In dit oogenblik stond een lang lichaam, dat op het gras uitgestrekt
lag, op. Met schrik herkende ik de blauwe pantalon met zwarte
naadstreep, de donkere uniformjas met verzilverde knoopen, den gelen
buikriem en het ledergoed van Pandoor, die door mijn ongelukkig schot
gewekt was.
»Zoodat gij thans marechaussee-hoeden schiet?" zei hij met die
stembuiging en tongval, die het geheele gild kenmerkt.
»Marechaussee, ik verzeker u!" antwoordde ik stotterend.
»Zoodat gij zelfs de kokarde vlak in het midden geraakt hebt!"
»Marechaussee.... ik dacht.... dat het een haas was!.... Een ijdel
droombeeld!.... Maar ik bied u vergoeding aan!"
»Waarlijk!.... Zoodat een marechaussee-hoed zeer duur is.... vooral
wanneer hij zonder jacht-akte aangeschoten is."
Ik werd bleek. Al mijn bloed stroomde naar het hart terug. O, dat
was het netelige punt!
»Zoodat gij een jachtakte hebt?" vroeg Pandoor.
»Een jachtakte?"
»Ja, een jachtakte! Gij weet toch wel wat een jachtakte is?"
Waarachtig, ik had geen jachtakte! Ik had gemeend, dat ik voor een
enkelen dag jagens het zonder dat zou hebben kunnen doen. Evenwel ik
betuigde,--hetgeen men steeds bij dergelijke gelegenheden betuigt,--dat
ik mijn jachtakte vergeten had.
Een meesterlijke en voorname glimlach van ongeloovigheid krulde de
lip van den vertegenwoordiger der wet.
»Zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op te maken!" zei hij,
op den meer milden toon van iemand, die een buitenkansje in het
verschiet heeft.
»Waarom een proces-verbaal? Morgen zend ik u die jachtakte, mijn
brave marechaussee, en...."
»Ik weet er alles van; zoodat ik genoodzaakt ben proces-verbaal op
te maken!"
»Welnu maak proces-verbaal op, als gij toch ongevoelig zijt voor de
smeekbeden van een eerstbeginnende."
Een gevoelig maréchaussée zou geen maréchaussée meer zijn. Deze bracht
een zakboekje te voorschijn, dat in een geel perkament gewikkeld was.
»Zoodat gij heet?" vroeg hij mij.
Drommels! ja. Het was mij bekend, dat het in dergelijke wichtige
gevallen gebruikelijk is aan de autoriteit den naam van een vriend
op te geven. Als ik toen op dat tijdstip de eer had gehad lid te zijn
van het een of ander letterkundig genootschap, zou ik geen oogenblik
geaarzeld hebben den naam van een mijner collega's op te geven. Maar
ik vergenoegde mij thans, slechts den naam te noemen van een mijner
oudste vrienden te Parijs, een pianist met groot talent. De brave
kerel zat waarschijnlijk in dat oogenblik voor zijn instrument zich
te oefenen, en kon onmogelijk gissen, dat men bezig was proces-verbaal
tegen hem op te maken ter zake van een jachtdelikt.
Pandoor schreef zorgvuldig den naam van dat slachtoffer op, zijn
beroep, zijn ouderdom, en zijn woonplaats en verder adres. Toen
verzocht hij mij beleefd, hem mijn geweer toe te vertrouwen, waaraan
ik onmiddellijk en volijverig voldeed. Dat was zoo veel minder gewicht
te dragen. Ik verzocht hem zelfs, om ook de weitasch, den kruithoorn
en den hagelzak onder de verbeurdverklaarde goederen op te nemen. Maar
dat weigerde hij met een belangeloosheid, die ik betreurde.
Bleef nu het voorval met des maréchaussée's hoed over. Die kwestie
werd onverwijld middels een goudstuk ten genoegen van beide partijen
geregeld.
»Het is jammer," zei ik, »het was een goed onderhouden hoed!"
»Een bijna nieuwe hoed!" antwoordde Pandoor. »Zoodat ik hem gekocht
heb, zes jaren geleden van een brigadier, die gepensionneerd werd."
En na hem met een voorschriftmatig gebaar op het hoofd geplaatst
te hebben, stapte de deftige maréchaussée, terwijl hij het lichaam
loodrecht op de heupen geplaatst hield, en deze laatsten balanceerde,
den eenen kant op, terwijl ik naar den anderen kant ging.
Een uur later had ik de herberg bereikt, waar ik zoo goed mogelijk
de afwezigheid van mijn geweer verborg, en waar ik ook geen enkel
woord over dat ongeval repte.
Laat mij er bij vertellen, dat mijn metgezellen een kwartel en twee
patrijzen voor hun zevenen meegebracht hadden. Pontcloué en Matifat
waren sedert hunnen twist voortaan doodvijanden. Zij hadden elkander
met vuistslagen toegetakeld, ter zake van het haas, dat nog liep.