LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 377 DE HEUVEL VAN DEN DOODEN MAN.
DE HEUVEL VAN DEN DOODEN MAN.
HOOFDSTUK I.
LANGS FRANKRIJK’S BOLWERK.
Het was op een der eerste dagen van de maand October, ofschoon men
gezegd zou hebben dat de zomer nog hoogtij vierde, toen een zeer groote
automobiel, vuurrood gelakt, langzaam tegen den flauwtjes hellenden weg
opkroop, die van Marre naar Avocourt leidt.
Het was een van de reusachtige toeristenauto’s, zooals men er ook thans
nog zeer veel aantreft in het noorden van Frankrijk, meer in het
bijzonder in die streken, waar gedurende de wreede oorlogsjaren de
strijd het felst woedde, waar ook nu nog slechts puinhoopen, omgehakte
boomen, waardelooze akkers te zien zijn, en waar men den indruk krijgt,
alsof daar nooit, zoolang de wereld zal bestaan, nog een boom zal
kunnen groeien, of een huis zal verrijzen.
De zitplaatsen in de auto, die ruimte bood aan wel dertig personen,
waren amphitheatersgewijze gebouwd, zoodat degene die achter inzaten
zich bijna drie meter van den beganen grond bevonden, en vrij uitzicht
hadden over de omgeving.
Op de breede treeplank van de auto, dicht bij den chauffeur, stond de
explicator, de man, die alles moest verklaren, wat de toeristen te zien
kregen en die verscheidene talen machtig was, zoodat hij zijn wijsheid
in het Fransch, in het Engelsch en zelfs in gebrekkig Vlaamsch kon
uiten.
Hij droeg een uniformpet, met vergulden band, waarop met zwarte zijde
letters waren geborduurd, en werd niet moede, met luider stem zijn
verklaring uit te brullen.
En wel moest deze man over sterke longen beschikken, want de krachtige
motor van de auto maakte een geweldig geraas.
Nu en dan stond de auto stil, en dan vergaapten de toeristen zich aan
eenige stukgeschoten boerderijen, een kerkje waar van alleen nog maar
de toren stond, een gedeelte van een loopgraaf of een andere
herinnering aan den afschuwelijken krijg.
Dan ging het weer verder, en onvermoeid galmde de gids zijn
toelichtingen uit.
„Hier begon het groote offensief, dames en heeren, hetwelk aan
Frankrijk de vrijheid zou geven! Hier ondernamen de troepen van
generaal Guillaumat op den zevenden Augustus van het jaar 1917 den
stormloop op den heuvel van den Dooden Man! Hier sneuvelden duizenden
Franschen, om het geliefde vaderland te redden....”
Zoo ging het maar door, en met duizelingwekkende radheid noemde de gids
namen van steden en dorpen, nummers van regimenten, getallen, namen van
generaals, eindelooze reeksen cijfers, zonder zich schijnbaar ooit te
vergissen.
En daarvoor behoefde hij ook niet bevreesd te zijn, want de man
verrichtte dit werkje reeds een vol jaar, dag voor dag, en soms reed de
auto wel driemaal op een enkelen dag het traject heen en weer.
In het voertuig was geen enkele plaats onbezet.
Men trof er, naast eenige Franschen, voornamelijk Engelschen,
Amerikanen, eenige Zwitsers en Belgen aan.
De meesten hadden mondvoorraad bij zich, of laafden zich van tijd tot
tijd door een slok uit een fleschje bier of limonade.
Het was zeer warm, buitengewoon warm voor den tijd van het jaar, en
verscheidene Amerikanen, die niet anders gewoon waren, hadden er hun
jassen bij uitgetrokken.
Op het oogenblik dat de auto opnieuw stilstond, klommen twee heeren,
naar hun uiterlijk te oordeelen Engelschen, kalm van hun hooge
zitplaats omlaag.
„Weest voorzichtig, heeren—wij gaan dadelijk verder!” riep de gids
waarschuwend.
„Als gij dan tenminste maar wacht tot wij veilig den beganen grond
hebben bereikt,” zeide met rustige stem en in voortreffelijk Fransch de
oudste van de beide heeren, een man van een jaar of veertig, met aan de
slapen licht grijzend haar, energieke gelaatstrekken en smallen rechten
neus, doordringende grijze oogen met staalharden glans. Zijn reismakker
was heel wat jonger en had een zacht, blozend, bijna meisjesachtig
gelaat, waarin twee groote, blauwe oogen schitterden.
„Maar rijdt ge dan niet verder mee, heeren?” riep de gids verbluft.
„Wij zijn nog niet aan het einde van den toer. Daarginds ligt
Chattancourt pas.”
En hij wees met de uitgestrekte hand naar een in de verte zichtbaren
kerktoren, die boven de boomen uitstak.
„Dat is wel mogelijk,” hernam de oudste der beide heeren bedaard. „Wij
zijn echter voornemens de rest van den weg te voet af te leggen. Gij
zijt van te voren betaald. Hier hebt gij tien francs fooi, ik geloof
niet dat gij reden hebt, u te beklagen.”
„Daar denk ik ook geen oogenblik aan,” hernam de gids, terwijl hij snel
het papiertje, dat hem was toegestoken, in zijn broekzak liet
verdwijnen.
„Als gij er de voorkeur aan geeft bij deze warmte liever te voet te
gaan, in plaats van gebruik te maken van onze auto, waarbij vergeleken
de voddige wagens van onze concurrenten, slechts versleten boerenkarren
zijn, dan moet gij het zelf weten. Verder, chauffeur.”
De man, die achter het reusachtige stuurwiel zat, haalde den hefboom
over en toeterend, schokkend, met een luid geraas van kettingen over
tandwielen, zette de groote auto zich weder in beweging.
De beide heeren keken het voertuig een oogenblik na en toen glimlachend
elkander aan.
Daarop begon de oudste, na een blik om zich heen te hebben geworpen:
„Ik heb er geen spijt van, Charly, dat ik dien inval heb gekregen om
die vreeselijke rammelkast vaarwel te zeggen met zijn lading hartelooze
bierdrinkers en gekheid makende touristen, die naar het verwoeste
Frankrijk komen zien zooals een ander naar een klein brandje. Ik wil
niet langer John Raffles wezen, als ik mij nog ooit laat overhalen om
in gezelschap van mijn lieve landgenooten en van de kinderen van Uncle
Sam op reis te gaan.”
„Stil, spreek wat minder luid,” riep zijn jeugdige metgezel, met een
verschrikten blik om zich heen kijkend.
„Oh, hier kan niemand ons hooren. De opvarenden van de geweldige
automobiel zijn ver en zij zijn weg gereden in de heilige overtuiging,
dat ik inderdaad graaf Palmhurst ben, zooals ik mij heb laten
inschrijven in ons hotel te Verdun en op welken naam ook mijn pas
gesteld is.”
„Gevaarlijk genoeg,” riep de jonge man uit, wiens naam Charly Brand
was, en die reeds vele jaren de onafscheidelijke metgezel van den
geheimzinnigen Gentleman-Inbreker was. „Ik begrijp eigenlijk niet goed
wat je bewogen heeft, incognito te reizen. Waarom ben je hier niet in
Frankrijk gekomen onder den naam van Lord Aberdeen, zooals je in de
Engelsche hoofdstad bekend bent.”
„Die verklaring is al heel eenvoudig, mijn waarde,” antwoordde Raffles.
„Mijns inziens had ik al te lang geluierd in den laatsten tijd. Ik had
wat al te zeer voor mijn vermaak den amateur-detective gespeeld en ik
vond, dat het nu tijd werd weer eens aan ernstiger dingen te gaan
denken.
„Welnu, het was mij ter oore gekomen, dat er te Parijs wellicht een
goede slag was te slaan en je zult het wel met mij eens zijn, dat het
van het oogenblik af, dat ik naar Frankrijk vertrok, teneinde daar een
schatrijken Mexicaan een weinig ader te laten, heel wat verstandiger
was, mijn persoonlijkheid van Lord Aberdeen maar in Londen achter te
laten.”
„Maar je bent volstrekt niet vermomd, evenmin als ik,” riep Charly
Brand uit. „Het is immers zeer goed mogelijk, dat wij hier iemand
ontmoeten in deze streek, waar het wemelt van Engelsche toeristen, die
je herkent?”
„Dat heeft niets te beteekenen, zoolang wij te Parijs niet aan den slag
gaan,” antwoordde Raffles schouderophalend.
Hij rekte zijn krachtige armen eens uit, haalde diep adem, liet zijn
blik over de omgeving weiden en zei:
„Het riekte daar boven op die auto naar gebakken bokking en slechte Eau
de Cologne. Ik zat naast een dikke dame, die zeer aanhalig was
uitgevallen en mij vervaarlijk toelonkte. Ik dank den hemel, dat ik de
rollende plaats van verschrikking ontvlucht ben.”
„Wat doen we nu?”
„Te voet verder gaan, als je er niets op tegen hebt. Het is
verrukkelijk weer. We hebben den geheelen dag voor ons en onze getrouwe
chauffeur Henderson, die te Verdun is achtergebleven, waar hij de auto
eens goed zal nazien, verwacht ons toch niet voor morgen terug. Ik stel
dus voor, over Chattancourt naar Esnes te wandelen.”
„Is dat ver?”
„Van hier hoogstens vijf mijlen.”
„En vervolgens?”
„Vervolgens zullen wij den oever van de Esnes volgen, welke naam
eveneens gegeven wordt aan een klein riviertje, een zijtak van de
Forges, totdat wij den door alle tijden befaamden tweelingheuvel hebben
bereikt, de Mort Homme geheeten, anders gezegd, de doode man, want daar
werd voor een deel over het lot van Frankrijk beslist. Daar werd
Frankrijk gered, toen de troepen van generaal von Galwitz ten koste van
bloedige offers van den top van den heuvel werden verdreven.”
„Daar zal den heelen dag wel mee gemoeid zijn.”
„Ongetwijfeld, maar ik zeide reeds, dat wij den tijd hadden, dat wij
niets te verzuimen hadden. Onze Mexicaan is niet op tijd, zooals je
weet, en de man heeft in de eerste week niets van ons te vreezen. Ik
heb er steeds naar verlangd de plek te zien, waar deze vreeselijke
gevechten hebben plaats gehad en ik beschouw die veel liever alleen dan
in gezelschap van een troep snaterende, lachende toeristen.”
Onder het spreken hadden de beide vrienden hun weg weder vervolgd.
Ongeveer tien minuten later bereikten zij de plek waar in Augustus van
het jaar 1917 de Fransche loopgravenlinie dwars over den straatweg
liep.
Ter plaatse waar de loopgraven dien weg sneden, waren zij
dichtgeworpen, teneinde het verkeer mogelijk te maken, maar links en
rechts van den straatweg was de diepe voor in de aarde nog duidelijk
zichtbaar, ofschoon op eenige plekken de landbouwers de kuilen weer
hadden gevuld.
Doch overal echter bood het landschap een aanblik van troostelooze
verwoesting.
De Duitsche, zoowel als de Fransche zware granaten hadden boomen
versplinterd, huizen in puin geschoten en de velden en moestuinen
doorploegd.
Hier en daar lagen nog altijd munitiewagens, half in de modder weg
gezakt, en daarvoor de geraamten van vier of zes paarden en vaak ook
die van menschen.
Geruimen tijd liepen de beide mannen zwijgend naast elkander voort. De
hemel was donkerblauw, de zon stond in vollen luister te pralen, hoog
boven de aarde jubelde een leeuwerik en toch konden zij zich niet
onttrekken aan den somberen indruk, dien deze plek op hen maakte, waar
het kostbaarste bloed bij beken gestroomd had.
Na ongeveer twintig minuten te hebben geloopen, bereikten zij het
dorpje Chattancourt, niet veel meer dan een puinhoop, maar waar toch
reeds een groot aantal bewoners alle krachten inspanden, om hun oude
woonsteden te herbouwen.
De steenen huizen waren er echter sporadisch, men zag er bijna niet
anders dan een soort kleine loodsen uit gegolfd plaatijzer, of uit hout
opgetrokken.
Anderen bewoonden groote woonwagens en sommigen hadden zich een
verblijf gekozen in de puinhoopen van een fabriek, met lappen en
zeildoek zoo goed als het ging in kleine woningen verdeeld.
Het was duidelijk te zien, dat iedereen zijn beste beentje voor zette,
teneinde de sporen van den strijd die hier gewoed had, uit te wisschen.
Het was juist marktdag en er werd een vrij drukke handel gedreven in
vee, eieren, kaas en groenten.
Raffles en Charly hielden zich echter in dat dorpje slechts even op,
teneinde in een klein huis een glas van den landwijn te drinken, die
daar geschonken werd, en vervolgden daarop weder hun weg.
Het was bij twaalven, toen zij tenslotte het dorp Esnes bereikten, dat
iets minder geleden had dan Chattancourt, daar het tamelijk ver achter
de linie gelegen was.
Zij gebruikten hier een eenvoudigen maaltijd en sloegen toen den weg in
van Béthincourt, die over eenigen afstand evenwijdig loopt met het
zooeven genoemde riviertje.
Hoe verder zij kwamen, hoe duidelijker het werd dat hier de strijd bij
Verdun op zijn felst gewoed had.
De eertijds bloeiende landouwen waren woestenijen geworden,
onafzienbare vlakten, vol puin, granaatscherven, ontwortelde boomen,
verroeste prikkeldraad-versperringen, overblijfselen van kampementen,
wagens zonder raderen, en uitgestrekte granaatkuilen, die soms meer dan
dertig meter doorsnede hadden.
De heuvels vertoonden denzelfden troosteloozen aanblik.
Slechts noode scheen het onkruid hier te willen tieren.
De vette aarde was verdwenen, als het ware verpulverd door de
ontploffingen der reusachtige granaten.
Langzaam steeg de weg, om weer te dalen tot de plek, waar de voormalige
Fransche linie de vallei van de Esnes sneed.
Eerst stonden de beide mannen stil.
Terzijde van den weg verhief zich een tamelijk hooge heuvel, op welks
top zich de puinhoop van een molen verhief.
„Laat ons den heuvel beklimmen,” stelde Raffles voor. „Van zijn top
zullen wij den omtrek goed kunnen overzien. Wij zijn hier geen kwartier
van den Mort Homme....”
Zwijgend begonnen de beide mannen den heuvel te beklimmen, wat niet zoo
gemakkelijk was, want er was geen gebaand pad en de voet gleed telkens
uit in de rulle aarde.
Maar eindelijk bereikten zij dan toch den top en beklommen daarop den
molen, voor zoover hij overeind was blijven staan.
Raffles had juist gezien. Van dit punt af kon men den omtrek mijlen ver
in alle richtingen waarnemen.
Langen tijd bleven de beide mannen zwijgend uitzien en toen begon
Raffles, met de hand in westelijke richting wijzend, op ernstigen toon:
„Die dubbele heuvel, daarginds met zijn flauwe helling, is de Mort
Homme. Ten zuiden daarvan en ervan gescheiden door de Esnes kun je
duidelijk hoogte 304 zien liggen, eveneens een hoogst belangrijk punt
om welks bezit bloedig gestreden is, maanden en maanden achtereen. Op
twintig Augustus om tien minuten over half vijf in den morgen begon de
aanval van de Fransche troepen op de Mort Homme over een breed front en
na een beschieting met zware artillerie, die iedere beschrijving tart
en met gebruikmaking van gasgranaten, welke de Duitschers dagen
achtereen gedwongen had hun gasmaskers voor te houden, waardoor het
moreel niet weinig geschokt was. Meter voor meter, stap voor stap, als
het ware moest hier de grond veroverd worden. Bedenk, dat de Franschen
bij de bestorming den heuvel opwaarts moesten gaan en dat de Duitschers
het terrein konden bestrijken, waarover zij oprukten, en toch slaagde
de aanval, zij het ook ten koste van groote offers. Aanvallers zoowel
als verdedigers streden hier met leeuwenmoed, maar de Fransche soldaat
wist, dat het hier om het behoud van zijn land ging, en daarom was hun
aanval onweerstaanbaar.”
Hij zweeg even en ging toen voort op denzelfden gedempten toon:
„Het was nog donker, toen de aanval begon en voor een deel was de
duisternis door menschen verwekt, want de ontploffingen van de
duizenden en nog eens duizenden gasgranaten hadden de dalen als het
ware gevuld met een dikke, grijze mist, waarin men de voorwerpen
slechts onduidelijk kon onderscheiden. Zoo ontzettend hevig was het
spervuur van de Fransche artillerie, dat letterlijk alles in de
Duitsche linie tot gruis was geschoten, nog voor de eerste Fransche
soldaat, die den aanval ondernam, over de borstwering van zijn
loopgraaf was geklommen....”
„Ik weet, welk gewicht er aan dezen slag gehecht werd, Edward,” zeide
Charly. „Als ik het mij wel herinner, was niemand minder dan generaal
Pershing de opperbevelhebber van de Amerikaansche troepen, hier
aanwezig, toen het schrille fluitje op de seconde af in alle Fransche
loopgraven weerklonk over een front van een tiental mijlen, dat het
sein was voor den aanval.”
„Dat is ook zoo, Charly, en behalve de Amerikaansche opperbevelhebber
woonden ook enkele Engelsche hoofdofficieren met hun adjudanten de
bestorming van den Mort Homme bij.”
„Het ziet er verschrikkelijk uit,” zeide Charly hoofdschuddend. „Het
lijkt wel of de geheele heuvel door een ontzaggelijke reuzenhand is
omgewoeld. Overal zie je groote kuilen, palen, waaraan de prikkeldraden
bevestigd werden, ijzeren platen, die waarschijnlijk gediend hebben als
bedekking van de Duitsche onderkomens, en een onbeschrijfelijke
warwinkel van boomstronken, steenen planken, stuk geschoten wapens en
andere dingen, die ik onmogelijk kan onderscheiden, zelfs niet door
mijn kijker.”
Charly had het voorwerp opnieuw naar zijn oogen gebracht en zeide na
eenige oogenblikken:
„Ik zie echter tot mijn blijdschap dat de landbouwers hier toch weder
aan het werk zijn gegaan. Ik zou waarlijk zeggen, dat ik daar zelfs een
klein lapje zie, waar het graan hoog is opgeschoten.”
„Je hebt gelijk en daar ginds schijnen bieten geplant te zijn, daar bij
dat kleine gehucht een weinig voorbij den heuvel gelegen.”
„Maar wat is dat daar toch?” kwam Charly, die eenigen tijd naar een
bewegelijk punt in de verte had gestaard. „Ik zie daar een vrouw met
een spade hard aan het werk, maar van een akker is niets te bespeuren.”
Raffles wendde door den kijker zijn blik in de aangewezen richting en
antwoordde na eenigen tijd:
„Ja, een vrouw, met spierwit haar of met een witten hoofddoek, dat is
op dezen afstand niet duidelijk te zien. Zij is ijverig aan het graven,
maar het doel is mij niet duidelijk, want zooals je zegt is daar
volstrekt geen bebouwd land. Ik zou eerder zeggen, dat zij daar in een
loopgraaf of iets dergelijks aan het wroeten is. Kom mede, wij zullen
zien wat het is.”
HOOFDSTUK II.
DE WAANZINNIGE VAN BÉTHINCOURT.
De beide vrienden daalden den heuvel weder af en bereikten opnieuw den
straatweg. Hier en daar ontmoetten zij troepjes wegwerkers, die druk
bezig waren den weg te herstellen, waarvan nog maar bitter weinig over
was, toen de wapenstilstand werd gesloten en die zelfs nauwelijks te
onderscheiden was van het aangrenzende veld.
Van de huizen, die langs den straatweg gestaan hadden, was zelfs het
laatste spoor in den loop van den oorlog verdwenen. Geen steen, hoe
klein ook, was er van terug te vinden.
Gansche gehuchten waren in dit oord van verschrikking als het ware van
den aardbodem weg gevaagd, zonder dat er een spaander of spijker terug
was gevonden.
Van de prachtige wouden van Cumières, van Avocourt, van de Raven, was
geen spoor meer te ontdekken, uitgezonderd eenige boomstronken.
„Voor men een oorlog begon,” zeide Raffles na eenigen tijd, „moest het
mogelijk zijn, de mannen, die over het lot van een land te beschikken
hebben, naar een plek als deze te brengen en hun aldus voor oogen te
stellen, wat een oorlog eigenlijk beteekent. Vernieling, verwoesting,
uitroeiing, dat is het. Wat heeft deze oorlog gebracht aan de
menschheid? Honger, haat, ziekte, ontevredenheid, armoede en sterk
verminderd moreel peil, dat heeft hij ons gebracht. Geen grein goeds,
niets wat hem dan ook maar eenigszins zou kunnen verontschuldigen....”
Op eenigen afstand rezen nu de torens van Béthincourt op.
Het kerkje was nog gespaard gebleven, als door toeval en ook tal van
huizen hadden weinig of niets geleden, of waren reeds weer herbouwd.
Terzijde van den weg waren hier half gevulde loopgraven te zien,
temidden van de heuvels en eensklaps kregen de beide vrienden de vrouw
te zien, die zoo even hun aandacht had getrokken.
Dicht bij de puinhoopen van een boerenhofstede stak zij met driftige
bewegingen de spade in den grond, staande in een gedeelte van een
loopgraaf die zich nog tamelijk wel in den oorspronkelijken toestand
bevond.
Zij kon nog niet zeer oud zijn, want zij hanteerde de schop met
krachtige hand en haar bewegingen waren die van een jonge vrouw, heur
haar was echter spierwit.... Zij stond half van de beide mannen
afgewend, die eenigszins verbaasd stil waren blijven staan, want zij
konden zich volstrekt niet voorstellen wat de vrouw daar wel kon
zoeken, die daar zoo ijverig bezig was.
Ze kwamen langzaam naderbij, waarbij zij den weg moesten verlaten en
door de rulle, roodachtige aarde moesten stappen.
Zoo naderden zij de vrouw tot op een afstand van een paar meter, zonder
dat deze hun nadering bemerkt scheen te hebben.
Zij spitte met haastige bewegingen verder, zonder op te zien, maar zich
nu en dan bukkend om iets op te rapen, het even te bezien, en het dan
met een uitroep van ongeduld weder weg te werpen.
Onder dezen eigenaardigen arbeid prevelde zij met eentonige stem wat
voor zich heen en nu en dan liet zij een schel lachje hooren.
„Maar voor den drommel, die vrouw praat Engelsch,” zeide Raffles op
gedempten toon, terwijl hij Charly verwonderd aankeek.
„Dat meende ik ook reeds te hebben gehoord,” kwam de jonge man, die
weinig minder verbaasd was.
Raffles trad nog een paar passen naderbij en vroeg toen in het
Engelsch:
„Mag ik weten, wat je daar doet, vrouwtje?”
De vrouw liet haar spade rusten en hief het hoofd naar den vrager op.
Het was een door de zon gebruind gelaat, vol kleine, fijne groeven, dat
wonderlijk afstak bij het witte haar.
Er schitterden twee groote, zwarte oogen in, waarin een zonderling vuur
glom.
Tusschen de volle roode lippen, die half geopend waren, blikkerden
sneeuwwitte tanden, gaaf en scherp als van een jong meisje.
De vrouw kon zeker niet ouder zijn dan vijf en dertig jaar, misschien
nog wel jonger. Zij keek Raffles een oogenblik met haar vreemd
glanzende oogen aan en herhaalde toen eenige malen achter elkander:
„Engelschman, Engelschman, Engelschman.”
Raffles en Charly keken elkander verwonderd aan. Toen herhaalde de
eerste zijn vraag.
Maar ditmaal scheen de vrouw hem in het geheel niet te hebben gehoord.
Zij sloeg geen acht op hem, maar was een weinig verder geloopen en
begon daar met hernieuwde ijver te graven.
„Wat een zonderlinge vrouw,” zeide Charly op zachten toon.
„Ik krijg den indruk, Charly, dat de ongelukkige vrouw in haar
geestvermogens gekrenkt is,” hernam Raffles ernstig. „Ik kan mij
volstrekt niet voorstellen, wat zij eigenlijk zoekt. Maar stil eens,
daar komen eenige arbeiders aan. Misschien kunnen die ons wel eenige
inlichtingen geven. Ik zou zeggen dat die vrouw hier in de streek wel
bekend moet zijn.”
Inderdaad naderden langs den straatweg twee mannen met de spade over
den schouder en de jas over den arm, de breedgerande hoeden achterover
geschoven en een pijp in den mond.
Zij waren klaarblijkelijk landarbeiders, die juist van het werk kwamen.
Zoodra de beide mannen genaderd waren, sprak Raffles hen vriendelijk
aan en vroeg, terwijl hij zijn stem liet dalen, teneinde niet door de
vrouw met het witte haar te worden gehoord tot een der mannen:
„Neem mij niet kwalijk, goede vriend, als ik u een oogenblik ophoud.
Kunt ge mij niet zeggen, wie die vrouw is met dat spierwitte haar, die
daar zoo haastig in den grond wroet.”
De arbeider wierp een vluchtigen blik in de richting van de vrouw en
antwoordde toen:
„Ik ken haar wel, mijnheer, maar wie zij is zou ik onmogelijk kunnen
zeggen. Ik weet alleen, dat zij zoo goed als steeds Engelsch praat en
haar accent als zij Fransch spreekt is op een uur afstand te
onderscheiden. De arme stakkerd is niet wel bij het hoofd.”
„Dat meende ik al dadelijk te hebben opgemerkt,” hernam Raffles. „Heeft
zij een idee fixe?”
„Zoo iets zal het wel zijn, mijnheer, want zij is van vroeg tot laat,
zonder schijnbaar ooit vermoeid te raken, en zonder zich bijna den tijd
te gunnen om een korst brood te nuttigen, bezig te graven in den grond,
meestal in oude, voor de helft reeds weder met aarde gevulde
loopgraven. Maar wat zij hier zoekt, dat heeft nog geen mensch ooit
kunnen ontdekken.”
„Hoe lang zwerft zij in deze streken reeds rond?”
„Al bijna een jaar, mijnheer, vanaf het oogenblik dat de wapenstilstand
gesloten was.”
„Is zij geheel alleen?”
„Ik heb nog nooit iemand anders in haar gezelschap gezien, dan een oud,
broodmager hondje, dat, de hemel weet waar, van leeft.”
„Waar woont de ongelukkige ergens?”
„Dicht bij Béthincourt. Men kan het echter moeilijk wonen noemen,
mijnheer! Er is daar ergens een oud wijnhuis, waarvan alleen nog maar
de muren van den kelder over zijn, en die heeft zij zelf tot woonhuis
ingericht. Zij heeft over het gat een paar planken gelegd, dat is
alles!”
„Maar laat men dan die ongelukkige zwerfster aan haar lot over?”
„Dat niet—velen geven haar nu en dan eens een paar centimes of een stuk
brood. De gendarmen pakken haar op geregelde tijden op, omdat men nu
eenmaal niet zwerven of bedelen mag, maar men laat haar uit medelijden
den volgenden dag maar weer los.”
„Uit medelijden?” vroeg Charly verbaasd.
„Inderdaad mijnheer, want in de cel gaat zij altijd vreeselijk te keer,
terwijl zij anders heel kalm is, zoodra zij weer onder den blooten
hemel is en alles kan doen wat zij wil en in volle vrijheid leeft. Men
weet dan, dat zij niemand een stroo breed in den weg zal leggen. Ik
geloof dat het haar dood zou zijn, als men haar in een of ander
gesticht opsloot.”
„Heeft men nooit eens moeite gedaan,” hernam Raffles, „om onderzoek te
doen naar de verblijfplaats en de familie van de beklagenswaardige?”
„Dat is een paar maal geschied, mijnheer, maar zonder eenig resultaat!
Als men haar ondervraagt, praat zij wartaal—Engelsche wartaal nog wel,
en papieren heeft zij nooit bij zich. Men vermoedt, dat een van haar
familieleden in den oorlog is gevallen, en dat zij daarom de oude
loopgraven doorzoekt.”
„Maar waarom komt zij dan juist hier?” kwam Charly verbaasd. „Hier
hebben toch nooit Engelschen, en alleen Franschen gestreden?”
„Dat is wel zoo, mijnheer, maar ik herinner mij heel goed—mijn kameraad
en ik hebben hier op dezelfde plek aan de bestorming van den Mort Homme
deelgenomen—dat er een aantal Engelsche hoofdofficieren met hun
adjudanten, oppassers en verdere rompslomp bij de divisie van generaal
Guillaumat gedetacheerd waren, om hun voordeel te doen met de lessen,
welke de bestorming zou opleveren.”
„Waar bevindt zich ergens de woning van die vrouw?” vroeg Raffles, die
vol belangstelling had toegeluisterd.
De arbeider wendde zich om, wees met uitgestrekte hand naar den
kerktoren in de verte en antwoordde toen:
„Dat daar ginds is Béthincourt. Gij komt daar als gij slechts dezen weg
volgt. Het is hoogstens een half uur loopen. Welnu, op ongeveer twintig
minuten hier vandaan, links van den weg, vindt gij een bouwval van het
wijnhuis. Gij kunt u niet vergissen, want daar vlak bij zijn ook nog
overblijfselen van een molentje. Ik moet u echter waarschuwen dat er
niet veel bijzonders aan dien hoop steenen te zien is.”
„Ik dank u voor uw welwillendheid om ons in te lichten, goede vriend,
en ik verzoek u en uwen makker ons de eer aan te doen, op onze
gezondheid een glas wijn te gaan drinken. Daar wij echter niet van dien
kostelijken drank voorzien zijn, zult gij wel genoegen willen nemen met
dit kleine geldstukje.”
De daglooner stak het op zoo’n vriendelijke wijze aangeboden geldstuk
glimlachend in zijn zak, en daarop ging ieder zijns weegs.
De vrouw met het witte haar had van dit geheele gesprek blijkbaar
volstrekt niets gehoord.
Zij volgde den loop van een oude borstwering, sprong nu en dan in de
loopgraaf, waar deze nog niet was opgevuld met aarde of zand en begon
dan weer te scheppen.
Nu en dan vond zij een klein voorwerp, een uniformknoop, een aluminium
drinkbeker, soms ook een roestige en verbogen bajonet, en dan draaide
zij die dingen eenigen tijd tusschen de vingers rond om ze ten slotte
met een gebaar van ongeduld weg te werpen en verder te gaan.
Nog eenigen tijd bleven de beide mannen zwijgend toezien.
Eindelijk merkte Raffles op:
„Er valt niet aan te twijfelen—hoewel die ongelukkige vrouw waanzinnig
is, graaft zij daar met een bepaald doel, dat is duidelijk. Zij doet
dit al jaren—en om een woord van Polonius aan te halen: „Er is methode
in haar waanzin.” Ik ben er zeker van, dat een geheime drijfveer, welke
niemand kent, deze arme vrouw aanspoort, dag na dag, jaar na jaar hier
den bodem te doorspitten.”
„En de reden zal wel nooit iemand kunnen doorvorschen,” zeide Charly
hoofdschuddend. „Want de vrouw praat slechts onbegrijpelijke wartaal en
dat zal de stumperd wel tot haar dood toe blijven doen.”
„Daarom mag je toch een ding niet uit het oog verliezen,” riep Raffles
uit. „Vergeet niet dat die wartaal voor de bewoners van deze streek,
die immers in het geheel niet met de Engelsche troepen in aanraking
zijn geweest, nog veel onbegrijpelijker moet klinken, dan voor iemand
die het Engelsch machtig is. Wie weet welk een tragisch geheim er
schuilt onder dien, met sneeuwwit haar bedekten schedel.”
Op dit oogenblik kwam er een klein hondje te voorschijn, dat al dien
tijd rustig had liggen slapen, zich nu eens duchtig rekte, onbedaarlijk
geeuwde en vervolgens eens kwam zien, hoe ver zijn meesteres met haar
zonderlingen arbeid gevorderd was.
Het was een bulterriër en Raffles had met het oog van den kenner
aanstonds gezien, dat het dier van een voortreffelijk geslacht was, als
was het dan nu ook schrikbarend vermagerd.
De hond was bijna zuiver wit, op een groote plek rondom het rechteroog
na. Raffles trachtte het beestje te lokken, maar de hond bleek zeer
stug te zijn en begon dadelijk dreigend tegen hem te brommen.
Zijn houding werd echter aanstonds veel vriendelijker, toen Raffles de
hand in den zak stak en een klein stukje chocolade er uit haalde, dat
hij den hond van verre toewierp. De hond wierp er zich met de grootste
haast op en slokte het gulzig naar binnen, zonder zelfs te kauwen,
waarop hij Raffles met begeerige oogen, maar toch altijd nog een weinig
wantrouwend bleef aanstaren.
Ook van dit kleine tooneeltje scheen de vrouw volstrekt niets te hebben
gemerkt.
Nog even bleven de twee vrienden haar zwijgend gade slaan en daarop
hernam Raffles: „Kom, laten wij verder gaan. Ik zou wel eens de woning
van die ongelukkige willen zien.”
HOOFDSTUK III.
OP ’T SPOOR DER KRANKZINNIGE.
De aanwijzingen van den landarbeider bleken juist te zijn geweest, want
de vrienden hadden op het horloge af twintig minuten geloopen, toen
Charly stil stond en op een puinhoop wees, waarin men nog zeer vaag den
oorspronkelijken vorm van een molen kon hervinden.
De houten bekapping was geheel weggeschoten en hier en daar lagen nog
gedeelten van de wieken.
Ook het onderste, steenen gedeelte was erg gehavend.
Niet ver daar vandaan, op een paar meters afstand van den weg, was een
tweede hoop steenen te zien. Dat was zeker alles, wat er was
overgebleven van het wijnhuis, dat zeker een van de schilderachtige
namen had gedragen, zooals die hier gebruikelijk waren, dat
waarschijnlijk omringd zou zijn geweest door lommerrijke boomen, en
waarbij zich zeker wel eenige van die prieeltjes zouden hebben
bevonden, waar het zoo goed minnekoozen was voor de dorpsjeugd en waar
men zulken voortreffelijken appelwijn kon krijgen.
Nu was er van dat alles niets meer over dan de vier muren van den
kleinen kelder, een soort groote, ondiepe put, die met half vergane
planken was afgedekt, waarvan de naden waarschijnlijk door medelijdende
en deskundige handen met werk waren gebreeuwd, juist als de planken van
een schip.
In het eerst konden de twee vrienden volstrekt niet onderscheiden op
welke wijze de krankzinnige van Béthincourt in het onderaardsche
verblijf binnen drong maar tenslotte vonden zij het onderste stuk van
een keldertrap, waarvan het bovenste gedeelte door een treffer volkomen
was weggeschoten.
Er waren nog maar een paar treden over, en daarboven was een planken
beschot aangebracht, zoodat er een opening was ontstaan, niet hooger
dan anderhalven voet en die door middel van een ouden lap kon worden
afgesloten.
Raffles lichtte dezen lap op en keek naar binnen.
De benauwde lucht sloeg hem tegemoet.
De kelderruimte ontving alleen licht en lucht door een rond keldergat,
ongeveer een hand breed en waardoor waarschijnlijk ook de ratten
vrijelijk in en uit konden gaan, ofschoon het maar al te duidelijk was,
dat zij op deze plek zeer weinig van hun gading zouden vinden.
Het was bijna volkomen duister in het kleine vertrek, beter gezegd het
hol, en de oogen van de beide mannen moesten zich eerst aan deze
duisternis gewennen, voor zij iets konden onderscheiden.
Er viel trouwens bitter weinig te zien.
In een der hoeken lag een half vergane stroozak, die waarschijnlijk tot
nachtleger diende aan de ongelukkige vrouw.
In een anderen hoek stond een gebarsten aarden kruik, half met water
gevuld, en daar lag ook eenig brandhout opgestapeld, droge takken en
stukken hout, welke de krankzinnige waarschijnlijk van den vernielden
molen gesloopt had.
Dan was er nog een oud verroest mes te zien, en daarmede was alles
gezegd. Een met redenen begaafd wezen zou het in dit sombere, kwalijk
riekende hol waarschijnlijk geen vollen dag hebben uitgehouden.
Raffles en Charly, die hun onderzoek snel hadden beëindigd, en daartoe
niet in den kelder behoefden door te dringen, waar zij ternauwernood
overeind hadden kunnen staan, lieten den lap weder vallen, die de
woning afsloot en keken elkander eenige oogenblikken zwijgend aan.
Toen begon Raffles:
„Ik geloof wel dat het heel belangwekkend zal zijn, wanneer wij konden
ontdekken, welke beweegredenen die vrouw nopen tot haar zonderling
graafwerk. Er kan niet aan worden getwijfeld, of hier schuilt een
geheim achter.”
„Zou de ongelukkige niet te genezen zijn?”
„Hoe zou ik dat kunnen zeggen, zonder haar eerst geruimen tijd te
hebben gadegeslagen?” was de wedervraag van Raffles. „En dan zou ik nog
moeten weten door welke oorzaak de arme vrouw haar verstand is kwijt
geraakt. In ieder geval denk ik nog een paar dagen in Béthincourt te
blijven, want ik stel belang in de ongelukkige. Zij is in ieder geval
een landgenoote van ons, en misschien kunnen wij haar helpen—al is het
dan ook niet om haar te genezen—wellicht kunnen wij iets uit haar mond
opvangen, dat ons begrijpelijker zal zijn dan aan de brave, Fransche
bevolking van deze streek.”
De twee mannen zetten hun weg nog eenigen tijd voort en tien minuten
later hadden zij Béthincourt bereikt, een schilderachtig gelegen
plaatsje, dat wonder boven wonder niet al te zeer geleden had door den
vreeselijken strijd, die maanden achtereen gewoed had.
Zij gebruikten hier het middagmaal en deden, waar zich daartoe de
gelegenheid aanbood, navraag naar de Engelsche vrouw, die hier op zulk
een vreemde wijze was te land gekomen.
Zeer velen bleken haar te kennen, maar niemand was in staat te zeggen
vanwaar zij kwam.
Zij was eensklaps komen opdagen, niemand wist vanwaar, in gezelschap
van haar witte bulterriër, die toen nog glanzend en wel doorvoed was.
Niemand had zulk een hond ooit gezien en dat verwonderde Raffles
geenszins, want hij wist wel, dat deze soort terriërs buiten Engeland
slechts zeer sporadisch voorkomen, behalve wellicht in Amerika.
De vrouw had ergens een oude verroeste schop van een geniesoldaat weten
machtig te worden en zij was dadelijk aan het werk gegaan, een werk,
dat schijnbaar nooit een einde zou nemen.
Men had haar reeds in Malincourt, in Esnes, ja tot zelfs onder den rook
van Verdun gezien, in de forten van Vaux, Douaumont en Avrincourt op
hoogte 304, op den tweelingheuvel van den dooden man, en op nog andere
plaatsen, vergezeld door haar hond en steeds gewapend met haar schop.
Toen men haar voor het eerst zag stond iedereen verbaasd over het
zonderling contrast van haar nog jong, ongerimpeld gelaat en haar
spierwit haar.
Zij was toen zeer goed gekleed en droeg zelfs eenige sieraden, die er
op wezen, dat zij van zeer goede afkomst moest zijn.
Zoodra het echter bleek dat de geestvermogens van de ongelukkige
gekrenkt waren, had de politie in Béthincourt zich over deze sieraden
ontfermd, daar zij wilde vermijden dat een of andere landlooper de arme
vrouw overviel, en misschien zwaar mishandelde, om zich in het bezit
van de juweelen te stellen.
Haar fraaie kleederen waren echter al zeer spoedig door regen en wind,
stof en modder onkenbaar veranderd, maar zij zelf scheen daar in het
geheel geen acht op te slaan. Zij leefde slechts voor haar
onverklaarbaren arbeid.
Er waren een paar lieden te Béthincourt, die Engelsch verstonden en die
hadden getracht de vrouw aan het praten te krijgen, maar al hun moeite
was te vergeefs geweest.
De vrouw uitte slechts onsamenhangende woorden, zonder slot noch zin.
Bij stukjes en beetjes was Raffles dit te weten gekomen en omstreeks
tien uur in den avond zaten de beide vrienden in een eenvoudig hotel en
gebruikten in de gelagkamer hun souper, dat er lang niet kwaad uitzag,
de omstandigheden in aanmerking genomen.
Gedurende den avond was de wind komen opsteken en het was duidelijk,
dat er verandering van weer op til was.
Zwarte wolken dreven snel langs den loodgrijzen hemel en de kale boomen
zwiepten als door een machtige hand terneer gebogen.
Er waren ook reeds een paar druppels regen gevallen, maar de wind was
zeker te sterk, om het tot een plasregen te laten komen.
Nadat de twee vrienden hun maaltijd gebruikt hadden, besloten zij nog
een kleine wandeling te maken, alvorens zij zich in het hotel ter ruste
zouden begeven.
Deze naam werd namelijk gegeven, misschien wel ten onrechte, aan de
treurige resten van het voormalige logement, dat met behulp van planken
en zeildoek in verschillende kamers was afgeschoten, en waar men goed
uit de oogen moest zien, teneinde te voorkomen, dat men op een al te
dunne plek van den vloer naar beneden viel.
Het huis scheen verscheiden malen door granaten te zijn getroffen en de
gaten waren voorloopig eenvoudig dicht gepleisterd, of wel met behulp
van planken dicht gespijkerd, zoodat het geheel geen al te fraaien
aanblik opleverde. Raffles en Charly hadden echter geen keuze gehad als
zij te Béthincourt wilden blijven om de afdoende reden, dat het
logement „De roode Haan” het eenige van het stadje was.
Zij trokken hun medegenomen jassen aan, zeiden den vriendelijken waard,
dat zij binnen eenige uren wel terug zouden zijn, hetgeen den goeden
man wel een weinig verbaasde, daar men zich in deze streken meestal
reeds om tien uur ter ruste begaf, en daarop waagden zij zich in de
duisternis.
Inderdaad mocht hier van wagen worden gesproken, want met de
verlichting van het stadje was het nog bijster treurig gesteld.
De kabels van de electrische centrale te Verdun, die het plaatsje
vroeger van electrisch licht voorzagen, waren vele kilometers vernield,
en men had ze nog niet kunnen herstellen.
En zoo was het gemeentebestuur wel verplicht geweest, zijn toevlucht te
nemen tot de ouderwetsche olielampen, die hier en daar tusschen de
huizen waren opgehangen.
En men moest het wel aan den goeden wil van den wind overlaten, of deze
lampen al dan niet bleven branden.
Het puin was gelukkig reeds weg geruimd in deze stad, en zoo bleef den
twee mannen althans de kans bespaard, over een hoop steenen te vallen.
Toch moesten zij voorzichtig voorwaarts gaan, want de duisternis was
zeer groot, en zij kenden den weg hier slecht.
Na eenigen tijd bereikten zij den straatweg, dien zij dienzelfden dag
waren afgekomen.
Wanneer niet nu en dan de volle maan achter de wolken te voorschijn
ware gekomen, dan zou het bijna onmogelijk zijn geweest, hier iets te
onderscheiden.
In de gelukkige tijden van weleer stonden er fraaie boomen langs dezen
weg, die hem voldoende aanduidden, maar reeds sedert lang stond er van
al deze boomen geen enkele meer overeind en het was al zeer
gemakkelijk, van den weg te geraken en in den greppel te belanden, die
er langs liep.
Nu en dan liet Raffles zijn electrische zaklantaarn schijnen, teneinde
zich te vergewissen, dat hij zich nog altijd op den weg bevond.
De twee vrienden hadden nauwelijks tien minuten geloopen, of Raffles
stond stil, en legde zijn hand op den arm van zijn metgezel.
„Wat is er?” vroeg Charly op gedempten toon.
„Hoor je niets?”
Charly luisterde opmerkzaam en antwoordde toen:
„Ik zou zeggen, dat ik zachtjes hoor steunen, het is alsof er een
mensch binnensmonds praat.”
„Dat meende ik ook te hooren. Het is ook volstrekt niet onmogelijk. Zie
maar eens die vormelooze massa daar ginds, dat is het verblijf van de
arme krankzinnige.”
„Zou zij het dan zijn, die daar in zichzelf praat?”
„Wie zou het anders kunnen zijn?”
Op dit oogenblik blafte een hond een paar malen schel en met een klank
van vroolijkheid.
Het was zeker de bulterriër, die verheugd was, dat hij met zijn
meesteres zijn somber verblijf mocht verlaten en blijkbaar in de hoop
verkeerde, dat een goedgunstig lot hem op het spoor van een of ander
half afgekloven been zou brengen.
„Kom spoedig mede,” zeide Raffles op zachten toon. „Zij schijnt er weer
op uit te willen gaan, ondanks het late uur. Misschien kunnen wij wel
wat uit haar krijgen.”
„Ik vrees van niet, Edward, maar natuurlijk volg ik je,” zeide Charly.
„Zou die hond ons niet aanvliegen in het duister?”
„Ten eerste is de wind naar ons toe, ten tweede is het dier te zwak om
ons veel kwaad te kunnen doen en ten derde heb ik een heerlijk stuk
worst bij mij, dat hem wel wat vriendelijker zal stemmen.”
„Rekende je er dan op, dat wij de arme vrouw zouden ontmoeten?” vroeg
Charly verwonderd.
„Ik rekende er niet op, maar ik hoopte het toch wel,” gaf Raffles ten
antwoord. „En nu spoedig voorwaarts.”
De beide vrienden gingen snel af op het eentonige geweeklaag, dat nu en
dan door den ruwen wind tot hen werd overgedragen, en dat een weinig
werd afgewisseld door het nijdige geblaf van den terriër.
Zij gingen een honderdtal schreden verder, en eensklaps zagen zij een
vaag, rossig schijnsel, dat zich niet steeds op dezelfde plek bevond,
maar zich langzaam scheen te verplaatsen.
Klaarblijkelijk droeg de vrouw een lampje of een lantaarn bij zich.
De beide vrienden verhaastten hunne schreden, wat ten gevolge had, dat
zij nu en dan tamelijk onzacht kennis maakten met een steen, die uit
den ongelijken weg opstak en het duurde niet lang, of zij waren de
krankzinnige van Béthincourt tot op een afstand van ongeveer twintig
meter genaderd.
Zij konden nu zien, dat zij zooals altijd gewapend was met haar schop.
In de linkerhand hield zij een oude fietslantaarn, een van die kleine
petroleumlampjes, zooals die vroeger algemeen gebruikt werden.
De lantaarn verspreidde slechts een weinig licht, maar toch voldoende
om de vrouw te behoeden voor een plotselingen val in een van die diepe
kuilen, die men in dit verwoeste gebied nog bij iederen stap aantrof.
Zij had een doek omgeslagen en gedeeltelijk over haar hoofd getrokken,
maar voor het overige kon de koude wind onbelemmerd door haar dunne
kleederen heen dringen.
De hond liep voor de vrouw uit, met den neus naar den grond en gretig
snuffelend.
Blijkbaar had hij van de twee achtervolgers, die zich onder den wind
bevonden, nog niets geroken.
De vrouw zette nu haar lantaarn neer, nam de spade van haar schouders
en begon te graven.
Zij sprak onder het werk bijna voortdurend voort op denzelfden
klagenden toon, maar het was onmogelijk te verstaan, wat zij zeide,
want zij mompelde half binnensmonds.
Maar dit was boven iederen twijfel verheven: De vrouw uitte haar
jammerklachten in het Engelsch.
De plek, waar zij was begonnen te graven bevond zich niet ver van de
puinhoopen van den ouden molen.
„Het is mij niet recht duidelijk,” zeide Charly na eenigen tijd, „hoe
de Franschen, of misschien de Duitschers, dat weet ik niet, er toe
gekomen zijn hun loopgraven vlak bij dien molen aan te leggen. Zij
moeten toch geweten hebben, dat die molen op een afstand van tien
kilometer zelfs met het bloote oog duidelijk zichtbaar was, en
voortreffelijk doelwit opleverde voor het vijandelijk geschut.”
„Je kunt er dan ook wel zeker van zijn, Charly, dat die loopgraaf daar
zoo dicht bij dien molen was aangelegd, nadat die reeds plat was
geschoten, maar zie eens, de vrouw neemt haar lantaarn weer op en gaat
verder. Laten wij haar volgen.”
De krankzinnige had inderdaad haar fietslantaarn weder opgenomen, die
aan een ijzerdraad hing en was verderop gegaan, tot in de onmiddellijke
nabijheid van de overblijfselen van den molen.
En hier begon zij opnieuw uit alle macht te graven.
Bij het zwakke licht van de lantaarn konden Raffles en Charly, die haar
waren nagegaan, duidelijk zien, dat de vrouw hier reeds vele dagen en
nachten aan het werk moest zijn geweest, want zij had een grooten kuil
geheel alleen uitgegraven, zooals te zien was aan den berg versche
aarde, die er naast lag.
Ongeveer een kwartier keken de beide vrienden zwijgend en met diep
medelijden voor de ongelukkige vervuld, toe.
De vrouw scheen over een groote kracht te beschikken, zooals dat met
meer personen het geval is, wier geest gekrenkt is, en wierp volle
schoppen aarde over den rand van den kuil.
„Laten wij nu eens naar haar toe gaan,” stelde Raffles op zachten toon
voor.
De beide vrienden wilden juist aan dit plan gevolg geven, toen de
krankzinnige een zwakken kreet uitte, juist zooals een verheugd kind
doet, dat een mooi stuk speelgoed heeft gekregen en het volgende
oogenblik verdween zij, alsof zij door den grond was verzonken.
Zij scheen haar lamp te hebben medegenomen, want plotseling was het
bijna stikdonker.
Heel in de verte, met een eigenaardigen klank, alsof het van onder den
grond kwam, klonk het geblaf van den terriër.
„Waar kan zij gebleven zijn?” vroeg Charly verwonderd, terwijl hij
Raffles bij de mouw greep, uit vrees dat hij hem in de tastbare
duisternis, die er heerschte, zou kwijt raken.
Hij kreeg geen antwoord. Maar inplaats daarvan verlichtte een heldere
straal uit de electrische zaklantaarn van Raffles de omgeving.
„Nu kunnen wij althans zien, en dat is veel gewonnen,” zeide de Groote
Onbekende. „Daar was zij het laatst, daar waar je den aardheuvel ziet,
dien zij zelf heeft opgeworpen.”
De beide mannen gingen op dezen heuvel toe, die ongeveer twintig meter
verder lag en waarbij zij goed acht moesten geven, dat zij niet in een
van de diepe granaattrechters terecht kwamen, die hier de akkers tot op
groote diepte geheel onvruchtbaar hadden gemaakt.
Zij moesten nu en dan voorzichtig een zeer smal paadje volgen, hetwelk
de afscheiding vormde tusschen twee groote kuilen, bijna zeven tot tien
meter diep, en een enkele maal moesten zij om een reusachtig groot gat
heen loopen, dat voor een gedeelte met regenwater gevuld was, maar
eindelijk bereikten zij toch de plek, waar zij de krankzinnige voor het
laatst gezien hadden.
HOOFDSTUK IV.
DE PORTEFEUILLE EN DE RING.
Het was duidelijk dat de vrouw hier gegraven had in hetgeen over was
gebleven van een voormalige loopgraaf.
Hier en daar lagen nog de verweerde overblijfselen van de gonjezakken,
die, met zand gevuld, de borstweringen hadden helpen vormen, en overal
lagen korte, armdikke gedeelten van boomtakken, die gebruikt waren om
deze zakken te stutten.
Ook moesten de beide vrienden oppassen, dat zij zich de kleederen, de
handen en het gelaat niet openscheurden aan de stukken prikkeldraad,
die hier nog altijd schots en scheef door elkander lagen, voor een
gedeelte nog verbonden aan de paaltjes, waar zij oorspronkelijk aan
waren vast gemaakt, wie weet onder welke verschrikkelijke
omstandigheden, terwijl de vijand den hemel verlichtte met zijn
magnesiumpijlen, en dadelijk zijn mitrailleurs liet ratelen, zoodra er
zich maar een vage vorm in Niemandsland vertoonde.
Zij behoefden niet lang te zoeken, alvorens zij ontdekt hadden, op welk
punt de krankzinnige was verdwenen.
De loopgraaf, die waarschijnlijk zeer diep was geweest, was met aarde
bijna geheel opgevuld, waarschijnlijk opgeworpen door de
granaatontploffingen, en de vrouw had na dagenlangen arbeid deze laag
weg gegraven.
Zij had dus den ingang bloot gelegd naar een van die ondergrondsche
holen, welke door de Franschen „abris” werden genoemd.
Deze ingang werd gevormd door een dikken boomstam, door twee even dikke
palen geschoord.
Een volwassen man kon er slechts binnengaan als hij zich zeer diep
bukte.
De ingang was gedeeltelijk versperd door stukken hout, en door nog iets
anders, wat de beide vrienden aanstonds niet konden onderscheiden....
Pas toen Raffles er het licht van zijn zaklantaarn op liet vallen,
zagen de twee vrienden tot hun afgrijzen, dat het een viertal geraamten
waren....
Uit de opening drong een afschuwelijke stank naar buiten, en het was
onbegrijpelijk, dat een levend wezen het daarbinnen kon uithouden.
De twee mannen wachtten nog even totdat de schadelijke dampen
eenigszins waren weggetrokken en drongen toen onversaagd naar binnen.
Zij moesten gebukt loopen en konden slechts achter elkander gaan, want
de gang was hier nog zeer smal.
Het bleek dat zij van boven was afgedekt door groote stukken gegolfd
plaatijzer, die op geregelde afstanden ondersteund werden door zware
steunbalken.