XI.

Als men een fraaie fresco-schildering van een muur wegbreekt of

afkrabt, blijft er een leelijke „moet” achter, iets dat het oog

bizonder onaangenaam aandoet; en hij die weet wat vroeger daar tot

verlustiging van de blik geschilderd was, voelt dan iets van de

schrijning eener ontheiliging in zijn hart. Toch was die schildering

slechts een sieraad, een bijkomend iets, en de muur zou evenzeer aan

zijn eigenlijk doel beantwoord hebben zonder dat, en zal dat ook wel

doen nadat het verloren gegaan is.

Voor Larsen was zijn liefde schoon als zulk een fresco, maar ze was

meer dan een sieraad van zijn bestaan, ze was daarmee vergroeid. En de

wonde in zijn ziel geslagen na de plotselinge wegrukking dier liefde,

was daarom vreeselijk.

Larsen’s liefde was zijn gansche zieleleven: zijn godsdienst, zijn

eerzucht, zijn geestdrift voor wetenschap en kunst.

Zijn liefde was zijn godsdienst, omdat voor hem godsdienst de vereering

was van al wat goed en schoon is. En in zijn Paula vereerde hij de

belichaming van beide. Als hij zelf er zoo nuchter over had kunnen

nadenken, dan zou hij ingezien hebben hoe dit verschijnsel bij hem

slechts een andere vorm was van dat hetwelk men bij zooveel volken

vindt: afgoden- en heiligendienst. De menschen, niet tevreden met het

abstracte, willen verpersoonlijking, concentratie van vereering op een

tastbaar voorwerp. Zijn aanbidding van die vrouw was te vergelijken met

die van de stier Apis door de Egyptenaren of van Jan van Leiden door de

Wederdoopers.

Van ’t zelfde beginsel uitgaande, was echter zijn aanbidding vuriger en

dus ook meer verblindend. En toen ’t licht plotseling uitdoofde, stond

hij radeloos in ’t duister.

Zijn liefde was zijn eerzucht, omdat hij zich geen geluk kon denken

zonder zijn liefde, en alle streven naar geluk in dienst zijner liefde

was. Zijn liefde maakte hem fier, staalde zijn werkkracht. En toen zij

verdween, verzwond ook de lust, zweeg het „excelsior!” dat zijn liefde

hem steeds had toegeroepen. En hij stond doelloos, verbijsterd,

wezenloos.

Zijn liefde was zijn geestdrift voor wetenschap en kunst; want deze was

slechts éen uiting der levensvreugde die hem vervulde door zijn liefde.

Waar zij niet meer zijn ziel doorjuichte, werd ook de geestdrift

uitgebluscht, en leek hem mat en kleurloos wat hem zoo lang heerlijk

had toegeschitterd.

Zoo was dan zijn gansche innerlijke mensch geschokt, zijn zieleleven op

het doode punt gekomen.

Als een tastende in den blinde had hij naar een uitweg gezocht. En toen

hij zich die afgesloten zag, was het of alles voor hem ophield. Dagen

achtereen leefde hij voort in dof broeden, en zijn lichaam voldeed aan

de eischen van zijn stoffelijk bestaan als een nachtwandelaar.

Hij meldde zich ziek, en gaf zijn colleges niet meer. Hoe zou hij

kunnen, mijn God, met zulk een hel in zijn hart, zulk een chaos in zijn

hersenen!?

Zijn ijzersterk gestel zwichtte ten slotte, en hij gaf zich geheel en

al gewonnen, ook tegenover zichzelven.

Op een morgen—een week na ’t vreeselijke tooneel met zijn vrouw—wilde

hij opstaan; maar de inspanning was hem te groot, en hij zonk weer

terug in zijn kussens, slap en machteloos. Hij was anders prompt om

acht uur aan ’t ontbijt, zelfs in die zeven dagen van wanhoop....

Om half negen verscheen Paula aan zijn bed. Hij was blijven slapen in

de logeerkamer, en Paula had er zich niet tegen durven verzetten.

„Ben je ziek?” vroeg ze toonloos.

Hij antwoordde niet. Zijn oogen staarden haar aan. Hij lag achterover,

’t hoofd midden op ’t kussen, zonder beweging.

„Wil je niet wat gebruiken.... je ontbijt....? Zal ik ’t boven laten

brengen?”

Hij schudde het hoofd, even.

Paula drong niet verder aan.

„Wacht,” zei ze, en schoof een nachttafeltje bij ’t bed, „ik zal de

meid boven sturen met een tafelschel. Als je dan wat noodig heb, schel

je maar even.”

Larsen knikte nauw zichtbaar, en Paula ging stil heen.

Voor haar was de wending die de zaken genomen hadden niet onwelkom. Ze

voorzag een ongesteldheid van eenigen duur. Larsen was anders nooit

ziek, en een afwijking in zijn „automatische” levenswijze—stipt en

geregeld met alles—scheen haar een zeker teeken van ernstige stoornis.

Toch dacht ze geen oogenblik aan gevaar, en zou dit haar ook verre van

gewenscht zijn voorgekomen: neen, waarvoor zou ze hem dood wenschen?

Kon ze niet innig liefhebben, sterk haten was haar al even onmogelijk.

Ze haatte hem niet. Ze wilde zijn herstel.

En ze wilde daartoe meewerken. Ze wilde hem oppassen. Dat zou hem

immers gunstig stemmen, en dan was er kans op verzoening. Dat was toch

maar ’t beste: ze hield niet van zure gezichten en ruzie.

En dan ze had een natuurlijke, men zou geneigd zijn te zeggen een

dierlijke goedhartigheid, die haar er toe bracht met genoegen

iemand—een medemensch—en zelfs een beest, kleine diensten te

bewijzen,—goed te zijn in ’t klein. Trouwens ze deed alles in ’t klein.

En dat ze hier een menschenhart vertrapt had, belette niet dat ze met

pleizier lekkere schoteltjes voor de zieke wilde klaarmaken, uren bij

zijn bed zitten, en hem in ’t algemeen behandelen wilde als een

volmaakte verpleegster.

Zoo deed ze.

Haar eerste zorg was de huisdokter te raadplegen, haar tweede naar haar

moeder te gaan, en in vredesnaam maar alles te vertellen. Ze kon dan ’s

„vrij praten”, iets waar ze ten slotte toch naar verlangde. Dit bestond

daarin dat ze op haar manier al het voorgevallene naar waarheid

beschreef en besprak. Ze wou dat met niemand anders zoo doen, al was

dan ook deze hartuitstorting verre van een volledige bekentenis met „de

waarheid en niets dan de waarheid.” Neen, dat liet haar aard eenvoudig

niet toe. ’t Was haar een behoefte te „borduren”—onoprechtheid was bij

haar natuur en viel haar nooit zwaar, hoezeer ze ook in een oogenblik

van hevige beroering zich en Larsen wijsgemaakt had dat ze uit

zelfbedwang gehuicheld had in haar verhouding en gevoelens jegens hem;

doch evengoed was haar een behoefte zich te uiten, hoe dan ook. Ze

praatte veel, suggereerde zichzelf daarbij, en wist ook anderen

meesterlijk de indruk te geven die zij wenschte te geven. Ze was een

volleerde tooneelspeelster, zooals slechts enkele vrouwen, met hun

fijnbewerkte zenuwen en wonderlijk plooi- en wisselvermogen, dat

vermogen te wezen.

Van haar moeder zou Paula waarlijk weinig raad te wachten hebben,

aangenomen dat ze die verlangd had. De oude vrouw was een onbeteekenend

menschje, vol bewondering voor haar dochter, een-en-al toegevendheid

voor deze; zonder overtuigingen—behalve die dat Paula een buitengewone

vrouw was, voor wie alles geoorloofd was, en dit alleen nog maar omdat

de betoovering telkens en telkens vernieuwd werd—willoos en

karakterloos; voor wie het leven éen lange dommel was, waaruit ze

slechts nu en dan even wakker schrikte tot halve bewustheid.

Larsen was altijd te gelukkig geweest om zich over de tekortkomingen

zijner schoonmoeder te ergeren. Trouwens, ze was altijd „wel” met hem,

zei nooit een onvertogen woord, en Larsen was in zijn oordeel over

medemenschen steeds zóo zacht en verdraagzaam, dat hij tegenover

Paula’s moeder moeilijk anders wezen kon: goedaardige menschen worden

door ’t geluk edelmoedig, en hier maakte de uitstraling van Paula’s

bekoring hem bovendien blind voor iemand die haar zoo na stond.

De tijding van Larsen’s ongesteldheid met wat er aan voorafgegaan was

wekte mevrouw Lindes op tot werkdadige hulp. Ze kwam op Paula’s wensch

logeeren, en stond haar dochter dagelijks bij in de bereiding van

bouillon, het verzinnen van nieuwe smakelijke schoteltjes—voor haar en

voor „Willem”—en het gewone beheer in huis; zoodat Paula zich aan haar

zieke wijden kon.

„Zou je niet ’s?”.... stelde ze voor, en Paula zei:

„Waar denkt u aan, moeder? Geen kwestie van, hoor,” en dan zij weer:

„O, ik dacht maar zoo, zie je. Maar ’t is goed, kind.... Zeker je hebt

weer gelijk....”

Dan was haar regelmatig gezicht weer een en al sluimerglimlach, een

uitdrukking die er vrijwel altijd op lag.

Ze sprak zacht en gedempt, liet bij ’t spreken zelden haar mooie

valsche tanden zien, en had iets afgemetens en slepends in al haar

bewegingen en gebaren. In dit opzicht een tegenbeeld van de

luidruchtige Paula met haar allegro-brioso-natuur. Deed Paula’s stem

aan Rossini’s oppervlakkige dartelmuziek denken, haar moeders orgaan

herinnerde in zijn uitingen aan een psalm die gezongen wordt in de

protestantsche kerk.

Toen de dokter kwam deed Paula ’t woord. Hij scheen Larsen’s toestand

nogal ernstig te vinden. Na het bezoek aan de zieke bleef hij even

praten.

„Hevige gemoedsbewegingen, mevrouwtje?” vroeg hij nu.

„Wat bedoelt u—hij? Larsen?”

„Ja.... ik begrijp die plotselinge overgang niet best. Lichamelijk

letsel is hem toch niet overkomen.”

„Volkomen juist, dokter.... Hij heeft zich wat opgewonden over.... een

kleinigheid....”

„Erg opgewonden....”

„Ja, eigenlijk wel. Dat is nu een week geleden....”

„En in die tusschentijd?”

„O, stil, ziet u.... in zichzelf gekeerd; veel meer dan anders....”

„Hm. Oppassen, mevrouwtje. Sterk gestel, maar.... als die menschen

eenmaal gaan sukkelen, kan ’t heel ernstig worden.”

De huisdokter, een man van ongeveer Larsen’s leeftijd, had veel van de

wereld gezien, en hij kende zijn menschen. Hij schoof dus een aandrang

van gedachten als niet voor uiting vatbaar op zij, en zeî alleen nog

maar:

„Hij is in goeie handen bij u. U zal hem wel goed verplegen. En

voorzichtig, nie’waar?”

„Zeker, dokter, geen zorg,” zei Paula met een allerliefste lach.

„Goed, goed. Ik kom van avond weer kijken. ’t Beste! Dag, mevrouwtje,

dag mevrouw Lindes, tot ’t genoegen....” Weg was hij.

„’n Vreemde dokter heb ik dat altijd gevonden, Paula,” teemde mevrouw

Lindes. „Nou schrijft hij ook geen recept....”

„Och, moeder, wat weet ú daar nou van? ’t Is een goeie dokter.”

„O, ja kind—ik spreek je niet tegen.”

En statig ging ze naar de keuken, om Kee over ’t eten te spreken. Paula

ging weer naar de ziekekamer.

In Larsen geen verandering. Hij sprak niet, en verlangde niets. Haar

bijzijn scheen hem niet te hinderen, en evenmin te behagen. ’t Ontbijt

stond onaangeroerd.

Paula had haar boek meegebracht, en zette zich tot lezen. Wat de dokter

gezegd had vervulde haar niet lang. Marcel Prévost wist haar spoedig

belang te doen stellen in zijn „Jardin Secret”.

Toen ze twee uur had zitten lezen, zonder een oogenblik gestoord te

worden, keek ze nog eens naar de gestalte in ’t bed, zag dat Larsen

eindelijk de oogen gesloten hield, en, tot het besluit komende dat hij

sliep, stond ze met een zucht op en ging naar beneden.

„M’n hemel, moeder, wat ’n zieke!” riep ze beneden in de huiskamer,

waar de oude mevrouw druk in de weer was met de „koffietafel”.

„Hoe zoo, kind?” zei deze, ’t hoofd even langzaam omwendend, en met

haar gewone schaapachtig goedige uitdrukking.

„Ik hoû ’t niet uit: Hij is gek, geloof ik.”

„Wat zeg je?” Dit was geen vraag, maar een gewoon niets-zeggend

antwoord van de spreekster.

„Ik zeg wat ik zeg. Ik geloof dat-i gek wordt.... Dat zou ’t einde

wezen van al dat gesuf in z’n boeken.”

„Denk je dat heusch, Paula? ’t Zou misschien wel kunnen wezen.”

„Nee, stellig.... De man doet niets dan staren, zegt niets, eet niet,

drinkt niet, vertrekt geen spier in z’n gezicht. Ik heb ’t nog nooit

zoo gezien.”

„Zou hij ook een kop koffie willen hebben? Zou dat ’m niet goed doen?”

Paula antwoordde niet, maar keerde zich driftig om:

„Kom, moeder, laten we maar aan tafel gaan.”

„Och, ik dacht maar zoo....” zeî moeder vergoelijkend, en nog in

dezelfde gedachtengang.

Paula schoot in een lach.

„U dacht, u dacht, u denkt veel te veel, moeder! Ha! ha!”

Haar overborrelende levenslust had ’t weer gewonnen; ze moest weer

spotten en lachen.

„Stel je voor!” riep Paula, bezig met haar eerste broodje te smeren.

„Wat, kind?”

„Dat hij ’s gek werd. Een prettig vooruitzicht!”

„Maar je zou ’m toch niet in huis houden.”

„Naar Meerenberg zenden?”

„Vin je niet?”

„Ik denk er niet over. Ik zou ’m hier houden. Natuurlijk! Zou u ’t niet

gezellig vinden een gekke schoonzoon te hebben?”

Mevrouw Lindes’ gelaat was éen vraagteeken.

„Nou?” drong Paula.

„Och, zie je, niet erg.... Maar, als jij ’m in huis wil houden.”

„Als Willem gek wordt, is hij zeker niet kwaadaardig. Mijn goeie

zooltreder kan niet anders dan een bizonder mak gekje worden, en zoo

iemand is een juweel van een man, en een puikje van een schoonzoon:

nooit klachten, nooit ruzie.... Nou u, moeder?”

„Ik weet niet, kind; maar als jij ’t zegt.... Mijn man die dood is, jou

goeie vader, was wel lastig—dat is zoo—maar....”

„U had toch liever niet dat hij gek was geweest.... Groot gelijk,

moeder. U is toch een brave ziel. Gelooft u nu vast dat ik dat alles

zooeven gemeend heb? Och kom! ’t Komt terecht, hoor. Gek! Geen idee

van.”

„’t Doet me heusch pleizier, kind.”

Mevrouw Lindes lachte schaapachtig, en sliep weer in.

Ondertusschen was Paula lang niet zoo zeker van het „terechtkomen” in

kwestie, als ze wel voorgaf te wezen, en onwillekeurig dacht ze verder

door over de mogelijkheid van verstandsverbijstering bij Larsen. ’t

Vooruitzicht lachte haar niet toe; want ze had vast geloofd aan een

volkomen herstel der betrekkingen met hem, en een terugkeer van de oude

toestand. Dan, ze wenschte hem niets kwaads, ja ’t zou haar in alle

oprechtheid leed doen als zulk een ramp hem zoo plotseling alle verder

geluk onmogelijk zou maken. He, nee, ’t was akelig, griezelig, zoo

iets.... Ze wilde aan wat anders denken.

Met ongeduld wachtte ze die avond op de dokter. Larsen had weer niets

willen eten, had ook geen woord gesproken, zelfs geen klaaggeluid doen

hooren. Ze werd er wee van het aan te zien. Had hij geslapen? Ze wist

het niet.

De arts vond de zieke lang niet bevredigend, wist nog niet wat te

denken, maar zeide weinig of niets. „Rust.... en nog eens rust.” Hij

beloofde de volgende dag terug te komen.

Zoo ging het dagen achtereen, alleen met dit verschil, dat de patiënt

de tweede dag wat at, telkens weinig en machinaal, na herhaald

aandringen. Hij sliep veel en onrustig, droomde of ijlde—soms moeilijk

te onderscheiden; want zijn gansche toestand leek éen verdooving.

Wat hij sprak liep steeds over ’t zelfde: Paula, zijn echtscheiding,

haar ontrouw, zijn kind. En, hoe verward de woorden ook waren, Paula

bemerkte duidelijk hoe steeds deze éene gedachte hem door ’t hoofd

gespookt had: de onherstelbaarheid hunner breuk. Zoo, hij had dus ook

die zeven voorafgaande dagen steeds dat denkbeeld gehad, dacht ze, en

ze voelde zich teleurgesteld: ze had zich zijn zwijgen gedurende die

dagen als een gunstig overgangs-tijdperk voorgesteld! Nu was ze

voorzichtig genoeg te zorgen, dat er geen getuigen waren bij die al te

openhartige uitingen. De dokter kwam telkens maar even. Hij zeide iets

van „cerebralis” en van „stupor”, herhaalde zijn rustvoorschrift, en

liet verder alles op zijn beloop. Haar moeder hield ze zorgvuldig

buiten de ziekenkamer, en deze vond ’t veel te aangenaam Paula’s

weelderige huishouding te besturen, om in dit verbod iets hinderlijks

te vinden, verondersteld al dat ze ooit iets hinderlijk vond wat van

haar dochter uitging.

Wat Paula trof in Larsen’s ijlen was een verward plan om te vluchten

samen met Didi, ver weg, als eenige uitredding; en telkens had hij ’t

over een huisje waar ze samen woonden, vader en dochter elkaar

vertroostend in de eenzaamheid....

Hij had dus over zóo iets gedacht? Dat moest dan wel: hoe kwam hij er

anders aan? In zoo’n geval zou zij er al heel leelijk aan toe zijn....

Bij háar was de mogelijkheid van zulk een vlucht nooit opgekomen:

verbeeld je, hij, die doodgoeie prozaïsche Larsen! ’t Was al te

romantisch. En hij zou ’t slim moeten aanleggen ook, dat zij ’t niet

merkte.... Maar toch.... juist omdat ze zoo iets nooit vermoed had, zou

’t hebben kùnnen gebeuren.... Goed dat ze nu gewaarschuwd was. Ander

gevaar had ze nooit gevreesd. Haar uitlatingen waren immers zonder

getuigen gesproken: hij had er toch geen gebruik van kunnen maken....

Zoo had Paula stof te over om na te denken, terwijl ze haar zieke

oppaste.

Het denkbeeld om Van Thiemen in de arm te nemen, dat door Larsen’s

schijnbaar onderworpen houding op de achtergrond gedrongen was,

vertoonde zich weer: ja, van die kant was wel hulp te wachten, als ze

’t maar handig aanlegde. En handig wàs ze! Ze was een van die vrouwen

die een aangeboren takt schijnen te bezitten voor alles wat ze

ondernemen. Iedereen nam ze met de grootste gemakkelijkheid voor zich

in. Daarbij een aan ’t naïeve grenzende natuurlijkheid—bij háar hoogste

kunst—die niemand eenige valschheid deed vermoeden, ja menigeen iedere

verdenking daarvan met verontwaardiging van zich deed werpen.

Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu

moeilijk hem bij zich aan huis ontvangen. De aanwezigheid van de zieke

in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed op de stemmingen

uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid.

Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel

weinig bang voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle

geval kon Van Thiemen haar wel van raad dienen, al wilde hij niet

daadwerkelijk helpen.

Heilige Banden: Roman · 第 12 / 22 题