je kunt op mijn hulp rekenen,” riep Charly opgewonden uit. „Wie weet

wat wij nog ontdekken.”

„Dan zullen wij eerst afwachten, of de toestand van de vrouw het

veroorlooft, dat zij Frankrijk verlaat. Acht je het ook mogelijk, dat

die jongen zich hier bevindt?”

„Onmogelijk is het natuurlijk niet, maar in ieder geval moeten wij

eerst in Engeland onderzoek gaan doen naar de levensomstandigheden van

Allan Collingwood. De naam heeft een voortreffelijken klank.

Collingwood is een oud adellijke naam en wij zullen dus niet al te veel

moeite hebben, de dragers daarvan op te sporen. Natuurlijk voor zoover

zij nog in leven zijn, maar voor het oogenblik acht ik het de

verstandigste daad om ons bed te gaan opzoeken, want om de waarheid te

zeggen heeft die lange wandeling, die bijna den geheelen dag heeft

geduurd, ons wel wat vermoeid gemaakt.”

De beide vrienden gebruikten thans een eenvoudig souper, dat hen reeds

wachtte en begaven zich vervolgens ter ruste.

Tweemaal echter moest Raffles dien nacht opstaan omdat hij gewekt werd

door een zacht gekreun in de kamer, waar Grace Collingwood, zooals zij

nu voortaan wel genoemd mocht worden, sliep.

Beide keeren ging hij naar haar omzien, gaf haar een geneesmiddel in,

en dekte haar zorgvuldig weder toe.

En de terriër likte hem telkenmale de handen, met een aandoenlijken

blik van dankbaarheid in zijn oogen. Het schrandere dier scheen

duidelijk te beseffen, dat Raffles een goede vriend was geworden van

zijn ongelukkige meesteres.

Toen hij den volgenden morgen omstreeks half negen, na met Charly het

ontbijt te hebben gebruikt, naar de patiënt ging omzien, bevond hij

haar wakker.

Zij zat overeind in bed en onmiddellijk zag Raffles aan de uitdrukking

van haar oogen, dat er in de verstandelijke vermogens van de vrouw een

groote verandering had plaats gegrepen.

Wel dwaalden die oogen nog zoekend en verwilderd rond, maar er viel

niet aan te twijfelen, de waanzinnige gloed, die er den vorigen dag in

gelegen had, was er uit verdwenen.

Zij keek Raffles met de grootste verbazing aan, streek zich met de hand

over het voorhoofd, scheen iets te willen vragen, maar bedacht zich en

begon zachtjes voor zich heen te lachen, een vreemd, schril lachje.

Aanstonds begreep Raffles, dat de schok van den vorigen nacht een

uitwerking ten goede had gehad op de hersens van Grace Collingwood,

maar tevens, dat zij nog verre van normaal was.

Hij trad op het bed toe, waar de hond nu vroolijk tegen hem opsprong,

nam de hand van de vrouw in de zijne, keek haar doordringend aan en

vroeg toen:

„Wilt ge mij uw naam zeggen?”

Dat was een vraag, waar alles van af hing en het antwoord was

teleurstellend.

De vrouw scheen met inspanning na te denken en een oogenblik vreesde

Raffles dat zij weder ten prooi van den waanzin zou vallen.

Zij liet hetzelfde korte lachje hooren en antwoordde:

„Dat weet ik niet, mijnheer.”

Raffles keek haar aandachtig aan.

En toen begreep hij het. De vrouw had haar geheugen verloren.

Wel was zij niet meer in den greep van den waanzin, maar zij scheen

ieder begrip te hebben verloren, omtrent hetgeen er vroeger gebeurd

was.

In ieder geval zou hij dus niet op haar mogen rekenen, om hem

behulpzaam te zijn bij het nasporen van de verblijfplaats van den

kleinen Andrew, zoo heette de knaap.

Dat was zeker een tegenslag, maar hij zou zich er in moeten schikken.

Het was in ieder geval al zeer veel gewonnen, dat de vrouw van dit

oogenblik af althans vrij geregeld zou kunnen nadenken en misschien zou

zij, bij een zorgvuldige verpleging door een kundig psychiater, later

wel weer haar geheugen terug krijgen.

De vrouw was op dit oogenblik echter zeer zwak, en zij zou in ieder

geval weken lang rust moeten hebben.

Nogmaals besloot Raffles een voorzichtige poging te wagen en begon nu

weder:

„Zijt gij hier geheel alleen?”

„Geheel alleen, mijnheer.”

„Weet gij, dat gij in Frankrijk zijt?”

„In Frankrijk?” riep de vrouw met de grootste verbazing uit. „Ben ik

hier in Frankrijk? Mijn God, hoe is dat mogelijk. Ik ben toch een

Engelsche.”

„Tracht vooral niet daarover na te denken, mevrouw,” zeide Raffles

haastig. „Alles zal zich wel schikken. Vertel mij eens, zijt gij altijd

alleen geweest?”

Dat was een gevaarlijke vraag, dat wist Raffles, maar toch stelde hij

die.

De vrouw keek een oogenblik wezenloos voor zich uit en antwoordde toen

met hetzelfde vreemde lachje:

„Ik weet het niet, mijnheer. Ik weet het werkelijk niet. Maar wilt ge

mij eens zeggen, wie ge zijt?”

„Ik ben een landgenoot van u, mijn naam is Brown. Ik ben een goed

vriend van u, gij zijt zeer ziek geweest.”

„Dat kan wel zijn, ik heb grooten honger. Kunt ge mij niets te eten

geven?”

Lord Lister No. 0377: De Heuvel van den Dooden Man · 第 2 / 4 段