VIII.

Terwijl ik zoo mijn rekening met dien slimmen Piccardiër boer

vereffende, waren de anderen vooruitgestapt. Zij hadden mij daarenboven

genoegzaam te verstaan gegeven dat men volstrekt niet veilig was in de

nabijheid van zoo'n lomperd als ik. De meest eenvoudige voorzichtigheid

maande hen, zich van mij te verwijderen.

Brétignot zelf, gestreng maar onrechtvaardig, liet mij aan mijn

lot over, alsof ik een heksenmeester was, die met het kwade oog

is bedeeld. Allen verdwenen weldra achter een klein bosch ter

linkerzij. En om de waarheid te zeggen, ik was er niet rouwig om. Ik

zou nu slechts verantwoordelijk voor mijn eigen daden zijn!

Ik zat dus alleen, alleen te midden van die vlakte, die niet te

overzien was. Groote God! wat kwam ik er ook doen met al dat tuig op

mijn schouders! Geen enkele patrijs, die mij tot het lossen van een

schot uitnoodigde! Geen enkel haas, wiens »lepels" ik kon ontwaren,

zoo als de jagers zich in hun vreemdsoortige taal uitdrukken. Instede

van in mijn kabinet lekkertjes te zitten lezen of schrijven of zelfs

niets te doen, stond ik hier!

Ik stapte doelloos voorwaarts. Ik zocht de gebaande paden op, en

verkoos die boven de omploegde akkers. Ik ging telkenmale gedurende

tien minuten zitten en stapte daarna weer gedurende twintig minuten

voort. Er was geen huis binnen een straal van vijf kilometers te

zien. Geen torenspits stak boven den gezichteinder uit. Ik bevond me

in een woestenij. Van tijd tot tijd verhief zich dreigend een paal

met het spottend opschrift: Privatieve jacht.

Privatieve? toch niet voor het wild voorzeker: want daarvan was geen

spoor te ontdekken!

Ik stapte maar voort, droomende, philosopheerende, met het geweer aan

den riem over den schouder hangende, en legde daarbij een vlugheid aan

den dag, alsof ik een lamgeschoten vlerk had. De zon daalde, niet vlug

genoeg volgens mijn verlangen. Had een nieuwe Josua haar, in weerwil

der cosmografische wetten, andermaal in haar dagelijksche loopbaan ten

genoege van mijn razende metgezellen doen stilstaan? Zou de nacht dan

nooit haar vleugelen over dien ellendigen jachtopeningsdag uitspreiden?

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 60 / 68 题