Als men een fraaie fresco-schildering van een muur wegbreekt of
afkrabt, blijft er een leelijke „moet” achter, iets dat het oog
bizonder onaangenaam aandoet; en hij die weet wat vroeger daar tot
verlustiging van de blik geschilderd was, voelt dan iets van de
schrijning eener ontheiliging in zijn hart. Toch was die schildering
slechts een sieraad, een bijkomend iets, en de muur zou evenzeer aan
zijn eigenlijk doel beantwoord hebben zonder dat, en zal dat ook wel
doen nadat het verloren gegaan is.
Voor Larsen was zijn liefde schoon als zulk een fresco, maar ze was
meer dan een sieraad van zijn bestaan, ze was daarmee vergroeid. En de
wonde in zijn ziel geslagen na de plotselinge wegrukking dier liefde,
was daarom vreeselijk.
Larsen’s liefde was zijn gansche zieleleven: zijn godsdienst, zijn
eerzucht, zijn geestdrift voor wetenschap en kunst.
Zijn liefde was zijn godsdienst, omdat voor hem godsdienst de vereering
was van al wat goed en schoon is. En in zijn Paula vereerde hij de
belichaming van beide. Als hij zelf er zoo nuchter over had kunnen
nadenken, dan zou hij ingezien hebben hoe dit verschijnsel bij hem
slechts een andere vorm was van dat hetwelk men bij zooveel volken
vindt: afgoden- en heiligendienst. De menschen, niet tevreden met het
abstracte, willen verpersoonlijking, concentratie van vereering op een
tastbaar voorwerp. Zijn aanbidding van die vrouw was te vergelijken met
die van de stier Apis door de Egyptenaren of van Jan van Leiden door de
Wederdoopers.
Van ’t zelfde beginsel uitgaande, was echter zijn aanbidding vuriger en
dus ook meer verblindend. En toen ’t licht plotseling uitdoofde, stond
hij radeloos in ’t duister.
Zijn liefde was zijn eerzucht, omdat hij zich geen geluk kon denken
zonder zijn liefde, en alle streven naar geluk in dienst zijner liefde
was. Zijn liefde maakte hem fier, staalde zijn werkkracht. En toen zij
verdween, verzwond ook de lust, zweeg het „excelsior!” dat zijn liefde
hem steeds had toegeroepen. En hij stond doelloos, verbijsterd,
wezenloos.
Zijn liefde was zijn geestdrift voor wetenschap en kunst; want deze was
slechts éen uiting der levensvreugde die hem vervulde door zijn liefde.
Waar zij niet meer zijn ziel doorjuichte, werd ook de geestdrift
uitgebluscht, en leek hem mat en kleurloos wat hem zoo lang heerlijk
had toegeschitterd.
Zoo was dan zijn gansche innerlijke mensch geschokt, zijn zieleleven op
het doode punt gekomen.
Als een tastende in den blinde had hij naar een uitweg gezocht. En toen
hij zich die afgesloten zag, was het of alles voor hem ophield. Dagen
achtereen leefde hij voort in dof broeden, en zijn lichaam voldeed aan
de eischen van zijn stoffelijk bestaan als een nachtwandelaar.
Hij meldde zich ziek, en gaf zijn colleges niet meer. Hoe zou hij
kunnen, mijn God, met zulk een hel in zijn hart, zulk een chaos in zijn
hersenen!?
Zijn ijzersterk gestel zwichtte ten slotte, en hij gaf zich geheel en
al gewonnen, ook tegenover zichzelven.
Op een morgen—een week na ’t vreeselijke tooneel met zijn vrouw—wilde
hij opstaan; maar de inspanning was hem te groot, en hij zonk weer
terug in zijn kussens, slap en machteloos. Hij was anders prompt om
acht uur aan ’t ontbijt, zelfs in die zeven dagen van wanhoop....
Om half negen verscheen Paula aan zijn bed. Hij was blijven slapen in
de logeerkamer, en Paula had er zich niet tegen durven verzetten.
„Ben je ziek?” vroeg ze toonloos.
Hij antwoordde niet. Zijn oogen staarden haar aan. Hij lag achterover,
’t hoofd midden op ’t kussen, zonder beweging.
„Wil je niet wat gebruiken.... je ontbijt....? Zal ik ’t boven laten
brengen?”
Hij schudde het hoofd, even.
Paula drong niet verder aan.
„Wacht,” zei ze, en schoof een nachttafeltje bij ’t bed, „ik zal de
meid boven sturen met een tafelschel. Als je dan wat noodig heb, schel
je maar even.”
Larsen knikte nauw zichtbaar, en Paula ging stil heen.
Voor haar was de wending die de zaken genomen hadden niet onwelkom. Ze
voorzag een ongesteldheid van eenigen duur. Larsen was anders nooit
ziek, en een afwijking in zijn „automatische” levenswijze—stipt en
geregeld met alles—scheen haar een zeker teeken van ernstige stoornis.
Toch dacht ze geen oogenblik aan gevaar, en zou dit haar ook verre van
gewenscht zijn voorgekomen: neen, waarvoor zou ze hem dood wenschen?
Kon ze niet innig liefhebben, sterk haten was haar al even onmogelijk.
Ze haatte hem niet. Ze wilde zijn herstel.
En ze wilde daartoe meewerken. Ze wilde hem oppassen. Dat zou hem
immers gunstig stemmen, en dan was er kans op verzoening. Dat was toch
maar ’t beste: ze hield niet van zure gezichten en ruzie.
En dan ze had een natuurlijke, men zou geneigd zijn te zeggen een
dierlijke goedhartigheid, die haar er toe bracht met genoegen
iemand—een medemensch—en zelfs een beest, kleine diensten te
bewijzen,—goed te zijn in ’t klein. Trouwens ze deed alles in ’t klein.
En dat ze hier een menschenhart vertrapt had, belette niet dat ze met
pleizier lekkere schoteltjes voor de zieke wilde klaarmaken, uren bij
zijn bed zitten, en hem in ’t algemeen behandelen wilde als een
volmaakte verpleegster.
Zoo deed ze.
Haar eerste zorg was de huisdokter te raadplegen, haar tweede naar haar
moeder te gaan, en in vredesnaam maar alles te vertellen. Ze kon dan ’s
„vrij praten”, iets waar ze ten slotte toch naar verlangde. Dit bestond
daarin dat ze op haar manier al het voorgevallene naar waarheid
beschreef en besprak. Ze wou dat met niemand anders zoo doen, al was
dan ook deze hartuitstorting verre van een volledige bekentenis met „de
waarheid en niets dan de waarheid.” Neen, dat liet haar aard eenvoudig
niet toe. ’t Was haar een behoefte te „borduren”—onoprechtheid was bij
haar natuur en viel haar nooit zwaar, hoezeer ze ook in een oogenblik
van hevige beroering zich en Larsen wijsgemaakt had dat ze uit
zelfbedwang gehuicheld had in haar verhouding en gevoelens jegens hem;
doch evengoed was haar een behoefte zich te uiten, hoe dan ook. Ze
praatte veel, suggereerde zichzelf daarbij, en wist ook anderen
meesterlijk de indruk te geven die zij wenschte te geven. Ze was een
volleerde tooneelspeelster, zooals slechts enkele vrouwen, met hun
fijnbewerkte zenuwen en wonderlijk plooi- en wisselvermogen, dat
vermogen te wezen.
Van haar moeder zou Paula waarlijk weinig raad te wachten hebben,
aangenomen dat ze die verlangd had. De oude vrouw was een onbeteekenend
menschje, vol bewondering voor haar dochter, een-en-al toegevendheid
voor deze; zonder overtuigingen—behalve die dat Paula een buitengewone
vrouw was, voor wie alles geoorloofd was, en dit alleen nog maar omdat
de betoovering telkens en telkens vernieuwd werd—willoos en
karakterloos; voor wie het leven éen lange dommel was, waaruit ze
slechts nu en dan even wakker schrikte tot halve bewustheid.
Larsen was altijd te gelukkig geweest om zich over de tekortkomingen
zijner schoonmoeder te ergeren. Trouwens, ze was altijd „wel” met hem,
zei nooit een onvertogen woord, en Larsen was in zijn oordeel over
medemenschen steeds zóo zacht en verdraagzaam, dat hij tegenover
Paula’s moeder moeilijk anders wezen kon: goedaardige menschen worden
door ’t geluk edelmoedig, en hier maakte de uitstraling van Paula’s
bekoring hem bovendien blind voor iemand die haar zoo na stond.
De tijding van Larsen’s ongesteldheid met wat er aan voorafgegaan was
wekte mevrouw Lindes op tot werkdadige hulp. Ze kwam op Paula’s wensch
logeeren, en stond haar dochter dagelijks bij in de bereiding van
bouillon, het verzinnen van nieuwe smakelijke schoteltjes—voor haar en
voor „Willem”—en het gewone beheer in huis; zoodat Paula zich aan haar
zieke wijden kon.
„Zou je niet ’s?”.... stelde ze voor, en Paula zei:
„Waar denkt u aan, moeder? Geen kwestie van, hoor,” en dan zij weer:
„O, ik dacht maar zoo, zie je. Maar ’t is goed, kind.... Zeker je hebt
weer gelijk....”
Dan was haar regelmatig gezicht weer een en al sluimerglimlach, een
uitdrukking die er vrijwel altijd op lag.
Ze sprak zacht en gedempt, liet bij ’t spreken zelden haar mooie
valsche tanden zien, en had iets afgemetens en slepends in al haar
bewegingen en gebaren. In dit opzicht een tegenbeeld van de
luidruchtige Paula met haar allegro-brioso-natuur. Deed Paula’s stem
aan Rossini’s oppervlakkige dartelmuziek denken, haar moeders orgaan
herinnerde in zijn uitingen aan een psalm die gezongen wordt in de
protestantsche kerk.
Toen de dokter kwam deed Paula ’t woord. Hij scheen Larsen’s toestand
nogal ernstig te vinden. Na het bezoek aan de zieke bleef hij even
praten.
„Hevige gemoedsbewegingen, mevrouwtje?” vroeg hij nu.
„Wat bedoelt u—hij? Larsen?”
„Ja.... ik begrijp die plotselinge overgang niet best. Lichamelijk
letsel is hem toch niet overkomen.”
„Volkomen juist, dokter.... Hij heeft zich wat opgewonden over.... een
kleinigheid....”
„Erg opgewonden....”
„Ja, eigenlijk wel. Dat is nu een week geleden....”
„En in die tusschentijd?”
„O, stil, ziet u.... in zichzelf gekeerd; veel meer dan anders....”
„Hm. Oppassen, mevrouwtje. Sterk gestel, maar.... als die menschen
eenmaal gaan sukkelen, kan ’t heel ernstig worden.”
De huisdokter, een man van ongeveer Larsen’s leeftijd, had veel van de
wereld gezien, en hij kende zijn menschen. Hij schoof dus een aandrang
van gedachten als niet voor uiting vatbaar op zij, en zeî alleen nog
maar:
„Hij is in goeie handen bij u. U zal hem wel goed verplegen. En
voorzichtig, nie’waar?”
„Zeker, dokter, geen zorg,” zei Paula met een allerliefste lach.
„Goed, goed. Ik kom van avond weer kijken. ’t Beste! Dag, mevrouwtje,
dag mevrouw Lindes, tot ’t genoegen....” Weg was hij.
„’n Vreemde dokter heb ik dat altijd gevonden, Paula,” teemde mevrouw
Lindes. „Nou schrijft hij ook geen recept....”
„Och, moeder, wat weet ú daar nou van? ’t Is een goeie dokter.”
„O, ja kind—ik spreek je niet tegen.”
En statig ging ze naar de keuken, om Kee over ’t eten te spreken. Paula
ging weer naar de ziekekamer.
In Larsen geen verandering. Hij sprak niet, en verlangde niets. Haar
bijzijn scheen hem niet te hinderen, en evenmin te behagen. ’t Ontbijt
stond onaangeroerd.
Paula had haar boek meegebracht, en zette zich tot lezen. Wat de dokter
gezegd had vervulde haar niet lang. Marcel Prévost wist haar spoedig
belang te doen stellen in zijn „Jardin Secret”.
Toen ze twee uur had zitten lezen, zonder een oogenblik gestoord te
worden, keek ze nog eens naar de gestalte in ’t bed, zag dat Larsen
eindelijk de oogen gesloten hield, en, tot het besluit komende dat hij
sliep, stond ze met een zucht op en ging naar beneden.
„M’n hemel, moeder, wat ’n zieke!” riep ze beneden in de huiskamer,
waar de oude mevrouw druk in de weer was met de „koffietafel”.
„Hoe zoo, kind?” zei deze, ’t hoofd even langzaam omwendend, en met
haar gewone schaapachtig goedige uitdrukking.
„Ik hoû ’t niet uit: Hij is gek, geloof ik.”
„Wat zeg je?” Dit was geen vraag, maar een gewoon niets-zeggend
antwoord van de spreekster.
„Ik zeg wat ik zeg. Ik geloof dat-i gek wordt.... Dat zou ’t einde
wezen van al dat gesuf in z’n boeken.”
„Denk je dat heusch, Paula? ’t Zou misschien wel kunnen wezen.”
„Nee, stellig.... De man doet niets dan staren, zegt niets, eet niet,
drinkt niet, vertrekt geen spier in z’n gezicht. Ik heb ’t nog nooit
zoo gezien.”
„Zou hij ook een kop koffie willen hebben? Zou dat ’m niet goed doen?”
Paula antwoordde niet, maar keerde zich driftig om:
„Kom, moeder, laten we maar aan tafel gaan.”
„Och, ik dacht maar zoo....” zeî moeder vergoelijkend, en nog in
dezelfde gedachtengang.
Paula schoot in een lach.
„U dacht, u dacht, u denkt veel te veel, moeder! Ha! ha!”
Haar overborrelende levenslust had ’t weer gewonnen; ze moest weer
spotten en lachen.
„Stel je voor!” riep Paula, bezig met haar eerste broodje te smeren.
„Wat, kind?”
„Dat hij ’s gek werd. Een prettig vooruitzicht!”
„Maar je zou ’m toch niet in huis houden.”
„Naar Meerenberg zenden?”
„Vin je niet?”
„Ik denk er niet over. Ik zou ’m hier houden. Natuurlijk! Zou u ’t niet
gezellig vinden een gekke schoonzoon te hebben?”
Mevrouw Lindes’ gelaat was éen vraagteeken.
„Nou?” drong Paula.
„Och, zie je, niet erg.... Maar, als jij ’m in huis wil houden.”
„Als Willem gek wordt, is hij zeker niet kwaadaardig. Mijn goeie
zooltreder kan niet anders dan een bizonder mak gekje worden, en zoo
iemand is een juweel van een man, en een puikje van een schoonzoon:
nooit klachten, nooit ruzie.... Nou u, moeder?”
„Ik weet niet, kind; maar als jij ’t zegt.... Mijn man die dood is, jou
goeie vader, was wel lastig—dat is zoo—maar....”
„U had toch liever niet dat hij gek was geweest.... Groot gelijk,
moeder. U is toch een brave ziel. Gelooft u nu vast dat ik dat alles
zooeven gemeend heb? Och kom! ’t Komt terecht, hoor. Gek! Geen idee
van.”
„’t Doet me heusch pleizier, kind.”
Mevrouw Lindes lachte schaapachtig, en sliep weer in.
Ondertusschen was Paula lang niet zoo zeker van het „terechtkomen” in
kwestie, als ze wel voorgaf te wezen, en onwillekeurig dacht ze verder
door over de mogelijkheid van verstandsverbijstering bij Larsen. ’t
Vooruitzicht lachte haar niet toe; want ze had vast geloofd aan een
volkomen herstel der betrekkingen met hem, en een terugkeer van de oude
toestand. Dan, ze wenschte hem niets kwaads, ja ’t zou haar in alle
oprechtheid leed doen als zulk een ramp hem zoo plotseling alle verder
geluk onmogelijk zou maken. He, nee, ’t was akelig, griezelig, zoo
iets.... Ze wilde aan wat anders denken.
Met ongeduld wachtte ze die avond op de dokter. Larsen had weer niets
willen eten, had ook geen woord gesproken, zelfs geen klaaggeluid doen
hooren. Ze werd er wee van het aan te zien. Had hij geslapen? Ze wist
het niet.
De arts vond de zieke lang niet bevredigend, wist nog niet wat te
denken, maar zeide weinig of niets. „Rust.... en nog eens rust.” Hij
beloofde de volgende dag terug te komen.
Zoo ging het dagen achtereen, alleen met dit verschil, dat de patiënt
de tweede dag wat at, telkens weinig en machinaal, na herhaald
aandringen. Hij sliep veel en onrustig, droomde of ijlde—soms moeilijk
te onderscheiden; want zijn gansche toestand leek éen verdooving.
Wat hij sprak liep steeds over ’t zelfde: Paula, zijn echtscheiding,
haar ontrouw, zijn kind. En, hoe verward de woorden ook waren, Paula
bemerkte duidelijk hoe steeds deze éene gedachte hem door ’t hoofd
gespookt had: de onherstelbaarheid hunner breuk. Zoo, hij had dus ook
die zeven voorafgaande dagen steeds dat denkbeeld gehad, dacht ze, en
ze voelde zich teleurgesteld: ze had zich zijn zwijgen gedurende die
dagen als een gunstig overgangs-tijdperk voorgesteld! Nu was ze
voorzichtig genoeg te zorgen, dat er geen getuigen waren bij die al te
openhartige uitingen. De dokter kwam telkens maar even. Hij zeide iets
van „cerebralis” en van „stupor”, herhaalde zijn rustvoorschrift, en
liet verder alles op zijn beloop. Haar moeder hield ze zorgvuldig
buiten de ziekenkamer, en deze vond ’t veel te aangenaam Paula’s
weelderige huishouding te besturen, om in dit verbod iets hinderlijks
te vinden, verondersteld al dat ze ooit iets hinderlijk vond wat van
haar dochter uitging.
Wat Paula trof in Larsen’s ijlen was een verward plan om te vluchten
samen met Didi, ver weg, als eenige uitredding; en telkens had hij ’t
over een huisje waar ze samen woonden, vader en dochter elkaar
vertroostend in de eenzaamheid....
Hij had dus over zóo iets gedacht? Dat moest dan wel: hoe kwam hij er
anders aan? In zoo’n geval zou zij er al heel leelijk aan toe zijn....
Bij háar was de mogelijkheid van zulk een vlucht nooit opgekomen:
verbeeld je, hij, die doodgoeie prozaïsche Larsen! ’t Was al te
romantisch. En hij zou ’t slim moeten aanleggen ook, dat zij ’t niet
merkte.... Maar toch.... juist omdat ze zoo iets nooit vermoed had, zou
’t hebben kùnnen gebeuren.... Goed dat ze nu gewaarschuwd was. Ander
gevaar had ze nooit gevreesd. Haar uitlatingen waren immers zonder
getuigen gesproken: hij had er toch geen gebruik van kunnen maken....
Zoo had Paula stof te over om na te denken, terwijl ze haar zieke
oppaste.
Het denkbeeld om Van Thiemen in de arm te nemen, dat door Larsen’s
schijnbaar onderworpen houding op de achtergrond gedrongen was,
vertoonde zich weer: ja, van die kant was wel hulp te wachten, als ze
’t maar handig aanlegde. En handig wàs ze! Ze was een van die vrouwen
die een aangeboren takt schijnen te bezitten voor alles wat ze
ondernemen. Iedereen nam ze met de grootste gemakkelijkheid voor zich
in. Daarbij een aan ’t naïeve grenzende natuurlijkheid—bij háar hoogste
kunst—die niemand eenige valschheid deed vermoeden, ja menigeen iedere
verdenking daarvan met verontwaardiging van zich deed werpen.
Ja, ze moest naar Van Thiemen, en zoo spoedig mogelijk. Ze kon nu
moeilijk hem bij zich aan huis ontvangen. De aanwezigheid van de zieke
in huis zou onwillekeurig een drukkende invloed op de stemmingen
uitoefenen—bij Van Thiemen echt, bij haar als gedwongen fraaiigheid.
Lukte haar opzet bij hem niet—’t kon gebeuren, ofschoon ze er al heel
weinig bang voor was—wel, dan zou ze zelf zien te handelen. In alle
geval kon Van Thiemen haar wel van raad dienen, al wilde hij niet
daadwerkelijk helpen.