Die morgen kwam. Maar, o God! welken nacht heb ik in de herberg van
Hérissart doorgebracht!
Een enkele kamer voor acht personen! Ellendige stroozakken die voor
bedden moesten dienen, waarin een meer wild opleverende jacht te
houden zou zijn geweest, dan op de privatieve jachtterreinen van
de gemeente. Walgelijk ongedierte, dat broederlijk met de honden
gedeeld werd, die dicht bij de bedden sliepen en den houten vloer
deden dreunen door hun gekrab!
En ik, die in mijn eenvoudigheid aan de waardin, een oude Picardische
vrouw, met vuil, slordig, kroezelig haar op het hoofd, gevraagd had
of er geen vlooien op haar slaapzaal waren!
»Vlooien!" had zij geantwoord. »Neen, waarachtig niet!.... Als die
er waren, zouden de weegluizen ze opeten!"
Ontsteld door dat antwoord, had ik besloten, den nacht door te
brengen op een kreupelen stoel, die bij iedere beweging ellendig
piepte en kraakte. Ik had dan ook een gevoel alsof ik gekookt was,
toen de dag aanbrak.
Natuurlijk was ik de eerste op. Brétignot, Matifat, Pontcloué,
Duvauchelle en al de anderen snorkten nog. Evenals al de onervaren
jagers, die vóór den dageraad op weg willen gaan, was ik ongeduldig
om, zonder zelfs ontbeten te hebben, in de vlakte op het jachtveld
te komen. Maar de meesters in de kunst--die ik eerbiedig den een
na den anderen wakker maakte,--brachten mij tot bedaren en lachten
mijn ongeduld van een eerstbeginnende uit. Zij wisten, die slimmerds,
dat bij het aanbreken van den dag de patrijs, wier vleugels nog nat
van den dauw zijn, zeer moeilijk te naderen is, en dat, wanneer zij
opvliegt, zij ongaarne weer neerkomt.
Men moest wachten, totdat de zon al de dauwdroppels opgedroogd,
»al de dageraadstranen opgedronken had," zeiden de jagers.
Eindelijk, na een voorloopig ontbijt en na de onvermijdelijke teug
op de valreep, verliet men de herberg, terwijl een ieder zich de
kuiten krabde. Toen begaf men zich naar de vlakte, waar de privatieve
jachtterreinen begonnen.
Toen wij den rand daarvan bereikt hadden, riep Brétignot mij een
oogenblik alleen en zei:
»Draag je geweer nu goed, zoo schuins vooroverhellend met den loop
naar den grond gekeerd en doe je best om niemand te dooden."
»Ja, ik zal mijn best doen," antwoordde ik, zonder mij door deze
belofte te willen verbinden. »Maar tot wederdienst bereid, niet waar,
waarde vriend?"
Brétignot haalde minachtend de schouders op.
Eindelijk waren wij op jacht--een geheel vrije jacht.--Ieder deed
zooals hij goed vond.
Het was een vrij leelijk land, het land van Hérissart, nog leelijker
dan de naam aanduidt. Het was daarenboven niet zoo wildrijk als
wel beweerd werd. Men had er wel haas gezien, beweerde Matifat. En
Pontcloué voegde er bij, dat men er het haas, meer dan twaalf op het
dozijn, met den buik op den grond had zien liggen.
Met het uitzicht op zoo'n heerlijke jacht, waren alle heeren goed
gemutst.
Men stapte steeds voorwaarts. Het was een prachtig weer. Eenige
zonnestralen drongen door de morgennevels, wier rolvormige massa's
zich bij den gezichteinder ophoopten. Geschreeuw, gepiep, geklok
werd overal gehoord. Er waren vogels, die loodrecht uit de akkervoren
opgingen en in de lucht verdwenen, evenals raketballen, die door een
plotseling ontspannen veer worden voortgedreven.
Meer dan eens had ik, niet in staat mij te bedwingen, mijn geweer in
den aanslag gebracht.
»Niet schieten! niet schieten!" riep mijn vriend Brétignot, die
onbemerkt mij gadesloeg, mij toe.
»Waarom niet? Zijn het geen kwartels?"
»Neen, het zijn leeuwerikken! Niet schieten!"
Ik zal maar onvermeld laten, dat Maximon, Duvauchelle, Pontcloué,
Matifat en de twee anderen mij schuinsche blikken toewierpen. Toen
waren zij voorzichtig zijwaarts afgetrokken, met hunne honden die,
met den neus omlaag, in de spurrie- en klavervelden snuffelden, en
wier omgebogen staarteinden kwispelend boven het groen verschenen
als zooveel vraagteekens die ik niet beantwoorden kon.
Ik dacht, dat de heeren ongaarne in de gevaarlijke nabijheid bleven
van een nieuweling, wiens geweer hen eenigermate bang voor hun
kuiten maakte.
»Te drommel! draag je geweer toch beter!" herhaalde Brétignot op het
oogenblik, dat hij zich van mij verwijderde.
»Wel, ik draag het niet slechter dan een ander!" antwoordde ik,
een weinig door die overdaad van aanbevelingen geprikkeld.
Brétignot haalde ten tweede male de schouders op en verwijderde zich in
schuinsche richting. Daar ik geen lust gevoelde om achter te blijven,
versnelde ik den pas.