I.

Er zijn menschen, die niet van jagers houden, en die hebben wellicht

niet geheel en al ongelijk.

Komt het misschien daar vandaan, dat het dien heeren niet tegenstaat

het wild, dat zij zullen eten, met eigen handen te dooden en zij dus

als slachters optreden?

Of zou die mindere sympathie ook daaruit kunnen voortkomen, dat de

heeren jagers er te veel van houden om, te hooi en te gras, steeds

en altijd, te pas of te onpas, over hunne jagers-heldendaden te praten?

Ik voor mij hel wel naar die laatstaangehaalde reden over.

Het is nu zoo wat twintig jaren geleden, dat ik mij aan het

eerstbedoelde misdrijf heb schuldig gemaakt. Ik heb gejaagd! Ja,

ik heb gejaagd!.... En om mij daarvoor te straffen, zal ik mij aan

het tweede misdrijf schuldig maken: ik zal u mijn jachtavonturen

haarfijn vertellen.

O! moge dit verhaal, dit oprecht en waarachtig relaas, mijne

medemenschen voor immer er van afschrikken, om met een weitasch op

den rug, met een patroontasch op den buik aan den gordel bevestigd,

met het geweer onder den arm, achter den staart van een hond over het

veld aantedraven! Maar ik reken er weinig op, dat moet ik bekennen! Des

ondanks begin ik.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 53 / 68 题