Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik
kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een
kilometer, en ik zou het bereiken.
Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die
kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.
In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een
slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.
»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!" dacht ik. »Waarachtig, zij
willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!"
En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld
bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen
dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die
onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend,
door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken
of vinken voorgezet worden.
Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.
Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar
genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik
had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik
angstig en oplettend keek rechts en links.
Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer
gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen
aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en,
wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!
Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in
de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in
den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten,
levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.
Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting
naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.
Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den
boezem!
Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en
ruigten, zag ik voorwaar iets.
Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een
plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!
Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel--dat kon ik
niet uitmaken--was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas,
een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk,
dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen,
wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!
Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan
te leggen. Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger
ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden
zijn.
Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,--op twintig
passen ongeveer,--knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn,
bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog
flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het
viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild
mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.
»Geraakt!" riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn
om mij mijn schot te betwisten!"
En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien,
hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!
Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het
wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik
raapte het op....
Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode
kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.