Wat was ’t alles kalm en stil. Wat gebeurde er toch met hem? Hoe kwam
hij daar, in zijn eigen slaapkamer?
Daar lag Paula, die witte massa, daar. Ze was dood. Hij had haar
vermoord, hijzelf, hij. Met eigen handen geworgd als een beest. Hij
keek naar zijn handen: ze trilden nog van de inspanning.
O zeker, ze was dood: geen schijn van twijfel. Hij had haar geworgd als
een beest. Hij begreep niet waarom hij zoo zeker wist dat ze dood was.
Maar ze was ’t. En hij was haar moordenaar.... Hij was laf en
verachtelijk. Toch had hij geen berouw, geen spoor. Nee, geen spoor.
Daar hoorde hij hartstochtelijk snikken in de aangrenzende kamer. O,
Didi... Zijn kind.... Ze had niets gezien van wat er gebeurd was. Ze
schreide zeker van vrees of schrik. Ze zou straks wel opstaan
misschien, en hier komen.... Hij wilde haar niet terugzien. Zijn kind
mocht de moordenaar van haar moeder nooit zien. Hij was laf en
verachtelijk. Hij woû heen, zich aangeven bij de politie.
Onmiddellijk....
Nee, wacht: even die omgevallen fauteuil rechtzetten, die lag te dicht
bij ’t vuur—er mocht ’s brand komen. Zoo.
Daar lag Paula—hij had haar hoofd even opgetild: ’t lag nu geheel op de
grond—ze was dood. Hij had haar geworgd als een beest. Ze mocht daar
niet zoo blijven liggen. Hij had nog wel even de tijd.
Hij tilde haar op in zijn stoere armen, trapte even op haar afhangend
nachtkleed. Toen droeg hij haar naar ’t bed, zijn ruige baard tegen de
borst gedrukt, de blik strak op zijn vracht, in ijzige kalmte. Ze was
zwaar: ’t viel niet mee.
Hij leî haar op ’t bed. Op haar plaats, vooraan. De handen over elkaar,
zoo. De handen waren koud, nu al.
Nu moest hij weg. Hij keek naar de deur der andere kamer. Nee, ’t kind
was er nog, ze snikte ook nog....
Hij deed de deur open. Op ’t portaal alles stil: geen geluid. Er
brandde ’t gewone licht, dat er ’s nachts altijd brandde. Langzaam ging
hij de trap af. Op de mollige looper was zijn stap nauw hoorbaar. De
gang door, links, naar de voordeur.
Hij stond even stil.... Nee: alles rustig boven.
Hu, ’t was koud in de gang. Zijn schreden klonken hol, ondanks de
bekleeding van ’t marmer onder hem.
Hij deed de ketting van de deur, verschoof de grendel en draaide de
sleutel om. Ziezoo, daar stond hij op de stoep.
Hij zag dat hij geen overjas aanhad. ’t Was koud. Ver in ’t najaar en
dan ’s nachts. Hoe laat zou ’t zijn? Hij tastte naar zijn horloge: dat
had hij bij zich als gewoonlijk. Veertien minuten vóor éen.
Hij sloeg de kraag van zijn jas op, en dook weg in zijn schouders. De
straten waren leeg, koud en stil. Hij liep aan de linkerzijde van de
breede straat, waaraan zijn huis lag, in ’t volle maanlicht. De huizen,
waarlangs hij voortstapte, keken hem in ’t voorbijgaan met starre blik
aan, in leege, koude, stille onverschilligheid waar ’t licht scheen, in
sombere dreiging, daartegenover. Larsen ijlde voort met harde klinkende
schreden over de wit-starende straatkeien, straat in, straat uit; een
gracht over—de brug dreunde hol onder hem—rechts af eenige hooge huizen
langs.
Hij was waar hij wezen wilde. Een korte weifeling had hem even na ’t
uitgangspunt van richting doen veranderen, zoodat hij een kleine omweg
gemaakt had.
Ja, daar moest hij wezen. Hij woû Van Thiemen spreken. Dat was ’t
beste. Hem alles zeggen. Hoe laf en verachtelijk hij was. Alles zou hij
zeggen. Niet omdat hij bang was, en behoefte had aan een vriend, om
zijn hart uit te storten. Ook niet omdat hij berouw had. Dat had hij
niet. Toch moest hij alles zeggen. Alles. Hij had haar geworgd als een
beest, met eigen handen. Hij zou zich zelf gaan aangeven bij de
politie, straks wanneer hij Van Thiemen gesproken had. Of anders
morgen....
Hij belde aan. Wachtte een paar minuten. Toen nog eens.
’t Duurde nog eenige minuten voordat de zware deur langzaam geopend
werd, even op een kier. ’t Was nog een ouderwetsche voordeur, zonder
kijkluikje.
„Wie is daar?” vroeg een vrouwestem, eenigszins aarzelend.
Larsen herkende ’t geluid van Van Thiemen’s huishoudster.
„Meneer thuis, juffrouw De Vries?”
De deur ging wat verder open, een hoofd vertoonde zich in de opening.
„Meneer.... meneer.... de professor.... professor Larsen?” stamelde ’t
menschje.
„Ja. Wil u me binnenlaten? Ik moet noodzakelijk meneer spreken.”
De ander aarzelde. Wat zag die professor Larsen bleek! En dan, had ze
niet gehoord dat de man in een „gesticht” was? Hoe kwam hij zoo opeens
hier? Woû hij meneer spreken in ’t holle van de nacht? Wat moest ze
doen? Waarachtig as God, ze wist het niet.
Daar klonk een hooge mannestem in de gang:
„Wat is dat aan de deur, juffrouw? Iemand voor mij soms?”
„Och.... professor, komt u ereis even hier.”
Eenige vlugge schreden in de gang, dan een fluistergesprek.
Larsen ving een enkel woord op, nog steeds op de stoep staande:
„.... Weggeloopen.... gevaarlijk.... Gods mogelijk!.... Och, onzin!....
Zelf weten.... m’n lieve mensch....”
De voordeur ging wijd open, en Van Thiemen, in bruine kamerjapon, de
armen over de borst om het anders openhangend kleedingstuk bijeen te
houden, stond met vriendelijk lachend gelaat tegenover de late
bezoeker.
„Wel, Larsen, wat kom jij hier zoo laat doen? Moet je mij hebben?”
Er was een eigenaardige uitdrukking in Van Thiemen’s oogen, en een toon
van onder vroolijkheid verborgen twijfel, die beide onmiddellijk
Larsen’s aandacht trokken. Hij deed alsof hij niets daarvan merkte.
„Ja, kom ik ongelegen?”
„Nee, nee, zeker niet.” Van Thiemen zweeg even. De volkomen kalmte en
vastberadenheid in Larsen’s stem en gelaat verrasten hem. „Kom binnen,
kom binnen,” zei hij vriendelijk.
Onderwijl nam hij zijn oude vriend eens op. Hij zag hoe intens bleek
hij was, en ’t viel hem voor ’t eerst op dat hij geen overjas aanhad.
Zwijgend ging Larsen de voordeur binnen. Met wantrouwige blik stond de
huishoudster toe te zien. Larsen zag haar even de schouders optrekken.
Van Thiemen gaf haar een wenk, dat hij haar diensten niet meer noodig
had.
„Kom maar dadelijk mee naar mijn studeerkamer,” zei hij tot Larsen, die
in somber afwachtende houding op de groote vloermat stond. Hij was
bezig naar de grond te kijken. „Salve” las hij onder zijn voeten in
groote sierlijke letters. Een pijnlijke zenuwtrekking vloog om zijn
neus en mond.
Opkijkende volgde hij zijn vriend, die met vlugge stap hem voorging
door de gang.
„Je zult ’t wel koud hebben, kerel,” hervatte Van Thiemen na een
oogenblik, reeds op de trap. „’t Is boven bij mij warm. Ik zat nog te
lezen zooeven toen je belde.” Hij keek even om.
Larsen zweeg: met gebogen hoofd scheen hij al zijn aandacht noodig te
hebben om geen misstap te doen op de breede, dik-belooperde trap.
Van Thiemen praatte door, met iets gewild luchtigs; telkens afbrekend.
Weinig vermoedde hij hoe duidelijk zijn gedachtengang voor de ander te
volgen was. Och, wat kon ’t schelen? Straks, straks zou hij immers
alles zeggen, en dan zou Van Thiemen wel vanzelf inzien.... O, ja,
zeker, straks, als hij alles vertelde, moest Van Thiemen begrijpen dat
hij volkomen normaal was.... volkomen bij zijn zinnen. Hij moest
begrijpen dat hij toen ook.... zeker.... hij was laf en
verachtelijk.... hij had haar geworgd als een beest, met eigen handen.
„Ziezoo, kom nu maar gauw binnen,” zei Van Thiemen weer, en ontsloot de
deur van zijn studeerkamer. „Voorzichtig, denk om de treedjes.”
Beiden stapten binnen. Een weelderige behagelijkheid streelde Larsen’s
gelaat, een vriendelijk welkom lachte hem toe uit de welbekende
meubelen, de lijnen, vormen en kleuren van het vertrek. En een
wonderzoete weedom overstelpte zijn gemoed.
Hij vocht ertegen. Hij wilde van geen teederheid weten, geen deernis
met zichzelf. Hij was immers laf en verachtelijk....
„Ga hier zitten, kerel,” zei Van Thiemen hartelijk, en schoof een
mollige fauteuil bij de open haard, waarin een vadsig druilig
houtvuurtje brandde.
Larsen zette zich, sloeg de kraag van zijn jas neer, deed de knoopen
langzaam los, leunde achterover, daarna voorover. Zoo bleef hij zitten,
de beide handen op de knieën, het hoofd schuin naar de haard gekeerd,
onbewegelijk.
Van Thiemen bemerkte dat zijn pantalon en zijn schoenen bemodderd
waren.
„Wil je niet een paar pantoffels aandoen?” vroeg hij, en ging naar een
kast. „Hier, trek je schoenen uit, en doe deze aan.”
Larsen deed zwijgend ’t verlangde, steeds zonder op te zien. De ander
kwam naar hem toe, bekeek hem weer even met vriendelijke
nieuwsgierigheid.
„Zeg ’s, je zult wel moê zijn, niet?” zei hij. „En misschien dorst of
honger?”
„Och, dat ’s niets, dat ’s niets,” antwoordde Larsen. Toen sloeg hij
voor ’t eerst de blik op: „Geef je toch geen moeite om mij. Ik heb
niets noodig. Ik woû alleen je vertellen wat er gebeurd is.”
Van Thiemen ging tegenover zijn vriend zitten, en sloeg de beenen over
elkaar.
„Zeker, ik luister,” zei hij.
Larsen meende weer iets bizonders in Van Thiemen’s toon te merken, ’t
zelfde dat hem reeds een paar maal in die nacht opgevallen was.
„Je zult niet willen gelooven wat ik je nu vertellen ga, Van Thiemen.”
De woorden klonken eigenaardig plechtig en somber.
„Stumpert,” dacht de ander, „de een of andere hallucinatie zeker.”
„Waarom zou ik niet?” zei hij, zacht en vriendelijk sprekend, als gold
het hier de gril van een ziek kind. Larsen keek strak naar ’t vuur.
„Och, ’t is vreeselijk,”.... ging hij voort, „en toch waar. Volkomen
waar. Ik heb mijn vrouw vermoord. Dat kom ik je vertellen.”
Er was geen spoor van weifeling in Larsen’s spreken. De bekentenis kwam
er koud bedaard uit, bijna toonloos, en zijn houding bleef volmaakt
dezelfde.
Ook Van Thiemen verroerde zich niet. Hij wachtte even voordat hij
sprak, zoekend naar een verstandige manier waarop hij deze, naar hij
meende, hersenschimmige zelfbeschuldiging kon beantwoorden. ’t Was
immers een hersenschim! Hoe zou die in-goedige brave Larsen, die geen
vlieg kwaad kon doen, tot zoo iets kunnen komen, een moord? Ach, wat
was die man reddeloos krankzinnig! En wat ’n vervolging van
schrikgedachten aan al ’t doorleefde met die vrouw moest tot zulk een
afgrijselijke waan geleid hebben! Stumpert, stumpert!
„Beste kerel, hoe kom je me nu zóo iets vertellen!” zei Van Thiemen, en
er klonk niets dan medelijden in zijn stem. Hij stond op en leî zijn
hand op Larsen’s schouder. Deze lachte even schril en pijnlijk.
„Zei ik ’t niet, dat je me niet gelooven zou? En toch is ’t zoo, Van
Thiemen. Ik heb zooeven, misschien twintig minuten geleden, Paula
vermoord. Ik heb haar geworgd, als een beest, met mijn eigen handen.”
Dezelfde kille eentonigheid in zijn stem en geen spoor van aandoening.
En juist deze afwezigheid van alle emotie hield Van Thiemen in zijn
dwaling: Larsen sprak als iemand in een droom, als een gehypnotizeerde,
koud, strak, wezenloos in zijn gansche houding, steeds starend naar ’t
druilig vlammenspel in de haard.
Van Thiemen vond het raadzaam den ander af te leiden.
„Ben je vandaag hier in de stad gekomen?” vroeg hij, en zette zich weer
op zijn stoel. „Je schijnt moe, amice; je hebt zeker heel wat
vermoeienis achter de rug? Ik geloof dat je beter doet nu te gaan
slapen. Je kunt bij mij logeeren. Dat is wel ’t makkelijkst voor je. En
morgen—vertel je me verder wat je op je hart hebt. Heusch, dat is
beter, kerel.” En toen de ander bleef zwijgen: „Kom, ik zal voor je
logeerkamer laten zorgen. Mijn huishoudster is nog op....” Hij stond
meteen op, en wilde schellen.
Larsen wierp een vluchtige blik op zijn vriend, met nauw merkbare
wending van ’t hoofd. Zonder spoor van ergernis of ongeduld antwoordde
hij:
„Wil je me niet even aanhooren?” Eindelijk veranderde hij van houding,
leunde achterover, liet beide armen op de leuning van zijn stoel slap
neerliggen, en staarde naar boven. „Ik voel geen vermoeienis. Ik kan
niet slapen. Als jij me aangehoord hebt, ga ik naar de politie.
Dadelijk. Ik ga me aangeven. Ik zeg je: ik heb mijn vrouw vermoord,
geworgd als een beest, met mijn eigen handen. Als je bewijzen wil
hebben, kan ik je naar mijn huis brengen. Daar zal de politie nu al
wezen....”
Van Thiemen vond ’t verstandig maar te luisteren. Toegeven, niet
onnoodig prikkelen, dacht hij. Waarom zou hij de stumpert zijn zin niet
geven? De uiting van ’t geen hem zoo vervulde zou hem misschien goed
doen, opluchten.
Zuchtend nam Van Thiemen zijn plaats weer in, strekte de handen naar ’t
vuur uit.
„Vertel me dan alles,” zei hij. En op zijn onbeantwoord gebleven vraag
terugkomend: „Ben je vandaag in de stad gekomen—of.... ik bedoel
eigenlijk gisteren.... Donderdag: we hebben eigenlijk al Vrijdag op ’t
oogenblik.” Hij wees op de klok.
„Ja, eenige uren geleden. ’t Was avond toen ik op weg ging. Ik ben
weggeloopen uit het gesticht.”
„En toen?”
„Ik woû er uit, en ik woû naar mijn kind. Ik had geen geld, en ben dus
komen loopen—drie uur.”
„Een heele wandeling.”
„Och, ik ben sterk. Nu, ik ben dadelijk na aankomst hier naar mijn huis
gegaan. Daar ben ik binnengebroken. Ik woû Didi weghalen zonder dat
iemand ’t merkte, Paula in de eerste plaats niet. Ik ben over de
veranda in mijn tuin geklommen, en zóo ’t raam in. Ik wist dat ’t van
buiten makkelijk open te krijgen was. Toen ik ’t kind woû opnemen, werd
ik gestoord. Als ze dadelijk gewillig was geweest, had Paula zeker
niets gemerkt, ofschoon ze waarschijnlijk al thuis was. Ze was wat laat
thuisgekomen anders. Nu, ze stoorde me, en toen heb ik haar geworgd....
als een beest, met mijn eigen handen....”
Van Thiemen verschoof even op zijn stoel. Tevergeefs trachtte hij zich
te onttrekken aan een opkomende gewaarwording van onbehagelijkheid.
„En,” vroeg hij, „je kind?”
„Was in haar kamer. Lag te schreien in haar bed. Dorst zeker niet voor
den dag komen, toen ik met haar moeder bezig was in de andere kamer. In
Paula’s kamer—onze slaapkamer, bedoel ik—die is vlak naast die van
Didi. Dat weet je misschien.”
Van Thiemen knikte even.
„Didi heeft dus niet.... gezien wat je deedt?” hervatte hij na een
oogenblik.
„Gezien niet.... ik geloof ’t niet ten minste. Wel gehoord.”
Van Thiemen worstelde met zijn gevoel van onbehagelijkheid, nu nog
sterker dan te voren. ’t Late uur, de stilte in de kamer, ’t halve
licht rondom de helle, scherp afgescheiden lichtkring der studeerlamp
op de schrijftafel, Larsen’s verwilderd en verwaarloosd uiterlijk, de
klanklooze droomtoon van zijn zware stem, de aard der mededeelingen
zelf bij ’t wanhopig baloorige in de passielooze duidelijkheid en
gelijkmatigheid waarmee de woorden geuit werden, dat alles werkte samen
om een levendige verbeelding als die van Van Thiemen onweerstaanbaar te
overmeesteren.
„Gehoord?” vroeg hij met gefronste wenkbrauwen.
„Ja, we zijn gevallen. Paula en ik. En een paar stoelen. Ik heb boven
op haar gelegen. Toen heb ik haar geworgd—als een beest, met mijn eigen
handen. Toen ben ik weggegaan. Door de voordeur.”
„Door de voordeur?”
„Ja. Ik heb niemand gezien. Trouwens, alles was misschien in tien
minuten gebeurd. Je gelooft me nòg niet, wel?”
Larsen keek op. De ander gaf de blik niet terug, maar keek vóor zich,
’t hoofd op de rechterarm geleund, de elleboog op de knie. En toen hij
niet antwoordde, ging Larsen voort, terwijl hij zijn starre houding
hernam:
„Je houdt me voor gek. Natuurlijk. Ik kan ’t je niet kwalijk nemen.
Maar denk wat je wil. Je kunt je zelf overtuigen. Straks als je lust
hebt.”
Van Thiemen bleef zwijgen, verzette zich weer in zijn stoel, sloeg de
beenen over elkaar. Larsen hervatte onverstoorbaar:
„Ik zou je bizonderheden kunnen geven. Maar die zouden je niet beter
overtuigen. Die zouden.... me maar ophouden. Ik moet naar de politie.
Ik woû je alleen vooraf mijn bekentenis doen, omdat—jij alles weet. Ik
haatte die vrouw. Ik heb me gewroken.”
„Gewroken! Maar je had toch geen plan....?”
„Och, nee. Ik dacht niet aan een plan. Maar toen ze me tegenwerkte, nòg
eens—na al ’t andere—toen was ’t me te machtig. Ik heb toen eenvoudig
in werkelijkheid gedaàn wat ik al lang in gedachten gedaan had. In
gedachten had ik Paula al honderdmaal vermoord. Ik haatte haar. Ik weet
nu wat haat is. Ik had nog nooit gehaat....”
Van Thiemen zuchtte zwaar. Tranen welden naar zijn oogen. Larsen’s stem
dreunde voort:
„Nu niet meer. Ze is nu dood. Ik heb haar geworgd, als een beest met
mijn eigen handen. Ik haat haar niet meer. Ik ben bevredigd. Ik ben op.
’t Is nu alles uit. Ik voel niets meer. ’t Kan me verder niets meer
schelen.”
Zijn blik bleef omhoog staren, in leege, kille wanhoop.
Met stomme aandoening hoorde Van Thiemen de woorden aan. Hersenschim of
werkelijkheid: hier werd geleden, en de smart moest wel ontzettend
groot zijn, als ze tot zulke ijzingwekkende spooktooneelen in zijn
fantazie geleid had! En hij kende de oorzaak van al dat lijden.
Nog zat Van Thiemen in gedachten verzonken, in tweestrijd met zichzelf
en reeds ten prooi aan akelige twijfeling, toen hij getroffen werd door
een vreemd geluid. Hij luisterde aandachtig: daar was ’t weer, en nog
eens en nog eens. O, de brandklok: ergens brand....
Larsen hoorde blijkbaar niets, steeds in dezelfde houding met het hoofd
achterover geleund.
Van Thiemen stond op. Hij kòn niet langer blijven zitten, verlangde
naar beweging, wilde naar buiten, naar de frissche lucht. Hij kon ’s
naar die brand gaan kijken: wie weet waar ’t was.... Maar dan
Larsen....
Plotseling keek deze hem aan, met schrik in de oogen.
„Dat is de brandklok!” zei hij eindelijk van toon veranderend.
„Ja, dat hoor ik ook. Zal ik....?”
„Er is brand in mijn huis. Van Thiemen, ik weet ’t zeker, er is brand in
mijn huis.”
Larsen was opgestaan, zenuwachtig en gejaagd, een ander mensch dan
eenige oogenblikken te voren.
„In jòu huis?” ’t Angstig makend vermoeden had ook de ander bekropen,
waarom begreep hij zelf niet.
„Ja, stellig. Ik mòet er heen. Ik weet ’t zeker: ’t is bij mij!”
Larsen was al bij de deur der studeerkamer.
„Goed, laten we samen gaan kijken,” zei Van Thiemen, die—al was ’t dat
hij ook ditmaal Larsen’s woorden voor de uiting eener overspannen zieke
verbeelding hield—toch naar afleiding verlangde, om gelegenheid te
hebben ’t met zichzelf eens te worden. Over Larsen’s gedrag, wanneer ze
buiten waren, maakte hij zich niet ongerust. Nauwelijks op straat, zou
hij zich op de hoogte stellen waar de brand was. Was ’t niet wat Larsen
vreesde, dan nam hij zich voor onmiddellijk naar huis terug te gaan.
Bleek het tegendeel waar—’t kon wezen, natuurlijk: waarom niet?—dan zou
hij wel de politie een wenk geven, om op hem te letten dat hij geen
dolheden beging.
„Wacht even!” hervatte Van Thiemen. „Ik heb nog een overjas voor je in
de kast van mijn slaapkamer. En ik moet zelf even wat anders
aanschieten.”
Enkele minuten later stonden beiden op straat. Juffrouw De Vries had
Van Thiemen reeds ingelicht, dat het „ver weg” was, en minzaam
verwijtend geprotesteerd tegen de nachtelijke uitgang haars meesters.
Ze was niks gerust: zoo „bij nacht en ontije naar een brand gaan, en
dan met die gekke perfesser....”
Ondanks Van Thiemen’s luchtige verzekering dat „alles wel los zou
loopen”, had het apartje met zijn huishoudster toch indruk op hem
gemaakt. De straat was vol menschen. Hoe zou hij in die drukte kunnen
beletten dat Larsen aan zijn aandacht ontsnapte? ’t Berouwde hem reeds,
dat hij zijn huis verlaten had. Maar onmiddellijk had zijn luchthartige
natuur een verontschuldiging bij de hand: hoe had hij Larsen in zijn
huis kunnen houden, in die opgewonden toestand en vast geloovende dat
de brand bij hem thuis was? Nee, zoo was ’t van twee kwaden nog ’t
minste: zoo kon hij misschien nog oog op hem houden. „En vogue la
galère!”
De stroom van haastig voortijlende menschen volgend, en hier en daar
vragend, zou hij spoedig zekerheid hebben. Doch ze liepen allen in éen
richting, en niemand wist iets te zeggen.
„Ik zeg je, ’t is bij mij!” riep Larsen ongeduldig.
Van Thiemen had moeite hem bij te houden. Beiden draafden nu.
De gloed aan de hemel boven het brandende huis werd zichtbaar, toen ze
voorbij de boomen langs de gracht en de hooge huizen aan de overkant
waren.
„Ik ga met je mee, ik ga met je mee,” antwoordde Van Thiemen, „maar hoû
je in Godsnaam kalm. Blijf in alle geval bij me. Je kunt me noodig
hebben, al is ’t ook bij jou.”
Nergens een politie-agent te zien! Van Thiemen ergerde zich, en meer en
meer won het bange voorgevoel bij hem veld: Larsen heeft gelijk.
Een jongen bonsde tegen Van Thiemen aan.
„Kom je van de brand?” vroeg hij angstig, even stilstaande.
„Ja!!” De jongen liep door.
„Bij wie?” riep Van Thiemen hem achterna.
„Bij Perfester Larse!”
Larsen was een eind vooruitgeloopen, zich niet storend aan ’t
oponthoud. Hijgend haalde de ander hem in. Larsen had niets gehoord, en
hij achtte het gevaarlijk hem thans in te lichten. Trouwens, de
waarheid zou spoedig blijken.
De kleine straat, waar ze door moesten, om in de groote te komen waar
Larsen’s huis stond, krioelde van de menschen.
Nu geen twijfel meer: overal om hen heen had men ’t erover: „bij
Professor Larse”.... „bij de vrouw van de perfester die gek geworden
was”.... „bij de perfester om de hoek”....
Er was een pikzwarte bank van rook over de hemel, links, telkens
uitstuivend over de hoofden der menschenmassa in ’t straatje. De maan
was onder en de hemel bewolkt. Een vrij sterke oostewind joeg bij
iedere rookgolf een regen van fijne vonken in de lucht, hoog boven de
huizen van ’t straatje wild verwaaiend.
„’t Is hier benauwd!” zei Van Thiemen, en keek naar Larsen, die naast
hem door de menschen trachtte te dringen. Hij zag dat hij een duw
kreeg.
„Meneer, je kunt hier niet door,” klonk ’t ruw.
„’t Kan me niet schelen, uit de weg!” riep Larsen.
Een kerel wankelde, viel tegen omstanders aan. Er werd getrapt en
gestompt.
„Wat moet die meneer?!” riep een vrouw. „Ziet-i dan niet dat we niet
verder kunnen? De politie heeft de straat afgesloten.”
Larsen stoorde zich aan niets. Links en rechts gestooten en gedrongen,
werkte hij zich voort, als een dolle.
Een politie-agent kwam de straat op, baan makend om zich heen.
Zenuwachtig wendde Van Thiemen zich tot hem, wees hem op Larsen:
„Hoû die meneer in Godsnaam in ’t oog! Hoû ’m tegen als je kunt,”
fluisterde hij de agent toe. „De man is gek. Er is brand in zijn huis.”
De menschenmassa golfde en deinde vóor hem. De agent verdween er onder.
En ook Larsen was niet meer te zien.