zij nog klein waren, zongen zij alleraardigst. Maar sedert zij van de
beste meesters onderwijs in de muziek gekregen, en de grootste talenten
gehoord hebben zingen of spelen zij nooit; de piano blijft gesloten en
ze laten zich niet meer hooren. Als men haar verzoekt een air te zingen,
dan zeggen zij dat zij 't niet meer doen: papa heeft zulk een verfijnden
smaak, hij wil geen alledaagsche muziek hooren; in één woord, nadat deze
familie Jenny Lind, Grisi, Alboni, Mario en anderen gehoord heeft, is er
tot een eeuwig zwijgen besloten. De muziek, die _zij_ kan maken, is toch
niet de moeite waard.
Om dezelfde reden hebben de beide dochters, nadat zij een half jaar lang
bij een beroemden teekenmeester geleerd hadden, potlood en zwartkrijt
voor goed opgepakt en heel aardige, lieve schetsjes, die wonderen waren
in de oogen van hare goedhartige overburen, verscheurd. Als zij konden
teekenen zoo als Signor Pottilodini, als er kans voor haar was, 't ooit
tot zulk een hoogte te brengen, dan, zeggen ze, zouden zij er niet meê
zijn uitgescheiden; maar zij hebben lang genoeg les genomen om te weten,
dat er met goed te leeren teekenen een geheel leven heen gaat, en daar
zij geen heel leven daaraan kunnen geven, hebben zij besloten, er niets
meer aan te doen.
Om eene dergelijke reden gaven zij evenzoo het schrijven van brieven op.
Indien zij zoo'n mooie hand hadden als Charlotte Cushman,—indien er
niets op haar stijl te zeggen viel,—als zij even geestig en aardig en
vlug waren als de beste stylisten, dan zouden zij graag brieven willen
schrijven en trouw correspondeeren; maar het middelmatige in die soort
van dingen vinden zij zoo ondragelijk, dat ze, behalve bij geboorte of
overlijden of in tijd van nood, geen letter op het papier zullen zetten.
Toch schrijven zij heel goede, aardige damesbrieven, en zouden 't met
een beetje oefening er nog verder in brengen.
Mevrouw More vergaat van zorg. Zij zit met een somber gezicht in haar
keurig, welingericht huis; en als gij met haar spreekt, hoort ge met
verbazing, dat alles bij haar aan huis van boven tot beneden, vreeselijk
verkeerd gaat. Gij vraagt wat er dan toch in de war is en bemerkt nu,
dat zij overal wanorde ziet, omdat in een huishouding, waar een menigte
dienstboden zijn, en ieder zijn vaste werk heeft, alles veel precieser
kan gaan, dan bij haar,—want zoo ver heeft zij haar meiden nog niet
kunnen krijgen. Gij maakt haar een compliment over haar keukenmeid, en
zij antwoordt op een klagenden toon: „Zij kan 't een en ander goed klaar
maken, maar 't is toch alles behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij
vindt de soep en den pudding keurig lekker,—en zij luistert naar u en
zucht: „Och ja,” moet zij toestemmen, „'t is te eten,—niet kwaad; maar
ge moest de soep eens in zeker hôtel te Parijs geproefd hebben, en de
puddings in een logement te Londen; daar lijkt dit alles niets bij. Als
ik daaraan denk, dan is alles hier bitter slecht klaar gemaakt!—maar ik
heb geleerd er in te berusten.” Zoo stapelen zich voor deze bekwame
vrouw bergen van bezwaren tot in het oneindige op! Niets gaat haar
in haar gansche, schijnbaar zóó goed geordende huishouding, genoeg
naar haar zin, om er meer dan met een zucht van te zeggen: „'t Moet
er nu maar meê door!” „Och, laat maar staan!” lispelt ze met bitteren
weemoed, als een ongelukkige meid haar uiterste best heeft gedaan om
't een of ander naar den zin van mevrouw te doen; „'t moet maar zoo
blijven, Jansje! ik dacht wel, dat je me nooit zoudt kunnen voldoen.”
De ongelukkige vrouw is, te midden van al wat haar in de oogen harer
overburen zoo benijdenswaardig maakt, altijd ontevreden en knorrig en
vergaat van verdriet en teleurstelling. Zij is zoo overdreven in hare
eischen, dat zij zich zelve nergens in kan voldoen en altijd met anderen
ontevreden is. In 't heele gezin is het genot, dat uit de bewustheid van
onderlinge waardeering en achting voortvloeit, nagenoeg geheel onbekend,
want ieder heeft zijn snaren zóó hoog gespannen, dat de een voor den
ander bang is ze aan te raken en een wanklank te doen ontstaan. Zij zijn
altijd en overal bang voor elkander. Zij kunnen niet voor elkander
zingen, of spelen, of schrijven, ja niet eens vrij uit met elkander
spreken, omdat ze allemaal van mekaar weten, hoe wanhopig knap en hoe
geoefend van oordeel ze zijn.
Schoon allen het eens zijn, dat zij met heimelijke minachting op hun
overburen behooren neêr te zien, daar deze in een heidenschen toestand
van onwetendheid en zelfgenoegzaamheid leven, is het toch opmerkelijk
dat de elegante zoon des huizes Johan zeer dikwijls ter sluiks naar de
Daytons overwipt, om er een avondje door te brengen en bij die oude
rammelkast van een piano allerlei liedjes en deuntjes met hen te zingen,
waar hij vrij wat meer plezier heeft dan t'huis. Lize Dayton heeft
een ongeoefende stem en zingt wel eens valsch; maar 't is een aardige
meid en haar vroolijkheid is aanstekelijk; ja, als zij daar zoo aan de
piano zit en allen dapper meê aanheffen, dan begint Johan te denken,
dat er toch nog wel een prettiger ding op de wereld is dan een aria
voortreffelijk te hooren zingen; ze walsen eens samen of geven raadsels
op of spelen comedie, en alles gaat daarbij zoo vroolijk en pleizierig
toe, zoo allerdolst in strijd met „de eenheid van tijd en plaats en
omstandigheden”, dat hij wel eens twijfelt, of het, „daar onwetendheid
zoo gelukkig maakt, eigenlijk geen dwaasheid is verstandig te zijn”.
Jeanne en Marie lachen Johan uit, omdat hij zooveel met de Daytons op
heeft, en toch zijn zij er zelven niet vrij van. Bij de Daytons aan
huis voelen zij, dat ze heel wat beteekenen; haar schetsjes worden zoo
beelderig gevonden, haar zingen is zoo betooverend voor die onbesneden
ooren, dat zij zich vaak laten verleiden, hun genoegen te doen met
hetgeen ze anders haar broddelwerk noemen; en Jeanne laat zich de kleine
attenties van Willem Dayton, een vroolijken, goed-hartigen jongen, maar
aanleunen, dien zij in den grond van haar hart niet minder graag mag
lijden, omdat hij zoo weinig van een meisje vordert en onnoozel genoeg
is, dat hij haar voor een wonder van smaak en begaafdheid houdt. Willem
komt natuurlijk in geen vergelijking met die uitverkoren romanhelden,
waarmeê mevrouw More en de jonge dames dweepen en die zij hemelhoog
verheffen als zij over het ideaal van een echtgenoot spreken. Hij munt
nergens in uit, behalve hierin, dat hij een goed hart, een gezond
verstand en een krachtigen wil heeft, waardoor hij tot het hart van
menige levensvesting is doorgedrongen, terwijl Johan met al zijn kunde
en geleerdheid, er nog altijd vóór ligt en nog altijd philosopheert over
de beste en sierlijkste wijze, om haar te veroveren. Het eenvoudige,
alledaagsche verstand van Willem heeft dikwijls in vijf minuten een
strik weten los te maken, dien deze verwonderlijk knappe Mores zich om
den hals gehaald hadden, en hen in eens voor zijn gevoelen gewonnen, zoo
als wel meer het gezonde, praktische verstand een einde maakt aan de
droomerijen der idealiteit.
Eigenlijk bestaat er in beide gezinnen een leemte, die niet verholpen
kan worden, tenzij ze wederkeerig iets van elkander overnemen. Als we
vragen, wie de gelukkigsten zijn, dan staan de Daytons verre boven de
Mores. Als wij vragen, wie de begaafsten zijn, winnen de Mores het van
de Daytons. Een deel van de overdreven zucht naar het ideëele, die wij
bij de Mores aantreffen, zou de Daytons aansporen, veel te verbeteren en
te volmaken, wat gemakkelijk te verhelpen was, als zij er hun best maar
toe deden; en een deel van de zelfgenoegzame tevredenheid der Daytons,
zou de begaafdheden der Mores vruchtbaarder voor de practijk maken en
hun eigen geluk bevorderen.
Doch tusschen deze beide soorten van menschen staat eene derde soort in,
evenzeer met idealiteit begaafd, even begeerig om uit te munten, maar
wier gezond oordeel hun dezelfde diensten bewijst, als de balans en 't
vliegrad aan een stoommachine. Wat is de reden, waarom de overdrevenste
idealisten zich nooit ongelukkig gevoelen, dat zij niet kunnen vliegen
als een vogel, of zwemmen als een visch? Omdat zulke vermogens, zooals
't gezond verstand hun leert, al te ver buiten ons bereik liggen, dan
dat zij er ooit in ernst naar zouden verlangen. Bij deze soort van
menschen, wier idealiteit nooit overdrijft, trekt het gezond verstand
als bij instinct een grenslijn tusschen het bereikbare en het
onbereikbare, en bepaalt daardoor wat men al of niet moet verlangen.
't Gezond verstand zegt ons, dat er geen tak van menschelijke kunst
of wetenschap is, waarin volmaaktheid ooit kan bereikt worden. Een
kruidkundige beweert: om het ook maar in de kennis van ééne soort van
zeegras tot volkomenheid te brengen, heeft een mensch zijn heele leven
en al zijne krachten onverdeeld noodig. Nooit zijn wij in de muziek of
in een der schoone kunsten volleerd. Er komt nooit een tijd, waarop de
tuinman kan rusten en zeggen, dat er aan zijn tuin niets meer te doen
is. Huishouden, koken, naaien, breien,—dat alles kan, voor zoo ver wij
weten, altijd maar door nog verbeterd worden, zonder dat wij ooit kunnen
zeggen: nu kan het niet beter!
Maar terwijl alles tot in het oneindige toe vatbaar is voor meerdere
volmaking, worden verreweg de meeste menschen door omstandigheden
belet, de helft te bereiken van 't geen zij voor wenschelijk houden; en
dikwijls bestaat het onderscheid tusschen den ongelukkigen idealist en
den tevreden realist, niet hierin, dat ze verschillen van oordeel, hoe
't een of ander tot volkomenheid te brengen is, maar dat, terwijl beiden
dit evenzoo inzien, de een zich tevreden stelt met het bereikbare,
terwijl de ander zich afslooft om het onbereikbare meester te worden.
Men maakte eens iemand, die een allermoeielijkst ambt bekleedde, een
compliment, dat hij altijd zoo opgeruimd bleef te midden van vele en
velerlei bemoeiingen en zorgen. „Ik heb mij eens voor al voorgenomen,
tevreden te zijn, als de dingen maar _half_ zoo goed gedaan worden als
ik het zou wenschen,” luidde zijn antwoord, en hetzelfde zou men met
vrucht kunnen toepassen op de bezigheden en de zorgen van den
huiselijken kring.
't Is een gewone manier van zeggen, dat _die_ en _die_ menschen zijn,
die zich diep ongelukkig zouden voelen als niet alles „in de puntjes”
was,—dat is, in overstemming met hun begrippen van 't volmaakte.
Zijn het nu _vrouwen_ en aanvaarden ze 't bestuur over een huishouden,
dan zullen zij stellig ongelukkig zijn, en anderen ongelukkig maken;
want de huiselijke haard is een plaats waar bij geen mogelijkheid alles
en alles „in de puntjes” kán wezen.
Wij mogen verhandelingen over opvoeding lezen—en er bestaan
daarover voortreffelijke boeken; wij mogen in sommige boeken
alleraardigste tafereeltjes van een goedingericht huishouden vinden,
waar boeken-kinderen en boeken-meiden allen met de meeste eenstemmigheid
precies doen, wat de schrijver verlangt; maar ieder wezenlijk kind en
elke wezenlijke meid is een ding apart, waarvan wij zelfs niet bij
benadering kunnen voorspellen, wat voor invloed het zal hebben op 't
ideaalleven, dat wij ons hebben voorgesteld.
Een echtgenoot, man of vrouw, is alweer zulk een ding: wat laat er
zich vooruit van zeggen, of het al dan niet met onze idealen zal
overeenstemmen? Ja, al heeft iemand de schoonste theoriën omtrent
levensgeluk, 't is toch vaak zijn lot, met handen en voeten gebonden te
zitten en al die theoriën en idealen te zien verdwijnen voor den drang
der omstandigheden.
Niets valt gemakkelijker dan een idealen tuin aan te leggen. Wij
bakenen ons terrein af, we gaan aan 't spitten en planten en verplanten
en bemesten. Wij lezen lijsten van alle soorten van rozen, totdat
het hoofd er ons van omloopt. Wij zetten onze pruimen-, peren- en
perzikenboomen; wij verheugen ons bij voorbaat in trossen van de
keurigste druiven, en onze theoretische tuin ziet er uit als een
herwonnen Paradijs. Maar in den werkelijken tuin vreten de rupsen de
kool en de luizen de rozen op, valt er honigdauw op de druiven, en
hebben wij last van nachtvorst, van droogte, van wind en van hagel.
De tuin en 't huisgezin lijken juist op elkander. Van beiden kunnen er
mooie plannen op het papier gemaakt worden; en de regelen van schoonheid
en bevalligheid, ten aanzien van beiden in acht te nemen, kunnen zoo
duidelijk gesteld zijn, dat iedereen ze kan begrijpen en een kind er
zich niet in zou vergissen; en toch blijven de werkelijke uitkomsten
altijd verre bij de gekoesterde verwachtingen en wenschen ten achter.
't Zou een onberekenbare winst zijn voor ons huiselijk geluk, zoo de
spelers in het levens-concert hun instrumenten, als ze beginnen, niet te
hoog stemden; wie het meeste geluk genieten, zijn gewoonlijk zij, die
het minst eischen en verwachten.
De zucht naar het ideële ontaardt dikwijls in een gevaarlijke ziekte
van geest en hart, die des te moeielijker te genezen valt, omdat zij
in verband staat met hetgeen 't verhevenste en 't edelste in ons is.
Zouden wij niet trachten volmaakt te worden? Zouden wij altijd maar ons
tevreden stellen met het alledaagsche en gebrekkige? Op deze vragen is
er natuurlijk maar één antwoord mogelijk, en toch raakt iemand, die
zichzelven overdreven, onredelijke eischen stelt, doodaf en geheel in
de war, hij wordt gejaagd en ontevreden, knorrig en diep rampzalig.
Wie zich ongelukkig gevoelt, kan anderen nooit gelukkig maken. Wie aan
't hoofd van een huisgezin staan, kunnen, zoo zij zelven onrustig van
aard en moeielijk van humeur zijn, geen vrede en harmonie stichten. Dat
is eigenlijk de reden, waarom menigeen, hoe braaf en nauwgezet ook, in
den huiselijken kring allerlei overlast veroorzaakt. Zulke menschen,
overdreven in hun eischen, zijn nooit tevreden, zij voelen zich altijd
ongelukkig, en die ontevredenheid en dat gevoel werkt aanstekelijk. Zij
staan niet op een goeden voet met hun eigen karakter; zij hebben aan
zich zelven een hekel, zij zijn niet tevreden met hun eigen voorkomen en
hun gewoonten, met hun opvoeding en hun bekwaamheden; op al deze punten
beoordeelen zij zich volgens een ideëelen maatstaf en bemerken, dat zij
ver te kort schieten. Ja, ook in 't zedelijke en 't godsdienstige brengt
ditzelfde soort van onderzoek niets anders dan dwalingen en zonden voor
hen aan 't licht, zoodat zij eindelijk hun heele leven voor verongelukt
houden en wenschen, nooit geboren te wezen. Altijd boos en ontevreden
over hun eigen hart, kunnen zij zichzelven niet verdragen en hebben
zij een afkeer van 't geen zij zijn. Wie nu altijd maar door met zich
zelven overhoop ligt, is er heel gauw aan toe, om ook met anderen
ruzie te maken. Die onvoldaanheid, die geen geduld heeft met eigen
onvermijdelijke zwakheden en gebreken, heeft dit ook niet met die van
anderen; en zoo verliest de grootste drijfveer, waarmeê het Christendom
verdraagzaamheid met de gebreken van anderen aandringt, haar kracht. Er
zijn menschen, die noch bij zich zelven, noch bij anderen ooit iets door
de vingers zien, maar, voor beiden even streng, in beiden evenveel
tegenzin hebben.
Nu zou het zeer wenschelijk zijn, dat allen, die zulk een overspannen
karakter en een groote zucht naar het ideëele hebben, deze
eigenaardigheid door den godsdienst zorgvuldig leerden temperen. Doch,
zoo als het dikwijls gaat, wordt het door den godsdienst nog erger, daar
deze de eischen en berispingen vaak verscherpt en de opgewondenheid zoo
ver drijft, dat eindelijk de snaren van 't verstand springen. En toch is
de godsdienst, wanneer zij goed begrepen en beoefend wordt, het eenige
geneesmiddel voor de ziekelijke zucht naar het ideëele. De christelijke
godsdienst is de eenige, die ooit aan alle menschen, hoe uiteenloopend
ook in ontwikkeling en verlangens, de heerlijke gave van _rust_ heeft
willen schenken. Onze groote Meester belooft met de verzekerdheid, die
alle wantrouwen buiten sluit, _rust_ aan allen zonder onderscheid, onder
alle omstandigheden, met de meest verschillende karakters en behoeften
en gebreken. Zijne uitnoodiging omvat het geheele menschelijke geslacht:
„Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal U
RUST geven.”
't Verdient te meer onze aandacht, omdat Hij, terwijl Hij deze heerlijke
belofte doet, tevens een maatstaf van volkomendheid aanwijst, die elken
anderen verre te boven gaat, en in dat ééne woord het doel van ons leven
voorstelt: „Wees volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.”
Wat Jezus ons voorstelt, is een eindeloos streven, en in weerwil daarvan
eindelooze gemoedsvrede,—een volstrekt rustig en toch altijd voortgezet
jagen naar een goed, dat wij nooit kunnen bereiken, voordat wij tot een
hooger en volkomener leven zijn ingegaan. Omdat de wijsheid dezer wereld
niet in staat is dit raadsel op te lossen, verlangt Hij, dat, wie zijn
juk op zich nemen, van Hem zullen leeren, daar Hij alleen het juk der
eeuwige volmaking zacht en den last er van licht kan maken.
Ieder gebouw, waarin wij een gelukkig leven wenschen te smaken, moet
tot een stevigen breeden grondslag deze eerste hoofdwaarheid van Zijn
onderwijs hebben;—volkomen bevrediging van de zucht naar volmaaktheid
kan nooit in dezen tegenwoordigen levenstoestand verwacht worden, maar
behoort tot een toekomstig bestaan. Als de wereldsche philosophie een
weinig op jaren begint te komen, en door al de teleurstellingen, die
zij ondervonden heeft, uit haar humeur geraakt is, wordt de idealiteit
met haar onophoudelijke rustelooze begeerten en eischen, afgesnauwd en
de deur uitgezet,—voor een bedriegster en leugenaarster gescholden,
met de kennisgeving, dat ze haar mond mag houden en haar biezen kan
pakken;—maar het Christendom gebiedt haar, welgemoed te zijn, nog
altijd voorwaarts te gaan en te hopen en te verwachten, en wijst op eene
toekomst, waar de werkelijkheid al haar droomen te boven zal gaan.
Een vast geloof in zulk een volmaakte toekomst,—een vast geloof, dat
God in den mensch niet een éénige begeerte heeft gelegd, waarvan hem in
die toekomst geen volkomen bevrediging bereid is,—dàt geeft rust aan 't
gemoed en leert met geduld en lijdzaamheid voor een tijd de vervulling
afwachten, die eindelijk zeker zal komen.
Zulk een geloof is zelfs beter dan de levenswijsheid van 't gezond
verstand, dat de overspannen berekeningen en verwachtingen van enkelen
tempert, want het heeft een hooger doel en een grooter vermogen.
Wij hebben een vrouw gekend, die vroeger in den weelderigsten overvloed
op zeer grooten voet leefde en dagelijks tal van gasten in haar
prachtige woning ontving,—een leven vol genot voor haar zelve en voor
anderen. Maar plotseling was dit alles als weggevaagd; haar rijkdom, die
er haar toe in staat stelde, verdampte als een nevel op een zomermorgen,
en we zagen haar eerlang met haar gezin een kleine, armelijke woning
betrekken. Daar zat ze in dat ééne vertrek, dat voor huiskamer,
slaapkamer en kinderkamer dienen moest, vroolijk en opgeruimd in den
vroegen morgen haar kindertjes te wasschen, met een ruwe spoelkom voor
zich, zij, die eens zulke keurige boudoirs en badkamers gebruikte; en
toch had zij, onder 't opkrullen van haar meisjes, een lachje en een
aardigheid en een goed woord voor allen. Ze scheen nu evenveel pleizier
te hebben in de weinige bloemen, die zij in haar schamele woning
opkweekte, als vroeger in haar oranjerie en haar tuin; en de twee of
drie planken, waarop een half dozijn boeken stonden naast de papieren
van haar man en de kleêren van de kinderen, bracht ze alle dagen zoo
netjes en met zooveel zorg in orde, alsof zij zich nooit in een ruimeren
kring bewogen had.
Zulk een gemakkelijkheid om zich in de wisselingen van 't leven te
schikken, is somtijds alleen toe te schrijven aan een gelukkig en
opgeruimd humeur; maar in dit geval was 't alleen de invloed van den
godsdienst. In haar vroeger leven was deze vrouw een ongelukkig
slachtoffer van de onvoldaanheid geweest; zij had, te midden van
werkelijk geluk en genot, allerlei dwaze wenschen gekoesterd, en op haar
rozenbed gezucht en geklaagd dat de blaadjes gekreukeld lagen. Nu heeft
zij zich aan den arbeid en de moeite des levens leeren wennen, even als
een soldaat in tijd van oorlog, die, tevreden met wat er te doen en te
dragen valt, vroolijk en dankbaar is voor 't schrale genot, dat elke dag
onder veel kwelling en moeite oplevert, en altijd het oog wendt op het
eind der campagne, waar zich een beter en aangenamer verschiet opent.
Zij had den aanleg en de begaafdheid eener kunstenares; maar zij heeft
potlood en penseel voor goed opgepakt, en zit uren achtereen de kousen
van haar kinderen te stoppen, of ze keert en vermaakt een afgedragen
japon, waar met alle vernuft nooit iets moois van te maken is. Zij had
het ver in de muziek gebracht, maar een piano is nu iets, dat tot het
verledene behoort; indien ze nog eens zingt, is 't alleen om de kleine
in slaap te sussen met een of ander stuk uit een aria, waarmeê zij
eens een schitterenden opgang maakte in de prachtigste salons. Zij
gevoelt dat een wereld van smaak en talenten in haar ligt te sluimeren,
terwijl zij het werk van een kindermeid, een keukenmeid of een naaister
doet; maar zij denkt aan Hem, die de gestaltenis van een dienstknecht
aangenomen heeft, en haar vertrouwen staat vast, dat hare gaven,
die als bloembollen onder den grond liggen, weer zullen ontkiemen
en bloemen dragen in die heerlijke toekomst, welke Hij daarboven
beloofd heeft. Daarom zucht zij niet over het tegenwoordige of over 't
verledene,—daarom mort zij niet over haar lot en leven: zij heeft vrede
met zich zelve en met al wat haar omringt: haar echtgenoot beschouwt
haar als een wonder, en haar kinderen groeien op en zegenen haar.
Maar als wij op den breeden grondslag van het geloof aan een beter
leven, het gebouw van ons geluk hier beneden willen stichten, dan moeten
wij ook op dit eens gelegde fondament verstandig voortbouwen.
Ons zelven te leeren verdragen en met ons zelven geduld te hebben:
dat is onze eerste plicht. Van al de zedekundigen, die er ooit zijn
opgestaan, is Fénelon de eenige, die de plichten, waartoe de mensch bij
zijn eigen opvoeding geroepen is, duidelijk ontwikkeld heeft. „Heb
geduld met u zelve”,—dat is een les, die gedurig in zijn schriften
herhaald wordt, en van uitnemend belang is ze,—omdat geduld met ons
zelven noodwendig vereischt wordt, zullen wij geduld met anderen hebben.
Ziet maar eens rond. Wie zijn het die 't gemakkelijkst te voldoen,
't opgeruimdst, 't minzaamst, 't verdraagzaamst zijn? Zijn zij het
niet, die door gestel en humeur op een goeden voet met zich zelven
staan,—menschen, die, waar 't hun eigen doen en laten betreft, niet te
streng in hun eischen en oordeelen zijn, en juist daardoor ook anderen
met een goed oog aanzien? Maar hoe kan iemand, die zich bewust is van
honderd dagelijksche gebreken en dwalingen, geduld met zich zelven
hebben? Op die vraag past de wedervraag: Wat zoudt gij zeggen tegen
een jongen, die nijdig was en zijn lei stuk gooide en zijn boek op
den grond smeet, omdat hij een fout in zijn sommen gemaakt had? Gij
zoudt natuurlijk zeggen: „Je begint nog pas te leeren; je kunt niet
verwachten, dat je geen fouten zult maken; alle kinderen doen dat. Je
moet geduld hebben.” Juist wat ge tegen dien jongen zoudt zeggen:—zeg
dit tegen u zelven. Berust er in, dat het volmaakte hier niet te
bereiken is: stel u tevreden met telkens te beproeven en dikwijls te
falen. 't Is onafscheidelijk van ons bestaan; erkent dan ook, dat het
dit is. Lijdzaam geduld bij teleurstellingen en nederlagen doet ons vaak
meer vooruitgaan in de zedelijke ontwikkeling dan menige zedepreek.