IV.

Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van

Hérissart doorgebracht!

Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor

bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te

houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van

de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden

gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer

deden dreunen door hun gekrab!

En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische

vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had

of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!

»Vlooien!" had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die

er waren, zouden de weegluizen ze opeten!"

Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te

brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig

piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was,

toen de dag aanbrak.

Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué,

Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren

jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig

om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld

te komen. Maar de meesters in de kunst--die ik eerbiedig den een

na den anderen wakker maakte,--brachten mij tot bedaren en lachten

mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds,

dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat

van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij

opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.

Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd,

»al de dageraadstranen opgedronken had," zeiden de jagers.

Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug

op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de

kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve

jachtterreinen begonnen.

Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een

oogenblik alleen en zei:

»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop

naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden."

»Ja, ik zal mijn best doen," antwoordde ik, zonder mij door deze

belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar,

waarde vriend?"

Brétignot haalde minachtend de schouders op.

Eindelijk waren wij op jacht--een geheel vrije jacht.--Ieder deed

zooals hij goed vond.

Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker

dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als

wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En

Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het

dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.

Met het uitzicht op zoo'n heerlijke jacht, waren alle heeren goed

gemutst.

Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige

zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa's

zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok

werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren

opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een

plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.

Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in

den aanslag gebracht.

»Niet schieten! niet schieten!" riep mijn vriend Brétignot, die

onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.

»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?"

»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!"

Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué,

Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen

waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die,

met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en

wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen

als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.

Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven

van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun

kuiten maakte.

»Te drommel! draag je geweer toch beter!" herhaalde Brétignot op het

oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.

»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!" antwoordde ik,

een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.

Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in

schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven,

versnelde ik den pas.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 56 / 68 题