Op den aangeduiden dag, dat wil zeggen daags vóór de jachtopening,
was ik op de plaats van samenkomst, die mij door Bretignot op het
Perigord-plein aangewezen was, des avonds ten zes uur aanwezig. Daar
nam ik als de achtste--de honden niet medegerekend--plaats in de
rotonde van een postwagen.
Bretignot en zijne jachtgezellen--ik durfde mij nog niet als een
hunner meerekenen--zaten prachtig onder het traditioneele tuig. Het
waren voortreffelijke typen, die wel de waarneming waard waren. Eenigen
hunner waren ernstig, in afwachting wat den volgenden dag gebeuren zou;
anderen waren opgeruimd, babbelzuchtig en richtten reeds met den mond
een moorddadig bloedbad onder het wild van de gemeente Hérissart aan.
Er waren daar een half dozijn mannen aanwezig, die tot de meest
beroemde schutters van de hoofdplaats van Picardië gerekend werden. Ik
kende hen ternauwernood bij naam. Mijn vriend Bretignot moest mij
dan ook vormelijk voorstellen.
Vooreerst maakte ik kennis met Maximon, een groote uitgedroogde vent,
die in het gewone leven voor het zachtste karakter kon doorgaan; maar
die de wreedaardigheid in persoon was, zoodra hij een geweer onder
den arm had. Hij was een van die jagers, van wie men beweert, dat zij
desnoods een hunner makkers zouden doodschieten om niet platzak te
huis te komen. Maximon sprak niet, hij was steeds in gedachten van
hoogere orde verzonken.
Bij dat belangwekkend personage stond Duranchelle. Welk een
tegenstelling, mijn God! Duranchelle was dik en kort, tusschen de
vijfenvijftig en zestig jaar oud en zoo doof, dat hij den knal van
zijn eigen geweer niet hoorde. Toch maakte hij aanspraak op alle
twijfelachtige schoten, zonder ooit van toegeven te weten. Men had
hem dan ook al eens een dooden haas met een ongeladen geweer laten
schieten, een van die jagers-aardigheden, die gedurende zes maanden
het gesprek uitmaken van de gezelschappen in de sociëteiten en der
tables d'hôte in de hotels.
Ik moest den krachtigen handdruk ondergaan van Matifat, die wel de
grootste opsnijder van jagerheldendaden was. Hij sprak nimmer van
iets anders. En welke tusschenwerpsels en welke klanknabootsingen
hij daarbij bezigde! De kreet der jonge patrijs, het geblaf van
den hond, de losbarsting van het geweer! Pan! pan! pan! In den regel
bezigde hij drie »pans" voor een geweer met twee loopen. En dan, welke
gebaren! Nu eens maakte zijn hand zwaaiende bewegingen om de zig-zags
van het wild na te bootsen, dan weer bogen zijn knieën, rondde zich
zijn rug om het schot vaster te maken, met den linker arm gestrekt,
terwijl de rechterarm bij de borst gebracht was om het aanleggen van
het geweer aan te duiden! Pan! pan! pan! En wat vielen er dan dieren,
zoowel viervoetige als gevogelte. Hoeveel hazen werden dan niet met
kogels neergeveld! Hij miste er geen enkelen!--Ik liep zelfs gevaar,
door zijn gebaren gedood te worden.
Maar wat men moest hooren, dat was wanneer Matifat met zijn vriend
Pontcloué praatte. Dat waren twee vingers van één hand; wat niet
belette dat zij elkander processen aandeden, wanneer de een den voet
op het gereserveerde jachtterrein van den anderen zette.
»Hoeveel hazen ik verleden jaar geschoten heb," verhaalde Matifat,
terwijl de hotsende postwagen de reis naar Hérissart voortzette, »ja,
hoeveel hazen ik geschoten heb, is niet te tellen!"
»Kijk, dat is net als ik!" dacht ik.
»En ik dan, Matifat!" antwoordde Pontcloué. »Herinnert ge u den
laatsten keer nog wel, dat wij te samen in de nabijheid van Argoeuves
zijn gaan jagen? Nou! die patrijzen daar!"
»O! ik zie nog de eerste, die het toeval vlak midden door mijn schot
hagel voerde!"
»En ik de tweede, waarvan de veeren zoo afvlogen, dat haar niets
anders dan het vel over de beenderen moet overgebleven zijn!"
»En dan die andere, die door mijn hond nimmer in de akkervoor, waarin
zij toch ongetwijfeld moest vallen, is gevonden.
En dan die, die ik de brutaliteit had, op honderd passen te schieten,
wel overtuigd als ik was, haar geraakt te hebben!"
»En die andere dan, die ik met mijn twee schoten... pan! pan! pan! in
de klaver heb doen rollen, maar waarvan mijn hond bij het inslikken
ongelukkig slechts een hap maakte!"
»En dan de vlucht, die juist opging, toen ik mijn geweer
herhaalde! brr! brrr! O wat een jacht, mijn vrienden, wat een jacht!"
Ik telde in stilte, en had ik goed geteld? Welnu, dan was het bewijs
er, dat van alle patrijzen, die Pontcloué en Matifat geschoten hadden,
geen enkele in hunne weitasch terecht was gekomen. Maar ik durfde niets
te zeggen, omdat ik wat bloo uitgevallen ben in tegenwoordigheid van
menschen, die het beter weten dan ik. En toch, als het er op aankwam
om mis te schieten, welnu, bij Joost! dat kon ik ook.
Wat de andere jagers betreft, ik heb hunne namen vergeten; maar als
ik mij niet vergis, dan werd een hunner met den naam van Baccari
aangeduid; »omdat hij steeds schoot zonder ooit iets neer te leggen."
Waarlijk, wie weet of ik dien bijnaam ook niet zou gaan
verdienen! Komaan dan! Waarachtig, de eerzucht bekroop mij. Ik begon
ongeduldig te verlangen dat het morgen was.