Pietje de kamermeid zat die avond alleen in de keuken, of, beter
gezegd, die avond na achten; want haar collega de keukenmeid had haar
„uitgangsdag” en verdween dan vrijwel onmiddellijk na de maaltijd;
terwijl ze de „vaten”, zoo juist van tafel afgenomen, in hun onreine
toestand op haar thuiskomst—klokke half elf—liet wachten. Pietje had
dus ’t rijk alleen, en daarin verheugde zij zich deze keer. Zeker iets
ongewoons, want Pietje praatte anders graag, en vond het gewoonlijk
„zielig” zoo op haar eentje in het spijzen-laboratorium haar avonduren
te slijten.
Ze had iets bizonders die avond, iets heel bizonders, dat haar volle
aandacht in beslag nam. En ’t was niet alleen iets buitengewoons, ’t
was ook een bezigheid die tijd en omzichtigheid eischte. Daarvoor moest
ze ongestoord minstens een paar uur kalmpjes kunnen neerzitten.
Niettemin was ’t een aangename bezigheid. Zeker, zeer aangenaam, hoe
onwaarschijnlijk dit ook moge klinken van een zoo bizonder gezellig,
praatziek en ongeduldig schepseltje als Paula’s vertrouwelinge, Pietje
van Groenewoud.
Pietje’s oogen stonden dan ook heel genoegelijk. Er blonk een
eigenaardig schijnsel in van innige verkneukeling, van ondeugende
dartelheid. En ze had nòg hoogere kleur dan anders.
Nauwelijks was de „glazen deur” met ’t mousseline gordijntje achter
Kee’s breede rokken gesloten, of Pietje zette haar stoel, waarop ze
achteroverleunend tegen de gootsteen had gewiebeld, toen Kee er nog
was, met de rugleuning naar de deur tegen de tafel, ging er voorzichtig
op zitten, schoof een paar borden en glazen een heel eind van zich af
op de withouten tafel, zoodat ze zeker een vrije ruimte van een halve
meter straal om haar boezem vóor zich had, maakte een drievoudig
vreugdegeluidje met haar keel, waarbij haar mond eens zoo lang
opgrijnsde, en—tastte in de zak.
„Ziezoo, dat ’s éen,” mompelde ze, bekeek het kleine voorwerp
aandachtig, draaide het om, vertrok haar mond even spijtig, en leî het
vóor zich neer, heel in de hoogte. ’t Was een stukje papier zoo groot
als een cent, en er stond niets op. Onmiddellijk frommelde ze weer in
haar zak, en haalde er ditmaal twee stukjes uit, van ongeveer dezelfde
afmeting.
Weer het aandachtig onderzoek. Een teleurstelling en een vreugde: weer
een onbeschreven stukje, en een ander met eenige letters erop.
Wat stond er? Pietje kon er niets uit maken, met de beste wil niet!
Maar, zie, de eerste letter was een groote, een hoofdletter. En Pietje
had genoeg geleerd op school om te weten dat een zin met een
hoofdletter begint.
Dat stukje—met de hoofdletter—dus weer bovenaan, links, naast ’t witte
van zooeven, en ’t andere blanco-stukje rechts, ver van zich af.
Met een zucht kwam er een vierde stukje—tweemaal zoo groot als dat met
de hoofdletter, en daarop stond—heerlijk!—een drietal woorden: „hand te
drukken.”
„Best,” zei Pietje bijna hardop. Dat was al iets, al was er geen slot
of zin aan. Ze leî het na eenig overleg en aarzeling in ’t midden.
Voorloopig, zie je.
’t Volgende papiertje was een ware vondst: ....udolf.... stond er,
duidelijk. Wel, dat was een stuk van een naam.... En daar hoorde die
hoofdletter bij, want dat was een R! Rudolf dus, mooi.
Pietje was verrukt, en in haar extaze vergat ze een oogenblik het
gevonden woord op de vermoedelijk juiste plaats te zetten.
Wel, wel, Rudolf! Hij heette dus Rudolf.... Een liefje van mevrouw?
Natuurlijk! Maar wie zou ’t wezen?.... Daar hadden ze dus ruzie over
gehad, boven in de studeerkamer.... toen ze mevrouw zoo hoorde „te keer
gaan....”
Pietje kon haar lachen niet bedwingen. Wel, wel, wel, wat was ze dom
geweest iets anders te denken!
In blij gepeins verzonken lag ze achterover in haar stoel, de oogen
half dicht. Ze had waaratje gedacht dat.... meneer.... nee, maar
verbeel’ je, meneer, die goeie, doodgoeie meneer.... Nee, ’t was om te
proesten! Dat meneer een liefje gehad had en een brief van haar
gekregen had, en dat mevrouw daarom zoo boos geweest was. Waarom was ze
dan anders zoo verschrikkelijk nijdig geweest.... en nou ja.... die
goeie sullen van mannen.... als ’t erop aankwam waren ze al net als de
rest, hoor! Dat dacht ze zoo.... Maar toch.... nee, dit was
waarschijnlijker, veel waarschijnlijker. Een liefje van mevrouw! En die
heette Rudolf.... Zeker die officier....
Nog een minuut lang peinsde Pietje. Toen greep ze energiek in haar zak,
en haalde er een heele dot papiertjes uit. Ze moest er gauw meer van
weten, hoor. Ziezoo, nu uitspreiden, uitzoeken.
Hè, ’t was om tureluursch te worden! Er waren zeker wel dertig stukjes.
’t Passen en schikken, ’t vreugdevol bijschuiven, en verdrietig
wegvegen duurde zeker een half uur. En Pietje zuchtte en lachte en
kirde zoo tusschenbeide. Hè, lam zoeken was dat! En toch.... ze zou
weten wat er in die brief stond.... daar hielp geen lieve vader of
moeder aan. Nee, mevrouwtje, daar zou ze achter komen, en lekker ook!
De legkaart begon wat vorm te krijgen: ’t voornaamste was ontdekt, lag
op zijn plaats, behoorlijk, ontwijfelbaar juist....
Telkens las ze.... raadde ze.
Wat stond er nu? Om des te meer voldoening van haar werk te hebben, had
ze een heele poos de woorden der verschillende stukjes niet in hun
onderling verband willen lezen.
Nu deed ze ’t.... Jawel.... goed, maar was zij dáarom zoo boos
geworden?.... En, wat was dat? „Zíjn kind.... óns kind....” Lieve
deugd, had mevrouw?.... Nee, maar.... En daar was hij dus achter
gekomen, meneer! Nee, dàt had ze toch niet gedacht.... Dus.... o, nu
snapte ze alles! Pietje’s voldoening bij de volledige ontdekking van de
geheimzinnige inhoud van ’t schriftuur had een bijsmaak.
Pietje was geen slechte meid: wat wuft, erg nieuwsgierig.... maar wat
ze daar las was toch heel erg, hoor.... Ze moest nog aangenomen worden
bij de dominé, en.... dat zou over een maand al wezen.
Zoo’n onbescheidenheidje.... nou ja.... maar Pietje vond.... dat zij,
als ze mevrouw was.... ’t nooit zoo ver had laten komen. Een onschuldig
vrijagetje, dat had er nog door gekund. Maar, heî je nou ooit, zoo’n
geschiedenis, en dan tegenover die goeie meneer!
Weer verzonk Pietje in gepeins achterover in haar stoel, de eene
hand—klein, maar met krootroode werkvingertjes—slap op de tafel voor
zich, de andere in haar schoot.
Die Rudolf was toch niet.... Nee.... meneer Van Breehorst heette....
och, hoe heette die ook weer?.... O, ja, Frederik.... of eigenlijk
Frits: zeker, ze had mevrouw wel ’s Frits hooren zeggen. Die kwam een
poos geleden nogal veel in huis, en mevrouw mocht hem heel graag: o,
zeker dat had ze wel kunnen zien. Ze was toen pas in dienst.... drie
jaar geleden.... Maar dan dat kind.... Och, hoe kon ze nou zoo
ezelachtig wezen....! Ja, maar die groote dames kunnen dat zoo mooi
stilhouden.... en dan uitbesteden ergens.... dat kind.... en dat was
toen gestorven.... Och nee, dat was toch „krimmeneel” onmogelijk: daar
zou ze als kamermeid toch wel iets van gemerkt hebben.... ’t Is waar,
mevrouw liet haar bij alle vertrouwelijkheid nooit in de badkamer, als
ze daar bezig was met water te knoeien.... maar nou ja, je kunt zoo
iets toch wel snappen.... Pietje kon zoo iets wel snappen.... Nee,
Pietje wist te veel van mevrouw.... meer dan meneer, hoor. Nee, nee,
nee, die veronderstelling was te gek. ’t Moest van vóor haar tijd
wezen. Hoe zou ze daar licht in krijgen?.... Ze wou ’t toch zoo graag
weten.... Niet om ’t een of ’t ander tegen mevrouw.... nou, dat moest
er nog bijkomen; ze hield immers zooveel van mevrouw! Maar, och, zie
je, ze.... ze.... nou ja, ze woû, ze moest en zou ’t weten....
Pietje’s gepeins werd dieper, absorbeerender.
Opeens sloeg ze op de tafel met haar kleine roode vuistje. Ze schrok er
zelf even van.
Die Rudolf.... wel, dat was die vriend.... nee, die neef van meneer,
die jaren geleden naar „de Oost” gegaan was! Daar had je ’t! O, dat was
het vast. Zeker, die heette Rudolf. Ze had er meneer wel ’s over hooren
spreken. Meneer, ja, mevrouw niet. Nee, mevrouw had nooit iets van hem
gezegd.... Laatst, ’t was voor eenige weken nog, had meneer een brief
uit Indië gehad, van z’n broer—ja, van z’n broer, ze wist het nog
goed—en toen had ie nog tegen mevrouw gezegd: „Hoe vreemd, nie waar,
vrouwtje, dat we maar altijd niets van Rudolf hooren?”.... Ja, en toen
zei mevrouw nog: „Ja, erg vreemd”—niet meer—en toen zei hij weer: „Ik
had zoo gehoopt eindelijk ’s wat van ’m te hooren.” Ze herinnerde zich
nog best dat ze juist wat in de huiskamer ronddribbelde, toen Mevrouw
haar gebeld had, aan de koffietafel.
Zeer tevreden over haar ontdekking klaarde Pietje’s gezicht weer op. O,
maar, als ’t dàt was.... wel, recht beschouwd was ’t dàn toch zoo
vreeselijk niet. De man was immers weg, heel ver weg. Ze wisten nie’
eens waar-i zat. En ’t kind was ommers dood.
Pietje vond telkens nieuwe bewijsgronden dat haar mevrouw toch nog niet
zoo slecht was als ze gedacht had.
Ze stond van haar stoel op, richtte zich naar de schoorsteen, reikte
even naar ’t lijmpotje in de hoek op de richel. Daarna ging ze weer
zitten, schoof de lâ van de keukentafel open, haalde er een stuk van
een oude courant uit, en begon te plakken.
Er ontbraken een paar stukjes hier en daar. Dat kwam er niet op aan,
want de brief was toch goed in zijn geheel te begrijpen. Pietje begreep
er genoeg van ten minste, en ’t was een kostbaar stuk. Ja, een papier
van belang, dat besefte ze. Waar zou ze ’t bewaren? Hier in de keuken
zeker niet.... nee, voor geen geld mocht Kee zoo iets zien: de zaak was
ommers uit, heelemaal uit, en ’t was beter dat geen haan ernaar
kraaide.
En toch was mevrouw zoo boos geweest. Nu, dat begreep ze nu wel: meneer
moest ook niet zulke ouwe koeien uit de sloot halen.... en dat had-i
zeker erg onpleizierig gedaan. Meneer kon soms onpleizierig wezen,
hoor. Niks nie vriendelijk, altijd zoo met die basstem, en dan hij
lachte zoo weinig. Nee, als zij mevrouw was geweest.... zou ze toch ’n
ander genomen hebben. En òf ze. Mevrouw hield toch ook zeker niet van
hem. Ik had ’t altijd wel gedacht: hoe kon je nou ook van zoo’n saaie
knul houden?
Die lieve mevrouw....
Pietje voelde zich een beetje aangedaan. Als ze ’s die’ brief aan
mevrouw gaf.... O, mevrouw zou misschien even boos zijn, maar dan....
per slot van rekening zou ze ’t toch wel prettig vinden dat
ongelukspapier weer in haar handen te hebben. Ze kon ’t dan
verbranden.... Ja, maar, was dat wel zoo zeker? Zou mevrouw niet
furieus op haar zijn, omdat ze zoo brutaal geweest was die stukjes op
te rapen, en de brief te lezen?.... Och, nee, ze woû ’t toch maar
liever niet doen. Niet direkt ten minste. Eerst maar goed bewaren.
Boven in haar „lâtafel”, haar heiligdom, daar zou ze ’t wegleggen, dat
papier. Onder haar baaien rok.... nee, liever in de onderste lâ: daar
kwam ze nooit in.
Plotseling keek Pietje verschrikt op.... Wat was dat? Krimmeneel, is
dat schrikken, en ’t was maar die lange sladood van een mevrouw Ennery:
wat sloeg dat mensch op de piano!
Pietje keek ’s op de klok rechts van haar aan de wand. Kwart over
tienen al. O, Kee kwam pas over een kwartier of zoo.... Haar gedachten
gingen een heel andere kant uit: uitgaan, haar vrijer.... of,
vrijer.... eigenlijk had ze er geen.... of meer! Ja, ze wouen haar
allemaal wel hebben, maar ze had haar woord....
Weer een schrik.
De deur ging open, en Kee stevende binnen, roodstralend van wangen, met
glinsterende oogen.
„Zoo, wat voer jij uit? Je zit zoo te koekeloeren....”
Pietje stond doodsangsten uit. Opeens liet ze haar bovenlijf over haar
legkaart vallen, en steunde haar hoofd met beide handen.
„Och, ik heb slaap....”
„Waarom ga je maar niet na’ bed?” zei Kee medelijdend en moederlijk.
„Ja.... nu jij thuis bent.... Maar die mevrouw Ennery is nog niet
weg.... Dat vervelende schepsel....”
Kee verdween in de gang. Gelukkig. Ze had haar mantel nog niet
uitgedaan.
Fluks schoof Pietje het papier vóor haar in de lâ van de tafel. In
vredesnaam: daar maar voorloopig. Er was niets anders op.
Pietje ging naar bed, angst in ’t hart....
Eerst anderhalf uur later hoorde ze Kee naar boven komen. En toen ze in
’t kamertje naast haar Kee’s welbekend gesnurk hoorde—die meid sliep
altijd als een roos, vooral na een uitgangsavond—kroop ze voorzichtig
uit haar bed, schoot haar muilen aan, en sloop de trap af. Naar de
keuken.
Ze had ’t papier, hoor. Dat beroerde ding! Wat ’n angsten gaf haar dat
nu al! Ze woû dat ze ’t nooit gevonden had. Ook toen ’t veilig in de
onderste lâ van de bruine „lâtafel” lag; want slapen deed ze heel
slecht die nacht. En droomen, nee’ maar!
Ze was er de volgende ochtend kapot van.