VI.

Intusschen hadden Brétignot en zijn makkers de terreinafscheiding

bereikt. Zij hielden daar stand en beraadslaagden, wat er te doen

viel om de booze fortuin te bezweren. Ik haalde hen in, na mijn geweer

ditmaal met de noodige voorzorg te hebben geladen.

Het was Maximon, die het woord tot mij richtte, maar op een hoogen

toon, zooals het een meester voegt.

»Heb jij geschoten?" vroeg hij.

»Ja!.... dat is te zeggen.... ja!.... ik heb geschoten...."

»Een patrijs?"

»Ja, een patrijs!"

Voor niets ter wereld zou ik mijn onhandigheid voor deze vierschaar

hebben willen erkennen.

»En waar is die patrijs?" vroeg Maximon, terwijl hij mijn weitasch

met den loop van zijn geweer aanraakte.

»Verloren!" antwoordde ik onbeschaamd weg. »Wat is er aan te doen? Ik

had geen hond! O, als ik een hond had gehad!"

Komaan, komaan! met zoo'n gevatheid, kon het niet missen of ik moest

een echte jager worden!

Plotseling werd de ondervraging, waaraan ik onderworpen werd,

afgebroken. De hond van Pontcloué had op minder dan tien passen

een kwartel doen opgaan. Onwillekeurig en bij instinct als men wil,

legde ik aan.... en pan! zoo als Matifat zeide.

Maar welken klap ontving ik, omdat ik de kolf slecht tegen den schouder

had gesteund,--een van die klappen, waaromtrent men wel is waar,

niemand rekenschap kan vragen of niemand uitdagen! Maar mijn schot

was oogenblikkelijk door een ander gevolgd, door dat van Pontcloué.

De kwartel viel, als een zeef doorboord, en de hond bracht haar aan

zijn meester, die hem in zijn weitasch borg.

Men had de eerlijkheid niet eens, om er aan te denken, dat ik toch

ook eenig deel had aan dien moord. Maar ik zei niets. De lezer weet,

dat ik van natuur blood ben uitgevallen tegenover menschen, die meer

van de zaken weet dan ik.

Waarachtig, deze eerste gunstige uitslag had al die razende

wildverdelgers verlekkerd gemaakt. Denk toch eens! Na drie uren

jagens één kwartel voor zeven jagers! Neen, het was niet mogelijk,

dat op deze rijke jachtgronden van Hérissart er nog niet een zou zijn,

die wanneer het gelukte haar te dooden, bijna een derden kwartel per

jager zou geven.

Toen de terreinafscheidingen overschreden waren, bevond men zich

andermaal op pas omgeploegde gronden. Wat mij betreft, ik houd niets

van die ploegijzervoren, die iemand tot vreeselijk vermoeiende stappen

noodzaken, noch van de kleverige klei, waarop de voet uitglijdt en

omzwikt. Ik zou daarboven het asphalt der boulevards verkiezen.

Onze bende stapte met haren troep jachthonden nog zoo twee uren voort,

zonder iets te zien. De wenkbrauwen fronsten zich reeds. Een soort

woeste prikkelbaarheid begon zich over de geringste nietigheden lucht

te geven, over een graszode, waartegen de voet aanschopte, over een

hond, die een ander in den weg liep. In het kort, de ondubbelzinnige

kenmerken van algemeenen wrevel waren voorhanden.

Eindelijk zagen wij een vlucht patrijzen op veertig passen boven

een beetwortelveld. Men noemde die vlucht een kompagnie. Ik heb

er geen verstand van, maar als dat een kompagnie was, dan was zij

op groot inkompleet; want inderdaad, zij bestond slechts uit twee

jonge patrijzen.

Maar dat was minder. Ik schoot erop los, en ook dezen keer werd

mijn geweerschot door twee andere onmiddellijk gevolgd. Pontcloué en

Matifat hadden het buskruit laten spreken.

Een der arme vogels viel. De andere vloog met spoed weg en streek weer

op meer dan een kilometer afstand achter een sterke terreingolving

neer.

O! ellendige patrijs! van welk krakeel waart gij niet schuld! Welke

betreurenswaardige woordenwisselingen hadden er plaats tusschen

Pontcloué en Matifat. Ieder hunner beweerde de moordenaar te

zijn. Vandaar dan ook de bittere antwoorden aan elkander! Welke

kwetsende verdachtmakingen! En welke benamingen! »Inpakker!.... hij

meent dat alles maar voor hem is!...." »Naar den duivel met die lieden,

die geen schaamte gevoelen!.... Dat is de laatste maal dat men te

zamen zou jagen!...." en andere lieflijkheden met een picardische saus,

die mijn pen weigert weer te geven.

De waarheid is, dat beide geweerschoten van de twee heeren te

gelijkertijd waren losgebrand.

Er was nog wel een derde schot geweest, dat een oogenblik voor de

anderen geknald had. Maar--daarover was niet te redekavelen--hoe kon

het aanneembaar zijn, dat de patrijs door mij gedood was? Begrijp

eens door een schooljongen!

Ik meende dan ook niet tusschen beiden te moeten komen in den twist

tusschen Pontcloué en Matifat, zelfs niet met het edelmoedig voornemen

hen te verzoenen. Ook stond ik mijn belangen niet voor, maar dat

komt omdat ik van natuur blood ben en... Gij kent het vervolg van

dien volzin.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 58 / 68 题