„Mevrouw, d’r is visite!” klonk het van den overloop.
„Nu nog?” was ’t wederwoord uit Mevrouw’s toiletkamer. „’t Is half
vijf!”
„Nog niet, Mevrouw,” riep Pietje buiten. „Mag ik binnenkomen?”
„Ga je gang.” Pietje de blozende kamermeid, koket en keurig gekleed,
betrad Mevrouw’s heiligdom. Ze was Paula’s lieveling en wist het. Vol
bewondering voor de bevalligheden harer meesteres, haar mooie japonnen
en kunstvol kapsel, haar odeurs en waschwatertjes, maakte deze
wetenschap de dienstbare toch niet al te vrij in haar omgang, en
botsingen tusschen beide waren zeldzaam. Behalve de functiën van
kamermeid nam Pietje ook die van kamenier waar.
„Wie is ’t?” vroeg Paula met beide handen bezig haar weelderig haar de
laatste toetsen te geven. De groote „psyche” weerkaatste haar gansche
gestalte.
Een paar uren lagen tusschen het woeste tooneel met Larsen en nu, en
sinds een uur was zij aan haar toilet. De huilbui had een kwartier
geduurd, en daarna was ze zich weer bewust geworden van de gewichtige
zorgen die haar wachtten: kleeden met al wat daarbij hoort.
Op haar vraag antwoordde Pietje:
„Mevrouw Ennery. Ik heb maar gezegd dat u gauw zou komen. Ze wacht in
de voorkamer.”
„O, Margot!” zei Paula verheugd. ’t Bezoek was haar hoogst welkom, gaf
haar de afleiding die ze verlangde.
Margot Ennery was een oude schoolvriendin, iets jonger dan zij, thans
weduwe van een rijke koffieplanter in Indië. ’t Was haar intima, voor
zoover dit bij een vrouw als Paula mogelijk was.
Wat Paula niet gaarne deed—zich haasten—deed ze thans voor haar
vriendin. Trouwens, ze was bijna klaar, en met de hulp van Pietje had
ze juist zes minuten noodig, om zoover te komen dat ze met voldoening
een laatste blik in de „psyche” wierp: van de overgedreven storm nauw
een spoor, voor haar waarneembaar, voor anderen zeker niet. Ze had
gedurende de ingewikkelde toilet-werkzaamheden, tusschen de bedrijven
door, wel gelegenheid gehad tot nadenken. Ze was tot de slotsom gekomen
dat het hevige tooneel van zooeven zijn goede zijde had: van berouw
daarom geen vleugje. Integendeel, ze vond de verhouding tot Larsen
thans veel zuiverder dan te voren. Hè, ze was nu dan eindelijk geheel
haarzelve geweest. En wat ’t verklapte aanging—och, was dat ook wel zoo
erg? Ze kòn zich niet voorstellen dat Larsen op den duur zijn standpunt
zou blijven innemen: hoe zou dat mogelijk zijn, waar zij steeds om hem
heen zou wezen? Och kom, hij bleef, en hield ’t geen maand vol, en
dan.... zou ze weten gebruik te maken van de macht die haar
begeerlijkheid haar tegenover hem zou schenken. Ze zou hem aantrekken
door haar afstooten, o onfeilbaar zeker! En dan eindelijk, als ze zag
dat de zege zeker was, dan ten slotte toegeven. Alles wel beschouwd was
Larsen nog zoo kwaad niet. In haar woede had ze veel te veel gezegd,
ongetwijfeld. ’t Zou haar weinig moeite kosten weer lief tegen hem te
zijn, en dan hem te doen gelooven dat al wat ze uitgeflapt had
verzinsel was, louter uitdenksels om hem te krenken. Een verliefde man
zooals hij gelooft immers alles! En dan kon alles nog goed worden; want
per slot van rekening was een leven als kat en hond toch ook verre van
aangenaam.... Nee, ’t moest weer goed worden.... Als Larsen inzag dat
hij toch niet goedschiks van haar af kon, zou hij zijn gekrenkte eer
zelf wel weer bepraten en er vrede mee nemen dat alles bij ’t oude
bleef. Haar leven was toch niet zoo verwerpelijk, vergeleken bij dat
van anderen. Haar vrienden kon ze immers houden. „Pour avoir un amant,
il faut être mariée,” en vooral met zoo’n goeie lobbes.
„Zoo’n zooltreder,” dacht Paula met een glimlach, toen ze de trap
afging. Margot noemde Larsen zoo, en de gedachte aan haar vriendin
bracht haar de uitdrukking te binnen. Ze was wel bar tegen hem geweest
die middag. Waar zou hij zitten? Weer naar Van Thiemen?.... O, daar
kwam ze op een heerlijk denkbeeld! Van Thiemen was altijd zoo aardig
tegen haar geweest, en hij had blijkbaar veel vat op Larsen. ’t Was
zijn boezemvriend. Nu ja.... was ooit vriendschap tusschen mannen een
beletsel, als een bekoorlijke vrouw ertusschen trad? Ze zou Van Thiemen
wel weten te bewerken, en dan zou ze hem er wel toe krijgen Larsen weer
in ’t goede spoor te brengen. Ze lachte wat om die vriendschap!.... Ze
hoefde maar een vinger uit te steken, en de boezemvriend zou....
Zelfvoldaan gleed haar blik langs haar beeld beneden in de spiegels
links en rechts van de trap.
Muziek klonk haar in de gang tegemoet.
„Zoo?” riep ze vroolijk, en trad in de voorkamer. Margot Ennery zat
vóor de piano en speelde. „Weer met je walsen?”
„O, ik vin’ je España-wals verrukkelijk,” zei de toegesprokene, en
stond van ’t piano-krukje op. „Ik kon niet nalaten ’m even te spelen.
Anders had ik me verveeld.”
„Of je gelijk hebt. ’t Spijt me heusch vreeselijk dat ik je heb moeten
laten wachten.... Kom, laten we hier niet blijven. ’t Is aangenamer in
mijn boudoirtje hiernaast.”
Paula lichtte de zware portière op, die de voorkamer—de eigenlijke
salon—van bedoeld vertrekje scheidde—en de vriendinnen gingen arm in
arm binnen.
Naar ’t uiterlijk waren ’t vrijwel contrasten: Margot was hoog blond en
slank. Tegen Paula’s kleine, welgevormde gestalte stak haar ietwat
mager figuur sterk af. Zij miste ook de gratie zoo bizonder aan Paula
eigen. Wellicht lag dit aan haar inderdaad buitengewone lengte. In
smaakvolle kleeding deed ze voor haar vriendin niet onder. Innerlijk
was er dit verschil, dat Paula het intellectueel verre won van Margot,
al deed de laatste ook graag alsof ze geestig was. Haar levendigheid
was ook geheel anders dan die van haar vertrouweling, miste het
bekoorlijk gloedvolle, het bezielde, het echt hartstochtelijke: bij
haar was ’t luidruchtigheid wat de plaats van Paula’s opgewektheid
innam. Haar gepraat had iets bizonder druks, vermoeiends, had iets van
leeg gerammel: bij Paula was muziek in ’t afwisselend hoog en laag
harer stemmodulaties. De heele uitdrukking van haar gezicht had ook
iets kouds en levenloos. In haar licht grijsblauwe oogen was geen vuur.
Op de dunne lippen had de lach iets van een stuiptrekking. Toch was ze
lang niet leelijk. Ze was bizonder blank, en de kleur van ’t haar had
iets van licht getint goud. Geen criticus, ja zelfs geen critica, kon,
zonder zeer streng te wezen, aanmerking maken op eenig deel van haar
gelaat, althans voor zoover lijn, vorm en kleur aanging. Maar haar
schoonheid was die van een goed afgewerkt wassen beeld.
Op vrij jeugdige leeftijd was ze met een familie mee naar Java gegaan,
als een soort gouvernante voor de kinderen, en, nauwelijks een jaar te
Batavia, had ze ’t aanzoek van een veel oudere koffieplanter uit de
Preanger aangenomen. Na een vierjarig huwelijksleven zonder eenige
stoornissen of bizondere wederwaardigheden, ook zonder moederschap, was
ze op een goeien dag vrij om te gaan waar ’t haar lustte: want manlief
was ad patres en had haar een fortuintje nagelaten. Haar eerste werk
was de „gordel van smaragd” te verlaten en ’t land van grauwe luchten
en motregens weer op te zoeken. Haar moeder woonde in dezelfde stad
waar Larsen woonde, daar had ze ook nog tal van kennissen uit haar
meisjesjaren, zoodat ze weerstand bood aan de verleiding van ’t Haagje,
die magneet voor uit Indië repatriëerende polderlanders, en zich in de
provincie vestigde. Daar was zij met haar middelmatig fortuin een
grootheid, die ze in ’t rijke Den Haag zeker niet zou geweest zijn. Ook
trok haar de omgang met Indische menschen niet aan—ze had genoeg van ’t
leven daar, om er hier in ’t land nog telkens aan herinnerd te worden.
Niet dat ze zich op Java erg misplaatst had gevoeld—o neen, haar
oppervlakkige natuur was te emotieloos om veel te lijden onder de
eentonigheid van een „plantenleven”—maar ze was te veel kleinsteedsche
en gehecht aan ’t oude en bekende, ze miste assimilatie-vermogen. Ook
wilde ze zich gaarne in haar nieuwe omstandigheden—betrekkelijk rijk en
onafhankelijk—aan haar vroegere kennissen vertoonen, waar ze eertijds
arm onderwijzeresje geweest was. Ze kocht een aardig huisje, dat er als
een villaatje uitzag, richtte het vrijwel geheel in naar Paula’s
inzichten en raadgevingen, en liet haar moeder bij zich inwonen: dit
laatste meer uit welvoegelijkheidsredenen dan om de oude vrouw zelve.
’t Stond tegenover de wereld beter dat ze met haar moeder woonde dan
zoo heel alleen. En de oude Mevrouw Van Asbeek was tegenover haar
eenige dochter steeds de goedheid en toegevendheid zelve
geweest—hoeveel te meer nu Margot haar weldoenster was.
„’t Is toch een snoezig nestje dat je hier hebt!” riep ze bij ’t
binnentreden van ’t boudoir. „Ik kan niet nalaten ’t telkens te
bewonderen. Zeg’s Paula, weet je dat ik mijn pruilkamertje net zoo heb
laten inrichten?”
„Verandering aangebracht?” vroeg Paula afgetrokken.
„Ja: alles blauw laten maken, maar overigens precies als hier.” Ze keek
goedkeurend rond.
„Och, je woû ook niet gelooven dat jij met je blonde haar niet past in
een omgeving van rozerood! Maar zeg, kindlief, kom hier wat op de sofa
zitten. Hier heb je een kussen. Zoo, zet dat achter je rug. Ziezoo, nu
kom ik hier bij je zitten. Ik heb je wat nieuws te vertellen.”
Paula keek gewichtig.
„Zoo? Toe, vertel ’s.”
Paula trok haar eene been op, en sloeg de handen in elkaar om haar
opgetrokken knie, een geliefde houding van haar wanneer ze recht
vertrouwelijk ging wezen. Onder het donker granaatkleurig kleed kwam
haar roze-zijde onderrok te voorschijn.
„Je raadt nooit wat het is,” zei Paula geheimzinnig.
„Een nieuwe adorateur?”
„Och! Dat is nooit nieuw genoeg. Die kan ik krijgen zooveel ik maar
hebben wil!”
„Nu, wat dan? Ga je op reis?”
„Pas geweest in Augustus. Nee, nee, nee, ’t is iets heel heel
ernstigs....”
„Kom, maak me niet nieuwsgierig. Ik geef ’t op.”
„Ruzie met m’n man!”
„Met je zooltreder? Maar dat is niet denkbaar!! Wordt-i jaloersch?”
„Iets van dien aard....” zei Paula peinzend.
„Scène gehad?”
„Ja verbeeld je, en heel erg ook!”
„Och, kom!.... En hij had ongelijk natuurlijk?”
„Jawel, in ’t eerst, maar.... ik heb ’t later te bont gemaakt.”
„Zoo, hoe dan?” ’t Kwam er eenigszins aarzelend uit: Paula’s overwicht
gedoogde geen volledig uithooren.
„Wel.... ik....,” en Paula proestte het opeens uit.... „ik heb ’m in
zijn gezicht geslagen! Nee, ’t is te erg.... die goeie brave,
zooltreder!”
„Is ’t heusch? Ha, ha, ha! Hoe kom je nu dáar toe? En is hij erg boos?”
„Ja, geducht.... Hij wil van me af.... Stel je voor!”
„Van je scheiden? Kom, meent hij dat?”
„Ja, dat zegt-i. ’t Is te mal om los te loopen. Och, ’t was ook niet
uit te houen langer! Ik heb me ’s gelucht, eindelijk. En wat nog ’t
leelijkst is, ik heb hem allerlei leelijks van mezelf verteld.”
„Van je aanbidder?”
„Och ja, om hem te treiteren,” zei Paula ontwijkend.
„Hij zal je niet geloofd hebben.”
„Dat hoop ik ook. De zaak is nu hem weer te sussen.”
„Dat zal best gaan, zou je niet denken?”
„Jawel, maar dan moet je me helpen. Kom hier veel: dat geeft
afleiding....”
„Goed, best, ik kan ’t wel met hem vinden. Ik blijf van middag bij je
eten, is dat goed?”
„Uitstekend. Ik weet anders geen raad: ’t Is zoo’n malle verhouding....
En met Didi, vin’ je niet?”
„Zeker. Maar komt hij aan tafel?”
„Och, ik denk dat hij ’t wel voor de vorm doen zal. Hij geneert zich
tegenover de meiden en tegenover Didi.”
„Stuur Didi maar veel bij mij, dan kan ze met Nero spelen.”
Nero was een groote hond, die Margot erop nahield, een bizondere
gunsteling van Larsen’s dochtertje.
„Ze heeft toch niets gemerkt van jullie ruzie?” ging Margot voort.
„Ik geloof ’t niet,” antwoordde Paula onverschillig. „Maar, zeg, je
blijft dus, he? We hebben van middag tong—ossetong—daar hoû je immers
van?”
„O, delicieus! Zooals jij die altijd hebt....”
„Larsen is er dol op. Ik heb er nog gauw een laten halen....”
„Zoo’n slimmert! Wat ze met haar tong verbruid heeft, wil ze weer goed
maken met een andere tong!” Margot lachte om haar eigen geestigheid.
„Jij doet ’t woord dan maar, hoor,” zei Paula met een glimlach. „Palm
mijn zooltreder maar goed in. En ratel er maar op los, dan heeft hij
geen tijd om aan leelijke dingen te denken.”
„Laat dat maar aan mij over.... Maar vertel me ’s, heb je weer een
andere modiste in Den Haag?”
„Nee, juffrouw Laszalle, dezelfde van altijd. Waarom? Bevalt je dit
pakje niet?”
„Verbeeld je! Ik vin’ ’t snoezig. Ze schijnt voor jou beter te werken
dan voor mij.”
„Je hebt moeilijker figuur. Dat zegt ze ook.”
Met een zucht keek Margot neer op haar lange gestalte, en op ’t nieuwe
kostuum dat ze aan had.
„Ellendig zoo lang te wezen! Je moest ons indertijd gezien hebben, mijn
man en mij: om te schilderen! Hij meer dan een hoofd kleiner dan ik,
stevig in zijn vleesch, en ik daarnaast.... Hij moest altijd op z’n
teenen gaan staan als hij mij een zoen woû geven. Gelukkig was hij niet
erg zoenerig uitgevallen. ’t Was zoo’n eigenaardig type!”
„Je hield van hem, he?” vroeg Paula.
„Och ja, dat weet je immers. ’t Was een doodgoeie vent....”
„En niet jaloersch, of....?”
„Heelemaal niet! Trouwens, daar in de binnenlanden was niet veel
aanleiding tot zoo iets. Ik ben ’m altijd trouw geweest, heusch.”
„Ik geloof je,” antwoordde Paula met een eigenaardige optrekking van
haar onderlip. Ze begreep heel best dat die koude natuur geheel buiten
passie kon. Margot was een van die vrouwen die noch de innige, noch de
hartstochtelijke, oppervlakkige soort van liefde kennen: geen man zou
die ooit bij haar kunnen wekken, evenmin als zij ooit in staat was
geweest, of zou wezen, een mannehart in gloed te zetten. Het huwelijk
was voor haar een formaliteit geweest, die nu eenmaal in een
vrouwenleven dient voor te komen, en had evenmin iets met innige
gemoedsaandoeningen te maken gehad als bijvoorbeeld inenten of
„aangenomen” worden bij de „dominé”. Zij had haar man genomen, omdat ze
getrouwd wou wezen, en hij haar omdat hij genoeg had van ’t leven met
een inlandsche huishoudster. En beide prozaïsche naturen hadden
wonderwel bij elkaar gepast.
„Mis je ’m erg?” vroeg Paula met een schuinsche schalksche blik.
„M’n man?.... Och, wat zal ik je zeggen.... ’t was ’n beste kerel,
maar.... ik ben weer aan mijn verlies gewend.”
„Gelukkig mensch dat zich de wereldsche zaken zoo weinig aantrekt,” zei
Paula met een zuchtje.
Er was tusschen de vriendinnen anders maar zelden sprake van Margot’s
vroeger huwelijksleven, en uit zichzelve kwam de weduwe er nooit toe,
over die haast vergeten periode een woord te zeggen.
Haar aandacht was dan ook dadelijk op Paula’s toestand gericht. Ze leî
haar hand op haar schouder:
„Kom, die bui drijft over,” zei ze sussend. „Larsen is een goeiert,
zooals ik er nog nooit een zag.”
„Och, ik ben toch heusch veel, veel te bar tegen hem geweest,” zei
Paula op komisch berouwvolle toon.
„Nu goed, doe boete, en toon je nu ’s erg lief....”
„Dat gaat niet—en dat is nu nog ’t onpleizierigste.... Nee, ik moet
minstens veertien dagen koel blijven; vervelend voor mezelf, weet je,
want ik kàn niet haatdragend zijn—daar ken je me te goed voor, nie’
waar?—ik kan niet mokken, en ik ben heusch bang dat ik uit mijn rol
val.”
„En wat zou dat nog?”
„Wel—mijn prestige! Ik heb hem zelf gezegd dat ik hem als een vreemde
zou behandelen.... en verbeel’ je dat ik dat nog niet eens veertien
dagen volhield! Nee, ik moet zien wat hij doet. Hij moet de eerste
zijn!”
„Is dat dan ook niet bar?”
„Och, nou ja, maar dat kan nu eenmaal niet anders. Als hij maar een
beetje toenadering toont, dan schiet ik wel los.”
„In z’n armen.”
„Nee, niet zoo in eens. Maar lief wil ik dan wel wezen....” Paula
verzonk in gepeins. „Hè, ik woû ’t al zoover was! Ik hoû niets van
kibbelen en zure gezichten. Ik kan niet boos blijven.”
„Hij ook niet.”
„Nee, ik geloof ’t niet.... nee, zeker niet. Hij is veel te goed
en—houdt te veel van me. Maar je begrijpt: hij moet toch iets toonen
nadat ik.... hem zoo.... zoo’n klets gegeven heb....”
Bij de herinnering aan haar hardhandigheid schoot Paula in een
zenuwachtige lach:
„Nee.... maar ’t was te.... te bar.... Hij moet een gezwollen wang
ervan hebben! Arme vent. Ha, ha! Wil je wel gelooven dat ik hem zóo zou
willen zoenen, Margot? Zoo’n beste goeie lobbes! Nee, ’t was heusch
leelijk van me....”
„Dat is zeker de eerste keer dat je zoo iets gedaan hebt?”
„Op m’n woord, hoor! Wat dacht je! Nee, we hebben nog nooit te voren
zoo’n ruzie gehad. Z’n eigen schuld.... wat doet-i zoo jaloersch te
wezen!.... En toch.... heb ik er eigenlijk spijt van....”
Margot keek belangstellend en met curieuze blik naar haar vriendin; zij
kon zich al die hevigheid niet best voorstellen: tusschen haar en haar
man was alles altijd zoo vlot en kalm gegaan.
„En wat ga je nu al die tijd doen?” vroeg ze. „Ik bedoel zoolang ’t nog
niet weer goed is? Je kunt toch niet de doofstomme tegen hem spelen zoo
veertien dagen lang....”
„Wel.... ik ga veel piano-spelen.... en zingen. Daar luistert hij naar,
of hij wil of niet. En dan—kom jij hier, en ik praat met jou. Of.... ik
ga lezen.... ’t Is waar ook, heb je wat moois voor me te lezen? Larsen
heeft niets dan vervelende lectuur, je weet wel....”
„O ja, ik heb wel wat. Fransch, he?”
„Goed, Fransch. Die Hollandsche romans vin’ ik meestal taai. We hebben
maar éen romanschrijver: Couperus, vin’ je ook niet?”
Margot las om zich de tijd te dooden, en van stijl had ze maar heel
weinig benul. Ze kende van de boeken die ze las de titels—de namen der
schrijvers daar lette ze meestal niet op. Ze verwarde Therèse Hoven met
Frederik van Eeden en Couperus met Melati van Java.