VII.

Eindelijk was het middaguur tot groote voldoening onzer magen

aangebroken. Men maakte halt aan den voet eener helling onder de

schaduw van een ouden olmboom. De geweren en de weitasschen--de

laatste helaas! zeer plat--werden op zij gezet. Toen ontbeet men,

om eenigermate de krachten te herstellen, die sedert het vertrek zoo

nutteloos verspild waren.

Goed beschouwd, was het een droefgeestig maal. Er weerklonken net

zooveel beschuldigingen over en weer, als er happen in den mond werden

gestoken. Het was een akelig land!... Een welbewaakt jachtterrein?--Ja,

wat door de wilddieven werd afgestroopt!.... Men moest die schuimers

opknoopen! Eén aan iederen boom, en met een vel papier op de borst

tot afschrik!... De jacht werd een onmogelijkheid!... Binnen twee

jaren zou er geen wild meer zijn!... Waarom de jacht niet gedurende

eenigen tijd verboden!... Ja!... Neen!... Ja!... In één woord, al

het gezeur van jagers, die sedert den dageraad niets geschoten hebben!

Toen begon andermaal de twist tusschen Pontcloué en Matifat over

die patrijs. Er mengden zich anderen in het gekibbel, en waarachtig,

men was op het punt elkaar in de haren te vliegen!

Eindelijk, Goddank! togen wij een uur later weer op weg, goed gevoederd

en goed gedrenkt, zooals men hier te lande zegt. Men zou misschien nu

vóór het diner gelukkiger zijn. Waar is de jager, die niet een weinig

hoop blijft koesteren, wanneer hij het geluid der oude patrijs hoort,

die haar kleintjes roept, om ze voor het invallen van den nacht

te verzamelen.

Wij waren dan weer op weg. De honden, even knorrig als wij, waren

vooruitgestoven. Hunne meesters schreeuwden hen achterna met zulke

schrikkelijke geluiden, dat zij op kommando's van de engelsche

marine geleken.

Ik volgde met onzekeren tred. Ik begon mij bek-af te gevoelen. Mijn

weitasch, hoe plat zij ook was, bengelde loodzwaar tegen mijn

lenden. Mijn geweer, thans van een ongeloofelijke zwaarte deed mij mijn

wandelstok betreuren. Ik had gaarne mijn kruithoorn en hageltasch,

voorwerpen die het mij uitermate lastig maakten, te dragen gegeven

aan een paar van de kleine boerenjongens, die mij volgden en mij

spottend vroegen: »hoeveel van die viervoetige beesten ik al geschoten

had?" Maar ik durfde niet uit eigenliefde.

Zoo gingen nog twee uren, nog twee doodelijk lange uren voorbij. Onze

beenen hadden wel vijftien kilometers afgelegd. Wat mij als zeker

en vast voorkwam, was dat ik eerder met het spit in de lenden zou

terugkeeren, dan een half dozijn kwartels thuis kon brengen.

Plotseling laat zich een gesuis hooren, dat mij van mijn stuk

brengt. O! dezen keer is het waarlijk een kompagnie patrijzen, die

bij een struik opvliegt. Algemeen geweervuur! Willekeurig vuur! Op

zijn minst knalden vijftien schoten, waaronder het mijne.

Te midden van den rook, weerklinkt een kreet! Ik kijk...

Het is een boer, wiens rechterwang zich zoo dik vertoonde, alsof hij

aan dien kant een noot in den mond had.

»Mooi zoo! een ongeluk!" riep Brétignot.

»Dat mankeert er nog maar aan!" schreeuwde Duvauchelle.

Dat was alles wat hun dat »misdrijf" ontlokte, van verwondingen

toegebracht te hebben, zonder het voornemen te hebben den dood

te berokkenen," zooals het wetboek zegt. En die menschen, zonder

gevoel, zonder hart, liepen op hunne honden toe, die twee patrijzen

aanbrachten, die slechts gekwetst waren, en die zij met den hiel hunner

laarzen afmaakten. O! ik wensch hun hetzelfde genot toe--wanneer zij

ooit het leven moeten laten!

En gedurende dien tijd stond de boer daar steeds met zijn dikke wang

en kon niet spreken.

Maar daar kwamen Brétignot en zijn makkers op hunne schreden terug.

»Welnu, brave man, wat is er?" vroeg Maximon op beschermenden toon.

»Wat er is? Ziet gij dat niet? Hij heeft een hagelschot in de wang",

antwoordde ik.

»Och, dat is niets!" hernam Duvauchelle, »dat is volstrekt niets!"

»Jawel!... jawel!..." zei de boer, die de belangrijkheid van zijn

verwonding door een verschrikkelijk leelijk gegrijns meende te moeten

onderstreepen.

»En wie is zoo onhandig geweest om dien armen drommel te

kwetsen?" vroeg Brétignot, wiens uitvorschende blik op mij bleef

rusten.

»Heb jij niet geschoten?" vroeg mij Maximon.

»Ja, ik heb geschoten,... net als iedereen."

»Welnu, dan is de zaak uitgemaakt!" riep Duvauchelle.

»Hoe, uitgemaakt?" vroeg ik.

»Ja, jij bent een even onhandig jager als Napoleon I," zei Pontcloué,

die het keizerrijk verfoeide.

»Ik!" riep ik. »Ik!..."

»Niemand anders kan het zijn!" sprak Brétignot gestreng.

»Inderdaad, die mijnheer is een gevaarlijk mensch!" meende Matifat.

»En wanneer men zoo'n knoeier is, dan weigert men de uitnoodigingen,

die men ontvangt, vanwaar zij ook mochten komen!"

En daarmee maakten de heeren er zich van af.

Ik begreep hen. Zij lieten den gewonde voor mijn rekening.

Er viel niet te aarzelen. Ik legde het hoofd in den schoot. Ik

haalde mijn beurs voor den dag en bood dien braven boer tien franken

aan. Merkwaardig was de uitwerking van dat geneesmiddel op den

gewonde. Zijn gezwollen wang slonk onmiddellijk. Ik ben overtuigd

dat hij de noot, die hij achter de kiezen had, ingeslikt heeft.

»Het gaat nu beter?!" vroeg ik.

»O! la... la!... O! daar komt het weer!"... antwoordde hij, terwijl

de wang weer opzwol; »maar nu de andere, de linker".

»Neen, neen," riep ik. »Eén gekwetste wang is voor ditmaal genoeg."

En ik ging heen.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 59 / 68 题