XV.

„Professor Larsen is hier afgestapt?”

„Ja, meneer, met zijn dochter, kamer 36,” antwoordde de portier van ’t

hotel.

„Is meneer thuis?”

„Ik meen van wel. Ze vertrekken pas van avond.”

„Naar Engeland zeker. Weet je zeker dat hij van avond nog wilde gaan?”

„Ja, meneer; ten minste dat zeî meneer: hij zou niet blijven logeeren.

En de boot gaat over een paar uur.”

„Zoo. Goed. Wil je meneer dit kaartje brengen?”

De portier liep naar binnen. Een kelner stoof de trap op, klopte aan

deur no. 36.

„Binnen.”

„Meneer,” en groetend trad de gedienstige het vertrek binnen, „hier is

een kaartje van iemand, die u spreken wil.”

Verwonderd bekeek Larsen het kaartje.

„Wie is ’t, vader?” vroeg Didi. Ze zat op een sofa, Larsen op een luien

stoel. Larsen antwoordde niet dadelijk:

„Laat meneer.... of nee, wacht, ik kom beneden.” En tot het meisje

gewend:

„De dokter wil me spreken.”

„Dokter Brakel?”

„Ja, kindje. Ik kom dadelijk terug.”

Didi zette groote oogen op.

Een kwartier later stond ze van haar plaats op. Ze vatte niet waarom

vader zoo lang met die dokter sprak. En wat woû die man toch? Was hij

ongerust, omdat hij dacht dat vader nog ziek was, en was hij daarom

overgekomen, zoo ver? Ze moest er ’t hare van hebben.

Ze ging naar beneden, en vond weldra haar vader in gesprek met de

bewuste. Dadelijk trof haar ’t vreemde in de houding en

gelaats-uitdrukking van de eerste. Hij stond, de ander zat. Zijn gelaat

vertoonde een hevige gemoedsbeweging. Wat was er nù weer?

Schuchter trad ze binnen in de kleine spreekkamer bij de ingang van ’t

hotel.

„Och, ga heen, Didi,” riep Larsen ongeduldig en onvriendelijker dan hij

zelf gewild had. Blijkbaar had hij nog veel te zeggen.

De arts wenkte.

„Kom gerust binnen, hoor.” En tot de ander:

„Waarom zou ze niet? ’t Is immers alles in orde nu.”

Larsen barstte los ondanks de tegenwoordigheid van zijn kind.

„In orde? Geen kwestie van! Ik ga niet met u mee. Dat zeg ik u nog

eens.” Hij maakte een beweging om heen te gaan.

Didi stond verbluft. Ze had haar vader nog nooit zoo opgewonden en

driftig gezien. Vrees sloeg haar om ’t hart.

De arts bleef doodkalm.

„’t Spijt me, professor, dat u niet naar rede wil luisteren.” Hij stond

op, en legde Larsen een hand op de schouder. „U heeft toch alles goed

begrepen,” zei hij zacht. „Maak u nu maar klaar. Ik hoef u toch niet

alles te herhalen. ’t Is voor uw eigen bestwil.”

„Och wat! Machinaties.... van mijn vrouw!” Larsen was buiten zich

zelven. De arts keek naar het kind. In vredesnaam! dacht hij; maar hij

had medelijden met haar: hij had haar dit tooneel willen besparen.

„Kom, meneer Larsen.... Wat kan u tegen uw vrouw hebben, die u zoo goed

opgepast heeft? U moet terug, en dat ziet zij in. Ik kom op haar last.

Ik zie dat u overspannen is.”

„Dat ben ik niet, zeg ik u. Ik wìl van avond vertrekken, verstaat u? En

daarmee basta. Dag, dokter.”

Hij wilde heengaan. De goede man zag dat het ernst was, of liever kreeg

de overtuiging dat hij hier met voor hem zeer verklaarbare koppigheid

te doen had. Hij trad hem in de weg.

„Een enkel woord nog, als ’t u belieft.” Hij sprak steeds kalm en op

vriendelijke toon.

Larsen weifelde.

„Nu?” vroeg hij nog altijd toornig.

„Wil ik u ’s wat zeggen? ’t Doet me leed, maar u dwingt me ertoe.” Hij

tastte in de binnenzak van zijn overjas, en haalde een stuk papier uit

zijn zakportefeuille. „Ik heb hier ’t bevelschrift van de rechter.” De

arts hield het stuk op. Hij achtte het niet noodig het te laten zien.

Innerlijk was hij immers overtuigd met een krankzinnige te doen te

hebben. Hoe ver diens onredelijkheid gaan zou, wist hij wel niet; maar

hij vond het wijs de man „met een zoet lijntje” mee te krijgen, en

eerst in ’t ergste geval geweld te gebruiken. Echter had hij voor dit

laatste de noodige maatregelen getroffen.

„Wat moet ik met dat bevelschrift? Ik ben toch geen misdadiger, en

bovendien heeft u toch geen bevoegdheid om mij te arresteeren. ’t Is al

te dol!” In zijn opgewondenheid begreep hij nog niets.

Weer maakte Larsen een beweging naar de deur.

De arts zag het, en zei snel:

„Ik reken op uw meegaandheid en redelijkheid. Maar u is overspannen en

in uw geestestoestand mag ik niet toelaten dat u op reis gaat—met uw

dochter.”

„In mijn geestestoestand!” riep Larsen verbleekend.

Opeens werd het hem duidelijk: die man daar hield hem voor krankzinnig,

en dat niet alleen, maar het feit was geconstateerd, de rechter was er

in gemoeid. Als hij verder weerstand bood, zou hij wel met geweld

gedwongen worden mee te gaan. Dat was Paula’s werk! Plotseling zag hij

alles: hij herinnerde zich hoe zij in de dagen van zijn ziek zijn

herhaalde malen vreemd, met verschrikte blik, soms met een zonderlinge

uitdrukking van medelijden, naar hem gekeken had; ook hoe zij telkens

fluistergesprekken met de dokter gehouden had, vlak bij zijn bed. Het

woord „cerebralis” kwam hem vóor de geest.... In zijn toestand van

wezenloosheid en sufheid had dat woord hem bespookt in zijn droomen;

maar nooit als de uitdrukking van zulk een denkbeeld als thans....

’t Was dan zoover gekomen met hem.... Paula hield hem voor gek, en liet

hem terughalen.... O maar, dat kon niet.... dat zou opgehelderd

worden.... hij zou ’t zelf ophelderen, dadelijk!

En hij zag de nutteloosheid van tegenweer in.

„Dokter,” zei hij somber, op heel andere toon dan te voren, „ik begrijp

volkomen wat u bedoelt. De zaak zal terechtkomen. U heeft er geen

schuld aan.”

De goede Esculaap haalde de schouders en de wenkbrauwen op, en spreidde

zijn tien vingers welsprekend uit: hij kon ’t niet helpen....

„Ik vind ’t onaangenaam genoeg, professor,” zei hij meewarig. Hij was

innig voldaan dat de zaak die wending nam. Hij was een man des vredes,

hield niet van heftige tooneelen.

„U gaat dus mee, nie’waar,” liet hij volgen. Zijn toon had iets van

dien van iemand, die vervuld van medelijden tot een kind spreekt.

Larsen voelde ’t als een beleediging, maar onderwierp zich gelaten. Wat

gaf het hier en thans die man uit de waan te willen helpen? Iedere

krankzinnige beweerde immers het niet te wezen?

Intusschen stond Didi met verbaasde oogen naar die beiden te kijken. Ze

begreep er niets van. Ging vader weer terug, gingen ze niet naar

Engeland? Wat kwam die nare man hier stoornis brengen in vaders

plannen? De tranen drongen naar haar oogen; maar ze zweeg. Later zou

vader alles wel uitleggen. Evenals hij schikte ze zich in ’t

onvermijdelijke. Ze boog haar kopje, en ’t mondje pruilde even op.

„Kom, kind,” zei haar vader. En tot de dokter: „Ik ben tot uw

beschikking. Met welke trein gaat u?”

„Iets over vijven, ik zal ’t ’s nazien,” antwoordde Dr. Brakel in

gedachten. „Vindt u goed dat ik hier even wacht tot u uw zaakjes

geregeld heeft?”

„Goed.” Larsen was volkomen kalm, en zonder verder een woord verliet

hij met zijn kind het vertrek.

Toen alle drie tien minuten later bij de voordeur waren, stond Dr.

Brakel even stil.

„Een oogenblik,” zei hij. „Ik moet nog even iets vragen.”

Een glimlach vloog over Larsen’s gebaard gelaat.

De dokter ging naar binnen, en Didi maakte van de gelegenheid gebruik

om zenuwachtig en haast fluisterend te zeggen:

„Vadertje.”

„Ja, mijn kind?”

„Gaan we nu niet naar Engeland?”

„Vandaag niet, schattemeid. Over een paar dagen.”

„Hè, gelukkig!”

Ze was voldaan, en zuchtte diep: de voornaamste zorg was uit haar

gemoed weggenomen.

Toen Dr. Brakel eenige oogenblikken later weer naar voren kwam

overdacht hij zijn allerlaatste zielkundige waarneming: ’t was toch

vreemd met die krankzinnigen: ze konden zoo zot doen, en toch ook weer

zoo heel gewoon verstandig handelen! De hotelhouder had „niks

niemendal” gemerkt: meneer had behoorlijk afgerekend ook en gewoon

afscheid genomen, en de kelner ook behoorlijk bedacht! Vreemd,

vreemd.... Een lastige studie, die psychiatrie, en men leerde telkens

wat nieuws, merkte telkens wat verrassends op.... Maar de zaak was

gezond: Larsen ging gewillig mee.

„Stakkert!” mompelde de goede geneesheer nog in de gang, terwijl hij

zijn versleten gekleede jas toeknoopte, en de kraag van zijn overjas

opsloeg.

„Komaan, Didi, we gaan, nie’waar, kind?” zeî hij vriendelijk tot Didi,

die hem zag aankomen, en hem aanstaarde met haar sprekende

sprookjes-oogen.

Didi greep haar vaders hand, toen ze zag dat de dokter haar bij de hand

wilde nemen. Hè nee, ze wilde niet aan zijn hand loopen!

En de drie stapten de straat op.

Een eindje verder kwamen twee mannen, forschgebouwde kerels in een

gelijke donkere kleeding uit een huis. De dokter keek om. Ze gaven hem

zijn blik terug en volgden op een kleine afstand.

Heilige Banden: Roman · 第 16 / 22 题