II.

Een guitig wijsgeer heeft ergens in zijn werken gezegd: Schaf u

noch buitenverblijf, noch rijtuig, noch paarden, noch jachtterreinen

aan. Gij zult steeds vrienden aantreffen, die het ten uwen gebruike

zullen bezitten!"

Het is door de toepassing van dien stelregel, dat ik een uitnoodiging

ontving, om mijn eerste proeven in de behandeling der wapens op

gereserveerde jachtterreinen, in het Somme-departement gelegen,

afteleggen, zonder dat ik van die terreinen eigenaar was.

Het was op het einde van de maand Augustus, als ik mij niet vergis

van het jaar 1859. Een besluit van den departements-prefekt had de

opening der jacht op den daaropvolgenden dag bepaald. Die plechtige

dagteekening was in onze goede stad Amiens, waar zelfs de kleinste

winkelier, de geringste handwerksman het een of ander geweer bezit,

waarmee hij in den jachttijd langs 's heeren wegen slentert, stellig

reeds sedert de laatste zes weken met het meeste ongeduld verwacht.

De bolleboozen van het vak, zij die de jacht tot een hartstocht

hadden laten aangroeien, zoowel als de schutters van den derden en

vierden rang, de behendigen, die raken ook zonder te mikken, zoowel

als de onhandigen, die mikken zonder ooit te raken, de domooren zoowel

als de jagers »van de bovenste plank," di primo cartello, zeggen de

Italianen, bereidden alles voor dien grooten dag der jachtopening

voor. Zij rustten zich uit, zij zorgden voor de mondbehoeften,

zij verleidden elkander. Als zij dachten, dan was het slechts om

aan kwartels te denken; als zij spraken, dan was het slechts om

over het haas te praten; als zij droomden, droomden zij slechts van

patrijzen! Vrouw, kinderen, huisgezin, nabestaanden, vrienden, dat

alles was vergeten! Staatkunde, kunsten, letterkunde, landbouw, handel,

wetenschappen, alles verdween in 't niet bij de voorbereidingen voor

dien grooten dag, waarin de dwepers zich met roem gingen beladen,

en het vermaak gingen genieten, dat door Joseph Prudhomme met een

grond van waarheid, een barbaarsch tijdverdrijf! is genoemd.

Nu bevond zich onder de weinige vrienden, die ik te Amiens bezat,

een die als doortrapt jager bekend stond. Het was een aardige vent, in

weerwil dat hij ambtenaar was. Wanneer hij zich naar zijn kantoor moest

begeven, beweerde hij steeds eenigermate aan jicht te sukkelen. Maar

had hij een verlof gekregen, om de jachtopening bij te wonen, dan

was hij zoo vlug ter been als iemand.

Die vriend heette Bretignot.

Eenige dagen vóór den grooten dag, kwam mij Bretignot opzoeken, mij,

die van den prins geen kwaad dacht.

»Gij hebt nimmer gejaagd, nietwaar?" vroeg hij mij op dien toon

van meerderheid, die op twee deelen welwillendheid acht deelen

geringschatting bevatten.

»Nooit, Bretignot," antwoordde ik. »En ik denk er niet aan, om..."

»Welnu, kom de jachtopening met mij mee maken," viel Bretignot in. »Wij

kunnen gaan jagen op tweehonderd hectaren gereserveerde jachtterreinen,

waar wild in overvloed is. Ik heb het recht een genoodigde mee te

brengen. Gij zijt mijn genoodigde; want ik noodig u uit en dus,

ik neem u mee!"

»Maar ik heb...." zei ik aarzelend.

»Geen geweer!"

»Neen, Bretignot, en ik heb er zelfs nooit aan gedacht."

»O! dat maakt niets uit. Ik zal u er een leenen, een geweer met

laadstok, een tromplader wel is waar, maar dat toch een haas op

tachtig passen afstands neerlegt."

»Onder voorwaarde van het te raken!" hernam ik lachende.

»Natuurlijk!--Maar dat geweer zal goed genoeg voor u zijn."

»Te goed, Bretignot!"

»Maar gij zult geen hond hebben! dien kan ik u niet verschaffen."

»O! die is geheel onnoodig, zoolang ik een haan [2] aan mijn geweer

heb, zou de hond overkompleet zijn!"

Mijn vriend Bretignot keek mij met een zuurzoet gezicht aan. Hij

houdt er niet van, die waarde vriend, dat men met jachtzaken den spot

drijft. Die zijn hem heilig!

Eindelijk verloren zijn wenkbrauwen hunne rimpels.

»Welnu, gij komt, niet waar?" zeide hij.

»Als gij er op gesteld zijt!".... antwoordde ik zonder eenige

geestdrift.

»Jawel, jawel!...." meende hij. »Men moet toch zoo iets eens in zijn

leven bijgewoond hebben. Wij zullen Zaterdagavond vertrekken. Ik

reken op u."

En ziedaar, hoe ik aangeworven was voor die verwenschte jachtpartij,

die mij nog lang zal heugen.

Ik beken, dat de voorbereidingen mij niet erg verontrustten. Ik

liet er, bij mijn ziel, geen uur slapens voor. En toch, moet

ik de geheele waarheid zeggen, dan valt mede te deelen, dat de

nieuwsgierigheids-duivel mij wel een weinig bekroop. Zou zoo'n

jachtopening dan zoo belangwekkend zijn? Wat er ook van aan zij,

ik deed mij zelven de belofte, dat ik minder handelend zou optreden;

maar daarentegen als nieuwsgierige liefhebber meer de jagers zoowel

als het jachtvermaak zou gadeslaan. Liet ik mij ook al overhalen, om

mij met een geweer te beladen, dan was dat om een niet te zot figuur

te maken voor die Nimrods, wier heldendaden ik op uitnoodiging van

Bretignot moest komen bewonderen.

Ik moet er bijvoegen, dat, al leende hij mij ook een geweer,

een kruithoorn, een hagelzak, hij nimmer gewag gemaakt had van

een weitasch. Ik moest dus dit voorwerp zelf aanschaffen, wat de

meeste jagers wel zouden kunnen ontberen. Ik zocht er een uit de

hand te koopen. Maar jawel, die moeite was te vergeefs. De prijzen

der weitasschen waren stijgende. Alle waren uitverkocht. Ik moest

dus een nieuwe aanschaffen, maar onder de bepaalde voorwaarde, dat

de verkooper haar zou terugnemen--met vijftig procent verlies voor

mij--wanneer er geen wild in geborgen was geweest.

De koopman keek mij aan, glimlachte, maar nam de voorwaarde aan.

»Wie weet evenwel?" dacht ik.

De ijdelheid is de wereld nog niet uit!

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 54 / 68 题