Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht
niet geheel en al ongelijk.
Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat
het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus
als slachters optreden?
Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de
heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds
en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?
Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.
Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het
eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja,
ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan
het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen
haarfijn vertellen.
O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne
medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op
den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd,
met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het
veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des
ondanks begin ik.