IX.

Maar er is een grens aan alles, zelfs aan privatieve jachtterreinen. Ik

kreeg een bosch in het gezicht, dat de vlakte afsloot. Nog een

kilometer, en ik zou het bereiken.

Ik stapte dus voort, evenwel zonder den pas te versnellen. Die

kilometer werd ook afgelegd, en ik kwam bij den rand van het bosch aan.

In de verte, maar zeer in de verte, knalden de geweerschoten als een

slotbouquet van een luisterrijk vuurwerk.

»Hoeveel dooden zij van dat arme wild!" dacht ik. »Waarachtig, zij

willen niets voor het volgende jachtseizoen overlaten!"

En hoe veranderlijk de mensch toch kan zijn! Toen kwam het denkbeeld

bij mij op, dat ik in het bosch misschien gelukkiger zou wezen

dan op de vlakte. In de boomkruinen konden toch nog altijd van die

onschuldige musschen te schieten zijn, die, behoorlijk opgepend,

door de beste gaarkeukens aan hunne klanten voor vette leeuwerikken

of vinken voorgezet worden.

Ik volgde toen de boschpaden, die op den grooten weg voerden.

Waarlijk, de jachtduivel had bezit van uwen onderdanigen dienaar

genomen. Ja, ik droeg mijn geweer niet meer over den schouder. Ik

had het met zorg geladen en droeg het met gespannen haan, terwijl ik

angstig en oplettend keek rechts en links.

Maar niets! De musschen wantrouwden waarschijnlijk de Parijzer

gaarkeuken en hielden zich schuil. Ik legde een of twee malen

aan.... Het waren slechts bladeren, die onder de bries zich bewogen en,

wel beschouwd, mocht ik mij toch niet veroorloven bladeren te schieten!

Het was toen vijf uur. Ik wist, dat ik binnen veertig minuten in

de herberg terug zou zijn, waar wij zouden dineeren, alvorens in

den postwagen plaats te nemen, die ons allen, menschen en beesten,

levenden en dooden, naar Amiens moest terugbrengen.

Ik bleef dus het voornaamste boschpad volgen, dat in schuine richting

naar Hérissart voerde en keek daarbij waakzaam rond.

Plotseling bleef ik staan.... Het hart klopte mij sneller in den

boezem!

Onder een struik, op vijftig passen afstand, tusschen de doornen en

ruigten, zag ik voorwaar iets.

Het was zwartachtig, met een zilverachtigen rand, en vertoonde een

plek van levendig rood, evenals een vurig oog, dat mij aankeek!

Voorzeker een viervoetig wild of wel een groote vogel--dat kon ik

niet uitmaken--was hier neergekomen. Ik aarzelde tusschen een haas,

een volwassene voorzeker, en een fazantenhen. Welnu, waarom niet? Kijk,

dat zou mij in het bizonder in den dunk mijner makkers doen stijgen,

wanneer ik met een fazant in de weitasch terugkwam!

Ik naderde dan ook zeer voorzichtig, met het geweer, gereed om aan

te leggen. Ik hield mijn adem in. Ik voelde mij ontroerd, nog erger

ontroerd dan Duvauchelle, Maximon en Brétignot het te samen konden

zijn.

Toen ik eindelijk op een gepasten afstand was gekomen,--op twintig

passen ongeveer,--knielde ik, om van mijn schot zeker te zijn,

bracht de kolf van het geweer aan den schouder, deed het rechteroog

flink open, sloot het linker, en zorgvuldig door den inkeep van het

viziertoestel langs den bovenrand van den vizierkorrel naar het wild

mikkende, drukte ik op den trekker en gaf vuur.

»Geraakt!" riep ik buiten mij zelven. »En ditmaal zal niemand er zijn

om mij mijn schot te betwisten!"

En inderdaad, ik had goed gezien, ja! met mijn eigen oogen gezien,

hoe de veeren, of beter de haren er afstoven!

Bij gebrek aan een hond, liep ik naar den struik en stortte mij op het

wild, dat onbeweeglijk daar lag en geen teeken meer gaf van leven! Ik

raapte het op....

Het was een marechausseehoed, geheel met zilver geboord, met een roode

kokarde er op, waarvan het rood mij als een oog scheen aantestaren.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 61 / 68 题