Mevrouw Boudewijns was een deftige dame. Ze was meer dan dat. Ofschoon
zelf van een zeer gewone burgerlijke familie—haar vader was indertijd
(lang geleden) Deensch scheepskapitein, en had zich later, door
eerlijke en smokkel-handel rijk geworden, te Amsterdam gevestigd—had ze
van haar vroege jeugd af steeds iets in haar voorkomen en in haar
manieren gehad dat haar distinctie gaf boven haar omgeving. Haar
zusters noemden haar „de prinses”. Ze was bovendien mooi. ’t Een en
ander, gevoegd bij haar niet verwerpelijke bruidschat, bezorgde haar
toen ze nog zeer jong was een rijk koopman als echtgenoot, en toen deze
na eenige jaren overleden was, en zij zelf meer besef kreeg van haar
waarde en aanspraken, een aristokraat met geld en positie. Haar eenig
overgebleven zoon uit het eerste huwelijk—haar man was aan tering
gestorven en ook twee van zijn drie kinderen bij haar—volgde spoedig na
het heengaan van zijn stiefvader, het voorbeeld van zijn levengever.
Was Boudewijns al een grijsaard, Bertus was juist drie-en-twintig toen
hij bezweek. Zijn moeder had hem verafgood, en ’t gevolg was geweest
dat de jonge man een zwakkeling werd zonder ’t minste
weerstandsvermogen, noch lichamelijk, noch zedelijk of verstandelijk.
Reeds zeer jong had hij ’t leeren opgegeven, was steeds sukkelend, en
ging zich in zijn gezonde perioden braaf te buiten aan alles waaraan
een rijk jongmensch zich maar te buiten kan gaan.
Voor de tweede maal weduwe op vijf-en-veertigjarigen leeftijd zou ze na
de dood van haar Bertus alleen op de wereld gestaan hebben, als ze niet
uit haar huwelijk met Boudewijns een zoon gehad had. Aan deze kon ze
zich thans met hart en ziel wijden. Waarschijnlijk zou ook deze
jongen—toen dertien jaar oud—geheel verweekelijkt zijn, als zijn
gezonder gestel en vaster karakter, beide van zijn vader geërfd, hem
niet te stade waren gekomen. Inplaats van een lammeling, zooals zijn
stiefbroer geweest was, werd hij eenvoudig een braaf moederskindje. Hij
leerde goed, leek op zijn moeder, had dus een gedistingeerd voorkomen,
en gaf zijn moeder alle reden tot tevredenheid. Was de stiefbroer
knorrig en soms onhandelbaar geweest, hij was gewoonlijk vroolijk en
gezeggelijk. Trouwens, dit laatste wilde bij een vertroetelende moeder
als mevrouw Boudewijns maar weinig zeggen: de jongeheer Boudewijns was
erg vroeg wijs, en ’t duurde niet lang of mama luisterde aandachtig
naar den ouwelijken praat van zoontjelief. Toen hij zestien was leek
hij twintig. Mama bewonderde hem, vroeg hem raad, en verdubbelde haar
zorgen om hem het leven zoo aangenaam mogelijk te maken.
Deze bezorgdheid voor zijn geluk openbaarde zich ook in haar
angstvallig waarnemen der eerste uitingen zijner ontwakende
mannelijkheid met betrekking tot de andere sekse: zijn verliefdheden en
hofmakerijtjes. Ze bleef op de hoogte; wist ook zijn vertrouwen te
bewaren, en zoo was er niets in Adolf’s gemoedsleven dat haar aandacht
ontsnapte. Maar zou dit zoo blijven? Zou ze zóo lang zijn schreden op
’t goede pad kunnen houden—onder haar waakzaam oog hem kunnen behoeden
voor uitglijden in de modder of verongelukken in een poel—tot hij
veilig aangekomen was waar ze hem zoo spoedig mogelijk hebben woû: in
’t heilige huisje van ’t huwelijk?
Tusschen dat doelwit van haar moederlijk streven en de eerste
jongelingsjaren lag immers een gevaarlijk stuk weg: de studententijd.
Want de veelbelovende Adolf moest studeeren, en een graad halen evenals
papa, liefst in de rechten. Dat was deftig, aristokratisch; bovendien:
met geld en een meesterstitel—dat wist ze—kwam men ver in ’t lieve
vaderland.
De jonge Boudewijns met zijn fijne gezichtje en schrandere oogen kwam
met zijn moeder naar de academie-stad, waar de familie Larsen woonde.
Adolf zou bij zijn moeder blijven wonen, en er bovendien een
studentenkamer op nahouden: zoo kon hij meedoen aan alle pretjes, en
hoefde zijn moeder niet te storen wanneer hij laat thuis kwam.
Op een avondpartijtje bij een professor ontmoette de jonge student voor
’t eerst het echtpaar Larsen. De kennismaking, ook met mevrouw
Boudewijns, leidde weldra tot een vriendschappelijke omgang.
Met haar gewone scherpziendheid in alles wat het doen en laten van haar
Dolf betrof had de waakzame moeder onmiddellijk meer dan gewone
belangstelling bij hem opgemerkt voor de persoon van Larsen’s innemende
vrouw. De jongen was verliefd, dat zag ze duidelijk.
Hoe moest ze hier, waar ’t inderdaad geen kalverliefde meer was, als
moeder optreden, zoodat haar Dolf beschermd bleef voor gevaar?
Een zeker teeken voor haar, dat thans eindelijk werkelijke hartstocht
in ’t spel was, zag de scherpzinnige waakster in Dolf’s
geheimzinnigheid. Hij sprak niet over wat zijn gemoed beroerde tot de
leidsvrouw en raadgeefster zijner jeugd, ontweek iedere
vertrouwelijkheid die tot een bekentenis zou leiden, ging niet in op
toespelingen, maakte zich zelfs herhaaldelijk boos wanneer zijn moeder
liet merken dat ze op de hoogte was. Was het misschien zoo omdat de
jongeling zich eigenlijk schaamde dat hij verliefd was op een getrouwde
vrouw, en nog wel eene die bijna zijn moeder kon wezen? Och, hij was te
veel bedorven kindje, had te veel geleerd dat wat hem aangenaam was ook
goed moest wezen, dat hem te dien opzichte gewetens-aanvechtingen
zouden kwellen. Dat wist mama ook wel. Zijzelf was in haar opvattingen
lang niet streng. Neen, hier had ze te doen met het gewone verschijnsel
bij echte, diepe hartstocht bij een man: die schuwt bemoeienis van
derden.
Maar mama móest zich hier met de zaak bemoeien. De kwestie was hoe ze
dit op de meest kiesche, voor hem minst hinderlijke en in de gevolgen
heilzaamste wijze doen kon.
Zij kende haar wereld te goed om niet spoedig te zien dat de mooie
mevrouw Larsen wel gediend was van de vurige, schoon ietwat linksche
hofmakerij des jeugdigen Minerva-dienaars. Ze voorzag dat, als zij de
zaken op hun beloop liet, de twee minnenden elkaar al heel spoedig
„gevonden” zouden hebben. Doch hieraan waren gevaren verbonden: Dolf
was zoo jong en onervaren, zou onvoorzichtig wezen, zich
compromitteeren, haar compromitteeren, en—nog erger—misschien zijn
ongeluk bewerken. Die Larsen kon vermoedens krijgen.... Hij zag er wel
wat sullig uit, maar nu ja.... waar men aan ’t wijfje komt, wordt het
goedigste beestje wel ’s woest.
Om te beginnen wist mevrouw Boudewijns het daarheen te leiden dat de
ontmoetingen der twee koerenden zooveel mogelijk bij haar aan huis
plaats hadden: de fatale samenkomst, waar ’t op uitliep, zou dan ook
wel in dat veilige oord tot stand komen.
De zorgzame moeder zuchtte vaak in deze tijd: ze had ’t wel anders
willen hebben, ze had Dolfje zoo gaarne afgehouden van die
allerintiemste omgang met de vrouw die zij hem slechts in ’t huwelijk
van ganscher harte gunde. ’t Huwelijk was fatsoenlijk, veilig;
daarbuiten loerden schande, ziekte en ongeluk. Maar, och, in
vredesnaam, een jongmensch is een jongmensch, en ’t is zoo moeilijk
voor een moeder om al zijn gangen te bespieden, hem te beletten te
nemen wat zoovelen—bijna allen—immers nemen! Neen, ze moest van de nood
een deugd maken. Dolf was tot nu toe verschoond gebleven van alle
lichtmisserij—o, dat wist ze zeker, in dat opzicht was hij „zoo
onschuldig als een pasgeboren kind”—nu ’t onvermijdelijke einde zou
komen, wel, nu was deze minnarij toch nog de verkieslijkste. Mevrouw
Boudewijns waakte immers ook over Dolfje’s gezondheid, en dan was
Paula.... nee, heel wat anders dan „zoo’n slechte meid”. Foei, ze
huiverde er van: je kon nooit weten, he? En dan toch ook: beter met
zoo’n beschaafde, lieve dame dan met een dienstmeisje bij voorbeeld;
immers ook voor de mogelijke gevolgen.
Alles ging naar wensch.
Na drie maanden omgang was mevrouw Boudewijns de moederlijke vriendin
van Paula, nu als zoodanig bij Larsen erkend. Haar waardig voorkomen en
innemende, zachte manieren hadden Larsen zeer aangetrokken, ja, weldra
zag hij in haar wat hij zoo lang voor zijn Paula verlangd had te
bezitten: een goede vriendin, die door leeftijd en ernst van karakter
een gunstig overwicht op haar zou kunnen doen gelden.
De omgang met de luidruchtige, leeg-rammelende Margot Ennery, was de
bedaarde degelijke geleerde maar half welkom. ’t Was goed dat daar een
andere invloed tegenover stond: wijze raad, moederlijke leiding. Och,
Paula kreeg die zoo weinig van haar eigen moeder, en de zijne was sinds
jaren dood....
„’t Is merkwaardig zoo spoedig als Paula uw vertrouwen gewonnen heeft!
Zij is ook erg met ú ingenomen,” zei Larsen op een dag toen mevrouw
Boudewijns bij hem op bezoek was, en Paula toevallig niet in ’t vertrek
was.
„Och, ja, wie zou ook niet met uw vrouwtje ingenomen zijn, meneer
Larsen!” zei de deftige dame beschermend. „Ik mag haar als mijn eigen
dochter. Ze moet maar heel veel bij me aan huis komen. Ze is altijd
welkom, en ’s avonds vindt ze me altijd thuis.”
„O, u is wel goed,” antwoordde Larsen warm, „en ik waardeer ’t zeer,
dat ze in u een moederlijke vriendin vindt.”
Mevrouw Boudewijns straalde minzaam. In haar zwartzijden japon had ze
iets van de vorstin die een onderdaan begenadigt.
„Ja,” ging Larsen voort. „Paula heeft dat noodig. Ik verzeker u dat ik
’t aan haar merken kan; sinds ze u kent is ze bepaald gelukkiger. Een
omgang als met u was ’t eenige wat haar ontbrak.”
Zoo stonden de zaken dan aan de vooravond van ’t huiselijk drama dat
zich bij Larsen was begonnen af te spelen.
Onder de namen harer aanbidders, tegenwoordige en vroegere, had Paula
de jeugdige Boudewijns niet genoemd: waarschijnlijk omdat haar de heele
verhouding te veel als een onbeteekenend spelletje voorgekomen was. Die
Dolf was nog zoo’n aapje: die telde nauwelijks mee. ’t Was wel een
aardig kereltje—frisch en onbedorven. Ze had zich lachend aan hem
gegeven, zijn zin gedaan zooals men dat doet tegenover een aanvallig
knaapje wien men niets weigeren kan. ’t Was een tijdverdrijf voor haar,
meer niet; een aardig spelletje nu en dan om haar verveling te
verdrijven; maar niets blijvends of rustverstorends; geen bedwelmende
roes, maar slechts een aangename opwekking.
Op die avond na ’t bezoek aan Van Thiemen was Paula in geen tien dagen
bij haar vriendin geweest. Mevrouw Boudewijns overlaadde haar met
vriendelijke verwijten: haar Dolf was wanhopig geweest, hij ook had
niets van haar uitblijven begrepen; de arme jongen was er bepaald ziek
van. Paula lachte en verklaarde ’t geval. Zoo’n dwaas kind! Waar was
hij? O, thuis, natuurlijk, zuchtende, zooals hij al dagen achtereen, in
angstig wachten, was geweest.
„Je vindt hem boven,” zei mevrouw Boudewijns, „verras hem ’s. Wat zal
hij blij zijn!” En ze voelde zich tegenover die beiden zoo recht
moederlijk gestemd op dat oogenblik. Wat zag die Paula er lief uit, en
wat hield Dolf veel van haar!
Paula wipte de trap op, geruischloos en vlug als een eekhoorntje.
Voorzichtig deed ze de deur van Dolf’s kamer open; de portière die
erover hing gleed van haar schouders toen ze binnentrad, voetje voor
voetje.
Het jongmensch zat ineengedoken bij de tafel, met de rug naar de deur.
Een boek lag opengeslagen vóor hem. Het licht der gaslamp viel op zijn
fijne, mooiknaapjes-trekken. Hij hield de oogen half gesloten, de
handen op schoot in elkaar gevouwen, in een houding van misnoegdheid.
Een grijs flanellen jasje met roode tressen omsloot zijn bovenlijf,
zijn voeten staken in mooi-gewerkte pantoffels.
Paula naderde hem van achteren, en voordat hij ’t hoofd kon omwenden,
had ze haar handen vóor zijn oogen gelegd.
„Wie zou daar wezen?” riep ze dartel.
„Och, Paula!” was ’t hoogverraste antwoord. Hij weerde de handen van
zich af, en sprong op.
„Daar ben ik,” zei Paula, „ben je blij?”
„Ja, blij en boos, hoor! Ga zitten, hier.” Hij trok haar met zich mee
naar de sofa bij het raam.
„Boos? Och kom, daar meen je niets van!”
„Dat meen ik wel.” Hij trok haar naar zich toe, en kuste haar
herhaaldelijk op mond en oogen.
„Och laat dat, stoute jongen!” riep Paula. „Je zegt dat je boos bent,
en dan zoo iets!”
„Ja, waarom laat je me hier zoo alleen? Tien dagen hoor ik taal noch
teeken van je.”
„Waarom zou dat nu wel wezen? Omdat ik mijn kleine Dolf vergeten ben,
niets meer van hem weten wil? Daarom kom ik nu zeker weer hier. En jij
ontvangt me in je huisjasje!”
Dolf keek ’s naar zijn négligé.
„Nee, maar zeg me toch wat er gebeurd is. Maar geef me eerst een zoen.”
„Nee,” zei Paula, en week terug. „Braaf zijn, van avond.”
„Dat zal ik—ik ben niet meer boos. Een zoen.”
„Nee, nee, nee! Ik moet eerst vertellen. Ik heb ’t land.”
„’t Land, jij ’t land?” Dolf schikte zich in ’t onvermijdelijke, met
teleurgestelde blik.
„Ja, of dacht je dat ’t alles maar rozengeur en maneschijn met mij was?
Als je zoo oud ben als ik....”
„Oud! Jij wordt nooit oud!”
„Dat heb je zeker pas tegen je grootmoeder gezegd.”
Dolf begreep haar niet. Zij lachte, vond hem naïef.
„Goed, ik zal je vertellen. Larsen is ziek.”
„Zoo, ’t spijt me zeer.”
„Nu ja, dat begrijp ik. Maar ’t is ernstig.”
„Wat, zijn ziekte? Gaat hij dood? Allemachtig jammer! Groot verlies
voor de wetenschap.”
„Och, hoû je mond. Laat me uitpraten. We hebben ruzie gehad, hevige
ruzie, en dàt is ernstig.”
Dolf keek een oogenblik verschrikt.
„Suspicie?” vroeg hij. „Op mij?”
„Och nee, jongen! Wees nu maar niet zoo pedant. Hij denkt niet aan jou.
Hij vindt je een aardig kereltje.”
Dolf haalde humeurig zijn schouders op.
„Nu?”
„Och, dwaze veronderstellingen.”
„Hoe komt hij eraan?” Dolf veroorloofde zich de weelde van jaloersch
zijn.
„Door een ouwe brief, een ding van niets.”
„Och kom! Die goeie zooltreder? Hoe dat zoo op eens?”
„Je kent ’m niet. Die man is heel anders dan ik gedacht had.”
Paula sprak hier uit wat ze inderdaad tot haar pijnlijke verrassing
ontdekt had.
„Ja,” ging ze voort, „als zoo’n man eenmaal argwaan krijgt, is ’t veel
erger dan bij een ander.”
„Nu en wat dan nog? Hij weet toch niets bepaalds tegen je?”
„Nee, maar hij is toch erg boos, denkt aan allerlei
verschrikkelijkheden.”
„Wat dan toch?”
„Hij wil van me af: scheiden. Maar dat gaat natuurlijk maar niet zoo.”
„Nee. De bepalingen op de echtscheiding erkennen bij ons maar enkele
gevallen waarin die plaats mag hebben.” Dolf had zijn candidaats-examen
in de rechten nog niet gedaan, en de geheimen van ons burgerlijk recht
waren hem nog niet geopenbaard. Niettemin stelde hij graag zijn
juristenpraat tegenover de meerdere levenservaring van Paula, die hem
nog zoo vaak imponeerde.
„O, dank je voor ’t rechtskundig advies,” zei Paula quasi-deftig. „Een
gewone scheiding kan niet. Maar hij wil toch van me af.”
„Maar hoe dan?”
„Hij wil vluchten, met Didi.”
„Hij is gek! Heeft hij ’t je dan gezegd?”
„Nee, niet bepaald met de bedoeling om ’t te zeggen. Hij is erg ziek,
en nu droomt hij ervan, en ijlt erover.”
„Zoo, zoo. En te voren?”
„Voordat hij ziek werd, bedoel je? We hebben nu een dag of tien geleden
die ruzie gehad, en hij is eergisteren ziek geworden. Hij heeft al die
tijd er niet van gesproken, van scheiden meen ik. Hij was erg stil al
die tijd. Ik dacht dat alles weer bij zou draaien.”
„Maar, vertel me ’s, hoe was die ruzie eigenlijk?”
Dolf voelde de jaloezie in hem werken, en deze prikkelde zijn
nieuwsgierigheid. Zij keek hem aan, greep zijn hand.
„Ik ben een heel stoute vrouw geweest. ’t Is eigenlijk mijn schuld. Je
zult me een onverstandig mensch vinden.”
„Nu?”
„Ik heb ’m in zijn gezicht geslagen. Ik kon die onbeschaamde vragen
niet uitstaan.”
„Heb je ’m geslagen?” Hij sloeg zijn arm om haar heen. „Braaf zoo!”
riep hij. „Zoo leer je ongelikte beeren hun streken af.” Paula liet
zich kussen.
„Och nee, ’t spijt me. Nu is ’t zoo naar tusschen ons! Als hij beter
wordt, vrees ik dat ’t nooit meer ’t oude wordt.”
„Wat kan jou dat schelen? Zoo’n vervelende boekenwurm! Laat hem zijn
troost zoeken in zijn boeken!”
„Goed, ik woû dat hij ’t deed!” riep Paula mismoedig. Ze speelde met
het vergulde spilletje van haar das, met peinzende wenkbrauwen. „Maar
dat doet hij niet. Ik ben zoo bang dat er ’s iets van komt. Dat hij
wegloopt. Je kunt zoo’n man toch niet opsluiten? En als ’t ’s gebeurt,
dan zit ik met mijn gebakken peren.”
„Ten eerste doet hij dat nog zoo gauw niet. En dan—als hij ’t doet,
wel, dan is hij gek.” Dolf sprak met oudmannetjesachtig aplomb.
„’t Helpt mij wat!” pruilde Paula, en trok aan ’t vergulde spilletje op
haar borst.
„Dan is hij gek. Dan bewijst hij dat hij gek is. En jij laat ’m
eenvoudig door de politie opsporen, en—in een gekkenhuis zetten.”
„Radicaal,” zei Paula spottend.
„Zeker, en dan ben je van hem af. Dan ben je heelemaal van mij.”
Hij verslond haar met zijn oogen. Zij zag het, en lachte luid.
„Ben ik dan nú niet voor jou?” zei ze streelend. „Trouwen zou je me
toch niet—en ik zou ook niet willen.”
Hij protesteerde met een hevig gebaar.
„Ik zie niet in waarom niet,” riep hij.
„Nu, ìk wel. Maar ter zake: je leutert erover heen.”
„Ik zeg je, laat ’m zijn gang gaan. Als hij ’t doet laat je ’m
opsluiten.”
„Nee, maar in alle ernst: ik ben heusch bang dat hij gek wordt.”
„Des te beter!”
„Werkelijk, hij doet zoo vreemd. En hij heeft geen koorts, niets. Die
dokter laat ook niets los.”
„Och, die doktoren weten er niets van! Maar....” Dolf trok weer zijn
wijste gezichtje, „je kunt toch nut van ’m hebben.”
„Van wie?”
„Van die huisdokter. ’t Is immers Dr. Brakel. Laat die hem observeeren.
Wijs jij ’m er ’s op, dat je voor Larsen’s verstand vreest. Als hij nu
toch van jou af wil, moet je ’m vóor zijn: zie dat jij hèm op een
fatsoenlijke manier kwijt raakt.”
Paula keek peinzend. In haar hart was ze veel ongeruster dan ze wel
weten wilde. Ze was bang voor schandaal, en beter zoo’n reden, dan een
geruchtmakende vlucht. Wat zouden de menschen praten! Dat een geleerde,
een stil in zichzelf gekeerd mensch krankzinnig wordt was nog niet zoo
iets onwaarschijnlijks. En toch—die arme Larsen! Ze vond de heele zaak
toch ellendig. Ze gaf er wat voor als ze alles ongedaan kon maken,
zelfs haar avontuurtjes met dat aardige kereltje, dat zoo grappig naïef
deed in zijn verliefdheid. Och, hoe naïef ook, misschien had hij
gelijk: werkelijk, hoe meer ze erover dacht, des te vaster ging ze ’t
gelooven: eerst die heele week dat de man nagenoeg geen woord sprak en
nu die onverklaarbare ziekte, die malle praat en dat staren.... Ze zag
weer die wezenlooze blik. Wat was die man veranderd in die korte tijd,
ook zijn uiterlijk! Zeker, ’t kon best wezen dat Dolf gelijk had. ’t
Kon geen kwaad dat ze er op ging letten: ja, dat zou ze stellig doen.
Ze was in zoover tevreden dat ze nu de toestand beter inzag dan te
voren. Toen ze van Van Thiemen kwam was ze ontstemd, besluiteloos. Ze
had behoefte aan afleiding harer gedachten, ontwarring van ’t geen in
haar omging. Bij Larsen’s vriend had zij zich ongemakkelijk gevoeld,
hier ontspande ze zich.
„Waar denk je toch aan? Vin’ je mijn raad niet goed?” vroeg Dolf, nadat
hij haar in haar gepeins gadegeslagen had.
„Je kon wel ’s gelijk hebben,” zei Paula langzaam. Op eens, met een
bruuske beweging, stond ze op. „Ik ben blij dat ik bij je geweest ben.
Je hebt me gerustgesteld, ten minste.... ik heb nu een andere kijk op
die nare dingen. Adieu!”
„Wil je nu weg?” Dolf sprong van zijn plaats op, en vatte haar om ’t
middel.
Een glimpje van ondeugende spot blonk in Paula’s oogen.
„Ja, ik moet. Ik kan van avond onmogelijk lang blijven. Nu zoet zijn.”
Ze wendde zich geheel naar hem om, en leî haar handje op zijn
schouders. Hij was ongeveer even lang: zijn rond gezichtje met de
donshaartjes op de lip, de fijne neus, het kuiltje in de kin, de
sprekende blauwe oogen, de nauwzichtbare zijden wenkbrauwen, het
gladde, vrij hooge voorhoofd en de overvloedige blonde lokken, was vlak
tegenover Paula’s trekken.
„Je blijft, zeg ik je,” zei Dolf quasi-boos. „Tien dagen niet komen, en
dan maar zoo kort. Ik laat je niet gaan.”
„Dolfje, vent, frons nu maar die wenkbrauwen zoo niet.” Ze maakte geen
beweging om los te komen, maar keek hem aandachtig aan. „Je bent een
mooi kereltje, daar; maar ik blijf toch niet. Ik kan heusch niet. Nee,”
liet ze op andere toon volgen, „geloof me. Wees nu braaf. Later beter.”
Er was iets in haar stem dat hem deed begrijpen dat ze ’t meende. Ze
wond hem om haar vinger, dat wist ze. Maar ze wilde hem troosten. Nog
steeds in dezelfde houding zei ze vleiend:
„Niet boos zijn; maar ik ben heusch niet in een stemming van avond. Je
hebt niets aan me. Ik kom gauw terug. En dan....”
Hij trok haar tegen zich aan, en kuste haar.
„Vast beloven?”
„Stellig, zoodra ik kan....”
„Van de week....”
„Over ’n dag of drie. Adieu, adieu!” Voordat hij ’t wist, stond ze bij
de deur, wierp hem nog een kushandje toe en verdween uit de kamer.
Hij staarde nog op de golving der portière achter haar, had even een
aanvechting om haar achterna te gaan, doch bedacht zich.
„Beroerde Larsen!” mompelde hij tusschen zijn tanden, ging weer op den
leuningstoel bij de tafel zitten, en sloeg zijn beenen driftig over
elkaar.