VIII.

„Mevrouw, d’r is visite!” klonk het van den overloop.

„Nu nog?” was ’t wederwoord uit Mevrouw’s toiletkamer. „’t Is half

vijf!”

„Nog niet, Mevrouw,” riep Pietje buiten. „Mag ik binnenkomen?”

„Ga je gang.” Pietje de blozende kamermeid, koket en keurig gekleed,

betrad Mevrouw’s heiligdom. Ze was Paula’s lieveling en wist het. Vol

bewondering voor de bevalligheden harer meesteres, haar mooie japonnen

en kunstvol kapsel, haar odeurs en waschwatertjes, maakte deze

wetenschap de dienstbare toch niet al te vrij in haar omgang, en

botsingen tusschen beide waren zeldzaam. Behalve de functiën van

kamermeid nam Pietje ook die van kamenier waar.

„Wie is ’t?” vroeg Paula met beide handen bezig haar weelderig haar de

laatste toetsen te geven. De groote „psyche” weerkaatste haar gansche

gestalte.

Een paar uren lagen tusschen het woeste tooneel met Larsen en nu, en

sinds een uur was zij aan haar toilet. De huilbui had een kwartier

geduurd, en daarna was ze zich weer bewust geworden van de gewichtige

zorgen die haar wachtten: kleeden met al wat daarbij hoort.

Op haar vraag antwoordde Pietje:

„Mevrouw Ennery. Ik heb maar gezegd dat u gauw zou komen. Ze wacht in

de voorkamer.”

„O, Margot!” zei Paula verheugd. ’t Bezoek was haar hoogst welkom, gaf

haar de afleiding die ze verlangde.

Margot Ennery was een oude schoolvriendin, iets jonger dan zij, thans

weduwe van een rijke koffieplanter in Indië. ’t Was haar intima, voor

zoover dit bij een vrouw als Paula mogelijk was.

Wat Paula niet gaarne deed—zich haasten—deed ze thans voor haar

vriendin. Trouwens, ze was bijna klaar, en met de hulp van Pietje had

ze juist zes minuten noodig, om zoover te komen dat ze met voldoening

een laatste blik in de „psyche” wierp: van de overgedreven storm nauw

een spoor, voor haar waarneembaar, voor anderen zeker niet. Ze had

gedurende de ingewikkelde toilet-werkzaamheden, tusschen de bedrijven

door, wel gelegenheid gehad tot nadenken. Ze was tot de slotsom gekomen

dat het hevige tooneel van zooeven zijn goede zijde had: van berouw

daarom geen vleugje. Integendeel, ze vond de verhouding tot Larsen

thans veel zuiverder dan te voren. Hè, ze was nu dan eindelijk geheel

haarzelve geweest. En wat ’t verklapte aanging—och, was dat ook wel zoo

erg? Ze kòn zich niet voorstellen dat Larsen op den duur zijn standpunt

zou blijven innemen: hoe zou dat mogelijk zijn, waar zij steeds om hem

heen zou wezen? Och kom, hij bleef, en hield ’t geen maand vol, en

dan.... zou ze weten gebruik te maken van de macht die haar

begeerlijkheid haar tegenover hem zou schenken. Ze zou hem aantrekken

door haar afstooten, o onfeilbaar zeker! En dan eindelijk, als ze zag

dat de zege zeker was, dan ten slotte toegeven. Alles wel beschouwd was

Larsen nog zoo kwaad niet. In haar woede had ze veel te veel gezegd,

ongetwijfeld. ’t Zou haar weinig moeite kosten weer lief tegen hem te

zijn, en dan hem te doen gelooven dat al wat ze uitgeflapt had

verzinsel was, louter uitdenksels om hem te krenken. Een verliefde man

zooals hij gelooft immers alles! En dan kon alles nog goed worden; want

per slot van rekening was een leven als kat en hond toch ook verre van

aangenaam.... Nee, ’t moest weer goed worden.... Als Larsen inzag dat

hij toch niet goedschiks van haar af kon, zou hij zijn gekrenkte eer

zelf wel weer bepraten en er vrede mee nemen dat alles bij ’t oude

bleef. Haar leven was toch niet zoo verwerpelijk, vergeleken bij dat

van anderen. Haar vrienden kon ze immers houden. „Pour avoir un amant,

il faut être mariée,” en vooral met zoo’n goeie lobbes.

„Zoo’n zooltreder,” dacht Paula met een glimlach, toen ze de trap

afging. Margot noemde Larsen zoo, en de gedachte aan haar vriendin

bracht haar de uitdrukking te binnen. Ze was wel bar tegen hem geweest

die middag. Waar zou hij zitten? Weer naar Van Thiemen?.... O, daar

kwam ze op een heerlijk denkbeeld! Van Thiemen was altijd zoo aardig

tegen haar geweest, en hij had blijkbaar veel vat op Larsen. ’t Was

zijn boezemvriend. Nu ja.... was ooit vriendschap tusschen mannen een

beletsel, als een bekoorlijke vrouw ertusschen trad? Ze zou Van Thiemen

wel weten te bewerken, en dan zou ze hem er wel toe krijgen Larsen weer

in ’t goede spoor te brengen. Ze lachte wat om die vriendschap!.... Ze

hoefde maar een vinger uit te steken, en de boezemvriend zou....

Zelfvoldaan gleed haar blik langs haar beeld beneden in de spiegels

links en rechts van de trap.

Muziek klonk haar in de gang tegemoet.

„Zoo?” riep ze vroolijk, en trad in de voorkamer. Margot Ennery zat

vóor de piano en speelde. „Weer met je walsen?”

„O, ik vin’ je España-wals verrukkelijk,” zei de toegesprokene, en

stond van ’t piano-krukje op. „Ik kon niet nalaten ’m even te spelen.

Anders had ik me verveeld.”

„Of je gelijk hebt. ’t Spijt me heusch vreeselijk dat ik je heb moeten

laten wachten.... Kom, laten we hier niet blijven. ’t Is aangenamer in

mijn boudoirtje hiernaast.”

Paula lichtte de zware portière op, die de voorkamer—de eigenlijke

salon—van bedoeld vertrekje scheidde—en de vriendinnen gingen arm in

arm binnen.

Naar ’t uiterlijk waren ’t vrijwel contrasten: Margot was hoog blond en

slank. Tegen Paula’s kleine, welgevormde gestalte stak haar ietwat

mager figuur sterk af. Zij miste ook de gratie zoo bizonder aan Paula

eigen. Wellicht lag dit aan haar inderdaad buitengewone lengte. In

smaakvolle kleeding deed ze voor haar vriendin niet onder. Innerlijk

was er dit verschil, dat Paula het intellectueel verre won van Margot,

al deed de laatste ook graag alsof ze geestig was. Haar levendigheid

was ook geheel anders dan die van haar vertrouweling, miste het

bekoorlijk gloedvolle, het bezielde, het echt hartstochtelijke: bij

haar was ’t luidruchtigheid wat de plaats van Paula’s opgewektheid

innam. Haar gepraat had iets bizonder druks, vermoeiends, had iets van

leeg gerammel: bij Paula was muziek in ’t afwisselend hoog en laag

harer stemmodulaties. De heele uitdrukking van haar gezicht had ook

iets kouds en levenloos. In haar licht grijsblauwe oogen was geen vuur.

Op de dunne lippen had de lach iets van een stuiptrekking. Toch was ze

lang niet leelijk. Ze was bizonder blank, en de kleur van ’t haar had

iets van licht getint goud. Geen criticus, ja zelfs geen critica, kon,

zonder zeer streng te wezen, aanmerking maken op eenig deel van haar

gelaat, althans voor zoover lijn, vorm en kleur aanging. Maar haar

schoonheid was die van een goed afgewerkt wassen beeld.

Op vrij jeugdige leeftijd was ze met een familie mee naar Java gegaan,

als een soort gouvernante voor de kinderen, en, nauwelijks een jaar te

Batavia, had ze ’t aanzoek van een veel oudere koffieplanter uit de

Preanger aangenomen. Na een vierjarig huwelijksleven zonder eenige

stoornissen of bizondere wederwaardigheden, ook zonder moederschap, was

ze op een goeien dag vrij om te gaan waar ’t haar lustte: want manlief

was ad patres en had haar een fortuintje nagelaten. Haar eerste werk

was de „gordel van smaragd” te verlaten en ’t land van grauwe luchten

en motregens weer op te zoeken. Haar moeder woonde in dezelfde stad

waar Larsen woonde, daar had ze ook nog tal van kennissen uit haar

meisjesjaren, zoodat ze weerstand bood aan de verleiding van ’t Haagje,

die magneet voor uit Indië repatriëerende polderlanders, en zich in de

provincie vestigde. Daar was zij met haar middelmatig fortuin een

grootheid, die ze in ’t rijke Den Haag zeker niet zou geweest zijn. Ook

trok haar de omgang met Indische menschen niet aan—ze had genoeg van ’t

leven daar, om er hier in ’t land nog telkens aan herinnerd te worden.

Niet dat ze zich op Java erg misplaatst had gevoeld—o neen, haar

oppervlakkige natuur was te emotieloos om veel te lijden onder de

eentonigheid van een „plantenleven”—maar ze was te veel kleinsteedsche

en gehecht aan ’t oude en bekende, ze miste assimilatie-vermogen. Ook

wilde ze zich gaarne in haar nieuwe omstandigheden—betrekkelijk rijk en

onafhankelijk—aan haar vroegere kennissen vertoonen, waar ze eertijds

arm onderwijzeresje geweest was. Ze kocht een aardig huisje, dat er als

een villaatje uitzag, richtte het vrijwel geheel in naar Paula’s

inzichten en raadgevingen, en liet haar moeder bij zich inwonen: dit

laatste meer uit welvoegelijkheidsredenen dan om de oude vrouw zelve.

’t Stond tegenover de wereld beter dat ze met haar moeder woonde dan

zoo heel alleen. En de oude Mevrouw Van Asbeek was tegenover haar

eenige dochter steeds de goedheid en toegevendheid zelve

geweest—hoeveel te meer nu Margot haar weldoenster was.

„’t Is toch een snoezig nestje dat je hier hebt!” riep ze bij ’t

binnentreden van ’t boudoir. „Ik kan niet nalaten ’t telkens te

bewonderen. Zeg’s Paula, weet je dat ik mijn pruilkamertje net zoo heb

laten inrichten?”

„Verandering aangebracht?” vroeg Paula afgetrokken.

„Ja: alles blauw laten maken, maar overigens precies als hier.” Ze keek

goedkeurend rond.

„Och, je woû ook niet gelooven dat jij met je blonde haar niet past in

een omgeving van rozerood! Maar zeg, kindlief, kom hier wat op de sofa

zitten. Hier heb je een kussen. Zoo, zet dat achter je rug. Ziezoo, nu

kom ik hier bij je zitten. Ik heb je wat nieuws te vertellen.”

Paula keek gewichtig.

„Zoo? Toe, vertel ’s.”

Paula trok haar eene been op, en sloeg de handen in elkaar om haar

opgetrokken knie, een geliefde houding van haar wanneer ze recht

vertrouwelijk ging wezen. Onder het donker granaatkleurig kleed kwam

haar roze-zijde onderrok te voorschijn.

„Je raadt nooit wat het is,” zei Paula geheimzinnig.

„Een nieuwe adorateur?”

„Och! Dat is nooit nieuw genoeg. Die kan ik krijgen zooveel ik maar

hebben wil!”

„Nu, wat dan? Ga je op reis?”

„Pas geweest in Augustus. Nee, nee, nee, ’t is iets heel heel

ernstigs....”

„Kom, maak me niet nieuwsgierig. Ik geef ’t op.”

„Ruzie met m’n man!”

„Met je zooltreder? Maar dat is niet denkbaar!! Wordt-i jaloersch?”

„Iets van dien aard....” zei Paula peinzend.

„Scène gehad?”

„Ja verbeeld je, en heel erg ook!”

„Och, kom!.... En hij had ongelijk natuurlijk?”

„Jawel, in ’t eerst, maar.... ik heb ’t later te bont gemaakt.”

„Zoo, hoe dan?” ’t Kwam er eenigszins aarzelend uit: Paula’s overwicht

gedoogde geen volledig uithooren.

„Wel.... ik....,” en Paula proestte het opeens uit.... „ik heb ’m in

zijn gezicht geslagen! Nee, ’t is te erg.... die goeie brave,

zooltreder!”

„Is ’t heusch? Ha, ha, ha! Hoe kom je nu dáar toe? En is hij erg boos?”

„Ja, geducht.... Hij wil van me af.... Stel je voor!”

„Van je scheiden? Kom, meent hij dat?”

„Ja, dat zegt-i. ’t Is te mal om los te loopen. Och, ’t was ook niet

uit te houen langer! Ik heb me ’s gelucht, eindelijk. En wat nog ’t

leelijkst is, ik heb hem allerlei leelijks van mezelf verteld.”

„Van je aanbidder?”

„Och ja, om hem te treiteren,” zei Paula ontwijkend.

„Hij zal je niet geloofd hebben.”

„Dat hoop ik ook. De zaak is nu hem weer te sussen.”

„Dat zal best gaan, zou je niet denken?”

„Jawel, maar dan moet je me helpen. Kom hier veel: dat geeft

afleiding....”

„Goed, best, ik kan ’t wel met hem vinden. Ik blijf van middag bij je

eten, is dat goed?”

„Uitstekend. Ik weet anders geen raad: ’t Is zoo’n malle verhouding....

En met Didi, vin’ je niet?”

„Zeker. Maar komt hij aan tafel?”

„Och, ik denk dat hij ’t wel voor de vorm doen zal. Hij geneert zich

tegenover de meiden en tegenover Didi.”

„Stuur Didi maar veel bij mij, dan kan ze met Nero spelen.”

Nero was een groote hond, die Margot erop nahield, een bizondere

gunsteling van Larsen’s dochtertje.

„Ze heeft toch niets gemerkt van jullie ruzie?” ging Margot voort.

„Ik geloof ’t niet,” antwoordde Paula onverschillig. „Maar, zeg, je

blijft dus, he? We hebben van middag tong—ossetong—daar hoû je immers

van?”

„O, delicieus! Zooals jij die altijd hebt....”

„Larsen is er dol op. Ik heb er nog gauw een laten halen....”

„Zoo’n slimmert! Wat ze met haar tong verbruid heeft, wil ze weer goed

maken met een andere tong!” Margot lachte om haar eigen geestigheid.

„Jij doet ’t woord dan maar, hoor,” zei Paula met een glimlach. „Palm

mijn zooltreder maar goed in. En ratel er maar op los, dan heeft hij

geen tijd om aan leelijke dingen te denken.”

„Laat dat maar aan mij over.... Maar vertel me ’s, heb je weer een

andere modiste in Den Haag?”

„Nee, juffrouw Laszalle, dezelfde van altijd. Waarom? Bevalt je dit

pakje niet?”

„Verbeeld je! Ik vin’ ’t snoezig. Ze schijnt voor jou beter te werken

dan voor mij.”

„Je hebt moeilijker figuur. Dat zegt ze ook.”

Met een zucht keek Margot neer op haar lange gestalte, en op ’t nieuwe

kostuum dat ze aan had.

„Ellendig zoo lang te wezen! Je moest ons indertijd gezien hebben, mijn

man en mij: om te schilderen! Hij meer dan een hoofd kleiner dan ik,

stevig in zijn vleesch, en ik daarnaast.... Hij moest altijd op z’n

teenen gaan staan als hij mij een zoen woû geven. Gelukkig was hij niet

erg zoenerig uitgevallen. ’t Was zoo’n eigenaardig type!”

„Je hield van hem, he?” vroeg Paula.

„Och ja, dat weet je immers. ’t Was een doodgoeie vent....”

„En niet jaloersch, of....?”

„Heelemaal niet! Trouwens, daar in de binnenlanden was niet veel

aanleiding tot zoo iets. Ik ben ’m altijd trouw geweest, heusch.”

„Ik geloof je,” antwoordde Paula met een eigenaardige optrekking van

haar onderlip. Ze begreep heel best dat die koude natuur geheel buiten

passie kon. Margot was een van die vrouwen die noch de innige, noch de

hartstochtelijke, oppervlakkige soort van liefde kennen: geen man zou

die ooit bij haar kunnen wekken, evenmin als zij ooit in staat was

geweest, of zou wezen, een mannehart in gloed te zetten. Het huwelijk

was voor haar een formaliteit geweest, die nu eenmaal in een

vrouwenleven dient voor te komen, en had evenmin iets met innige

gemoedsaandoeningen te maken gehad als bijvoorbeeld inenten of

„aangenomen” worden bij de „dominé”. Zij had haar man genomen, omdat ze

getrouwd wou wezen, en hij haar omdat hij genoeg had van ’t leven met

een inlandsche huishoudster. En beide prozaïsche naturen hadden

wonderwel bij elkaar gepast.

„Mis je ’m erg?” vroeg Paula met een schuinsche schalksche blik.

„M’n man?.... Och, wat zal ik je zeggen.... ’t was ’n beste kerel,

maar.... ik ben weer aan mijn verlies gewend.”

„Gelukkig mensch dat zich de wereldsche zaken zoo weinig aantrekt,” zei

Paula met een zuchtje.

Er was tusschen de vriendinnen anders maar zelden sprake van Margot’s

vroeger huwelijksleven, en uit zichzelve kwam de weduwe er nooit toe,

over die haast vergeten periode een woord te zeggen.

Haar aandacht was dan ook dadelijk op Paula’s toestand gericht. Ze leî

haar hand op haar schouder:

„Kom, die bui drijft over,” zei ze sussend. „Larsen is een goeiert,

zooals ik er nog nooit een zag.”

„Och, ik ben toch heusch veel, veel te bar tegen hem geweest,” zei

Paula op komisch berouwvolle toon.

„Nu goed, doe boete, en toon je nu ’s erg lief....”

„Dat gaat niet—en dat is nu nog ’t onpleizierigste.... Nee, ik moet

minstens veertien dagen koel blijven; vervelend voor mezelf, weet je,

want ik kàn niet haatdragend zijn—daar ken je me te goed voor, nie’

waar?—ik kan niet mokken, en ik ben heusch bang dat ik uit mijn rol

val.”

„En wat zou dat nog?”

„Wel—mijn prestige! Ik heb hem zelf gezegd dat ik hem als een vreemde

zou behandelen.... en verbeel’ je dat ik dat nog niet eens veertien

dagen volhield! Nee, ik moet zien wat hij doet. Hij moet de eerste

zijn!”

„Is dat dan ook niet bar?”

„Och, nou ja, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Als hij maar een

beetje toenadering toont, dan schiet ik wel los.”

„In z’n armen.”

„Nee, niet zoo in eens. Maar lief wil ik dan wel wezen....” Paula

verzonk in gepeins. „Hè, ik woû ’t al zoover was! Ik hoû niets van

kibbelen en zure gezichten. Ik kan niet boos blijven.”

„Hij ook niet.”

„Nee, ik geloof ’t niet.... nee, zeker niet. Hij is veel te goed

en—houdt te veel van me. Maar je begrijpt: hij moet toch iets toonen

nadat ik.... hem zoo.... zoo’n klets gegeven heb....”

Bij de herinnering aan haar hardhandigheid schoot Paula in een

zenuwachtige lach:

„Nee.... maar ’t was te.... te bar.... Hij moet een gezwollen wang

ervan hebben! Arme vent. Ha, ha! Wil je wel gelooven dat ik hem zóo zou

willen zoenen, Margot? Zoo’n beste goeie lobbes! Nee, ’t was heusch

leelijk van me....”

„Dat is zeker de eerste keer dat je zoo iets gedaan hebt?”

„Op m’n woord, hoor! Wat dacht je! Nee, we hebben nog nooit te voren

zoo’n ruzie gehad. Z’n eigen schuld.... wat doet-i zoo jaloersch te

wezen!.... En toch.... heb ik er eigenlijk spijt van....”

Margot keek belangstellend en met curieuze blik naar haar vriendin; zij

kon zich al die hevigheid niet best voorstellen: tusschen haar en haar

man was alles altijd zoo vlot en kalm gegaan.

„En wat ga je nu al die tijd doen?” vroeg ze. „Ik bedoel zoolang ’t nog

niet weer goed is? Je kunt toch niet de doofstomme tegen hem spelen zoo

veertien dagen lang....”

„Wel.... ik ga veel piano-spelen.... en zingen. Daar luistert hij naar,

of hij wil of niet. En dan—kom jij hier, en ik praat met jou. Of.... ik

ga lezen.... ’t Is waar ook, heb je wat moois voor me te lezen? Larsen

heeft niets dan vervelende lectuur, je weet wel....”

„O ja, ik heb wel wat. Fransch, he?”

„Goed, Fransch. Die Hollandsche romans vin’ ik meestal taai. We hebben

maar éen romanschrijver: Couperus, vin’ je ook niet?”

Margot las om zich de tijd te dooden, en van stijl had ze maar heel

weinig benul. Ze kende van de boeken die ze las de titels—de namen der

schrijvers daar lette ze meestal niet op. Ze verwarde Therèse Hoven met

Frederik van Eeden en Couperus met Melati van Java.

Heilige Banden: Roman · 第 9 / 22 题