De vriendinnen praatten nog een poos gezellig door, en na een uurtje
was Paula weer geheel de oude en vol hoop op herstel van den vrede. In
den beginne had ze nu en dan wel aanvechtingen van twijfel gevoeld, al
waren haar woorden tegenover Margot ook nog zoo vol zekerheid.
De meid kwam zeggen dat ’t eten klaar was.
„Is meneer thuis?” vroeg Paula.
„Meneer is zooeven thuisgekomen, met Didi, mevrouw. Ik geloof dat ze
boven zijn.”
„Ga je even waarschuwen? En zeg dan meteen dat mevrouw Ennery er is,
wil je? Wij gaan vast in de eetzaal.”
„Goed, mevrouw.” Er was een vleugje van spot om Pietje’s ondeugende
kleine mond toen ze de kamer verliet.
In de eetzaal wees Paula haar vriendin haar gewone plaats—ze kwam bijna
iedere week familiaar eten—naast Larsen.
„Lief die bloemen,” zei Margot, en boog een tak rozen naar zich toe,
die op de etenstafel stonden. „Je hebt goed slag van rangschikken.”
Paula lachte.
„Je vergeet dat ik ’t laatste uur bij jou heb gezeten! Dat heeft Pietje
gedaan.”
„Nu ja, die inspireer jij. Ik hoû van bloemen op tafel. Ik doe ’t ook
altijd.”
„Och, Larsen is er op gesteld.... Een Engelsch gebruik. Je weet, zijn
moeder was een Engelsche. Ik mag ’t ook, en ik heb vandaag wat nieuwe
rozen besteld. Zeg maar dat jij ze gezonden hebt....”
Larsen trad binnen, en begroette Margot Ennery met vriendelijke
beleefdheid, zijn vrouw knikte hij gewoon toe. Zij nam hem tersluik
waar. He, ja, ze kon zien dat zijn eene wang.... of verbeeldde zij ’t
zich?
„Wel, Larsen, wat zeg je van mijn rozen?”
„Jou rozen? Heb jij ze gezonden? Dat is heel aardig.”
„Ja, uit mijn tuin: najaarsrozen. Snoezig, he? Kijk ’s, Didi.”
Didi was met haar vader binnengekomen, en had haar moeders vriendin
vriendelijk, maar op zichtbaar gedrukte wijze, gegroet.
„Jij komt vandaag naast mij zitten, nie’waar kind?” zei Margot
aanhalig. Didi had niet veel sympathie voor de altijd pratende weduwe.
Ze mocht haar hond veel liever. „Hoe maakt Nero ’t?” vroeg ze zonder op
de uitnoodiging te letten. „Waarom heeft u ’m niet meegebracht?”
„O nee, hij is zoo lastig. Kom jij hem maar ’s opzoeken, hoor.”
Men zette zich aan tafel, Larsen en Paula stil, de laatste zenuwachtig;
Margot steelsche blikken werpend, terwijl ze herhaalde malen haar stoel
verzette en erg druk deed met haar servet; Didi met een wolkje van
nadenken op haar voorhoofd.
Larsen ondernam blijkbaar met graagte zijn gewone taak: voorsnijden.
„Een mooie kalfsrollade!” riep Margot om iets te zeggen. „En Larsen
snijdt weer om er jaloersch van te worden. Dat is nu toch een
huishoudelijke bezigheid die een man beter doet dan een vrouw.”
„Och, kom, ik kan ’t ook,” zei Paula.
„Tegenwoordig willen de vrouwen alles even goed doen als de mannen; wat
zeg jij, Larsen?”
„Ik weet ’t niet....” antwoordde de gastheer met een lachje zonder van
zijn rollade op te kijken.
„In ’t vleeschsnijden laat ik graag de mannen de eer.” Margot lachte.
„In de rest....”
„Ben je voor volkomen gelijkheid?” vroeg Paula.
„Nee, ik ben niet modern.... dat weet je. Ik bedoelde: voor de rest
moet de man zich niet met huishoudelijke bezigheden inlaten. Verbeel’
je, mijn man zette zijn eigen koffie. Dat is ’t eenige waarover we ’t
nooit eens konden worden....”
Larsen onderdrukte een zucht, en sneed eenige te dikke plakken vleesch
af. „Ja, hij beweerde, dat ’n ander ’t nooit zoo goed kon.”
„Nu, dan zal ik je ’s mijn koffie straks laten proeven,” zei Paula.
„Trouwens, die ken je.”
„Ik moet bekennen: mijn mans koffie was onberispelijk. Hij wou altijd
hebben dat ik ervan mee dronk, en dat deed ik dan ook maar. Je moet
elkaar wat toegeven in ’t huwelijk.”
Onderwijl diende Paula de soep.
Larsen ging zitten en voorzag zijn buurvrouwen van wijn.
„Je bent stil, Larsen,” zei Margot. „’t Erg druk gehad? Zeker weer vol
van je werk?” Larsen keek op met een leegen blik.
„Och, ja.... Je weet dat ik al maanden bezig ben. ’t Is nogal taai hier
en daar, maar ik schiet gelukkig goed op.... ’t Eischt nogal veel
gesnuffel in oude papieren, archiefstukken en zoo....”
„Ik kan me voorstellen dat het interessant is,” zei Margot. „Ik vin’ ’t
al een heel genoegen oude brieven na te lezen. Je vindt soms
curieuzen—soms herken je jezelf niet in wat je vroeger geschreven
hebt.”
Larsen keek weer op zijn bord, en fronste even de wenkbrauwen.
„Jammer dat jou boeken zoo geleerd zijn, Larsen. Ik wou dat je romans
schreef.”
Hij romans! dacht Paula en onderdrukte een lach.
Het tweede glas wijn deed bij haar alle gedwongenheid verdwijnen. In
haar oogen blonk weer de oude overmoedigheid. Het gezicht van Larsen,
die eenigszins krom over zijn bord gebogen zat, met een onmiskenbare
trek van slecht onderdrukte wrevel om den mond, kreeg voor haar iets
komisch in verband met de moeite die Margot zich gaf om hem aan de
praat te krijgen.
Beurtelings nam ze hen beiden waar, en ze voelde lust om zich te zijnen
koste te amuzeeren, door haar vriendin aan te sporen en hem om zijn
verlegenheid „in ’t ootje” te nemen.
„Ja, Willem,” zei ze, „waarom schrijf je niet eens een roman? Je zou ’t
best kunnen, geloof ik. En dan had ik ook nog ’s wat aan je boeken. Je
kon er mij in te pas brengen bij voorbeeld.”
Haar losse onbevangen toon verbaasde Larsen; maar beseffende dat hij
hier in gezelschap beter deed te doen alsof er niets gebeurd was,
antwoordde hij zoo goed hij kon op natuurlijke toon:
„Geleerde en romanschrijver beiden zijn gaat niet. Een romanschrijver
met zijn speelzieke verbeeldingskracht zou nooit een betrouwbaar
geleerde—vooral geen historicus—kunnen wezen. En een geleerde zou met
zijn nuchtere logica nooit een leesbaar verhaal kunnen schrijven.”
„Kom, larie!” riep Paula en sipte haar derde glas wijn leeg. „Dat is ’t
gewone praatje. Geleerden zijn naar mijn idee veel te saai, te dor, te
droog. Die mochten wel wat meer fantazie hebben: dan zouden ze
genietelijker wezen, en de menschen zouden de wetenschap niet meer
vervelend vinden. Dat is ze tegenwoordig altijd.”
„Leve de fantazie!” riep Margot. „Zeker, Larsen, je moet maar ’s een
mooie roman beginnen. Ik weet ’n mooie titel: „Wetenschap en liefde”.
Van de liefde moet erin voorkomen, dat weet je: anders is ’t geen
roman.”
Paula praatte door:
„Ik zal je dadelijk een voorbeeld noemen van een geleerde die romans
schreef: Goethe. En zoo zijn er meer geweest en nog. Felix Dahn is een
historicus als jij en schrijft ook wel romans, en Ebers is ook een
geschiedenis-man. Deugen die soms minder omdat ze hun licht ook ’s
buiten ’t kringetje van vakmannen laten schijnen? Kom! En dan: dichter
of romanschrijver is „koekoek éen zang”. Nu: er zijn hoopjes dichters
geweest onder de geleerden.”
„Zeker niet onder de leiders, de allergrootsten.”
„Dat mag wezen; maar ’t is de vraag wie per slot van rekening de
verdienstelijksten zijn geweest tegenover ’t menschdom. En dat is toch
maar wel beschouwd ’t doel van alle wetenschap.”
„Nee, Larsen, je legt ’t af, hoor,” zei Margot.
Larsen glimlachte gedwongen. „Wil je nog een glas wijn?” vroeg hij en
bewoog de flesch in Margot’s richting. Zij schoof haar glas een eindje
vooruit.
„Ze praat goed, dat moet je toegeven,” hervatte ze.
„Zeker, daar twijfel ik niet aan. Vrouwen praten over ’t algemeen beter
dan wij mannen.”
„Dat bedoel je ironisch,” zei Margot.
„Ik zeg praten,” verklaarde Larsen, „dat doen ze beter. Spreken is wat
anders. Ze praten beter omdat ze meer fantazie hebben. Voor goed
spreken is alleen logisch denken noodig.”
„Zoo, complimenteus voor ons!” antwoordde Margot.
„Een vrouw deugt daarom ook minder voor geleerde,” ging Larsen voort.
„Een geleerde vrouw is ’t onvrouwelijkste wezen dat ik ken!”
„Dat komt alweer om de oude misvatting!” riep Paula, „waarom is zoo’n
geleerde vrouw als jij bedoelt onvrouwelijk? Omdat ze niet aangenaam is,
omdat ze dezelfde vervelende eigenschappen heeft als een geleerde man,
zoo opgevat; en in een vrouw hinderen die nog meer. Als je geleerde
opvat zooals ik, zou ’t juist ’t omgekeerde wezen. Een geleerde moet
iemand zijn van algemeene ontwikkeling. Tegenwoordig zijn geleerden
bijna altijd eenzijdig. ’t Moeten menschen zijn wier smaak ook
ontwikkeld is, die wat kunstzin hebben; en zoo iets bereiken vrouwen
gewoonlijk makkelijker dan mannen. Er zijn vrouwen geweest die elegant
en aantrekkelijk waren en toch geleerd. Dat is je ware. Daar moet het
heen. Wij vrouwen zullen de wereld moeten toonen hoe je geleerd moet
wezen.”
„Laten we daar ’s op drinken,” zei Margot, die vond dat het gesprek wat
„hoog” begon te worden. „Nee, ik vin’ ’t ook: een geleerde moet het
niet beneden zich achten zijn oordeel te zeggen over.... bij voorbeeld
een smaakvolle nieuwe hoed. Dat is ook kunst. Daarom betaal je die zoo
duur. Ik wed dat jij, Larsen, niet eens opgemerkt hebt dat ik vandaag
een nieuw kostuum draag!”
„O, jawel, ’t is heel aardig!”
„Och, kom, ik geloof er niets van! Heel aardig! Dat ’s altijd zoo jou
stopwoord. ’t Zegt zoo niets. Paula vindt ’t niet mooi.”
„O, nu....”
„Dan trek jij je „aardig” weer in! Prachtig, dat moet ik zeggen.”
„Och,” zei Paula, „je moet van hem buiten zijn vak nooit iets anders
verwachten. Als ik hem iets moois voorspeel of zing, zegt hij òf niets,
òf, als ik hem vraag hoe hij ’t vindt, steeds „heel aardig”.”
„Nu ja, je weet wel beter,” zei Larsen.
„O, ik heb ’m eens op de proef gesteld!” ging Paula voort. „Verbeel’
je: ik had eens mijn kapsel allerbespottelijkst opgemaakt. Onder andere
had ik er een van die kleine Japansche waaiertjes ingestoken. Hij lette
er niet op, en toen ik zijn meening vroeg, jawel, hoor: „heel aardig!”
kwam er toen weer.”
Larsen voelde zich ongemakkelijk, en verlangde naar ’t einde van de
maaltijd. Zelfs de ossetong, zijn lievelings-gerecht, kon hem niet de
noodige afleiding geven.
„En hoe vin’ je die tong?” vroeg Paula, die haar man even gadegeslagen
had en ’t niet pleizierig vond dat haar „attentie” blijkbaar weinig
waardeering bij hem inoogstte.
„Heel aardig!” zei Margot, en lachte luid.
Larsen deed ontdekkingen op ’t terrein van Paula’s karakter. Hij had
daarvan in de laatste vier-en-twintig uren meer waargenomen dan in de
voorafgaande dertien jaren van zijn huwelijk. Merkwaardigerwijze was
niets of nagenoeg niets meer overgebleven van de voorstelling die hij
zich zooveel jaren lang van haar gemaakt had. ’t Was of er een heel
ander beeld voor in de plaats was getreden. Zooals in ons
voorstellingsvermogen regel schijnt te wezen, denken wij ons een
bepaald persoon steeds in een bepaalde gedaante en steeds enkele
eigenschappen vertoonend, of woorden sprekend die ons het meest in hem
of haar opgevallen zijn. Er is als ’t ware een signalement in enkele
trekken in voorraad, ergens in ons magazijn van denkbeelden, dat we,
zoodra de persoon ter sprake komt, voor den dag halen. Dit doen we
zelfs—vooral wanneer we menschen van een overwegend impressioneel leven
zijn—wanneer de persoon aanwezig is, met ons spreekt; en al zien we ook
tegenstrijdigheden, eigenaardigheden die niet met het „signalement”
overeenkomen, we storen er ons meestal niet aan, en vaak is iets als
een electrische schok in de vorm van een treffende gebeurtenis of
handeling noodig, om ons duidelijk te maken dat het signalement niet
deugt of zelfs maar wijziging behoeft.
Zoo ging het met Larsen tot zijn innige verbazing.
Hij zag en hoorde Paula praten, sloeg haar ongedwongen houding gade en,
hoe dikwijls hij haar ook te voren zoo gezien had, thans was ze hem
nieuw. Voor zijn geestesoog verbond zich nu haar persoonlijkheid steeds
met de mooie furie in kimóno, en in het timbre van haar stem, waarnaar
hij zoo vaak met genot geluisterd had, klonk hem thans steeds iets
onaangenaams, schrijnends, woests. En telkens hoorde hij haar woorden:
„Wil je namen?!” zooals zij die tegen hem uitgevlijmd had; telkens ook
hoorde hij opnieuw dat honend-sarrende „cocu”, zag en voelde hij haar
op zich afvliegen als een dolle. Hij was bleek, en toch voelde hij zijn
eene wang gloeien; hij was schijnbaar kalm en hij voelde zijn hart
omdraaien van walg en afkeer. En ’t was of hij valschheid en
huichelarij zag in ieder woord, in iedere blik, in ieder gebaar dat hij
van haar waarnam. Hij slikte zijn eten met brokken in, dwong zich om
niet opvallend weinig te eten. Nu en dan bewoog hij zijn eene hand,
verschikte zijn servetring naast zijn bord, en werd zich dan opeens
bewust van zijn afgetrokkenheid: de gast mocht niets merken. Hij deed
zich geweld aan, om op gewone toon te spreken, te antwoorden althans.
Hij voelde zich ellendig.
En Paula en Margot merkten niets, vonden hem opvallend gewoon; zooals
Margot het na tafel noemde. En de laatste luchtte haar geestigheid
onbevreesd: ze kreeg zelfs een goedkeurende glimlach van Larsen terug,
ja zelfs een goedig „zeker, zeker,” of een passe-partout als „nu, die
is goed!” waar zij van hèm al zeer mee in haar schik was.
De koffie werd vóor gebruikt, en Larsen kon zich eindelijk, met een
onbeschrijfelijk gevoel van opluchting, op zijn gemak neerzetten; in
een fauteuil en eenigszins „verdekt”. Hij nam zich stellig voor zijn
marteling niet langer dan nog éen kwartier te laten voortduren, en zich
dan bij Margot te verontschuldigen.
Hij was dankbaar dat de drukke gast op andere wijze lucht ging geven
aan haar vroolijkheid en rammelzucht dan door de menschelijke spraak,
al was de muziek die ze te hooren gaf dan ook van ’t zelfde gehalte.
Dat het Japansche koffiekopje, half leeggedronken op de piano, alle
maten tjingelend meedanste scheen háar niet te deeren, en hinderde de
zwaarbezochte Larsen zeker veel minder dan ’t afdwingen van zijn
aandacht voor haar gepraat.
Paula stond naast de piano, en wisselde nu en dan een blik met haar
vriendin.
„’t Gaat goed,” fluisterde Margot tusschen twee harde akkoorden in
„Zou-i gaan dutten?” Rèngel—dèng—tèng—tjieng—tjieng! klaterde de wals
van Margot.
Paula keek even om, en knikte tegen haar met een lach.
Larsen zat met half afgewend gelaat, de baard tegen de borst, beenen
over elkaar en de beide handen op zijn eene knie; zijn gedachten een
baaierd, zijn hart als een wezenlooze klomp. En hij voelde zich zwaar
neerzakken in een ongekende diepte—diep, heel diep—deed geen poging om
boven te blijven—zakte maar steeds, willoos, rampzalig....
De stilte als afknappend tegen Margot’s laatste akkoord, deed hem ’t
hoofd opheffen. Zij zag ’t en met haar vriendelijkst hoog
stemintervalletje vroeg ze:
„Mooi, he, die wals, vin’ je niet, Lars?”
De toegesprokene keek haar even aan, voordat hij antwoordde. Hij zag ’t
hoogblonde, vrij losse, ietwat raagbolachtige kapsel, de lange
nek—blank en mooi—de poppenoogen, poppeneus, poppemond en
poppetandjes—regelmatig, scherp en glanzend—en hij vond haar
antipathieker dan ooit te voren. Hij wist niet waarom.
„Heel aardig!” zei hij niettemin vol overtuiging.
Paula schoot in een stuiplach, die ze tevergeefs trachtte te bedwingen.
„Och, jij ook!” zei ze tusschen twee krampjes tot Margot, om haar lach
verklaarbaar te maken. „Wat kan nu iemand die pas wakker wordt anders
zeggen dan.... heel aardig!”
„Ik heb niet geslapen,” zei Larsen kalm en op een helder klinkende
toon, die hem zelf opviel.
Hij verbaasde zich nogmaals over Paula, en een oogenblik later
verbaasde hij zich over zijn verbazing. Wist hij dan nog niet dat bij
die vrouw alles aan de oppervlakte lag, dat ze slechts de opperhuid van
een ziel had?