XIX.

Wat was ’t alles kalm en stil. Wat gebeurde er toch met hem? Hoe kwam

hij daar, in zijn eigen slaapkamer?

Daar lag Paula, die witte massa, daar. Ze was dood. Hij had haar

vermoord, hijzelf, hij. Met eigen handen geworgd als een beest. Hij

keek naar zijn handen: ze trilden nog van de inspanning.

O zeker, ze was dood: geen schijn van twijfel. Hij had haar geworgd als

een beest. Hij begreep niet waarom hij zoo zeker wist dat ze dood was.

Maar ze was ’t. En hij was haar moordenaar.... Hij was laf en

verachtelijk. Toch had hij geen berouw, geen spoor. Nee, geen spoor.

Daar hoorde hij hartstochtelijk snikken in de aangrenzende kamer. O,

Didi... Zijn kind.... Ze had niets gezien van wat er gebeurd was. Ze

schreide zeker van vrees of schrik. Ze zou straks wel opstaan

misschien, en hier komen.... Hij wilde haar niet terugzien. Zijn kind

mocht de moordenaar van haar moeder nooit zien. Hij was laf en

verachtelijk. Hij woû heen, zich aangeven bij de politie.

Onmiddellijk....

Nee, wacht: even die omgevallen fauteuil rechtzetten, die lag te dicht

bij ’t vuur—er mocht ’s brand komen. Zoo.

Daar lag Paula—hij had haar hoofd even opgetild: ’t lag nu geheel op de

grond—ze was dood. Hij had haar geworgd als een beest. Ze mocht daar

niet zoo blijven liggen. Hij had nog wel even de tijd.

Hij tilde haar op in zijn stoere armen, trapte even op haar afhangend

nachtkleed. Toen droeg hij haar naar ’t bed, zijn ruige baard tegen de

borst gedrukt, de blik strak op zijn vracht, in ijzige kalmte. Ze was

zwaar: ’t viel niet mee.

Hij leî haar op ’t bed. Op haar plaats, vooraan. De handen over elkaar,

zoo. De handen waren koud, nu al.

Nu moest hij weg. Hij keek naar de deur der andere kamer. Nee, ’t kind

was er nog, ze snikte ook nog....

Hij deed de deur open. Op ’t portaal alles stil: geen geluid. Er

brandde ’t gewone licht, dat er ’s nachts altijd brandde. Langzaam ging

hij de trap af. Op de mollige looper was zijn stap nauw hoorbaar. De

gang door, links, naar de voordeur.

Hij stond even stil.... Nee: alles rustig boven.

Hu, ’t was koud in de gang. Zijn schreden klonken hol, ondanks de

bekleeding van ’t marmer onder hem.

Hij deed de ketting van de deur, verschoof de grendel en draaide de

sleutel om. Ziezoo, daar stond hij op de stoep.

Hij zag dat hij geen overjas aanhad. ’t Was koud. Ver in ’t najaar en

dan ’s nachts. Hoe laat zou ’t zijn? Hij tastte naar zijn horloge: dat

had hij bij zich als gewoonlijk. Veertien minuten vóor éen.

Hij sloeg de kraag van zijn jas op, en dook weg in zijn schouders. De

straten waren leeg, koud en stil. Hij liep aan de linkerzijde van de

breede straat, waaraan zijn huis lag, in ’t volle maanlicht. De huizen,

waarlangs hij voortstapte, keken hem in ’t voorbijgaan met starre blik

aan, in leege, koude, stille onverschilligheid waar ’t licht scheen, in

sombere dreiging, daartegenover. Larsen ijlde voort met harde klinkende

schreden over de wit-starende straatkeien, straat in, straat uit; een

gracht over—de brug dreunde hol onder hem—rechts af eenige hooge huizen

langs.

Hij was waar hij wezen wilde. Een korte weifeling had hem even na ’t

uitgangspunt van richting doen veranderen, zoodat hij een kleine omweg

gemaakt had.

Ja, daar moest hij wezen. Hij woû Van Thiemen spreken. Dat was ’t

beste. Hem alles zeggen. Hoe laf en verachtelijk hij was. Alles zou hij

zeggen. Niet omdat hij bang was, en behoefte had aan een vriend, om

zijn hart uit te storten. Ook niet omdat hij berouw had. Dat had hij

niet. Toch moest hij alles zeggen. Alles. Hij had haar geworgd als een

beest, met eigen handen. Hij zou zich zelf gaan aangeven bij de

politie, straks wanneer hij Van Thiemen gesproken had. Of anders

morgen....

Hij belde aan. Wachtte een paar minuten. Toen nog eens.

’t Duurde nog eenige minuten voordat de zware deur langzaam geopend

werd, even op een kier. ’t Was nog een ouderwetsche voordeur, zonder

kijkluikje.

„Wie is daar?” vroeg een vrouwestem, eenigszins aarzelend.

Larsen herkende ’t geluid van Van Thiemen’s huishoudster.

„Meneer thuis, juffrouw De Vries?”

De deur ging wat verder open, een hoofd vertoonde zich in de opening.

„Meneer.... meneer.... de professor.... professor Larsen?” stamelde ’t

menschje.

„Ja. Wil u me binnenlaten? Ik moet noodzakelijk meneer spreken.”

De ander aarzelde. Wat zag die professor Larsen bleek! En dan, had ze

niet gehoord dat de man in een „gesticht” was? Hoe kwam hij zoo opeens

hier? Woû hij meneer spreken in ’t holle van de nacht? Wat moest ze

doen? Waarachtig as God, ze wist het niet.

Daar klonk een hooge mannestem in de gang:

„Wat is dat aan de deur, juffrouw? Iemand voor mij soms?”

„Och.... professor, komt u ereis even hier.”

Eenige vlugge schreden in de gang, dan een fluistergesprek.

Larsen ving een enkel woord op, nog steeds op de stoep staande:

„.... Weggeloopen.... gevaarlijk.... Gods mogelijk!.... Och, onzin!....

Zelf weten.... m’n lieve mensch....”

De voordeur ging wijd open, en Van Thiemen, in bruine kamerjapon, de

armen over de borst om het anders openhangend kleedingstuk bijeen te

houden, stond met vriendelijk lachend gelaat tegenover de late

bezoeker.

„Wel, Larsen, wat kom jij hier zoo laat doen? Moet je mij hebben?”

Er was een eigenaardige uitdrukking in Van Thiemen’s oogen, en een toon

van onder vroolijkheid verborgen twijfel, die beide onmiddellijk

Larsen’s aandacht trokken. Hij deed alsof hij niets daarvan merkte.

„Ja, kom ik ongelegen?”

„Nee, nee, zeker niet.” Van Thiemen zweeg even. De volkomen kalmte en

vastberadenheid in Larsen’s stem en gelaat verrasten hem. „Kom binnen,

kom binnen,” zei hij vriendelijk.

Onderwijl nam hij zijn oude vriend eens op. Hij zag hoe intens bleek

hij was, en ’t viel hem voor ’t eerst op dat hij geen overjas aanhad.

Zwijgend ging Larsen de voordeur binnen. Met wantrouwige blik stond de

huishoudster toe te zien. Larsen zag haar even de schouders optrekken.

Van Thiemen gaf haar een wenk, dat hij haar diensten niet meer noodig

had.

„Kom maar dadelijk mee naar mijn studeerkamer,” zei hij tot Larsen, die

in somber afwachtende houding op de groote vloermat stond. Hij was

bezig naar de grond te kijken. „Salve” las hij onder zijn voeten in

groote sierlijke letters. Een pijnlijke zenuwtrekking vloog om zijn

neus en mond.

Opkijkende volgde hij zijn vriend, die met vlugge stap hem voorging

door de gang.

„Je zult ’t wel koud hebben, kerel,” hervatte Van Thiemen na een

oogenblik, reeds op de trap. „’t Is boven bij mij warm. Ik zat nog te

lezen zooeven toen je belde.” Hij keek even om.

Larsen zweeg: met gebogen hoofd scheen hij al zijn aandacht noodig te

hebben om geen misstap te doen op de breede, dik-belooperde trap.

Van Thiemen praatte door, met iets gewild luchtigs; telkens afbrekend.

Weinig vermoedde hij hoe duidelijk zijn gedachtengang voor de ander te

volgen was. Och, wat kon ’t schelen? Straks, straks zou hij immers

alles zeggen, en dan zou Van Thiemen wel vanzelf inzien.... O, ja,

zeker, straks, als hij alles vertelde, moest Van Thiemen begrijpen dat

hij volkomen normaal was.... volkomen bij zijn zinnen. Hij moest

begrijpen dat hij toen ook.... zeker.... hij was laf en

verachtelijk.... hij had haar geworgd als een beest, met eigen handen.

„Ziezoo, kom nu maar gauw binnen,” zei Van Thiemen weer, en ontsloot de

deur van zijn studeerkamer. „Voorzichtig, denk om de treedjes.”

Beiden stapten binnen. Een weelderige behagelijkheid streelde Larsen’s

gelaat, een vriendelijk welkom lachte hem toe uit de welbekende

meubelen, de lijnen, vormen en kleuren van het vertrek. En een

wonderzoete weedom overstelpte zijn gemoed.

Hij vocht ertegen. Hij wilde van geen teederheid weten, geen deernis

met zichzelf. Hij was immers laf en verachtelijk....

„Ga hier zitten, kerel,” zei Van Thiemen hartelijk, en schoof een

mollige fauteuil bij de open haard, waarin een vadsig druilig

houtvuurtje brandde.

Larsen zette zich, sloeg de kraag van zijn jas neer, deed de knoopen

langzaam los, leunde achterover, daarna voorover. Zoo bleef hij zitten,

de beide handen op de knieën, het hoofd schuin naar de haard gekeerd,

onbewegelijk.

Van Thiemen bemerkte dat zijn pantalon en zijn schoenen bemodderd

waren.

„Wil je niet een paar pantoffels aandoen?” vroeg hij, en ging naar een

kast. „Hier, trek je schoenen uit, en doe deze aan.”

Larsen deed zwijgend ’t verlangde, steeds zonder op te zien. De ander

kwam naar hem toe, bekeek hem weer even met vriendelijke

nieuwsgierigheid.

„Zeg ’s, je zult wel moê zijn, niet?” zei hij. „En misschien dorst of

honger?”

„Och, dat ’s niets, dat ’s niets,” antwoordde Larsen. Toen sloeg hij

voor ’t eerst de blik op: „Geef je toch geen moeite om mij. Ik heb

niets noodig. Ik woû alleen je vertellen wat er gebeurd is.”

Van Thiemen ging tegenover zijn vriend zitten, en sloeg de beenen over

elkaar.

„Zeker, ik luister,” zei hij.

Larsen meende weer iets bizonders in Van Thiemen’s toon te merken, ’t

zelfde dat hem reeds een paar maal in die nacht opgevallen was.

„Je zult niet willen gelooven wat ik je nu vertellen ga, Van Thiemen.”

De woorden klonken eigenaardig plechtig en somber.

„Stumpert,” dacht de ander, „de een of andere hallucinatie zeker.”

„Waarom zou ik niet?” zei hij, zacht en vriendelijk sprekend, als gold

het hier de gril van een ziek kind. Larsen keek strak naar ’t vuur.

„Och, ’t is vreeselijk,”.... ging hij voort, „en toch waar. Volkomen

waar. Ik heb mijn vrouw vermoord. Dat kom ik je vertellen.”

Er was geen spoor van weifeling in Larsen’s spreken. De bekentenis kwam

er koud bedaard uit, bijna toonloos, en zijn houding bleef volmaakt

dezelfde.

Ook Van Thiemen verroerde zich niet. Hij wachtte even voordat hij

sprak, zoekend naar een verstandige manier waarop hij deze, naar hij

meende, hersenschimmige zelfbeschuldiging kon beantwoorden. ’t Was

immers een hersenschim! Hoe zou die in-goedige brave Larsen, die geen

vlieg kwaad kon doen, tot zoo iets kunnen komen, een moord? Ach, wat

was die man reddeloos krankzinnig! En wat ’n vervolging van

schrikgedachten aan al ’t doorleefde met die vrouw moest tot zulk een

afgrijselijke waan geleid hebben! Stumpert, stumpert!

„Beste kerel, hoe kom je me nu zóo iets vertellen!” zei Van Thiemen, en

er klonk niets dan medelijden in zijn stem. Hij stond op en leî zijn

hand op Larsen’s schouder. Deze lachte even schril en pijnlijk.

„Zei ik ’t niet, dat je me niet gelooven zou? En toch is ’t zoo, Van

Thiemen. Ik heb zooeven, misschien twintig minuten geleden, Paula

vermoord. Ik heb haar geworgd, als een beest, met mijn eigen handen.”

Dezelfde kille eentonigheid in zijn stem en geen spoor van aandoening.

En juist deze afwezigheid van alle emotie hield Van Thiemen in zijn

dwaling: Larsen sprak als iemand in een droom, als een gehypnotizeerde,

koud, strak, wezenloos in zijn gansche houding, steeds starend naar ’t

druilig vlammenspel in de haard.

Van Thiemen vond het raadzaam den ander af te leiden.

„Ben je vandaag hier in de stad gekomen?” vroeg hij, en zette zich weer

op zijn stoel. „Je schijnt moe, amice; je hebt zeker heel wat

vermoeienis achter de rug? Ik geloof dat je beter doet nu te gaan

slapen. Je kunt bij mij logeeren. Dat is wel ’t makkelijkst voor je. En

morgen—vertel je me verder wat je op je hart hebt. Heusch, dat is

beter, kerel.” En toen de ander bleef zwijgen: „Kom, ik zal voor je

logeerkamer laten zorgen. Mijn huishoudster is nog op....” Hij stond

meteen op, en wilde schellen.

Larsen wierp een vluchtige blik op zijn vriend, met nauw merkbare

wending van ’t hoofd. Zonder spoor van ergernis of ongeduld antwoordde

hij:

„Wil je me niet even aanhooren?” Eindelijk veranderde hij van houding,

leunde achterover, liet beide armen op de leuning van zijn stoel slap

neerliggen, en staarde naar boven. „Ik voel geen vermoeienis. Ik kan

niet slapen. Als jij me aangehoord hebt, ga ik naar de politie.

Dadelijk. Ik ga me aangeven. Ik zeg je: ik heb mijn vrouw vermoord,

geworgd als een beest, met mijn eigen handen. Als je bewijzen wil

hebben, kan ik je naar mijn huis brengen. Daar zal de politie nu al

wezen....”

Van Thiemen vond ’t verstandig maar te luisteren. Toegeven, niet

onnoodig prikkelen, dacht hij. Waarom zou hij de stumpert zijn zin niet

geven? De uiting van ’t geen hem zoo vervulde zou hem misschien goed

doen, opluchten.

Zuchtend nam Van Thiemen zijn plaats weer in, strekte de handen naar ’t

vuur uit.

„Vertel me dan alles,” zei hij. En op zijn onbeantwoord gebleven vraag

terugkomend: „Ben je vandaag in de stad gekomen—of.... ik bedoel

eigenlijk gisteren.... Donderdag: we hebben eigenlijk al Vrijdag op ’t

oogenblik.” Hij wees op de klok.

„Ja, eenige uren geleden. ’t Was avond toen ik op weg ging. Ik ben

weggeloopen uit het gesticht.”

„En toen?”

„Ik woû er uit, en ik woû naar mijn kind. Ik had geen geld, en ben dus

komen loopen—drie uur.”

„Een heele wandeling.”

„Och, ik ben sterk. Nu, ik ben dadelijk na aankomst hier naar mijn huis

gegaan. Daar ben ik binnengebroken. Ik woû Didi weghalen zonder dat

iemand ’t merkte, Paula in de eerste plaats niet. Ik ben over de

veranda in mijn tuin geklommen, en zóo ’t raam in. Ik wist dat ’t van

buiten makkelijk open te krijgen was. Toen ik ’t kind woû opnemen, werd

ik gestoord. Als ze dadelijk gewillig was geweest, had Paula zeker

niets gemerkt, ofschoon ze waarschijnlijk al thuis was. Ze was wat laat

thuisgekomen anders. Nu, ze stoorde me, en toen heb ik haar geworgd....

als een beest, met mijn eigen handen....”

Van Thiemen verschoof even op zijn stoel. Tevergeefs trachtte hij zich

te onttrekken aan een opkomende gewaarwording van onbehagelijkheid.

„En,” vroeg hij, „je kind?”

„Was in haar kamer. Lag te schreien in haar bed. Dorst zeker niet voor

den dag komen, toen ik met haar moeder bezig was in de andere kamer. In

Paula’s kamer—onze slaapkamer, bedoel ik—die is vlak naast die van

Didi. Dat weet je misschien.”

Van Thiemen knikte even.

„Didi heeft dus niet.... gezien wat je deedt?” hervatte hij na een

oogenblik.

„Gezien niet.... ik geloof ’t niet ten minste. Wel gehoord.”

Van Thiemen worstelde met zijn gevoel van onbehagelijkheid, nu nog

sterker dan te voren. ’t Late uur, de stilte in de kamer, ’t halve

licht rondom de helle, scherp afgescheiden lichtkring der studeerlamp

op de schrijftafel, Larsen’s verwilderd en verwaarloosd uiterlijk, de

klanklooze droomtoon van zijn zware stem, de aard der mededeelingen

zelf bij ’t wanhopig baloorige in de passielooze duidelijkheid en

gelijkmatigheid waarmee de woorden geuit werden, dat alles werkte samen

om een levendige verbeelding als die van Van Thiemen onweerstaanbaar te

overmeesteren.

„Gehoord?” vroeg hij met gefronste wenkbrauwen.

„Ja, we zijn gevallen. Paula en ik. En een paar stoelen. Ik heb boven

op haar gelegen. Toen heb ik haar geworgd—als een beest, met mijn eigen

handen. Toen ben ik weggegaan. Door de voordeur.”

„Door de voordeur?”

„Ja. Ik heb niemand gezien. Trouwens, alles was misschien in tien

minuten gebeurd. Je gelooft me nòg niet, wel?”

Larsen keek op. De ander gaf de blik niet terug, maar keek vóor zich,

’t hoofd op de rechterarm geleund, de elleboog op de knie. En toen hij

niet antwoordde, ging Larsen voort, terwijl hij zijn starre houding

hernam:

„Je houdt me voor gek. Natuurlijk. Ik kan ’t je niet kwalijk nemen.

Maar denk wat je wil. Je kunt je zelf overtuigen. Straks als je lust

hebt.”

Van Thiemen bleef zwijgen, verzette zich weer in zijn stoel, sloeg de

beenen over elkaar. Larsen hervatte onverstoorbaar:

„Ik zou je bizonderheden kunnen geven. Maar die zouden je niet beter

overtuigen. Die zouden.... me maar ophouden. Ik moet naar de politie.

Ik woû je alleen vooraf mijn bekentenis doen, omdat—jij alles weet. Ik

haatte die vrouw. Ik heb me gewroken.”

„Gewroken! Maar je had toch geen plan....?”

„Och, nee. Ik dacht niet aan een plan. Maar toen ze me tegenwerkte, nòg

eens—na al ’t andere—toen was ’t me te machtig. Ik heb toen eenvoudig

in werkelijkheid gedaàn wat ik al lang in gedachten gedaan had. In

gedachten had ik Paula al honderdmaal vermoord. Ik haatte haar. Ik weet

nu wat haat is. Ik had nog nooit gehaat....”

Van Thiemen zuchtte zwaar. Tranen welden naar zijn oogen. Larsen’s stem

dreunde voort:

„Nu niet meer. Ze is nu dood. Ik heb haar geworgd, als een beest met

mijn eigen handen. Ik haat haar niet meer. Ik ben bevredigd. Ik ben op.

’t Is nu alles uit. Ik voel niets meer. ’t Kan me verder niets meer

schelen.”

Zijn blik bleef omhoog staren, in leege, kille wanhoop.

Met stomme aandoening hoorde Van Thiemen de woorden aan. Hersenschim of

werkelijkheid: hier werd geleden, en de smart moest wel ontzettend

groot zijn, als ze tot zulke ijzingwekkende spooktooneelen in zijn

fantazie geleid had! En hij kende de oorzaak van al dat lijden.

Nog zat Van Thiemen in gedachten verzonken, in tweestrijd met zichzelf

en reeds ten prooi aan akelige twijfeling, toen hij getroffen werd door

een vreemd geluid. Hij luisterde aandachtig: daar was ’t weer, en nog

eens en nog eens. O, de brandklok: ergens brand....

Larsen hoorde blijkbaar niets, steeds in dezelfde houding met het hoofd

achterover geleund.

Van Thiemen stond op. Hij kòn niet langer blijven zitten, verlangde

naar beweging, wilde naar buiten, naar de frissche lucht. Hij kon ’s

naar die brand gaan kijken: wie weet waar ’t was.... Maar dan

Larsen....

Plotseling keek deze hem aan, met schrik in de oogen.

„Dat is de brandklok!” zei hij eindelijk van toon veranderend.

„Ja, dat hoor ik ook. Zal ik....?”

„Er is brand in mijn huis. Van Thiemen, ik weet ’t zeker, er is brand in

mijn huis.”

Larsen was opgestaan, zenuwachtig en gejaagd, een ander mensch dan

eenige oogenblikken te voren.

„In jòu huis?” ’t Angstig makend vermoeden had ook de ander bekropen,

waarom begreep hij zelf niet.

„Ja, stellig. Ik mòet er heen. Ik weet ’t zeker: ’t is bij mij!”

Larsen was al bij de deur der studeerkamer.

„Goed, laten we samen gaan kijken,” zei Van Thiemen, die—al was ’t dat

hij ook ditmaal Larsen’s woorden voor de uiting eener overspannen zieke

verbeelding hield—toch naar afleiding verlangde, om gelegenheid te

hebben ’t met zichzelf eens te worden. Over Larsen’s gedrag, wanneer ze

buiten waren, maakte hij zich niet ongerust. Nauwelijks op straat, zou

hij zich op de hoogte stellen waar de brand was. Was ’t niet wat Larsen

vreesde, dan nam hij zich voor onmiddellijk naar huis terug te gaan.

Bleek het tegendeel waar—’t kon wezen, natuurlijk: waarom niet?—dan zou

hij wel de politie een wenk geven, om op hem te letten dat hij geen

dolheden beging.

„Wacht even!” hervatte Van Thiemen. „Ik heb nog een overjas voor je in

de kast van mijn slaapkamer. En ik moet zelf even wat anders

aanschieten.”

Enkele minuten later stonden beiden op straat. Juffrouw De Vries had

Van Thiemen reeds ingelicht, dat het „ver weg” was, en minzaam

verwijtend geprotesteerd tegen de nachtelijke uitgang haars meesters.

Ze was niks gerust: zoo „bij nacht en ontije naar een brand gaan, en

dan met die gekke perfesser....”

Ondanks Van Thiemen’s luchtige verzekering dat „alles wel los zou

loopen”, had het apartje met zijn huishoudster toch indruk op hem

gemaakt. De straat was vol menschen. Hoe zou hij in die drukte kunnen

beletten dat Larsen aan zijn aandacht ontsnapte? ’t Berouwde hem reeds,

dat hij zijn huis verlaten had. Maar onmiddellijk had zijn luchthartige

natuur een verontschuldiging bij de hand: hoe had hij Larsen in zijn

huis kunnen houden, in die opgewonden toestand en vast geloovende dat

de brand bij hem thuis was? Nee, zoo was ’t van twee kwaden nog ’t

minste: zoo kon hij misschien nog oog op hem houden. „En vogue la

galère!”

De stroom van haastig voortijlende menschen volgend, en hier en daar

vragend, zou hij spoedig zekerheid hebben. Doch ze liepen allen in éen

richting, en niemand wist iets te zeggen.

„Ik zeg je, ’t is bij mij!” riep Larsen ongeduldig.

Van Thiemen had moeite hem bij te houden. Beiden draafden nu.

De gloed aan de hemel boven het brandende huis werd zichtbaar, toen ze

voorbij de boomen langs de gracht en de hooge huizen aan de overkant

waren.

„Ik ga met je mee, ik ga met je mee,” antwoordde Van Thiemen, „maar hoû

je in Godsnaam kalm. Blijf in alle geval bij me. Je kunt me noodig

hebben, al is ’t ook bij jou.”

Nergens een politie-agent te zien! Van Thiemen ergerde zich, en meer en

meer won het bange voorgevoel bij hem veld: Larsen heeft gelijk.

Een jongen bonsde tegen Van Thiemen aan.

„Kom je van de brand?” vroeg hij angstig, even stilstaande.

„Ja!!” De jongen liep door.

„Bij wie?” riep Van Thiemen hem achterna.

„Bij Perfester Larse!”

Larsen was een eind vooruitgeloopen, zich niet storend aan ’t

oponthoud. Hijgend haalde de ander hem in. Larsen had niets gehoord, en

hij achtte het gevaarlijk hem thans in te lichten. Trouwens, de

waarheid zou spoedig blijken.

De kleine straat, waar ze door moesten, om in de groote te komen waar

Larsen’s huis stond, krioelde van de menschen.

Nu geen twijfel meer: overal om hen heen had men ’t erover: „bij

Professor Larse”.... „bij de vrouw van de perfester die gek geworden

was”.... „bij de perfester om de hoek”....

Er was een pikzwarte bank van rook over de hemel, links, telkens

uitstuivend over de hoofden der menschenmassa in ’t straatje. De maan

was onder en de hemel bewolkt. Een vrij sterke oostewind joeg bij

iedere rookgolf een regen van fijne vonken in de lucht, hoog boven de

huizen van ’t straatje wild verwaaiend.

„’t Is hier benauwd!” zei Van Thiemen, en keek naar Larsen, die naast

hem door de menschen trachtte te dringen. Hij zag dat hij een duw

kreeg.

„Meneer, je kunt hier niet door,” klonk ’t ruw.

„’t Kan me niet schelen, uit de weg!” riep Larsen.

Een kerel wankelde, viel tegen omstanders aan. Er werd getrapt en

gestompt.

„Wat moet die meneer?!” riep een vrouw. „Ziet-i dan niet dat we niet

verder kunnen? De politie heeft de straat afgesloten.”

Larsen stoorde zich aan niets. Links en rechts gestooten en gedrongen,

werkte hij zich voort, als een dolle.

Een politie-agent kwam de straat op, baan makend om zich heen.

Zenuwachtig wendde Van Thiemen zich tot hem, wees hem op Larsen:

„Hoû die meneer in Godsnaam in ’t oog! Hoû ’m tegen als je kunt,”

fluisterde hij de agent toe. „De man is gek. Er is brand in zijn huis.”

De menschenmassa golfde en deinde vóor hem. De agent verdween er onder.

En ook Larsen was niet meer te zien.

Heilige Banden: Roman · 第 20 / 22 题