V.

Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te

verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf

omhoog.

Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit

vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde

zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die

de wollen kousen bedekten--wol is beter dan katoen,--daar het laatste

ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was

er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken;

maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk

onberispelijk in het pak zit.

Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit

privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen

en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den

mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest

wel waar zijn, daar zij het zeiden.

»Maar," had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te

schieten! Dat is een jager onwaardig!"

Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had

kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper

toebereid, weet te onderscheiden!

Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem

eer zou aandoen, voegde er bij;

»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je

op een haas schiet."

»Als er een voorbijkomt!" merkte ik spottend op.

»Er zullen er wel voorbijkomen," antwoordde Brétignot koeltjes.

»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller

loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden

vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor 't richten van je schot."

»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot," antwoordde ik. »Die

opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas

zal brengen!"

Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af,

een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood

hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.

»Op jacht! op jacht!" riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om

eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!"

Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik

durfde niet te antwoorden.

Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter

linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren

vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed

alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En

inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen

grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te

bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde

mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien

zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn

achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom

sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo'n verschalking!

Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels

voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging

begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde,

en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.

Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem

der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog

sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand

geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij

niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld,

daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen

zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Je instinct was

sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En

weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich

als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.

Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg

van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding

gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijten en

tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer

dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!

Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren,

het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen

in welke omstandigheden dat gebeurde.

Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het

de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig

niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij

vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten

tot ik alleen zou zijn om dat te doen.

Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn,

stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier

aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen

korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt

men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok

flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht

ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo

even had gevuld.

Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den

rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik

aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij

vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op

het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om

dezen te doen overgaan!

Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had

de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig

ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde

berichten in de plattelands-dagbladen!

En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging,

indien--ja, nu ik er aan denk--indien in de richting van de lading

het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat

neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet

meer zou terugkomen.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 57 / 68 题