IX.

De vriendinnen praatten nog een poos gezellig door, en na een uurtje

was Paula weer geheel de oude en vol hoop op herstel van den vrede. In

den beginne had ze nu en dan wel aanvechtingen van twijfel gevoeld, al

waren haar woorden tegenover Margot ook nog zoo vol zekerheid.

De meid kwam zeggen dat ’t eten klaar was.

„Is meneer thuis?” vroeg Paula.

„Meneer is zooeven thuisgekomen, met Didi, mevrouw. Ik geloof dat ze

boven zijn.”

„Ga je even waarschuwen? En zeg dan meteen dat mevrouw Ennery er is,

wil je? Wij gaan vast in de eetzaal.”

„Goed, mevrouw.” Er was een vleugje van spot om Pietje’s ondeugende

kleine mond toen ze de kamer verliet.

In de eetzaal wees Paula haar vriendin haar gewone plaats—ze kwam bijna

iedere week familiaar eten—naast Larsen.

„Lief die bloemen,” zei Margot, en boog een tak rozen naar zich toe,

die op de etenstafel stonden. „Je hebt goed slag van rangschikken.”

Paula lachte.

„Je vergeet dat ik ’t laatste uur bij jou heb gezeten! Dat heeft Pietje

gedaan.”

„Nu ja, die inspireer jij. Ik hoû van bloemen op tafel. Ik doe ’t ook

altijd.”

„Och, Larsen is er op gesteld.... Een Engelsch gebruik. Je weet, zijn

moeder was een Engelsche. Ik mag ’t ook, en ik heb vandaag wat nieuwe

rozen besteld. Zeg maar dat jij ze gezonden hebt....”

Larsen trad binnen, en begroette Margot Ennery met vriendelijke

beleefdheid, zijn vrouw knikte hij gewoon toe. Zij nam hem tersluik

waar. He, ja, ze kon zien dat zijn eene wang.... of verbeeldde zij ’t

zich?

„Wel, Larsen, wat zeg je van mijn rozen?”

„Jou rozen? Heb jij ze gezonden? Dat is heel aardig.”

„Ja, uit mijn tuin: najaarsrozen. Snoezig, he? Kijk ’s, Didi.”

Didi was met haar vader binnengekomen, en had haar moeders vriendin

vriendelijk, maar op zichtbaar gedrukte wijze, gegroet.

„Jij komt vandaag naast mij zitten, nie’waar kind?” zei Margot

aanhalig. Didi had niet veel sympathie voor de altijd pratende weduwe.

Ze mocht haar hond veel liever. „Hoe maakt Nero ’t?” vroeg ze zonder op

de uitnoodiging te letten. „Waarom heeft u ’m niet meegebracht?”

„O nee, hij is zoo lastig. Kom jij hem maar ’s opzoeken, hoor.”

Men zette zich aan tafel, Larsen en Paula stil, de laatste zenuwachtig;

Margot steelsche blikken werpend, terwijl ze herhaalde malen haar stoel

verzette en erg druk deed met haar servet; Didi met een wolkje van

nadenken op haar voorhoofd.

Larsen ondernam blijkbaar met graagte zijn gewone taak: voorsnijden.

„Een mooie kalfsrollade!” riep Margot om iets te zeggen. „En Larsen

snijdt weer om er jaloersch van te worden. Dat is nu toch een

huishoudelijke bezigheid die een man beter doet dan een vrouw.”

„Och, kom, ik kan ’t ook,” zei Paula.

„Tegenwoordig willen de vrouwen alles even goed doen als de mannen; wat

zeg jij, Larsen?”

„Ik weet ’t niet....” antwoordde de gastheer met een lachje zonder van

zijn rollade op te kijken.

„In ’t vleeschsnijden laat ik graag de mannen de eer.” Margot lachte.

„In de rest....”

„Ben je voor volkomen gelijkheid?” vroeg Paula.

„Nee, ik ben niet modern.... dat weet je. Ik bedoelde: voor de rest

moet de man zich niet met huishoudelijke bezigheden inlaten. Verbeel’

je, mijn man zette zijn eigen koffie. Dat is ’t eenige waarover we ’t

nooit eens konden worden....”

Larsen onderdrukte een zucht, en sneed eenige te dikke plakken vleesch

af. „Ja, hij beweerde, dat ’n ander ’t nooit zoo goed kon.”

„Nu, dan zal ik je ’s mijn koffie straks laten proeven,” zei Paula.

„Trouwens, die ken je.”

„Ik moet bekennen: mijn mans koffie was onberispelijk. Hij wou altijd

hebben dat ik ervan mee dronk, en dat deed ik dan ook maar. Je moet

elkaar wat toegeven in ’t huwelijk.”

Onderwijl diende Paula de soep.

Larsen ging zitten en voorzag zijn buurvrouwen van wijn.

„Je bent stil, Larsen,” zei Margot. „’t Erg druk gehad? Zeker weer vol

van je werk?” Larsen keek op met een leegen blik.

„Och, ja.... Je weet dat ik al maanden bezig ben. ’t Is nogal taai hier

en daar, maar ik schiet gelukkig goed op.... ’t Eischt nogal veel

gesnuffel in oude papieren, archiefstukken en zoo....”

„Ik kan me voorstellen dat het interessant is,” zei Margot. „Ik vin’ ’t

al een heel genoegen oude brieven na te lezen. Je vindt soms

curieuzen—soms herken je jezelf niet in wat je vroeger geschreven

hebt.”

Larsen keek weer op zijn bord, en fronste even de wenkbrauwen.

„Jammer dat jou boeken zoo geleerd zijn, Larsen. Ik wou dat je romans

schreef.”

Hij romans! dacht Paula en onderdrukte een lach.

Het tweede glas wijn deed bij haar alle gedwongenheid verdwijnen. In

haar oogen blonk weer de oude overmoedigheid. Het gezicht van Larsen,

die eenigszins krom over zijn bord gebogen zat, met een onmiskenbare

trek van slecht onderdrukte wrevel om den mond, kreeg voor haar iets

komisch in verband met de moeite die Margot zich gaf om hem aan de

praat te krijgen.

Beurtelings nam ze hen beiden waar, en ze voelde lust om zich te zijnen

koste te amuzeeren, door haar vriendin aan te sporen en hem om zijn

verlegenheid „in ’t ootje” te nemen.

„Ja, Willem,” zei ze, „waarom schrijf je niet eens een roman? Je zou ’t

best kunnen, geloof ik. En dan had ik ook nog ’s wat aan je boeken. Je

kon er mij in te pas brengen bij voorbeeld.”

Haar losse onbevangen toon verbaasde Larsen; maar beseffende dat hij

hier in gezelschap beter deed te doen alsof er niets gebeurd was,

antwoordde hij zoo goed hij kon op natuurlijke toon:

„Geleerde en romanschrijver beiden zijn gaat niet. Een romanschrijver

met zijn speelzieke verbeeldingskracht zou nooit een betrouwbaar

geleerde—vooral geen historicus—kunnen wezen. En een geleerde zou met

zijn nuchtere logica nooit een leesbaar verhaal kunnen schrijven.”

„Kom, larie!” riep Paula en sipte haar derde glas wijn leeg. „Dat is ’t

gewone praatje. Geleerden zijn naar mijn idee veel te saai, te dor, te

droog. Die mochten wel wat meer fantazie hebben: dan zouden ze

genietelijker wezen, en de menschen zouden de wetenschap niet meer

vervelend vinden. Dat is ze tegenwoordig altijd.”

„Leve de fantazie!” riep Margot. „Zeker, Larsen, je moet maar ’s een

mooie roman beginnen. Ik weet ’n mooie titel: „Wetenschap en liefde”.

Van de liefde moet erin voorkomen, dat weet je: anders is ’t geen

roman.”

Paula praatte door:

„Ik zal je dadelijk een voorbeeld noemen van een geleerde die romans

schreef: Goethe. En zoo zijn er meer geweest en nog. Felix Dahn is een

historicus als jij en schrijft ook wel romans, en Ebers is ook een

geschiedenis-man. Deugen die soms minder omdat ze hun licht ook ’s

buiten ’t kringetje van vakmannen laten schijnen? Kom! En dan: dichter

of romanschrijver is „koekoek éen zang”. Nu: er zijn hoopjes dichters

geweest onder de geleerden.”

„Zeker niet onder de leiders, de allergrootsten.”

„Dat mag wezen; maar ’t is de vraag wie per slot van rekening de

verdienstelijksten zijn geweest tegenover ’t menschdom. En dat is toch

maar wel beschouwd ’t doel van alle wetenschap.”

„Nee, Larsen, je legt ’t af, hoor,” zei Margot.

Larsen glimlachte gedwongen. „Wil je nog een glas wijn?” vroeg hij en

bewoog de flesch in Margot’s richting. Zij schoof haar glas een eindje

vooruit.

„Ze praat goed, dat moet je toegeven,” hervatte ze.

„Zeker, daar twijfel ik niet aan. Vrouwen praten over ’t algemeen beter

dan wij mannen.”

„Dat bedoel je ironisch,” zei Margot.

„Ik zeg praten,” verklaarde Larsen, „dat doen ze beter. Spreken is wat

anders. Ze praten beter omdat ze meer fantazie hebben. Voor goed

spreken is alleen logisch denken noodig.”

„Zoo, complimenteus voor ons!” antwoordde Margot.

„Een vrouw deugt daarom ook minder voor geleerde,” ging Larsen voort.

„Een geleerde vrouw is ’t onvrouwelijkste wezen dat ik ken!”

„Dat komt alweer om de oude misvatting!” riep Paula, „waarom is zoo’n

geleerde vrouw als jij bedoelt onvrouwelijk? Omdat ze niet aangenaam is,

omdat ze dezelfde vervelende eigenschappen heeft als een geleerde man,

zoo opgevat; en in een vrouw hinderen die nog meer. Als je geleerde

opvat zooals ik, zou ’t juist ’t omgekeerde wezen. Een geleerde moet

iemand zijn van algemeene ontwikkeling. Tegenwoordig zijn geleerden

bijna altijd eenzijdig. ’t Moeten menschen zijn wier smaak ook

ontwikkeld is, die wat kunstzin hebben; en zoo iets bereiken vrouwen

gewoonlijk makkelijker dan mannen. Er zijn vrouwen geweest die elegant

en aantrekkelijk waren en toch geleerd. Dat is je ware. Daar moet het

heen. Wij vrouwen zullen de wereld moeten toonen hoe je geleerd moet

wezen.”

„Laten we daar ’s op drinken,” zei Margot, die vond dat het gesprek wat

„hoog” begon te worden. „Nee, ik vin’ ’t ook: een geleerde moet het

niet beneden zich achten zijn oordeel te zeggen over.... bij voorbeeld

een smaakvolle nieuwe hoed. Dat is ook kunst. Daarom betaal je die zoo

duur. Ik wed dat jij, Larsen, niet eens opgemerkt hebt dat ik vandaag

een nieuw kostuum draag!”

„O, jawel, ’t is heel aardig!”

„Och, kom, ik geloof er niets van! Heel aardig! Dat ’s altijd zoo jou

stopwoord. ’t Zegt zoo niets. Paula vindt ’t niet mooi.”

„O, nu....”

„Dan trek jij je „aardig” weer in! Prachtig, dat moet ik zeggen.”

„Och,” zei Paula, „je moet van hem buiten zijn vak nooit iets anders

verwachten. Als ik hem iets moois voorspeel of zing, zegt hij òf niets,

òf, als ik hem vraag hoe hij ’t vindt, steeds „heel aardig”.”

„Nu ja, je weet wel beter,” zei Larsen.

„O, ik heb ’m eens op de proef gesteld!” ging Paula voort. „Verbeel’

je: ik had eens mijn kapsel allerbespottelijkst opgemaakt. Onder andere

had ik er een van die kleine Japansche waaiertjes ingestoken. Hij lette

er niet op, en toen ik zijn meening vroeg, jawel, hoor: „heel aardig!”

kwam er toen weer.”

Larsen voelde zich ongemakkelijk, en verlangde naar ’t einde van de

maaltijd. Zelfs de ossetong, zijn lievelings-gerecht, kon hem niet de

noodige afleiding geven.

„En hoe vin’ je die tong?” vroeg Paula, die haar man even gadegeslagen

had en ’t niet pleizierig vond dat haar „attentie” blijkbaar weinig

waardeering bij hem inoogstte.

„Heel aardig!” zei Margot, en lachte luid.

Larsen deed ontdekkingen op ’t terrein van Paula’s karakter. Hij had

daarvan in de laatste vier-en-twintig uren meer waargenomen dan in de

voorafgaande dertien jaren van zijn huwelijk. Merkwaardigerwijze was

niets of nagenoeg niets meer overgebleven van de voorstelling die hij

zich zooveel jaren lang van haar gemaakt had. ’t Was of er een heel

ander beeld voor in de plaats was getreden. Zooals in ons

voorstellingsvermogen regel schijnt te wezen, denken wij ons een

bepaald persoon steeds in een bepaalde gedaante en steeds enkele

eigenschappen vertoonend, of woorden sprekend die ons het meest in hem

of haar opgevallen zijn. Er is als ’t ware een signalement in enkele

trekken in voorraad, ergens in ons magazijn van denkbeelden, dat we,

zoodra de persoon ter sprake komt, voor den dag halen. Dit doen we

zelfs—vooral wanneer we menschen van een overwegend impressioneel leven

zijn—wanneer de persoon aanwezig is, met ons spreekt; en al zien we ook

tegenstrijdigheden, eigenaardigheden die niet met het „signalement”

overeenkomen, we storen er ons meestal niet aan, en vaak is iets als

een electrische schok in de vorm van een treffende gebeurtenis of

handeling noodig, om ons duidelijk te maken dat het signalement niet

deugt of zelfs maar wijziging behoeft.

Zoo ging het met Larsen tot zijn innige verbazing.

Hij zag en hoorde Paula praten, sloeg haar ongedwongen houding gade en,

hoe dikwijls hij haar ook te voren zoo gezien had, thans was ze hem

nieuw. Voor zijn geestesoog verbond zich nu haar persoonlijkheid steeds

met de mooie furie in kimóno, en in het timbre van haar stem, waarnaar

hij zoo vaak met genot geluisterd had, klonk hem thans steeds iets

onaangenaams, schrijnends, woests. En telkens hoorde hij haar woorden:

„Wil je namen?!” zooals zij die tegen hem uitgevlijmd had; telkens ook

hoorde hij opnieuw dat honend-sarrende „cocu”, zag en voelde hij haar

op zich afvliegen als een dolle. Hij was bleek, en toch voelde hij zijn

eene wang gloeien; hij was schijnbaar kalm en hij voelde zijn hart

omdraaien van walg en afkeer. En ’t was of hij valschheid en

huichelarij zag in ieder woord, in iedere blik, in ieder gebaar dat hij

van haar waarnam. Hij slikte zijn eten met brokken in, dwong zich om

niet opvallend weinig te eten. Nu en dan bewoog hij zijn eene hand,

verschikte zijn servetring naast zijn bord, en werd zich dan opeens

bewust van zijn afgetrokkenheid: de gast mocht niets merken. Hij deed

zich geweld aan, om op gewone toon te spreken, te antwoorden althans.

Hij voelde zich ellendig.

En Paula en Margot merkten niets, vonden hem opvallend gewoon; zooals

Margot het na tafel noemde. En de laatste luchtte haar geestigheid

onbevreesd: ze kreeg zelfs een goedkeurende glimlach van Larsen terug,

ja zelfs een goedig „zeker, zeker,” of een passe-partout als „nu, die

is goed!” waar zij van hèm al zeer mee in haar schik was.

De koffie werd vóor gebruikt, en Larsen kon zich eindelijk, met een

onbeschrijfelijk gevoel van opluchting, op zijn gemak neerzetten; in

een fauteuil en eenigszins „verdekt”. Hij nam zich stellig voor zijn

marteling niet langer dan nog éen kwartier te laten voortduren, en zich

dan bij Margot te verontschuldigen.

Hij was dankbaar dat de drukke gast op andere wijze lucht ging geven

aan haar vroolijkheid en rammelzucht dan door de menschelijke spraak,

al was de muziek die ze te hooren gaf dan ook van ’t zelfde gehalte.

Dat het Japansche koffiekopje, half leeggedronken op de piano, alle

maten tjingelend meedanste scheen háar niet te deeren, en hinderde de

zwaarbezochte Larsen zeker veel minder dan ’t afdwingen van zijn

aandacht voor haar gepraat.

Paula stond naast de piano, en wisselde nu en dan een blik met haar

vriendin.

„’t Gaat goed,” fluisterde Margot tusschen twee harde akkoorden in

„Zou-i gaan dutten?” Rèngel—dèng—tèng—tjieng—tjieng! klaterde de wals

van Margot.

Paula keek even om, en knikte tegen haar met een lach.

Larsen zat met half afgewend gelaat, de baard tegen de borst, beenen

over elkaar en de beide handen op zijn eene knie; zijn gedachten een

baaierd, zijn hart als een wezenlooze klomp. En hij voelde zich zwaar

neerzakken in een ongekende diepte—diep, heel diep—deed geen poging om

boven te blijven—zakte maar steeds, willoos, rampzalig....

De stilte als afknappend tegen Margot’s laatste akkoord, deed hem ’t

hoofd opheffen. Zij zag ’t en met haar vriendelijkst hoog

stemintervalletje vroeg ze:

„Mooi, he, die wals, vin’ je niet, Lars?”

De toegesprokene keek haar even aan, voordat hij antwoordde. Hij zag ’t

hoogblonde, vrij losse, ietwat raagbolachtige kapsel, de lange

nek—blank en mooi—de poppenoogen, poppeneus, poppemond en

poppetandjes—regelmatig, scherp en glanzend—en hij vond haar

antipathieker dan ooit te voren. Hij wist niet waarom.

„Heel aardig!” zei hij niettemin vol overtuiging.

Paula schoot in een stuiplach, die ze tevergeefs trachtte te bedwingen.

„Och, jij ook!” zei ze tusschen twee krampjes tot Margot, om haar lach

verklaarbaar te maken. „Wat kan nu iemand die pas wakker wordt anders

zeggen dan.... heel aardig!”

„Ik heb niet geslapen,” zei Larsen kalm en op een helder klinkende

toon, die hem zelf opviel.

Hij verbaasde zich nogmaals over Paula, en een oogenblik later

verbaasde hij zich over zijn verbazing. Wist hij dan nog niet dat bij

die vrouw alles aan de oppervlakte lag, dat ze slechts de opperhuid van

een ziel had?

Heilige Banden: Roman · 第 10 / 22 题