Paula lag achterover op haar weelderig bed, met open oogen.
Ze was best tevreden. Ze was in de laatste maand nog niet zoo in haar
humeur geweest. Nee, stellig niet....
Die nare geschiedenis met Larsen had haar heel wat zorg gebaard. Enorm!
Maar wat was ze wondermooi afgeloopen! Bizonder meegevallen....
Onwillekeurig keek ze rechts. He, vreemd, ze had nog altijd de
gewaarwording of daar naast haar een ander lag: de grove, bonkige
gestalte van Larsen’s stoer lichaam.
Ze zuchtte. Daarna glimlachte ze, strekte het eene opgetrokken been
wellustig uit, trok het andere, dat gestrekt gelegen had, op, streek de
rechterhand streelend langs haar verspreid liggende haren; en geeuwde
lang en met een klein geluidje van lustbevrediging. Dan woelde ze
eenige malen met het achterhoofd in ’t groote zachte kussen, en geeuwde
nog eens, korter maar even smakelijk als te voren.
Nee, ze had toch geen slaap.... Haar blik dwaalde langs de stijlen van
’t reusachtige ledikant, langs de fraaie snijwerkjes aan ’t voeteneind,
langs de sierlijke plooien van ’t gordijn boven haar, dat slechts de
helft van de heele ligruimte overspande, meer sieraad dan
licht-afsluiter. Voor dit laatste was het ook te licht van kleur en te
luchtig van stof.
Er lag een warme gloed over al de voorwerpen in ’t ruime vertrek. De
glazen hanglamp, aan fijne kettinkjes aan ’t midden der zoldering
bevestigd, zond haar schijnsel door een rozeroode, eivormige ballon. Er
was geen ander licht in de kamer, want de twee ramen aan de smalle kant
hadden ouderwetsche zware luiken en die waren gesloten. Door het
rozeroode schijnsel kregen de anders gele venstergordijnen een rossige
goudglans. Het wit en licht-grijze marmer van de monumentale
schoorsteen—waarbinnen een gashaard met bedriegelijke juistheid een
gezellig smeulend kolenvuurtje nabootste—de overtrekken der twee kleine
fauteuils aan weerskanten, het geel en witte behang met de bruine
hoeklijnen, de overige, gele meubels, het witgepleisterde plafond, het
Havana-kleurig, effen tapijt met het groote, zacht-ruige voetkleed vóor
’t ledikant aan Paula’s zijde—rechts—met zijn mollige, melkwit-vlokkige
oppervlakte, alles was overgoten met den flauw-rozeroode schemerglans
der lamp. En de zinstreelende kleuren-harmonie der kamer, de fijne
geursprenkeling die er waarneembaar was—zacht als een liefkozing—de
lauwe temperatuur, het eigenaardig halfdonker, dat lijnen en omtrekken
ietwat verdoezelde, alsof de stilte er fluisterde van liefdezwijmeling
in wereldvergeten, in geheimzinnige afzondering—Paula had er de
wonderbare werking meer dan eens van ondervonden sinds de tijd dat zij
deze kamer zoo naar haar eigen smaak liet inrichten.
Ook nu was dat niet anders.
Haar stemming bij ’t binnentreden der slaapkamer—wellicht een half uur
geleden—was er een geweest van weelderige voldaanheid, een mat,
algemeen gevoel van welbehagen, naar ziel, geest en lichaam: een
heelheid door de volmaakte samenklank van al deze drie. Met loome,
langzame bewegingen had ze zich uitgekleed, ditmaal zonder Pietje’s
hulp—Pietje was anders in de laatste tijd meer dan ooit haar lieveling,
en steeds om en bij haar wanneer zij aan haar toilet bezig was, of zich
verveelde en naar een praatje van gemoedelijken aard verlangde. ’t Was
wat laat geworden—de kleine koperen pendule wees kwart over
twaalf—zoodat ze de gunstelinge maar dadelijk na haar thuiskomst naar
bed gestuurd had.
Een heerlijk avondje was ’t geweest.... Paula dacht er aan terug, toen
ze vóor de spiegel heur haar voor de nacht in orde maakte. Het kijkglas
weerkaatste haar volledig beeld, en ’t was haar een vaag genot er naar
te staren, nu en dan. Dan verwijdden zich haar pupillen meer en meer,
en verbreedde een vadsige glimlach haar vleezige mond.
En ze dacht er nòg aan, toen ze, in haar wit nachtkleed, eindelijk
besloot om te bed te gaan liggen, en dit toch maar half deed, met het
eene been buiten bed.
De groote spiegel stond schuin tegenover haar, tusschen het ledikant en
de schoorsteen. In ’t dwalen van haar blik viel deze op wat ze in de
spiegel kon waarnemen. Ze sprong op, verzette de psyche even, en ging
weer liggen, ditmaal geheel.
Eenige minuten tuurde Paula met welgevallen, met lodderig-halfgeloken
oogen: ’t was aardig je zoo in je heele lengte te zien liggen....
Maar nee.... Ze moest weer op.... Ze had zoo’n lust om nog wat rond te
dribbelen, het niets doen met variatie, waarvan alleen sommige vrouwen
het geheim schijnen te bezitten.
En Paula dribbelde van haar bed naar haar waschtafel, schoof een laadje
open, haalde er een doosje met geurige zeep uit, sloeg haar eene voet
over de ander, en rook achtereenvolgens aan de drie ingepakte stukjes,
die de inhoud van ’t doosje uitmaakten; daarna stond ze even in
gedachten—: ’t was toch een allergezelligst avondje geweest bij mevrouw
Boudewijnse.... Wat was die kinderachtige jongen weer dol geweest!....
Verbeel’ je, tot zelfs bij de deur van haar huis, toen hij haar met
zijn moeder thuisbracht, had hij zich nog zoo dwaas aangesteld, in ’t
bijzijn van zijn moeder liefst!.... Wat had die goeie moeder
Boudewijnse eindelijk leuk haar geduld verloren.... Ha, ha, ze moest
nog lachen om haar komisch aandringen: „Dolf, jongen, ik wor’ boos als
je nou niet meegaat.... Dolf!! nee, heusch, hoor, ik wor’ wezenlijk
boos. Kom nu mee!” en onmiddellijk daarop was ze in een lach
geschoten.... Als zij, Paula, er niet met een ietwat bruuske handigheid
een eind aan gemaakt had, stonden ze nu misschien nog afscheid te nemen
vóor haar huis.... Verbeel’ je.
En van de waschtafel, waar ze de stukjes zeep achteloos liet liggen,
wolkte de witte gestalte droomerig naar een der fauteuils bij de haard.
Daar liet ze zich langzaam neerzijgen, leunde achterover en wreef eerst
met de achterkant van beide handen, daarna met de voorkant der eene
over oogen en voorhoofd. Toen geeuwde ze. Daarna boog ze voorover, keek
met aandacht naar de grillige vlammetjes van de haard, en huiverde
even—zonder werkelijk koude te voelen, want ze zat immers vlak bij ’t
vuur. Of tochtte ’t?.... hoe kon dat? Ze spreidde de vingers van beide
handen vóor zich uit, zóo dat ze de roode gloed door haar poezele
grijpertjes heen zag. Ze vond het een oogenblik aardig hiernaar te
kijken. Toen dacht ze aan anatomische griezeligheden, en sloeg de armen
over elkaar, met een klein ongeduldig gebaar.
Een minuut later stond ze weer vóor de psyche, en begon nog eens te
gapen. Onderwijl lachte ze er tusschen door, steeds de oogen op haar
beeld gevestigd. Ze was nòg mooi.... o zeker—ze kon zich best
begrijpen—zoo’n malle jongen! Alleen daar, bij de oogen.... ja.... dat
was niet te ontkennen.... dat zag je duidelijk.... Hoe noemen ze dat in
’t Fransch ook weer?.... pattes.... pattes.... de.... nee.... Mijmerend
ging ze weer zitten.
Opeens hoorde ze een zucht in de kamer naast de hare.
O, dat was Didi....’t Kind draaide zich zeker in haar bedje om. Zou ze
niet even gaan kijken?.... Niet dat ze ongerust was, maar.... waarom
zou ze er niet even heengaan? Ze deed het zoo zelden.... Dat is waar,
dat bedacht ze daar. Och, ’t kind sliep er niet minder rustig om....
Nonsens, die overdreven ongerustheid van sommige moeders!.... Daar had
je nou die mevrouw Lanney, de vrouw van die jonge professor, dat was
gewoon belachelijk....
Paula stond op van de fauteuil, en richtte zich naar de ingang van
Didi’s kamer, die bij een der vensters aan de smalle zijde der groote
slaapkamer, in de zijmuur was aangebracht; er hing een voorhang, in de
plaats van een deur.
Vreemd, zoo’n andere temperatuur! Was ’t raam open gebleven in Didi’s
kamer?
Nog met de portière in de hand stond ze opeens stil. Wat was dat?
Zuchtte Didi daar weer, of.... Ellendig, dat van de plaats waar zij
stond het kamerscherm haar belette het bedje dadelijk te zien! Daar was
’t weer. God, daar was iemand bij haar.... Ze hoorde duidelijk
fluisteren, zenuwachtig fluisteren, dat telkens afgebroken werd.
En haar blik naar rechts wendend, bemerkte ze nu eerst dat het venster
openstond.
Ze stond als vastgenageld, verbijsterd, besluiteloos. Als daar iemand
was—een man, ze hoorde ’t aan de stem—moest hij spoedig merken dat zij
hem stoorde.... Hoe kwam ’t dat hij nu niet al wat bespeurd had? Als
hij ’s op haar afkwam.... als ’t een moordenaar was.... een dief, een
inbreker, die.... Maar wat moest hij met Didi? Onbegrijpelijk.... Zou
ze toch maar teruggaan en de meiden roepen....? Maar wat gaf dat
nog.... als hij ’s in die tusschentijd....? Hè, dat er toch geen man in
huis was!
Het fluisteren was intusschen voortgegaan.
Stil! Dat was Didi die sprak.... God, ze schreide....
„Ik durf niet.... ik durf niet,” klonk het duidelijk verstaanbaar.
Paula luisterde ademloos.
„St, niet zoo hard.... Ik zeg je dat je moet. Je gaat mee. Versta je?”
Paula werd bleek van schrik. Ze voelde haar knieën knikken. Ze had even
getwijfeld, toen ze de eerste woorden van de man verstond. Nu geen
twijfel meer: ’t was Larsen....
’t Koude zweet brak haar uit over ’t gansche lichaam. Ze wankelde, liet
de portière los, die ze nog steeds krampachtig vastgehouden had, en
omdat ze de grond onder haar voelde deinen, sloeg ze de rechterarm uit.
’t Driebladige kamerscherm viel om, schuin tegen ’t ledikant van Didi
aan.
Een benauwde kreet ontsnapte haar. Een vreeselijke angst hergaf haar
voor een oogenblik haar tegenwoordigheid van geest. Ze wilde wegloopen,
om hulp roepen.
Larsen was bij haar, voordat ze twee passen gedaan had.
Woest greep hij haar aan, hijgend, met verwilderde oogen, de
neusvleugels wijd-uitstaand, het ruige gelaat vlak bij ’t hare.
Hij duwde haar achteruit, een eind haar kamer in.
„Pietje!! Kee!” gilde ze. „Hulp!”
„Stil!” riep Larsen met gesmoorde stem, „of ik knijp je keel dicht!”
Dreigend bracht hij zijn rechterhand aan Paula’s keel. Ze worstelde
wanhopig om los te komen uit zijn stoere greep.
Haar tegenstand deed het laatste overblijfsel van
verantwoordelijkheids-besef uit Larsen verdwijnen.
„Laat me los!” kreet Paula. Haar oogen staarden hem aan, in doodsangst,
heur haren hingen los. Ze struikelde over haar nachtjapon. En terwijl
hij op haar drong met de volle zwaarte van zijn lichaam, haar zoo
belettend haar eene arm te bewegen, klampten zich zijn beide armen en
handen om haar schouder en hals.
„Me nu nòg.... tegenwerken! Woû je dat nòg?! Ik zal ’t je beletten,
versta je?.... Voor goed.... Ik zal je....” Haar oogen puilden uit. En
Paula’s kleine lichaam bezweek onder de druk van de massa op haar.
Beide lichamen vielen op de grond. Een kleine stoel bij de waschtafel
sloeg om, een fauteuil viel mee omver tegen de haard doordat Paula er
met het hoofd tegenaan kwam.
Een ondeelbaar oogenblik was ’t of Larsen’s razernij gebroken was. ’t
Was er echter verre van dat de fizieke schok van zijn val eenig
zedelijk besef van zijn daad zou meebrengen. Een tijger, plotseling
losgelaten na een week van gevangenschap en honger, zou door ’t treffen
van een steen, die hem even bezeerde, niet minder fel zijn eenmaal
begeerde prooi bespringen. Wat kon hèm stuiten na twee maanden van
dagelijks opgekropte aandoening—smart, wrevel, ergernis—eindelijk
uitlaaiend in dierlijke wraak?
Alleen werd zijn waarnemingsvermogen even als opgezweept. Hij zag
zooals hij nog nooit gezien had: iedere lijn, iedere trek van Paula’s
gelaat, haar glanzig zwart haar, hoog over haar hoofd puilend door den
stoot tegen den fauteuil, de omlijsting van flauwgele bloemen op witten
achtergrond van het cretonne over de voorover liggende stoel. Hij
hoorde iedere suizing van haar adem, de ritseling van haar nachtkleed
onder zijn vingers. Hij voelde het aderkloppen van haar hals, rook de
subtiele geur van Paula’s haren, van haar kleed, van haar weelderig
heerlijk lichaam....
En terwijl hij met de beenen aan weerskanten van de achterover liggende
gestalte lag, de knieën tegen de grond gedrukt, sloten Larsen’s vingers
zich krampachtig om haar keel dicht. Zijn blik boorde in haar oogen,
nauw een handbreedte onder de zijne.
’t Sloeg half éen: de zilveren toon van ’t klokje op de
schoorsteenmantel viel als een drop geluid, kil en kalm in de zwoele
wachtende stilte.
Larsen’s vingers knepen sterker en sterker....
Daar week hij ontzet terug, nog op de knieën. Wat was dat in Paula’s
oogen? Mijn God, wat had hij gedaan? Waarom stonden die oogen zoo
strak, zoo volkomen wezenloos, bleven die lippen vaneen?
Larsen boog zich weer voorover. Hij zag nog éen trilling over het
verwrongen gelaat langs mond en oogen, daarna volslagen rust, zonder
geluid, zonder beweging, een strak-starende verstuiping. Hij raakte
haar niet meer aan—toch bleven haar hoofd, haar handen, haar voeten
roerloos liggen.
Langzaam, steeds de blik gevestigd op het schrikbeeld vóor hem, stond
Larsen op. Een gewaarwording zooals hij nog nooit in zijn leven gevoeld
had bekroop hem, overmeesterde hem geheel als kwam er een vloedgolf
over hem, die een gansche wereld van donkere fantomen òm hem,
onweerstaanbaar wegsleurde en hem verbijsterd in eenzaamheid
achterliet.
Machtig baande zich het licht een weg in de nacht van zijn waanzin:
zijn ziel ontwaakte....