XVII.

„Wat nu al weer? Binnen!!” riep Larsen, die op een lederen leuningstoel

ineengedoken zat, kin op de borst, handen en voeten over elkaar. Hij

dacht na. ’t Was onaangenaam dat men hem nooit behoorlijk tijd liet om

na te denken: iedere keer werd hij gestoord!

De deur ging open. Larsen keek niet op. Met gefronste wenkbrauwen bleef

hij vóor zich kijken.

„Goeie morgen, Willem!” zeide de binnentredende vroolijk en hartelijk.

„Hoe staat het leven?” Hij ging naar de zittende toe, en klopte hem op

de schouder.

„O, ben jij ’t....?” Wantrouwig blikten Larsen’s oogen. Dan opeens met

veranderde toon, maar nòg gemelijk: „Kruyt.... Albert.”

„Zeker, amice, ik kom ’s kijken hoe je ’t maakt, net als de vorige

keer....” Medelijdend keek de bezoeker de ander aan.

Hij was ongeveer van diens leeftijd, had een gladgeschoren rondblozend

gelaat, zwartglanzig spaarzaam haar met lichte kroezing boven de kleine

platte ooren, half dichtgeknepen grijze oogjes, gebogen, maar fraai

gevormde neus, streepmond met een zelden verdwijnend vleugje van

ironie, door rooken eenigszins zwartachtig geworden gave kleine tanden,

waarvan zich alleen de onderste rij bij een kort kramplachje liet zien;

verder een spoor van onderkin, en in hals en overige lichaamsdeelen

iets welgedaans, dat evenwel aan ’t geheel zijner verschijning eer

voor- dan nadeelig was: ’t gaf hem bij de ongedwongenheid en

evenredigheid zijner bewegingen een waas van priesterlijke waardigheid

en deftigheid, die hij gaarne aan den dag legde. Een oppervlakkig

waarnemer zou allicht, hem ziende, tot de diagnose komen: een man met

een heldere geest, die zich vaak met ernstige zaken bezighoudt, een

waardig man, en een wie ’t goed gaat in dit leven. En, wat het

uitsluitend uiterlijk aanging: een man van opvoeding en stand, die zijn

wereld kent; niet bepaald knap, maar voornaam en vriendelijk van

trekken.

Kruyt was kort na Larsen’s opname in ’t gesticht er eens heen gegaan,

om zich op de hoogte te stellen. Hij had in een paar weken niets van

zijn oude vriend vernomen, en opeens had de tijding van diens vlucht en

wat er volgde hem zeer onaangenaam verrast. ’t Was Van Thiemen geweest,

die hem op de hoogte gesteld had. De eerste ontmoeting met zijn

ongelukkige vriend was voor Kruyt voldoende geweest, om geen oogenblik

meer te twijfelen aan diens geestestoestand: ’t was mis met Larsen,

en—misschien voor goed!

„Gisteren is zij er weer geweest,” ging Larsen voort, met somber vóor

zich uit starende oogen en weer op gemelijke toon.

„Je bedoelt je vrouw? Belangstelling immers,” en hij nam een stoel.

Larsen hief zich hartstochtelijk in zijn stoel op, en beet de ander

toe:

„Belangstelling! Ze stookt de menschen tegen me op, om me nog langer

hier te houden! Ik wil haar niet zien! Ik wil haar nooit meer zien,

versta je, Kruyt? Nooit meer! Zeg ’t haar toch!”

De ander keek zwijgend en met meewarige blik naar deze uitbarsting van

wrevel, de derde die hij nu bijgewoond had. Larsen had het beide keeren

steeds over zijn vrouw gehad, en de bitterheid van toon daarbij was hem

meer dan eens pijnlijk opgevallen. Wat maakte de man zoo achterdochtig

tegen die vrouw, hem die toch vroeger zoo gelukkig met haar scheen te

wezen? Ofschoon hij er ’t ware niet van begreep—want Larsen onthield

zich door eigen natuurlijke afkeer van ’t openbaren der waarheid ter

zake van zijn huwelijksleven—toch besefte hij vaag dat hier iets

bizonders gebeurd moest wezen. En hij dacht: wie weet welk huiselijk

drama hier het vreeselijke gevolg gehad had, dat hij voor oogen zag!

„Kom, kom, Willem,” antwoordde Kruyt sussend, „je vrouw meent ’t zoo

kwaad niet. Ze wil zich alleen overtuigen, of ze hier wel goed voor je

zorgen. En ze stuurt je toch ook dikwijls wat lekkers....”

Larsen verbaasde zich niet, dat Kruyt hiervan afwist: hij was in die

staat van afgetrokkenheid waarin niets meer verbaast: gelijk de droomer

onbewogen neerliggend soms al ’t vreemde gadeslaat dat er met zijn

droom-persoonlijkheid geschiedt, zoo zag hij hier de wereld buiten hem

als geheel los van hemzelve voor zoover ze niet onmiddellijk samenhing

met zijn innerlijke wereld; die waarin zijn gedachten steeds

rondwaarden of waarin ze telkens na half ontwaken weer terugkeerden.

Hij verbeeldde zich dat zijn vriend Paula herhaalde malen gezien en

gesproken had. ’t Was altijd Paula en nog eens Paula: die stond in

contact met alles en met iedereen waarmee hij te doen had. In

werkelijkheid was Larsen’s vrouw, in de veertien dagen gedurende welke

hij verpleegd werd, driemaal om welvoegelijkheids-redenen—en andere—in

’t gesticht geweest, „om naar mijn arme man te gaan kijken”, zooals zij

’t tegen haar vriendin Margot uitdrukte, zonder een enkele keer Kruyt

te ontmoeten. Telkenmale had Larsen volstrekt geweigerd haar te woord

te staan, en zich vreeselijk opgewonden. Ofschoon een instinktmatige

kieschheid hem steeds weerhield zijn argwaan te verklaren—ware ’t

slechts door een enkele hartstochtelijke uitroep, die geen twijfel meer

liet—had hij zich dagelijks tegen het verplegend personeel beklaagd

over Paula’s optreden. Zijn hevige uitingen te dien opzichte waren in

schril contrast met de zachtmoedigheid, droefenis en teedere

belangstelling door Paula aan den dag gelegd. Men schudde het hoofd: de

beklagenswaardige man was wel „ver weg” om zoo’n arme lieve vrouw zóo

te beschuldigen! Zij uit louter boos opzet, uit haat hem hier houden,

terwijl hij zoo onzinnig doorsloeg en nooit eenige redelijke grond voor

zijn beweringen aangaf! ’t Was wel treurig, waar men immers wist hoe

goed die twee jaren en jaren achtereen geleefd hadden: dat zei immers

iedereen die de professor en zijn vrouw in hun vroeger samenzijn gekend

had!

Op de laatste woorden van zijn vriend antwoordde Larsen niet: och, hij

was ook al op haar hand, als iedereen, als iedereen! Die vrouw palmde

iedereen in met haar duivelsche aanhalige manieren! Wat hielp het hem

er tegen te vechten? Zij had die Kruyt ook al weten wijs te maken, hoe

lief ze haar man had, hoe ze alles voor hem overhad, hoe vreeselijk ze

’t vond dat hij hier was, en wat voor fraaiigheid meer! Zoo had ze

iedereen, iedereen behekst, en zou ze hem hier in zijn ellende weten te

houden, jaar in, jaar uit, tot zijn dood toe. Waarom toch anders wilde

niemand wat voor hem doen? Waarom kreeg hij geen antwoord op zijn

brieven aan Van Thiemen, de eenige aan wie hij alles zeggen kon, waarom

geen taal of teeken van Didi? Waarom mocht hij zijn kind nooit zien?

Dat was alles om krankzinnig te worden!.... Was hij ’t niet al? O

stellig: ze zou haar zin krijgen, als deze toestand nog lang moest

voortduren, die gevangenschap zonder uitzicht op verlossing, zonder

eenige aanraking met zijn vroeger leven dan alleen Paula’s brieven, en

een enkel bezoek van Kruyt, die van niets afwist! Paula’s brieven! Hij

woû ze niet meer lezen, geen enkele meer. Hij had aan de eerste genoeg

gehad: hij walgde van die volleerde huichelarij. Twee lagen nu al

onopengemaakt op de tafel in zijn kamer. In de eenige die Larsen

gelezen had deelde Paula onder andere mede, dat Van Thiemen bij ’t

haastig inspringen van een trein, die reeds in beweging was, zijn eene

arm gebroken had, en nu het bed moest houden. Ze onthield zich van te

verklaren, waarom Van Thiemen’s antwoord op Larsen’s eerste wanhopige

brief nooit in zijn handen kwam, evenmin als eenige andere

correspondentie. Ze had anders moeten vertellen, hoe ze reeds bij haar

eerste bezoek aan ’t gesticht in overleg was getreden met de geneesheer

en hem op allerliefste en overtuigende wijze had duidelijk gemaakt dat

het voor haar man niet goed was brieven te ontvangen, behalve van haar.

„Och, dokter, ik stel hem immers van alles op de hoogte, nietwaar? Van

zijn huis, van zijn kind, van zijn vrienden.... En dan—hij kan mij

immers zien zooveel als hij zelf verlangt....” De dokter was ’t

volmaakt eens met haar: hij was een hoffelijk man en een voorzichtig

man. Hij was ook getrouwd, en, al was hij arts, niemand beter dan zijn

vrouw wist wat goed voor hem was en wat niet. Hij begon al oud te

worden, en was al een paar tientallen van jaren gewend aan de alles

bedisselende en regelende leiding, aan de vertroeteling, die hij thuis

ondervond. Hij wist er alles van, hij die zelf een mooie vrouw had, en

een goeie vrouw ook. „Zeker, zeker, zeker,” zei hij daarom met nauw

zichtbaar instemmend hoofdgeknik en de vette duimen over elkaar

draaiend, tot Paula, die tegenover hem zat in ’t spreekkamertje.

Paula keek voldaan op de glimmende schedel schuin onder haar: de dokter

had de gewoonte meditatief naar de grond te kijken en slechts nu en dan

zijn hoofd scheef op te heffen, zoodat hij hem of haar met wie hij zat

te praten niet aanzag. Hij sprak dan met opgestoken onderlip en met

iets wezenloos droomerigs en eentonigs, als gaf hij antwoord aan

stemmen, die binnen in hem tot hem argumenteerden. Hij was dan bizonder

leelijk: het lichte knikkebollen van zijn groot, rond, tanig hoofd met

de enkele, grauwe, platliggende haren links en rechts aan de slapen, de

slechtgeschoren, kwabbige wangen met de enkele zwarte sprieten van

haren, die als bakkebaardjes dienst deden, de op een smalle kier

staande, gebrilde oogen, terwijl de magere, gele hals bizonder lang

leek door de lage, al te wijde boord die hij droeg, dat alles deed

onweerstaanbaar herinneringen leven aan groteske Japansche beeldjes uit

speksteen met eeuwig wiegelende bolletjes.

Paula had meer tegenkanting gevreesd: die dokter was bizonder

meegevallen. Hij ging ook geheel met haar mee toen ze hem te kennen gaf

dat bezoeken van hun kind aan Larsen niet gewenscht waren: „Ja....

ja.... ja....” droomde en knikkebolde de arts, luisterend naar de

stemmen in hem. „U weet dat zeker ’t beste.... zonder twijfel, zonder

twijfel....” En na een pauze: „zeker, zonder twijfel, ja.... ja,

mevrouw, zonder twijfel.” „Vindt u niet?” zei Paula nog eens, heel

lief, maar met een ondeugend flikkerlichtje in haar oogen. De dokter

luisterde weer naar zijn stemmen, kneep de oogen dicht, knikkebolde

schuin met hevig opgewerkte lip. „Ja.... nee, zeker.... zonder twijfel,

mevrouw.... zonder twijfel.”

Zoo gebeurde het dat Larsen na de eerste van zijn vrouw geen brieven

ontving, die hij de moeite van ’t openen waard vond, en dat hij zijn

Didi niet zag. Toen hij zich na Paula’s vergeefsche poging om hem in

zijn kamer op te zoeken—wat was ze ten slotte blij dat hij zich

daartegen zoo verzette!—bij de dokter beklaagde over ’t uitblijven van

brieven en een bezoek van zijn kind, wierp hij onmiddellijk de schuld

op Paula: zij stookte, zij woû hem hier houden, nadat zij hem hier

binnen gekregen had door gemeene toeleg; al die ongerustheid over zijn

wel of wee was aanstellerij, leugen, bedrog, alleen op touw gezet om de

menschen zand in de oogen te strooien, om te beletten dat hij hier ooit

vandaan kwam, en zoo meer. Op al die hevigheid had de goede psychiater

maar heel weinig geantwoord: de psychiatrie had hem immers geleerd

krankzinnigen niet te prikkelen door tegenspraak. En toen hij buiten de

deur van Larsen’s kamer was, schuddebolde hij weer zachtkens, en de

stemmen in zijn binnenste spraken driemaal achter elkaar: „zoo praat me

zoowat iedere gek.... allemaal op een gemeene manier in ’t

krankzinnigengesticht gekomen.... bekende geschiedenis.” En ’s dokter’s

mond antwoordde omfloerst: „ja, juist, zeker, zeker.... zonder twijfel,

hm.... zeker.... ja, ja, ja.”

Toch vond de voorzichtige arts na Paula’s derde bezoek de zaak

ernstiger dan hij eerst gedacht had: de patiënt baarde ongerustheid

door al de hartstocht, die hij iederen dag, wanneer hij kwam kijken,

zag terugkeeren, heviger dan ooit na ’t vernemen van de aanwezigheid

van diens vrouw in ’t gesticht. Niet dat de dokter zelf hem daar ooit

over sprak, nadat hij eens gezien had, hoe Larsen te keer ging: nee,

hij zag het nuttelooze daar wel van in, en Larsen vroeg het hèm niet.

Maar een verpleegster, degene die met de zorg voor zijn kamer belast

was, vond het telkens noodig hem over zijn vrouw te spreken, hetzij

wanneer deze kwam of daarna. ’t Goede mensch was nog niet lang in haar

tegenwoordige betrekking, en scheen iedere keer te vergeten, dat ze

beter deed met op al Larsen’s uitvallen tegen zijn vrouw ’t zwijgen te

doen dan hoog op te geven van ’t verdriet „van dat arreme mensch”,

omdat „meneer haar niet bij zich woû hebben” en toch „heusch wel een

beetje onbillijk—zal ik maar zeggen—tegen d’r was”.

En omdat de dokter van ’t krankzinnigengesticht hart voor zijn

patiënten had, wilde hij Larsen ergernis besparen: mevrouw Larsen’s

bezoeken moesten voortaan streng geheim gehouden worden, en zoo noodig

ontkend. De praatzieke verpleegster werd door een ander vervangen. Nu

bleven de brieven nog. De schrijfster verzoeken er geen meer te

schrijven ging toch waarlijk niet aan: hij zou de lieve vrouw immers

kwetsen.... Nee, er was wel wat anders op: hij zou die brieven

eenvoudig, met de andere die er wel eens kwamen, naar zijn kamer laten

brengen; dan hield hij daar alles tot het belangstellend bezoek weer

kwam, en schiftte wat de bezoekster ter hand gesteld moest worden en

wat niet.

Doch, hoezeer onze dokter ook voldaan was over zijn maatregelen, zeer

veel resultaat zag hij er niet van; want Larsen ging voort met morren

en klagen. ’t Onwaardige van zijn houding kwam hem nu en dan vaag vóor

de geest, maar de ontreddering, het evenwichtverlies in zijn zieleleven

was te groot om hem nog eigenlijke zelfbeheersching te laten. Dat hij

nooit een onkiesch woord over Paula’s echtbreuk zeide, had met

zelfbeheersching niets te maken: hij deed dat niet, omdat hij er niet

de minste lust toe voelde, ja het spreken er over hem onduldbaar

pijnlijk zou geweest zijn. De eigenliefde, die hem bang maakte voor

deze pijn, was er een van lagere orde dan die welke ’t allereerst

zelfachting eischt en dus zelfbedwang gebiedt. Wat gaf hij om zijn

waardigheid! Zijn afgod lag verbrijzeld. Al wat hem aanzette tot

krachtsinspanning over zichzelf bestond niet meer. En in baloorigheid

verlangde hij met hakend, hunkerend, smachtend verlangen; soms droevig

in diepe neerslachtigheid; dan weer woest, wanneer de vrees voor

levenslange doem in dit oord der wanhoop hem al te benauwend

tegengrijnsde en hem deed razen tegen haar, die hij als de eenige

oorzaak van zijn ellende beschouwde. Verlangen en vrees absorbeerden

hem meer en meer; want daarbuiten kende hij ten slotte alleen de

eischen van zijn lichaam. Hij las niet meer, sprak alleen met de dokter

en de verpleegster en dan steeds in uitbarstingen van ergernis; schuwde

met sombere afkeer op zijn gelaat zijn mede-patiënten, wanneer hij die

’s morgens tegenkwam, op de „wandeling” in de open ruimte binnen het

gesticht, welke voor lichaamsbeweging der verpleegden diende. Zijn

waken en slapen werden éen: de onrust van verlangen en vrees vervulde

beide.

Zijn bestaan werd geheel dierlijk. Zelfs het verlangen naar zijn kind

werd dat, want het verloor de wijding van ’t vaderlijk beschermende.

Hij zag thans in haar bescherming, als in zijn eenige toeverlaat, ’t

eenige menschelijk wezen, dat hem geen vrees of achterdocht inboezemde.

Het verschil met vroeger—de dagen van zijn schijngeluk—was, dat hij

vroeger een zinnelijk mensch was evenals thans, indien men ten minste

zinnelijk wil noemen het zich geheel laten leiden door ongebreidelde

neiging, maar toen had die zinnelijkheid niet dat dierlijke van thans:

de zelfbevrediging die hij toen zocht was van een beter gehalte. Ze was

er niet minder zelfzuchtig om. Zijn geestes-werkzaamheid gaf hem genot,

en daarom alleen gaf hij er een groot deel van zijn tijd aan. Het was

hartstocht evenals wat hij hield voor liefde in zijn verhouding tot

Paula. Slechts de liefde tot zijn kind had bij alle zelfzucht iets

diepers en heiligers.

Hij was zooveel jaren achtereen „deugdzaam” geweest in de gewone

oppervlakkige beteekenis van ’t woord—onbaatzuchtigheid en

zelfopoffering hoeft het niet te omvatten—en dan alleen nog maar zooals

het bedorven knaapje dat „zoet” wil wezen zoolang het „lekkers” krijgt.

En hij was twee-en-veertig jaar oud geworden zonder diepe smart te

kennen. De dood zijner ouders viel in een tijd van zijn leven dat hij

’t verlies niet kon beseffen: hij herinnerde zich zijn vader flauwtjes,

zijn moeder in ’t geheel niet. Zijn triomfen in de wetenschap, zijn

schitterende loopbaan als geleerde, zijn fortuin en zijn vrouwtje, dat

hij aanbad en van wier wederliefde hij zeker meende te wezen, zijn lief

kind, dat alles omwalmde hem zóo onafgebroken met een bedwelmende

dampkring van levensgenot, dat zelfs die éene smart van zijn vorig

leven—het overlijden van Didi’s broertje—geen blijvende indruk van

beteekenis had kunnen achterlaten.

Ondanks zijn groote geestesgaven was daarom Larsen een kind in

levenswijsheid, want ook het kind zoekt het geluk buiten zijn eigen

wezen, en mist het gevoel van verantwoordelijkheid tegenover de Groote

Rechter in eigen boezem. Toch had hij zich steeds onder de geloovigen

gerangschikt. Trouwens: men kan geloovig wezen zonder vroom te zijn. En

vroom is wijs, want in de grond is slechts dat gevoel van

verantwoordelijkheid het eenig vereischte daartoe, zoodat uiterlijke

godsdienst en godsdienstige opvattingen geheel zonder invloed op

vroomheid kunnen blijven.

Zoo werd de man dus thans even blindelings voortgejaagd door verlangen

en angst, als hij vroeger werd misleid door genotzucht.

Op een avond—’t was tegen half tien—trad de stemmige, meestal zwijgende

verpleegster, die thans met de bediening van Larsen belast was, rustig

voortzeilend in breede waardigheid zijn kamer binnen. Zij was een

bezadigde oude vrijster van wellicht veertig jaar, met blozende

bolleboos-wangen, kleine grijze oogen met witte wenkbrauwen zonder

wimpers, met kleine mond zonder lippen, een spitse vooruitstekende,

roodgepunte kin, een volkomen glad en glimmend, smal voorhoofd; verder

een korten nek, vrij hooge schouders, en een breed kort propfiguurtje.

Haar blik had iets brutaal onbevangens, iets volkomen zelfbewusts,

evenals de naar binnen toegeknepen mond. Haar oogen zeiden: „hier ben

ik, afdoende maatregelen, geen gezeur, asjeblief!” en haar mond zei

zonder te spreken: „ik ben een kranige vrouw, dat weet ik”.

Ze sprak met een aardig Friesch accent en sterke stemmodulaties, hoog

en niet onwelluidend.

„Goeien avond, meneer!” zei ze binnenkomend met een blad, waarop wat

avondeten, en de deur piepte achter haar.

Larsen schrok op. Hij had ’t kloppen niet gehoord—de waardige

verpleegster klopte altijd, al hoorde Larsen ’t ook zelden. Hij was

weer in een van zijn sombere neerslachtige buien, wanneer hij nadacht.

Wat op ’t oogenblik dat zijn oog op de binnentredende viel in ’t

bizonder ’t voorwerp van dat nadenken was, scheen in onmiddellijk

verband te staan met een gedachte die zij bij hem opwekte, want nauw

had hij haar gezien, of zij lag spartelend tegen een kleine sofa aan,

die in ’t vertrek stond, nog voordat ze tijd had om uit te roepen:

„Heerebewaarme! Wat is er nou aan de hand?!”

En het blaadje, de broodjes, ’t brood en wat er verder opgestaan had,

lag deels op de stoel waar Larsen gezeten had, deels daarvoor en

daaromheen op de grond uitgespreid.

Larsen zelf was uit de kamer gestoven, de gang in.

Het geluk dient hem die waagt, en zoo ook hier; want juist toen de

vluchteling zich in de gang vertoonde, ging de voordeur open. De enkele

schreden van Larsen’s kamerdeur tot de uitgang van ’t gesticht had hij

in een ommezien afgelegd; zoodat de portier nog de deur vasthield toen

Larsen hem bereikt had. De vrij sterke jonge man, schoon onmiddellijk

begrijpende wat er gaande was, werd niettemin te zeer overrompeld, om

voldoende tegenwoordigheid van geest te hebben: hij trad de ander in de

weg en wilde de zware deur toeslaan, doch Larsen greep hem bij beide

armen en smakte hem achterover. Een groote vloermat brak zijn val, en

de man was vlug. Oogenblikkelijk sprong hij op, doch de voordeur werd

vlak vóor zijn neus met een geweldige slag dichtgesmeten. Twee van zijn

vingers waren beklemd geraakt, de punten vermorzeld.

Op ’s portiers gegil kwamen een paar verpleegsters aanloopen, daarna

anderen....

En zoo duurde het zeker vijf minuten voordat men er aan dacht de

vluchteling na te zetten.

Toen was het te laat.

Heilige Banden: Roman · 第 18 / 22 题