Ik had mijn metgezellen ingehaald. Maar om hen niet meer te
verontrusten, droeg ik mijn jachtroer op den schouder, met de kolf
omhoog.
Wat zagen die jagers van professie er prachtig uit in hun tenue; wit
vest met ruime fluweelen pantalon, breede schoenen met bespijkerde
zolen, die buiten het overleer uitstaken, linnen kuitendekkers, die
de wollen kousen bedekten--wol is beter dan katoen,--daar het laatste
ontvellingen veroorzaakt, waarvan ik de ondervinding opdeed. Ik was
er ver van af, even mooi onder mijn gelegenheidstuig te pronken;
maar men kan van een eerstbeginnende niet vergen, dat hij al dadelijk
onberispelijk in het pak zit.
Intusschen zag ik niets op het gebied van wild. Toch moesten op dit
privatief jachtveld een menigte kwartels voorkomen, ook patrijzen
en wachtelkoningen, verder ook haas, waarvan mijn tochtgenooten den
mond vol hadden. Zoo althans beweerden al die jagers, en het moest
wel waar zijn, daar zij het zeiden.
»Maar," had vriend Brétignot aanbevolen, »vermijd een vollen haas te
schieten! Dat is een jager onwaardig!"
Vol of leeg, dat de drommel mij hale, als ik er onderscheid in had
kunnen zien, ik, die geen konijn van een gootkat, zelfs als hazenpeper
toebereid, weet te onderscheiden!
Brétignot eindelijk, die er op stond, dat ik als zijn genoodigde hem
eer zou aandoen, voegde er bij;
»Een laatste opmerking, die niet van belang ontbloot is, wanneer je
op een haas schiet."
»Als er een voorbijkomt!" merkte ik spottend op.
»Er zullen er wel voorbijkomen," antwoordde Brétignot koeltjes.
»Welnu, herinner je dat, tengevolge van zijn vorming, een haas sneller
loopt, wanneer hij een helling opijlt, dan wanneer hij naar beneden
vlucht. Je moet daarmee rekening houden voor 't richten van je schot."
»Je doet goed te waarschuwen, vriend Brétignot," antwoordde ik. »Die
opmerking zal niet te loor gaan, en ik beloof je, dat ik ze te pas
zal brengen!"
Maar innerlijk dacht ik, dat, al vlucht hij zelfs eene helling af,
een haas toch nog te hard moet loopen, dan dat mijn doodelijk lood
hem zou kunnen bereiken om hem te stuiten in zijn vaart.
»Op jacht! op jacht!" riep toen Maximon. »Wij zijn hier niet om
eerstbeginnenden met de zuigflesch op te voeden!"
Met de zuigflesch! Verschrikkelijk mensch, die Maximon! Maar, ik
durfde niet te antwoorden.
Voor ons strekte zich, zoover het gezicht ook ter rechter en ter
linker zijde dragen kon, een groote vlakte uit. De honden waren
vooruit gestoven. Hunne meesters hadden zich verspreid. Ik deed
alle mogelijke moeite om hen niet uit het oog te verliezen. En
inderdaad, één denkbeeld plaagde mij: het was: dat mijn makkers, allen
grappenmakers, de lust niet zouden kunnen bedwingen mij een poets te
bakken. Mijn onervarenheid zou dit eenigermate wettigen. Ik herinnerde
mij onwillekeurig een koddige geschiedenis van een nieuweling, dien
zijn vrienden lieten schieten op een konijn van bordpapier, dat op zijn
achterste in een dichten struik gezeten, spottenderwijs op een trom
sloeg! O! ik zou van schaamte gestorven zijn, na zoo'n verschalking!
Men stapte middelerwijl, wel wat op goed geluk, over de graanstoppels
voort. Men volgde de honden, die zich naar een terreinverhooging
begaven, welke op drie of vier kilometer het uitzicht begrensde,
en waarvan de kruin met kleine boomen begroeid was.
Wat ik ook deed, al die platvoeten, die aan den moeielijken bodem
der moerassen en der omgeploegde akkers gewoon waren, stapten nog
sneller voort dan ik, en wel zoo, dat ik weldra op een afstand
geraakte. Brétignot zelf, die eerst den pas ingehouden had om mij
niet aan mijn treurig lot over te laten, had weer zijn tred versneld,
daar hij deel wilde nemen aan de eerste geweerschoten, die knallen
zouden. Ik neem het je niet kwalijk, vriend Brétignot. Je instinct was
sterker dan je vriendschap, het sleurde je onweerstaanbaar voort.... En
weldra zag ik van mijn makkers niets meer dan de hoofden, die zich
als even zooveel schoppenazen boven de struiken vertoonden.
Hoe het kwam, weet ik niet, maar twee uren nadat wij de herberg
van Hérissart verlaten hadden, had ik nog geen enkele losbranding
gehoord. Neen, geen enkele! Wat een wrevel, welke verwijten en
tegenverwijten, welk getier dat bij den terugkeer zou geven, wanneer
dan de weitasschen zoo plat als bij het heengaan zouden zijn!
Welnu, men geloove mij al of niet, maar mij werd het toeval beschoren,
het eerste schot aftegeven. Ik zal de schande beleven om te vertellen
in welke omstandigheden dat gebeurde.
Moet ik het bekennen? mijn geweer was nog niet eens geladen. Was het
de echte zorgeloosheid van een eerstbeginnende? Neen, waarachtig
niet! het was een kwestie van eigenliefde. Daar ik vreesde mij
vreeselijk onhandig bij het laden te betoonen, had ik willen wachten
tot ik alleen zou zijn om dat te doen.
Dus bij afwezigheid van alle getuigen, opende ik mijn kruithoorn,
stortte in den linkerloop een flinke lading, waarop ik een prop papier
aanzette en waarna ik er een goede maat hagel op deed. Ik zag op geen
korrel! Want, wie weet! misschien met één hagelkorreltje meer vermijdt
men platzak te huis te komen! Ik zette toen de lading met den laadstok
flink aan, en eindelijk, o! overmaat van onvoorzichtigheid! bracht
ik een slaghoedje op het schoorsteentje van den loop, dien ik zoo
even had gevuld.
Toen dat gedaan was, begon ik dezelfde bewerking met den
rechterloop. Maar, wat was dat voor een losbranding, terwijl ik
aanzette! Het schot was afgegaan. De geheele eerste lading was mij
vlak langs het gezicht gevlogen. Ik had vergeten den linkerhaan op
het slaghoedje neer te laten en een schok was voldoende geweest om
dezen te doen overgaan!
Dat zulks een waarschuwing zij voor eerstbeginnenden! Ik had
de jachtopening kunnen berucht maken met een betreurenswaardig
ongeluk! Wat zou dat een buitenkansje geweest zijn voor de gemengde
berichten in de plattelands-dagbladen!
En toch, indien in het oogenblik toen het schot bij ongeluk afging,
indien--ja, nu ik er aan denk--indien in de richting van de lading
het een of ander wild voorbij gesneld ware, welnu dan zou ik dat
neergelegd hebben!.... Dat was misschien een kans geweest, die niet
meer zou terugkomen.