’t Was een gure nacht in ’t midden van October. Nog enkele uren, en de
zon zou zich de moeite geven een bleeke dag in te wijden, guur en
winderig als de nacht geweest was. Zware wolken lagen overal als
opgestapeld aan de hemel, en slechts een enkele ster keek nu en dan als
verschrikt achter de reusachtige massa’s door, om kort daarna weer weg
te schuilen.
Op de modderige straatweg was het donker, al was er weinig geboomte om
het gezicht te belemmeren, men kon geen tien schreden vóor of
achteruit, links of rechts van zich af zien.
Twee menschelijke gestalten stapten naast elkaar voort, beiden warm
ingepakt, met de kragen op, zwijgend en met haastige schreden.
Blijkbaar viel het de kleinste der beiden lastig de ander bij te
houden; maar geen woord van klacht werd geuit. Wellicht merkte de
ander—een zwaar gebouwd man—aan de hijgende ademhaling naast hem, dat
hij zijn pas wat matigen moest. Hij stond even stil, en vroeg:
„Loop ik te hard, Didi? Och, ik denk er telkens niet aan! Vadertje is
niets lief, wel?”
„’t Is niets, vader,” zei ’t kind zacht en gelaten. „Zijn we ’r gauw?”
Larsen haalde zijn horloge voor den dag.
„Wacht, laat me even kijken,” zei hij, en streek een lucifer af.
„O, al bij half zes. We zijn er gauw. Aan ’t station kunnen we wat
gebruiken. Iets warms.” En, even ongerust, liet hij volgen: „Heb je ’t
heusch niet koud?”
„Heelemaal niet.”
’t Meisje sprak met een kalme onderworpenheid, die hem diep in de ziel
ging. Arme schat, dacht hij, hoe moedig schikt ze zich in de ellende!
Was ’t niet zelfzuchtig geweest haar daarin te doen deelen? Hij had
zich meer dan eens die vraag gedaan, sinds ’t oogenblik dat hij zijn
huis verliet, om voor altijd heen te gaan. Maar neen, hij kon niet
anders handelen: de toestand was onhoudbaar geworden voor hem; langer
uitstel had hem krankzinnig gemaakt. En zijn Didi kòn, mocht hij niet
achterlaten in dat huis, dat hem een oord der schande geworden was,
overgeleverd aan de verpestende invloed harer moeder....
O, hij had wat afgedacht in die akelige uren zijner bedlegerigheid! De
wildste fantazieën hadden afgewisseld met de helderste inzichten, en
door al het gewarrel zijner gedachten heen had telkens en telkens zijn
toestand hem duidelijker in zijn onduldbaarheid vóor de geest gestaan.
Met onweerstaanbare drang was ’t teruggekomen, en had hem eindelijk
opgejaagd van zijn bed, vastbesloten tot handelen. Hoezeer ook de
toekomst hem duister leek: in schande voortleven verkoos hij niet—alles
beter dan dat.
Die avond dat Paula op raad uit was bij Van Thiemen en haar jeugdige
aanbidder, was Larsen kort na haar vertrek wakker geworden. Didi zat
naast zijn bed, op de plaats harer moeder. Ze had het niet langer
kunnen uithouden, en ondanks het strenge verbod was ze stil in zijn
kamer gekomen: ze moest haar vader zien. Ze dacht aan al wat hij haar
gezegd had, aan zijn vreemde, stille droefheid in de dagen vóor zijn
ziekte, en nu moest ze zelf zien hoe ’t hem ging; want haar hartje was
doodelijk ongerust, hoe ook haar moeder op haar vragen steeds met een
geruststellend „’t is niets” geantwoord had. Nu was moeder uit, en kon
ze ’t wagen. Op haar teenen kwam ze binnen, en voorzichtig ging ze aan
’t hoofdeneind naast het bed zitten. Aandachtig keek ze naar de
liggende: hij had het gelaat naar haar toe gewend. Er brandde éen
gaspit, laag gedraaid, met een zachtgroene kap over de ballon. Didi kon
goed zien hoe afgevallen de zieke was, en haar medelijden nam toe. Wat
was ’t toch dat hem kwelde? Zou dat lieve leven heengaan zonder dat ze
wist waarom? En ze voelde zich vernederd in haar kinderlijke rechten.
Zij was zijn eenig kind. Al was ze nog klein, waarom mocht zij niet
weten wat hem scheelde? Ze kòn hem troosten: o, dat was vast! Vadertje
luisterde graag naar haar, en als zij maar wist wat hem deerde, zou zij
hem zeker kunnen opbeuren. Die nare moeder! Die woû maar niets zeggen.
’t Is niets, ’t is niets.... ’t was wèl wat: vader was ongelukkig, hij
was ziek van verdriet, erg ziek zelfs! Alsof ze dat niet had kunnen
zien....
Gelukkig dat ze zich nu eindelijk eens zelf overtuigen kon.
Jammer dat vader net sliep. Ze had al niet best begrepen, hoe moeder,
die hem anders zoo trouw oppaste—dat moest ze toegeven—nu opeens
weggeloopen was. En zij had zoo vriendelijk gevraagd voor dat uurtje
haar moeders plaats in te nemen, en bij vader te waken; ze had er om
gebeden en gesmeekt. Waarom toch was moeder daar zoo tegen? Zij zou
vader toch geen kwaad doen! Integendeel, ’t zou hem goed doen haar eens
te zien. Hij verlangde toch zeker ook wel naar zijn Didi....
Didi zat peinzend op haar stoel, de kleine voetjes over elkaar
geslagen; de eene hand op de rand van het ijzeren ledikant. Wat lag
vader stil en rustig! Zou hij niet eens wakker worden? Ze zat daar al
zoo lang, zeker wel tien minuten, nee, een kwartier. Ze had een
onweerstaanbaar verlangen hem even aan te raken. Larsen’s linkerhand
lag boven het dek. Wat had ze vaak met die hand gespeeld, hem geplaagd
om de overvloedige gouden haartjes op de buitenvlakte—net van een
aap!—getracht de vingers uiteen te krijgen, wanneer Larsen haar op zijn
schoot had en krachtvertooninkjes deed. Dat was al een paar jaar
geleden. Ze was nu al een groote meid, en deed die spelletjes niet
meer.... ’t Was toch geen grove hand, nee: de vingers waren niet dik
zooals die van Kee, en ook niet rood. Ze waren mooi blank en glad, en
de nagels zoo netjes onderhouden, met witte kringetjes.... Haar
handje—de helft zoo groot—lag er vlak naast. Even wipte ze een paar
maal een vingertje op, en raakte de andere aan. Kom, vader zou wel niet
zoo gauw wakker worden: ze woû hem zoo graag streelen. Even maar, langs
die glanzende gouden haartjes....
Toen ze opkeek, had Larsen de oogen wijd open. Een flauwe glimlach
zweefde om zijn lippen.
„Mijn kindje,” zei hij zacht.
„Hè, is vader wakker geworden!” riep het kind half geschrokken, half
aangenaam verrast.
„’t Is niets, mijn lieveling: ik heb genoeg geslapen. Waar is moeder?”
„Uit, ik weet niet waarheen.”
Larsen slaakte een zucht van verlichting. Het voortdurend bijzijn van
Paula had hem zoo vaak gedrukt, al had hij er nooit een klaagwoord over
geuit.
„Al lang?” vroeg hij.
„Zoowat.... een kwartier.... of iets langer, geloof ik.”
„En kom jij nu bij je vadertje waken? Dat ’s braaf, schat.”
„Ja, eigenlijk woû moeder ’t niet hebben. Maar ik heb ’t tòch gedaan.”
Didi was moedig geworden door haar vaders goedkeuring.
Een pijnlijke trek vertoonde zich om Larsen’s mond. Hij fronste de
wenkbrauwen. De korte illuzie van geluk, door de tegenwoordigheid van
zijn kind gewekt, verdween plotseling, om plaats te maken voor de oude
kwelling. En ’t werd hem te machtig. Daar was zijn kind, zijn eenig
geluk: met haar moest hij zich redden uit de schipbreuk van zijn
leven....
Hij voelde zich kalm, beradener dan ooit.... Hij was niet ziek. De
storm in zijn binnenste had uitgewoed. Nu of nooit....
„Didi, heb je medelijden met je vadertje?” zei hij opeens.
’t Kind haalde de schouders op; mond en oogen drukten verwonderd
verwijt uit. Didi’s mondje was trouwens bizonder welsprekend. De dunne
roode lipjes stonden in rusttoestand gewoonlijk iets uitgepuild en bij
elkaar getrokken, als waren ze steeds gereed zich vlug te ontplooien.
Haar mooie groote oogen had ze van haar moeder; maar er lag veel
zachter schijnsel in: wat bij de andere vuur was, was bij haar
innigheid.
„En wil je altijd bij vadertje blijven, kind?” vroeg hij. Hij sloeg een
arm om haar heen. Zij neigde het kopje voorover, en de vier oogen keken
elkaar vol aan.
„Zeker.”
„Ook zonder moeder?”
Didi aarzelde even: „Als ’t moet, ja.”
Hoe kwam dat kind aan de gedachte dàt het wel eens zou moeten? vroeg
Larsen zich af. Er was dan wel veel door haar hoofdje gegaan, om tot
zoo iets te komen.
„Geloof je vadertje in alles? In àlles?”
„Natuurlijk....”
De overtuigde, kordate toon van haar stem deed Larsen goed. Hij bedacht
zich even.
„Nu, mijn eenige lieveling, moeder en ik kunnen niet langer samen
blijven.”
„Dan ga ik met jou mee.” Er was geen spoor van aarzeling in haar
antwoord.
„’t Kan niet anders, nie’waar? ’t Doet je vader ook verdriet.... veel
verdriet.”
’t Meisje kuste hem op de ruige wang, en fluisterde in zijn oor:
„Ben je niet meer ziek? Wil je al heel gauw weg?”
„Van nacht, als ’t mogelijk is. Je moet niet schrikken als ik deze
nacht bij je bed kom.”
Didi schudde energiek haar kopje.
De volstrekte onverschilligheid voor haar moeder in deze voorgenomen
daad trof Larsen zeer: ze was niet geheel te verklaren uit de groote
aantrekkelijkheid van ’t avontuurlijke op ieder kindergemoed. ’t Was
beter zoo, dacht hij. Ze zou zich zóo makkelijker schikken in ’t leven
van eenzaamheid dat hen beiden wachtte.
„Maar, vader,” zei Didi na een oogenblik stil peinzens, „waarom zoo in
de nacht? Mag moeder er dan niets van weten? Je mag toch heengaan waar
je wil, en mij meenemen?”
De vraag maakte Larsen een oogenblik verlegen. Wat zou hij antwoorden?
Hij had haar nooit voorgelogen: in dit opzicht als in zooveel andere
onderscheidde hij zich van Paula. Deze speldde het kind wat op de mouw,
of scheepte haar af met een praatje. Ook dit was een reden waarom Didi
haar vader meer aanhing dan haar moeder; want hoe is liefde op den duur
mogelijk zonder vertrouwen? Was ze in Paula’s opvatting een „kind”, dat
wil zeggen een wezen dat nog niet denken of oordeelen kon, bij haar
vader gold ze voor een schepseltje met verstand en geest, dat slechts
om zijn teederheid ontzien, nooit misleid mocht worden.
Larsen greep haar handje en zeide:
„Zeker, dat is wel zoo, kindjelief; maar toch vind ik het beter dat je
moeder en anderen ’t niet zoo dadelijk merken. Waarom dat is, zal je
later beter begrijpen.”
’t Kind zweeg. Als vader iets niet wilde zeggen had hij er een goeie
reden voor, dat wist ze.
Inderdaad schuwde Larsen verdere gesprekken met zijn vrouw. In de dagen
na hun breuk had Paula’s aanwezigheid hem steeds gehinderd, gedrukt en
gekweld op onzeggelijke wijze. Vooral de eindelooze uren dat ze aan
zijn bed zat waren hem ondragelijk geweest. En dan—als hij des daags
heenging, had ze hem zeker gevraagd, hoe hij zoo opeens weer wel was,
waarom hij uitging en zoo voort. Hij haatte uitvluchten en bedrog.
Bovendien wilde hij niemand van zijn kennissen en vrienden in de stad
zijn vertrek met Didi laten merken. Later mocht men denken wat men
wilde, en hen die werkelijk belang in hem stelden—de enkele
vrienden—zou hij wel op de hoogte stellen, als eenmaal een groote
afstand tusschen hen en hem lag, en verdrietelijke uitleggingen en
vragen vermeden konden worden. Wat Paula, de meest belanghebbende,
betrof: wel, hij had ’t haar immers gezegd dat hij niet langer met haar
samen kon en wilde wezen. Ze bleef niet onverzorgd achter: daartoe zou
hij de noodige maatregelen wel treffen.
Zwijgend zaten vader en dochter nog een wijle hand in hand. Dan
streelde Larsen haar hoofdje, en zeide:
„Nu moet je maar heengaan, hoor, kind. Straks komt moeder thuis, en die
zou ’t zeker niet goed vinden je hier te zien. Ga maar vroeg naar bed,
en zie rustig te slapen, tot—ik bij je kom.”
„Goed, vader. Wees u maar gerust.”
„Wacht nu maar eerst op moeder, en ga dan naar bed, onuitgekleed maar.
Voorzichtig, nie’waar?”
Hij kuste haar goede nacht, en ’t kind verwijderde zich stil.
En toen ze weg was overlegde hij zijn plan nog eens. Hij zou tegen een
uur of vier opstaan, Didi wekken, en samen de trap afgaan. Paula sliep
vast en zou stellig niets bespeuren. De afgeloopen nacht had ze reeds
niet meer bij zijn bed gewaakt, en ze zou stellig ook nu de
noodzakelijkheid daarvan niet inzien. ’t Zou hem niet mogelijk zijn
zich van een groote som gelds te voorzien. Maar wat zou dat? Hij had
altijd voldoende bij zich. Hij keek even zijn beurs na—die lag nog met
zijn sleutels op ’t nachttafeltje, juist zooals hij ze die laatste
nacht vóor zijn ziek worden had neergelegd—en vond een groote
vijf-en-twintig gulden. Daarmee zou hij zich desnoods de eerste dagen
kunnen redden. Dan kon hij zijn bankier immers telegrafisch de noodige
orders geven. Hij wilde van een der tusschenstations dicht in de buurt
naar Vlissingen gaan, daar blijven totdat hij ’t noodige geld ontving,
en dan met de boot naar Londen vertrekken. Hij was dan toch nog
wellicht binnen vier-en-twintig uren aan zijn bestemming....
Toen Paula thuiskwam, veinsde hij te slapen. Blijkbaar voldaan keek ze
in de kamer rond, overtuigde zich dat er verder niets noodig was, en
verwijderde zich.
Geen oogenblik kwam ’t bij haar op dat Larsen die nacht reeds
ondernemen zou wat ze vreesde.
En zoo gelukte de volvoering van het plan in die nacht volkomen. Hij
had geen oog toegedaan, het kind sliep rustig toen hij haar voorzichtig
wekte. Muisstil slopen beiden de trappen af, de gang in, voorzagen zich
van hoed, jas en mantel, en begaven zich op straat.
Zoo hadden ze meer dan een uur geloopen. ’t Kind was moê, maar vol
moed. Ze voelde zich fier op het vertrouwen van haar vader, veilig in
zijn bescherming, en vol illuzies voor het onbekende dat vóor haar lag.
Het geheimzinnige van al wat er in de laatste weken voorgevallen was
verontrustte haar niet meer, en ze stelde de beantwoording van tal van
vragen tot later uit: later zou alles duidelijk worden, hoe vreemd het
haar nu ook leek. Later.... en haar hartje zwol bij de heerlijke
gedachte dat vader en zij voortaan steeds bij elkaar zouden wezen, dat
er meer innigheid in de omgang tusschen hen zou ontstaan, al was die in
hun wederzijdsche gevoelens ook volkomen. En haar kinderfantazie stelde
zich die voor als een vermeerdering van leesuurtjes—vader kon zoo
heerlijk voorlezen, al liet hij een prinses ook met een bromstem
spreken—van lange wandelingen; en ze dacht ook aan de eindelijke
verwezenlijking van een oude droom: een fiets te krijgen. Moeder
fietste zoo vaak, en vader ook wel eens; maar vader vond altijd dat
moeder gelijk had, dat zij nog te klein was, omdat ’t zoo gevaarlijk
was.... Nu vader steeds bij haar zou wezen, verviel immers dat bezwaar.
En zij zou vader altijd gezelschap houden, ze zou hem voorlezen, voor
hem schrijven ook—ja, ze wilde hem later helpen met zijn werk. Hoe
heerlijk, hoe „leuk” en gezellig! En misschien ging ze niet meer naar
school: ze hield van leeren, maar op school was ’t zoo vervelend. Ze
was zoo levendig en bewegelijk, en kreeg telkens „afkeuringen” voor
allerlei kleinigheden. He nee, die schooljuffrouwen waren erg
vervelend. Wat kon vader anders les geven! Zoo’n geschiedenisles op
school was als droog zand, en bij vader....! ’t Was net een mooi
verhaal in een boek.
En Didi mijmerde voort over al ’t goede dat haar wachtte in ’t
tooverland aan de andere kant der zee. Vader had haar gezegd dat ze
over zee zouden gaan naar de grootste stad in de wereld. Ze woû niet
moê zijn, waar ze dat alles tegemoet ging....
De dag brak druilig aan, toen het tweetal het kleine dorpsstation
bereikten. Een blauwe wazige mist lag over de velden, hing als een fijn
web over de boomen langs de weg. De wind, die afgenomen was, had nog
voldoende kracht om hier en daar de mist bijeen te vegen en in dichtere
wittere lagen op te hopen, elders plekken open latend; terwijl dorre
bladeren, bemodderd en bruinglanzend van vocht, nu en dan opvlogen van
de weg, als verdwaasde, in hun rust opgeschrikte vogels, of
neerdwarrelden uit de klamme takken daarboven in vadsige zwijmeling.
Het nieuwe licht, hoe droevig ook, en het besef van welslagen dier
eerste faze van hun bevrijdingsdaad, de verwachting van verandering bij
’t zien der ijzeren staven, die zich daar glimmend zwart links en
rechts uitstrekten, om zich voor ’t oog allengs op te lossen in de
nevelige verte, gaven aan Larsen’s geest een weldadige afleiding. Die
rechte, kordaat naar ’t doel voerende lijnen—mocht ook dat doel in
wazige geheimenis ver voor de blik verscholen liggen—waren hem een
beeld van zijn vastberadenheid om zijn doel te bereiken, ondanks de mist
die zijn toekomst verborg.
De heele weg over had hij in somber, nauw afgebroken zwijgen
teruggedacht aan alles wat hij verliet om der wille van zijn eer en
zijn rust. Met innige droefheid betreurde hij ’t opgeven van een
werkkring waarin hij zich thuis gevoelde, waaraan hij zooveel van zijn
krachten met lust en ijver gewijd had. Hij was niet alleen geleerde.
Ook als docent had hij liefde gehad voor zijn betrekking. Zijn colleges
waren hem steeds een genot geweest, en hij wist dat hij bij zijn
leerlingen waardeering vond. Hij had er vrienden en bewonderaars onder,
onder die jeugdige mannen, wier gemoed hij liefde wist in te boezemen
voor zijn heerlijk vak, al was ’t meer door de helderheid van zijn
betoog en de warmte zijner eigenliefde dan door de welsprekendheid
zijner voordracht. Hij was erin, steeds, en dit won hem sympathieën.
Menigeen onder de jongeren zou zijn heengaan voelen als ’t verlies van
een vriend, van een degelijk leidsman. De studenten die zijn colleges
volgden, kwamen nu en dan familiaar bij hem, vroegen hem vrijmoedig om
inlichtingen, sommigen deden lange wandelingen met hem in leerzame
aangename kout, en geregeld eens in de maand was zijn salon het
vereenigingspunt van tal van jongelieden, die waarlijk niet het
„theeslaan” bij „de prof” alleen als een gedwongen fraaiigheid
beschouwden. Vooral éen onder hen kwam hem telkens vóor de geest. ’t
Was een veelbelovend jurist, die reeds de meesterstitel verworven had
en uit liefhebberij zijn college bleef volgen. Er waren er meer met
hem, die tot andere faculteiten behoorden, en „prof Lars” gaarne
hoorden, zich daarom alleen bij hem hadden laten inschrijven. Maar die
eene was een der talentvolsten en zeker de geestdriftigste zijner
bewonderaars. Israëliet van zeer nederige afkomst was David Zomer een
dier heldere koppen en stoere werkers die zijn ras, ten spijt van
vooroordeelen en afgunst, nog steeds tot eer strekken; een dier telgen
van het oude volk die, als zoovele voorgangers, eenmaal geroepen zouden
zijn onder de leiders der beschaving gerekend te worden.
Wat was er een gloed in zijn woord, wat sprak er overtuiging en
wilskracht uit zijn blik! En welk een voorbeeld van liefde tot de
wetenschap in de gezondste vorm, van soberheid en plichtsbetrachting
was hij steeds geweest in de bonte verscheidenheid dier spes patriae,
onder wie zoovelen zoo weinig gaven van ’t geen ze eenmaal deden hopen!
’t Hart van de toegewijde leermeester kromp ineen bij de gedachte aan
de gedwongen verzaking eener taak die hem zoo dierbaar was. ’t Werd hem
duidelijker dan ooit, welk een rol zijn liefde in zijn leven gespeeld
had, en een stem van verwijt klonk telkens weer op in zijn ziel, of hij
niet zelfzuchtig was geweest dat alles op te offeren, omdat een vrouw
hem beleedigd had, om een hersenschim misschien.... Want wat was die
eer, wier eischen zich zoo onweerstaanbaar deden gelden bij ’t heilige
van plichtsbetrachting? Moest hij niet dulden, in gelatenheid
aanvaarden, stil verdragen wat hem als bezoeking was opgelegd? Er waren
zooveel mannen geweest die de schande met moed en zelfverloochening
hadden getorst om der wille van een schoon ideaal, ja om de eenvoudige
gewetensdrang tot plichtsvervulling! Dat waren helden, martelaren! En
’t waren waarlijk niet altijd de slechtste mannen wier vrouwen hun eer
bezoedelden.... ’t Lot moest maar willen dat de mannen die zich wijdden
aan wetenschap of kunst, aan een veeleischende levenstaak, zich
verbonden met wufte vrouwen, die niet in staat waren daarin mee te
leven, en ontrouw was immers schier onvermijdelijk! Hij was dom
geweest, kortzichtig en onvoorzichtig.... Maar God, hoe kon een liefde
als de zijne éen oogenblik argwaan koesteren? En thans, nu ze dood was
die liefde, nu de groote beweegkracht van zijn werken en streven had
opgehouden te bestaan, voelde hij zich slap en machteloos, slechts in
staat zich voort te sleepen tot zelfbehoud, tot de vlucht. Goed, hij
was geen held, geen martelaar. Mijn God, hij kòn niet, hij kòn niet!...
Hij was een mensch met menschelijke zwakheden; hij boog ’t hoofd en
deed de droeve belijdenis reeds door zoo menig menschenkind in zijn
hart uitgesproken:
Homo sum, humani nil a me alienum mihi puto.
Hij had scheiding van tafel en bed kunnen aanvragen.... Zijn eer was
dan immers gered geweest en hij had zijn werk kunnen blijven
behartigen. En als ’t hem dan ondragelijk was geweest in de stad te
blijven wonen waar hij zooveel geluk gekend had, waar iedereen hem in
dat geluk gekend had, dan had hij immers moeite kunnen doen voor een
plaatsing aan een andere hoogeschool.... ’t Was dus niet zijn eer
alleen die hem tot zijn wanhoopsdaad gedreven had. Er was iets diepers,
iets machtigers in zijn ziel: de pijn van ’t geen daar uitgerukt was.
Die pijn joeg hem voort, weg van de plaats waar hem de wond was
toegebracht, ver weg van ieder oord, van ieder mensch dat hem
herinneren kon aan dat vreeselijkste oogenblik van zijn leven: Paula’s
zelfonthulling na de openbaring van haar verraad....
Waren dus de gedachten van ’t kind, dat hij meegenomen had als ’t
laatste wat hem nog aan ’t leven deed hechten—och, zonder haar had hij
immers den dood gezocht, zeker!—meest gericht op wat de toekomst geven
zou als vergoeding voor al ’t verlorene, voor de vader lag daarin
slechts éen belofte: rust en vergetelheid. Hij zou die zoeken in de
omgang met zijn lieveling en in zijn studie; al had hij daarvan slechts
een vaag besef.
Vader en dochter traden de kleine wachtkamer van ’t station binnen. Zij
waren de eenige reizigers op dat vroege morgenuur. De slaperige
juffrouw aan ’t buffet reikte op Larsen’s verzoek twee dampende koppen
koffie en wat brood aan. Op de houten bank langs de wand gezeten
verorberden de beiden hun eenvoudig ontbijt. Larsen greep gedachteloos
naar een van de zwaar beduimelde couranten en blaadjes op de tafel vóor
hem; Didi sipte stil haar koffie, sloeg nu en dan een nieuwsgierige
blik om zich heen naar de kleurige reclame-platen aan de wand, en
mummelde haar broodje.
„Echte loerie, vader,” zei ze op haar kopje wijzend, en lachte.
„Maar toch warm, en ’t doet goed, kindjelief.” Hij streelde haar eene
hand onder de tafel.
„O ja, en tòch wel lekker!” Ze zou alles lekker gevonden hebben op dat
oogenblik. Ze was immers „op reis”, vervuld van de heerlijke illuzie
van ’t avontuurlijke....
Tien minuten later reed de trein voor. Larsen begroette hem als een
vriend. Toen hij in een hoek van een eersteklas-coupé gedoken zat met
Didi tegenover zich, glimlachte hij tevreden tegen haar: hij voelde
zich veilig, en ’t was hem alsof nu eerst de beslissende stap gedaan
was. Ze zaten alleen met hun beidjes.
Nauw onderweg sloot Larsen de oogen, en weldra overmande hem de slaap.
En het meisje streed eenige minuten tevergeefs met aanvechtingen van
dezelfde aard. De trein ging niet verder dan Rotterdam: de conducteur
zou hen daar wel wekken. En beiden waren vermoeid—Larsen ook
geestelijk. De lange wandeling bezorgde beiden een droomlooze rust.