Verder moeten wij leeren, niet met rusteloos verlangen te staren op

een trap van voortreffelijkheid, die voor ons, onder de omstandigheden

waarin wij verkeeren, onbereikbaar is. Voor een vrouw, die schatrijk is

en een menigte bekwame dienstboden heeft, is het verkeerd, tevreden te

zijn met groezelige ruiten of stoffige kamers of slordig tafelgoed. Maar

in een vrouw met een zwak gestel, die een troep kleine woelwaters heeft

en niet meer dan één meid kan houden, waardeer ik het als een soort van

zedelijken heldenmoed, dat zij zulke dingen maar voorbij ziet, om des te

beter voor hetgeen 't allermeest noodig is te zorgen. Ik noem het een

deugd, dat zij niet maltentig genoeg is, om haar eigen gezondheid te

gronde te richten en haar eenige meid zich te laten doodwerken,—dat zij

haar lust tot orde, zindelijkheid en schoonheid opgeeft, even geduldig,

als zij zich in andere beproevingen schikt. Geen vagevuur kan pijnlijker

zijn voor iemand die op orde en netheid gesteld is, dan de grief, dat

al wat hij onderneemt slechts ten halve wordt afgedaan; en toch is dit

de vuurproef, die menigeen beschoren is. Het leven schijnt hen voort

te drijven, zonder hun ergens tijd voor te gunnen; alles moet haastig

en slordig gedaan worden, en (wat het pijnlijkste is) zij zien en

gevoelen, dat het te haastig en te slordig gedaan wordt. Als er maar

een éénig ding gedaan kon worden, zoo als 't moest, dat reeds zou een

zielsverkwikking wezen; maar nergens, waarheen ze ook 't oog wenden, is

zóó iets te zien.

Doch er zijn gevallen, waarin men zich vrij wat moeite en verdriet

sparen kan, door nauwkeurig te berekenen, hoeveel er onder zekere

omstandigheden kan afgedaan worden. Laten die omstandigheden in acht

genomen en de dingen, die wij te doen hebben, geregeld en goed overlegd

worden, wij zullen dan zien, of er niet hier en daar iets is, dat gerust

achterwege kan blijven, waardoor wij 't overige des te beter kunnen

verrichten.

Stel u eens voor, dat al die dure extratjes, gebakken en vladen, voor

goed van de keukenlijst verdwijnen,—zal het dagelijksche eten dan niet

beter klaar gemaakt worden? zal 't gewone naaiwerk er niet bij winnen,

als men van al dat gaufreeren en borduren en al dat peuterwerk afziet?

Menige zwakke vrouw heeft zich dood gewerkt, die nacht aan nacht

geduldig haar kostbaren levensdraad inboette bij allerlei opnaaisels en

stiksteken, die de kinderjurkjes wel heel mooi, maar de kinderen zelven

waarlijk niet beter of gezonder maakten.

De idealiteit breidt het gebied van kleeding en naald tot een wereld

van moeite en arbeid uit, waarin de vrouwen altijd onrustig rondloopen,

zonder er ooit een einde aan te zien. De naaimachine zou—zoo als men

zei—verandering aanbrengen, maar is het werkelijk zoo? Wij gelooven

van neen. 't Komt eigenlijk hierop uit, dat er aan ieder rokje nu twee

en zeventig plooien zitten, in plaats van vijftien, zooals vroeger, en

dat er tweemaal zooveel buisjes en jurkjes noodig heeten te zijn als

voorheen. Nog altijd naaien de vrouwen, zoo hard als 't maar kan, en

nog altijd blijft het oude spreekwoord waar, dat het werk van een vrouw

nooit afgedaan is.

Op 't artikel van kleeding zouden wij ons veel moeite en verdriet

besparen, als wij er nooit een kant meê opgingen, die meer van ons

vordert dan onze tijd, ons vermogen of ons inkomen toelaat.

Er is één vreeselijk woord in 't woordenboek der vrouwen van onzen

tijd, dat wel eens ernstig mag overwogen worden: ik bedoel het woord

_garneersel_. In vroegeren tijd was een knappe japon voldoende,

tegenwoordig is een japon niets zonder garneersel. Alles, van het eerste

jurkje in de luiermand, tot den prachtigen bruidsjapon, alles moet

gegarneerd worden, en wel op een manier, dat het naaien van de japon er

in vergelijking niets bij is. Een japon kan in één dag gemaakt worden,

maar 't garneeren neemt er niet minder dan twee of drie weg. Laat een

knappe, verstandige vrouw eerst eens goed overleggen, hoeveel ze van al

dien last op zich wil nemen, wel bewust, dat „de begeerlijkheid nimmer

vervuld wordt”, en dat het eenige middel om sommige bezwaren te boven te

komen, is—ze links te laten liggen.

Mrs Kirkland vertelt ons in 't boeiend verhaal van haar leven, toen zij

een blokhuis in de bosschen bewoonde, wat ze tobde en maalde, waar ze

haar pers zou kunnen zetten, die voor de lage en benauwde vertrekjes

veel te groot was. Na lang probeeren en weêr probeeren en na er veel

verdriet van gehad te hebben, besloot ze eindelijk den raad van een

bruinarmige schoone uit de bosschen in te roepen, die het lastige meubel

meteen buiten de deur zette met de schrandere opmerking: „Als er nergens

plaats voor is, dan is er geen plaats voor.”

De wijsheid, die in de opmerking van deze boersche schoone ligt, zou

menig huismoeder het leven gered hebben, die zich nu heeft doodgetobt,

om gemak en gerief te krijgen van dingen, die zij liever meteen buiten

de deur had moeten zetten.

Wel is waar vereischt het eenig oordeel om te weten, wat er nu, onder

de dingen, die tot een of ander departement behooren, gerust de deur

kan uitgezet worden; er is een zekere mate van onafhankelijkheid en

zelfstandigheid toe noodig om te zeggen: „Ik wil niet beginnen met

dit of dat te doen, dat anderen doen, en dat zij misschien van mij

verwachten,” maar wie daar eens over heen is, wint er veel rust en gemak

door. Toen eens de groote pers de deur uit was, was er voor alles ruimte

genoeg in het blokhuis.

Een moeder die haar kleintjes trouw verzorgen en opvoeden, maar

tegelijkertijd bals en partijen waarnemen wil, zal misschien onder

die dubbele taak bezwijken en zeker 't een zoowel als 't ander zóó

slecht doen, dat zij geen oogenblik rust meer heeft. Maar zoodra zij

tot het ernstig en christelijk besluit gekomen is: „De opvoeding mijner

kinderen is het eenige, wat ik goed _kan_ doen en daarop _alleen_ zal

ik mij toeleggen,”—dan breekt voor haar na al die gejaagdheid, een

sabbathsmorgen van vrede en rust aan. 't Is zoo, ook nu nog doet ze een

werk, waarin de volstrekte volmaaktheid niet te bereiken is, maar zij

kan toch het ideaal, vrij wat meer dan vroeger, nabij komen.

Eindelijk, laat ons besluiten, tevreden te zijn met hetgeen wij vroeger

gedaan hebben, indien wij maar, toen wij het deden, al het licht, dat

God ons gaf, vlijtig gebruikt en alles gedaan hebben, wat in onze macht

was.

Voor den idealist is achteruitzien dikwijls even pijnlijk als vooruit

te staren. Men zou denken, dat het gezond verstand ons zou leeren, dat

gedane dingen geen keer hebben; maar de ziekelijke idealist kan wat

achter hem ligt niet vergeten.

„Was dàt toch wel het beste, wat ik doen kon? Zou ik niet liever zoo of

zoo hebben moeten doen?” En de ongelukkige, die zich zelven martelt,

ligt 's nachts uren lang wakker, met over duizend moeilijkheden te

denken. „Als ik maar zoo gedaan had, dan zou dit er het gevolg van

geweest zijn, en dat niet,” en daar dit nooit met zekerheid valt te

zeggen, is er uit dien doolhof geen uitweg en aan zijn klagen geen eind.

't Is een woord van gezond verstand, die vermaning van den apostel:

„vergeet hetgeen achter is en strek u uit naar 't geen vóór is.” De

idealist moet er zich plechtig toe verbinden, 't verledene als een

afgedane zaak te beschouwen, waarbij geen andere vraag te pas komt

dan deze: „Deed ik niet, wat ik _toen_ voor het beste hield?”

De grondstelling der Quietisten is, dat wij volgens den wil van God iets

gedaan hebben, als wij 't gedaan hebben volgens ons beste weten, daar

Hij ons, als het anders had moeten zijn, beter en anders zou ingelicht

hebben; en met het doen van den wil van God door ons zelven en door Hem,

moeten wij ons tevreden stellen.

* * * * *

Toen ik mijn stuk tot zoover afgewerkt had en er niets meer wist bij te

voegen, ging ik naar de huiskamer, om het aan mijn vrouw en Jenny voor

te lezen. Ik vond Jenny aan 't opzetten van zestig el franje (zoo noemde

zij 't, geloof ik) die volstrekt noodig was voor een japon, en mijn

vrouw aan 't breien van een rok met keurige schulpjes en figuren,—een

van de zeven, die ze voor Marianne gereed maakte, omdat die brave vrouw

haar gezicht en haar gezondheid bijkans bedorven had, om het dozijn nog

vóór October klaar te krijgen.

Beiden vonden mijn stuk uitmuntend en beelderig mooi,—en ik dacht aan

den Heiligen Antonius met zijn preek voor de visschen:

De preek was gedaan en de preêker zei: Amen!

Maar net als voorheen ging de snoek weêr op buit.

Kroop de aal weêr in 't slijk en de kreeft achteruit:

Ze vonden 't verrukkelijk en riepen te zamen:

Hoe mooi was de preek en hoe keurig van pas!

Maar——lieten de zaak net precies als ze was.

INHOUD.

Bladz.

Inleiding 1

I. Vitachtigheid 9

II. Prikkelbaarheid 37

III. Terughouding 65

IV. Hoofdigheid 95

V. Onverdraagzaamheid 127

VI. Onwellevendheid 157

VII. Onvoldaanheid 181

+----------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) — Correctie (C:) |

| |

| B: wel wat onderhoudend's noodig.” |

| C: wel wat onderhoudends noodig.” |

| B: hebben jonge druifjes._” |

| C: hebben jonge druifjes._”” |

| B: hem onder één dak wonen.” |

| C: hem onder één dak wonen.”” |

| B: Nu dan, _bijna_ altijd.” |

| C: „Nu dan, _bijna_ altijd.” |

| B: of: „Lieve 't zal maar |

| C: of: „Lieve! 't zal maar |

| B: zoo laten bevingeren; „Lieve! |

| C: zoo laten bevingeren;” „Lieve! |

| B: huiselijk geluk_ Neen! liever |

| C: huiselijk geluk_. Neen! liever |

| B: jaar oud wordt, nog wel eens |

| C: jaar oud word, nog wel eens |

| B: grillen haar eischen, haar pruilen, |

| C: grillen, haar eischen, haar pruilen. |

| B: onverschilligheid aan, als haar klachten |

| C: onverschilligheid aan als haar klachten, |

| B: grieven te luisteren Zijne vrouw |

| C: grieven te luisteren. Zijne vrouw |

| B: courant te zetten dan is het |

| C: courant te zetten, dan is het |

| B: juist op het oogenblk waarop |

| C: juist op het oogenblik waarop |

| B: neêrgebogen met de ootmoedigde belijdenis, |

| C: neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis, |

| B: er niet mêe gaat zoo als |

| C: er niet meê gaat zoo als |

| B: dien geest maakte Fénélon den |

| C: dien geest maakte Fénelon den |

| B: zeide ik, ik wou wel dat je |

| C: zeide ik, „ik wou wel dat je |

| B: een ondragelijke ombeschaamdheid. Ik |

| C: een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik |

| B: „Ja, zeg ik, duur,—want zij |

| C: „Ja,” zeg ik, „duur,—want zij |

| B: En wat jou betreft, poesje!” |

| C: „En wat jou betreft, poesje!” |

| B: in orde—en veronschuldigde |

| C: in orde—en verontschuldigde |

| B: maar niet, „zeide zij, toen |

| C: maar niet,” zeide zij, toen |

| B: heet. |

| C: heet.” |

| B: menschen, meer den uit eenige andere, |

| C: menschen, meer dan uit eenige andere, |

| B: tegen God te spreken. Het hard |

| C: tegen God te spreken. Het hart |

| B: dingen uit: Wij hebben nagelaten, |

| C: dingen uit: „Wij hebben nagelaten, |

| B: twee-en zestiger lijken kan: |

| C: twee-en-zestiger lijken kan: |

| B: en gezegd had. „Johan! dit is |

| C: en gezegd had: „Johan! dit is |

| B: doen wat ik gezegd heb.” |

| C: doen wat ik gezegd heb.”” |

| B: met de valburg hoog opgehaald |

| C: met de valbrug hoog opgehaald |

| B: Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. Zou |

| C: „Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou |

| B: ze is over t' een of ander, |

| C: ze is over 't een of ander, |

| B: hernam Emilie, somtijds kan ik |

| C: hernam Emilie, „somtijds kan ik |

| B: „Jansje! wat scheelt er aan?” |

| C: „„Jansje! wat scheelt er aan?” |

| B: „Och, Ma! ik heb een vreeselijke |

| C: „„Och, Ma! ik heb een vreeselijke |

| B: „Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk |

| C: „„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk |

| B: „Zoo leef _ik_ er altijd |

| C: „„Zoo leef _ik_ er altijd |

| B: veel beweging van te maken.” |

| C: veel beweging van te maken.”” |

| B: wie ze betoont worden, |

| C: wie ze betoond worden, |

| B: een kinderachtig prnilen, waarbij ze |

| C: een kinderachtig pruilen, waarbij ze |

| B: licht,—die zich voor alles |

| C: ligt,—die zich voor alles |

| B: een dwaasheid. te denken, dat |

| C: een dwaasheid te denken, dat |

| B: bepaalden smaak en en zijn |

| C: bepaalden smaak en zijn |

| B: voor de ramen zien staan. |

| C: voor de ramen zien staan.” |

| B: er mij nooit mêê vereenigen, |

| C: er mij nooit meê vereenigen, |

| B: olijven: ik heb wel wel eens gehoord, dat |

| C: olijven: ik heb wel eens gehoord, dat |

| B: altijd mijn zin doen,” |

| C: altijd mijn zin doen.” |

| B: mij boos te maken.” zegt Hero. |

| C: mij boos te maken,” zegt Hero. |

| B: „Nu kan een gesprek van dien |

| C: Nu kan een gesprek van dien |

| B: je zult de sla altijd zóo |

| C: je zult de sla altijd zóó |

| B: ongelukkig de man. die een vrouw heeft, |

| C: ongelukkig de man, die een vrouw heeft, |

| B: meid een langgeleden „schoolvrijerijtje, dat |

| C: meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat |

| B: aan het goddelijk echt van den man |

| C: aan het goddelijk recht van den man |

| B: van een paard word gesproken. Shirley |

| C: van een paard wordt gesproken. Shirley |

| B: En zij antwoord; |

| C: En zij antwoordt: |

| B: als hij zich besturen laat, |

| C: als hij zich besturen laat. |

| B: onzer menschelijke natuur |

| C: onzer menschelijke natuur. |

| B: Mevrouw Perfect; het staat leelijk |

| C: Mevrouw Perfect; „het staat leelijk |

| B: het geweld van haar voorbeeld em |

| C: het geweld van haar voorbeeld en |

| B: grieksche accenten en verbuigingen. |

| C: Grieksche accenten en verbuigingen. |

| B: Laat hem daar staan, Wie weet, hoeveel |

| C: Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel |

| B: inkomen Maar geen wonder dan |

| C: inkomen. Maar geen wonder dan |

| B: latijnsche school gaan, of |

| C: Latijnsche school gaan, of |

| B: ἀφύη, ὲτησίαι en |

| C: ἀφύη, ἐτησίαι en |

| B: χλουνης in den genitivus |

| C: χλούνης in den genitivus |

| B: kracht. verlamt. De schrijvers |

| C: kracht verlamt. De schrijvers |

| B: evenmin kan opvolgen. als een |

| C: evenmin kan opvolgen, als een |

| B: der zon door de evenachtslijn, |

| C: der zon door de evennachtslijn, |

| B: onplezierig kunnen zijn. dan, dunkt mij, |

| C: onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, |

| B: Haar achteruitgang tegengaan. |

| C: Haar achteruitgang tegengaan.” |

| B: waarop 't gebeurde, er wezeniijk |

| C: waarop 't gebeurde, er wezenlijk |

| B: kan een fransch werk lezen, |

| C: kan een Fransch werk lezen, |

| B: wij op de fransche comedies mogen |

| C: wij op de Fransche comedies mogen |

| B: ronde woorden, waarmêe wij iemand |

| C: ronde woorden, waarmeê wij iemand |

| B: was: 't huis moet een vrouw |

| C: was: t'huis moet een vrouw |

| B: zien?—mijn brief is van Die-en-Die.—Schrijft |

| C: zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft |

| B: heel anders doen,”—„Begrijp eens, |

| C: heel anders doen.”—„Begrijp eens, |

| B: niet?” Waarom heb je dat |

| C: niet? Waarom heb je dat |

| B: zegt Lord Bacon, is een soort van |

| C: zegt Lord Bacon, „is een soort van |

| B: behalve een volmaakte keukenmeid. „Gij |

| C: behalve een volmaakte keukenmeid.” Gij |

| B: zucht van te zeggen: 't Moet er nu |

| C: zucht van te zeggen: „'t Moet er nu |

| B: laat maar staan! lispelt ze met |

| C: laat maar staan!” lispelt ze met |

| B: Johan zeer dilwijls ter sluiks |

| C: Johan zeer dikwijls ter sluiks |

| B: moeielijk van humeur zijn. geen vrede en |

| C: moeielijk van humeur zijn, geen vrede en |

| B: opgestaan, is Fenelon de eenige, die de |

| C: opgestaan, is Fénelon de eenige, die de |

| B: van ons bestaan; enkent dan ook, dat |

| C: van ons bestaan; erkent dan ook, dat |

| B: IV. Hoofdigheid 93 |

| C: IV. Hoofdigheid 95 |

| |

+----------------------------------------------------------+

De kleine vossen · 第 12 / 12 段