„Volkomen waar!” zei ik. „Ge spreekt als een evangelie. Waarheid gaat

bovenal, oprechtheid, bovenal zuivere, kristalheldere, diamanten

oprechtheid is beter dan het fijnste goud van Ophir: daarop rust alle

liefde. Hoe 't gaat met menschen, die van hun innigste geliefden, met

wie ze dagelijks verkeeren, moeten denken, dat zij door hen om eene of

andere reden, (al is 't ook nog zóó fijn, zóó kiesch) zullen bedrogen

worden,—hoe zulke menschen daar rust bij hebben, is mij een raadsel.

Als ik moet denken, dat mijn vrouw of mijn vriend niets anders tegen

mij zeggen zou, dan wat zij meenden, dat mij pleizier deed,—dan was

ik een verloren man, ik zou nooit meer weten, waar ik aan toe was. Toch

moet ik, in weerwil van dit alles toestemmen, dat wij ons huiselijk

leven vrij wat zouden veraangenamen, als wij op den stevigen stam der

oprechtheid een stekje der Fransche wellevendheid verkozen in te enten.

„Wil iemand weten, wat ik hiermeê bedoel, dan verwijs ik hem naar de

gedenkschriften van De Tocqueville dien ik voor een ideaal van een

Franschman houd, en zeker heeft 't huiselijk leven, zoo als het in zijn

brieven afgeschilderd wordt, iets zoo liefelijks en bekoorlijks, dat

daardoor de degelijkheid van dat leven te meer uitkomt.

„Nog moet ik omtrent dit onderwerp herinneren, dat het zoowel voor een

individu als voor een geheele natie zeer gevaarlijk is, de deugden,

waarvoor zij van nature aanleg hebben, gedurig op te hemelen en altijd

maar uit te varen tegen sommige ondeugden, waartoe voor hen volstrekt

geen verleiding bestaat.

„Mij dunkt, dat wij 't als een algemeenen regel mogen vaststellen, dat

wij geen gevaar loopen om, door overdreven zucht tot beleefdheid in

onzen huiselijken kring, huichelaars te worden, maar dat er wel eenig

gevaar voor ons bestaat, om uit een ruw en onbehouwen instinct van

oprechtheid lomperds te worden. Doch om de zaak zoo praktisch mogelijk

te behandelen, zal ik in eenige bijzonderheden aantoonen, hoe de

beleefdheid, die wij aan vreemden bewijzen, met voordeel op ons

huiselijk leven zou kunnen ingeënt worden.

„Laat ons dan in de eerste plaats eens nagaan wat wij al zoo doen, als

wij vreemden ontmoeten, die wij gaarne voor ons willen innemen. Wij

kleeden ons netjes, wij doen ons best om iets aangenaams te zeggen,

wij onderdrukken onze aangeboren traagheid en zijn zoo vlug mogelijk

in het bewijzen van kleine attenties, wij staan vliegend op om een

gemakkelijker stoel te krijgen, wij bukken om iets van de grond op te

rapen, wij zoeken naar de courant, die verlegd is, en dat alles voor

menschen, die ons later misschien niets kunnen schelen: maar—bij onze

eigen familie, bij onze liefste betrekkingen zitten wij in ons oude,

halfsleten goed,—we laten ze zelven een stoel krijgen, en naar de

courant zoeken, en hun eigen tuil tuilen, zonder hun één van al die

attenties aan te doen.

„Vooral op het punt van kleeding maken heel veel menschen zich schuldig

aan hetzelfde gebrek, dat ik reeds noemde, toen ik over de inrichting

van 't huishouden sprak. Zij hebben een prachtig toilet om uit te gaan,

en een smerig en slordig pak voor t'huis.

„Een vrouw besteedt al haar speldegeld aan de kleeding, die zij op

partijen draagt, en meent, dat alles voor in-huis goed genoeg is.

Al haar vervallen opschik, haar versleten, vieze japonnen en haar

bespikkelde linten moeten maar dienst doen voor den tijd, dien zij

in haar liefsten en haar besten kring doorbrengt. Enkele schijnen er

werkelijk uit beginsel tegen, een knappe japon in huis te dragen; zij

zeggen dat „bruin zoo iets niet kan trekken”. Nu, ik zou wel willen, dat

al het geld wat voor een of twee uitgaanstoiletten noodig is, aan een

net en smaakvol huistoilet werd besteed en dat het een uitgemaakte zaak

was: t'huis moet een vrouw er altijd lief uitzien.

„Wij mannen zijn een soort van domme en blinde dieren, wij merken wel,

dat ons iets bevalt, maar wij weten niet, wat het nu eigenlijk is; wij

denken dat wij niets om bloemen geven, maar als er een bloemperk onder

ons raam is, dan hebben wij er toch zoo wat een flauw besef van en

merken dat er iets is, dat genoegen doet; en zoo ook veraangenaamt het

ons leven misschien wel veel meer dan wij denken, als onze vrouwen en

dochters keurig en met smaak gekleed gaan.”

„Nu, papa!” zei Jenny, „ik denk toch dat de mannen even goed als de

vrouwen hun best moeten doen, om zich na hun trouwen netjes te kleeden.

Mij dunkt dat er in 't heiligdom van 't huiselijke leven even goed

verfrommelde halfhemdjes en verwarde haren en modderige laarzen gezien

worden als versleten japonnen en bespikkelde linten.”

„Dat zal ik niet ontkennen,” zeide ik, „maar je weet dat wij van nature

Hottentotten zijn, en de dames de zendelingen, die moeten zorgen, dat

wij niet geheel verdierlijken; wij lijken op den lompen, ouden, blinden

Vulcanus en zij op de schoone Venus, de draagster van den toovergordel,

en daarom recommandeer ik dit onderwerp bijzonder aan haar attentie.

„Nu houd ik staande, dat wij in 't huwelijksleven niet alleen ons best

moeten doen, om net en keurig in onze kleeding, maar ook een beetje

behaagziek te wezen,—of beter gezegd, om ons aangenaam te maken in de

oogen onzer naaste betrekkingen.

„Er zijn vrij wat dames, en knappe ook, die voor 't oog van de wereld

zich niet gaarne aan een of ander verzuim van netheid zouden schuldig

maken, en die 't er toch voor schijnen te houden, dat het voor een

degelijke vrouw niet te pas komt, in huis eenige zorg aan haar uiterlijk

te besteden. Zij koopen haar daagsche japonnen en denken daarbij alleen

om de zuinigheid; zij maken ze, zonder er zich om te bekommeren, hoe dit

of dat staan zal. Van daar maakt soms het huwelijk van een aardig, vlug

en net meisje een morsige vrouw, die in haar daagsche kleêren veel van

een zoutzak heeft. Wat mij betreft, ik geloof niet, dat het verbannen

van de gratiën uit den huiselijken kring, zoodra het eerste kind gekomen

is, de huwelijksliefde bevordert. En ik geloof nog veel minder, dat het

noodig is. Even als de heilige asceten uit den ouden tijd, loopen die

degelijke huismoeders gevaar zich daaraan te bezondigen, dat ze haar

eigen lichaam verwaarloozen, door zich te veel om anderen en te weinig

om zich zelven te bekommeren. Is er iets innemends en bekoorlijks haar

eigen, welnu, laat ze dat met zorg bewaren, en 't erkennen voor een

talent dat haar gegeven is. Wat mijn verdoolde collega's betreft, die

den huiselijken tempel door verfrommelde halfhemdjes, verwarde haren en

modderige laarzen ontheiligen, hen geef ik ter bestraffing aan Jenny

over, zonder de exceptie op te werpen, dat ze als dominé's voor een

geestelijke rechtbank moeten verhoord worden.

„Mijn tweede opmerking is, dat men, evenzeer als in beschaafde

gezelschappen onder vreemden, ook in den huiselijken kring kiesch genoeg

moet zijn, om er niet te spreken over 't geen voor een ander

onaangenaam is.

„Ik geloof niet, dat het aan ons huiselijk leven meer het karakter van

oprechtheid geeft, als de leden van 't zelfde gezin de vrijheid nemen,

om, zonder eenige nagedachte of verschooning, allerlei onaangename

dingen voor elkander uit te flappen; zoo als, bij voorbeeld: „Wat zie

je er van ochtend raar uit! Wat scheelt er aan?”—„Komt er een puistje

op je neus, of wat beduidt dat vlekje dat er op zit?”—„Hoe ben je er

toegekomen om zulk een leelijke japon te koopen? Je lijkt er wel een

tooverheks meê! Wie heeft die geknipt?”—„Waarom draag je toch zulke

oude laarzen?”—„Mijn hemel, Bet! moet je zoo naar de partij toe? Je

lijkt wel een wandelende bloempot!” Opmerkingen van dien aard tusschen

man en vrouw, broeders en zusters of na-betrekkingen, zijn geen bewijs

van oprechtheid, maar van lompheid; en hij die van de puist op den neus

spreekt, is evenzeer in staat om u te bedriegen als de volleerdste

Française die, zoolang ge er bij zijt, alles in haar discours vermijdt,

wat u hinderen kan.

„In vele gezinnen schijnt men te denken, dat het een bewijs van

vertrouwelijkheid en goed humeur is, als men elkaêr in 't vaarwater kan

zitten, allerlei grofheden verdraagt, en de een de kleine zwakheden

en gebreken van den ander kan bespotten, zonder dat deze er boos om

wordt of het kwalijk neemt. Waar een manke zuster aan huis is, daar

ontbreekt het nooit aan grappen over „hippeldetrip”; en evenzoo gaat

het met andere gebreken van lichaam en ziel. Zeker, waar men zulke

vrijheden nemen kan, is 't wel een bewijs dat het goed humeur en de

vertrouwelijkheid verwonderlijk groot zijn; maar de vrijheden zelven

maken het huiselijk leven toch waarlijk niet pleizieriger.

„Grappen van lichaams- en zielsgebreken, en in 't algemeen de gewoonte

om uit gekheid dingen te zeggen, die, zoo men ze in ernst zeî,

verregaand lomp en onbeschoft zouden wezen, zijn allemaal gewoonten die

de teederheid onzer onderlinge liefde in den huiselijken kring gevoelig

kwetsen.

„Door al dat ruwe spel met scherpe dingen, wordt menigeen gewond en

gegriefd, die te bloô of te bang is, om er over te klagen. En wat voor

nut, wat voor goed kan het stichten? Moed om een ander, wanneer het voor

zijn waarachtig welzijn noodig is, iets onaangenaams te zeggen, is een

heerlijke deugd: maar de gewoonte om in den vrijen, huiselijken kring

alles zoo maar uit te flappen, richt meer schade in onzen wijngaard aan,

dan menig kleine vos in staat is te doen.

„Er is een punt, dat tot deze rubriek behoort, waarbij ik in 't belang

van de mannen nog even moet stilstaan,—ik bedoel aanmerkingen op het

eten. In 't huishouden moet zeker vrij wat over het hoofd gezien worden,

als wij bedenken, hoe de meiden tegenwoordig zijn; maar dan is ook de

gewoonte van sommige mannen, om altijd weêr plompweg te vitten op 't

geen de pot schaft en op de manier van klaarmaken, al heel onhebbelijk.

Als de vrouw wijs genoeg is om er geen notitie van te nemen, dan is dit

des te erger voor den man, want hij geeft daardoor te meer toe aan een

gewoonte die niet past, die zijn gasten verlegen maakt en een slecht

voorbeeld voor zijne kinderen is. Wil hij haar in haar kleine zwakheden

al niet sparen, hij moest ten minste respect hebben voor het decorum en

voor haar fatsoen, hij moest die soort van zaken geheel in privé

behandelen en aan geen vreemde gasten noch ook aan zijn kinderen een

kijkje laten nemen van de manier, waarop de huishouding-machine gepoetst

en gesmeerd wordt.

„Nog iets anders,—wat men uit beleefdheid met vreemden altijd doet,

maar in den familiekring wel mocht navolgen,—namelijk, op een

verstandige manier bescheiden te wezen in het doen van vragen en het

aanbieden van goeden raad.

„Een groot gezin bestaat uit onderscheiden personen, die in smaak, in

gewoonten, in wijze van denken en doen zeer uiteenloopen, en 't zou

verstandig en goed zijn, ieder zoo veel vrijheid te geven, als de wetten

der maatschappelijke wellevendheid toestaan. Broeders en zusters houden

dikwijls veel van elkander, maar toch niet zoo veel, dat ze in alle

idées en plannen, wenschen en uitzichten en keuzen van vrienden volkomen

sympathiseeren.

„In ieder gezin zijn er enkelen, die, een weinig overgevoelig van aard,

stil en ingetrokken zijn; en nu zijn er wel huishoudens, waarin 't

niet mogelijk is, stil en terughoudend te wezen. Niemand kan er met

vrede gelaten worden, niemand kan er een geheim hebben, niemand kan er

een vinger in de asch steken, zonder dat er een heirleger van vragen

en aanmerkingen op volgt. „Van wie komt die brief?—Laat mij eens

zien?”—„Mijn brief is van Die-en-Die.”—„Schrijft _hij_ je? Dat wist ik

niet. Wat schrijft hij?”—„Waar ben je gisteren heen geweest? Wat heb je

gekocht? Wat heb je er voor gegeven? Wat wil je er meê doen?”—„Dat is,

dunkt mij, nog al een vreemde manier om zoo iets te doen. Ik zou het

heel anders doen.”—„Begrijp eens, Marie! Saartje wil van den zomer een

zijden japon hebben. Ik vind dat zijde te duur is—jij ook niet?”

„Ik herinner mij, ergens in een boek gelezen te hebben, hoe het tot

de kenmerken van een waarlijk fatsoenlijk man behoort, dat hij weinig

of geen vragen doet. Als men dit kenmerk van fijne beschaving in ons

huiselijk leven wat hooger waardeerde, 't zou er vrij wat aangenamer

door worden.

„Ontbreekt er niets aan onze onderlinge openhartigheid en ons

wederkeerig vertrouwen, welnu, laat ze dan aan den dag komen door

ongedwongen mededeelingen, die men ongevergd doet. Zoo er iets is,

waarvan onze naaste betrekkingen niet willen dat wij onkundig blijven,

mogen wij dan wel niet als zeker aannemen, dat zij 't ons zullen

vertellen? en zoo ze in weerwil van de innige vertrouwelijkheid, die

er tusschen ons is, over sommige dingen zwijgen, dat er zeker eene

of andere goede reden is, waarom zij het doen. Kieschheid, die het

stilzwijgen van een vriend eerbiedigt, is een van de kostelijkste

dingen, die ik ken.

„Even als met het doen van vragen, moeten huisgenooten ook met geven van

raad een verstandige spaarzaamheid in acht nemen.

„In enkele gezinnen vraagt men van alles, wat iemand doet, tekst en

uitleg. „Waarom heb je je blauwe japon aangetrokken? Waarom nu je groene

niet? Waarom heb je dat gedaan? Waarom heb je dat niet gedaan?”—„_Ik_

zou je raden zus en zoo te doen.” En deze aanmerkingen en al dat vitten

en critiseeren en raden gaat met een klem en een gezag, dat het dikwijls

moeielijk valt, er geen acht op te geven.

„Al zijn onze huisgenooten nu ook nog zoo lief en nog zoo

goedhartig,—als zij onze vrijheid verkorten en ons leven aan banden

leggen, dan kan het niet anders, of wij zullen er gauw toe komen, het

daar, waar zij niet zijn, pleizieriger te vinden, dan daar waar ze wel

zijn; en een van de redenen, waarom broeders en zusters of kinderen

zoo dikwijls geheel en al buiten de familiekring hun vertrouwelingen

kiezen, ligt zonder twijfel hierin, dat zulke vreemden, door een zekere

bescheidenheid weêrhouden, er nooit toe zullen komen, om al te veel te

vragen en te vitten en raad te geven.

„Ouders zouden er goed aan doen, de raadgevingen en vermaningen, waarmee

zij in vroeger tijd hun kinderen hebben groot gebracht, verstandig te

matigen en te wijzigen, nu die kinderen tot zelfstandige menschen zijn

opgegroeid. Laat ons niemand het recht betwisten, zijn eigen leven

zooveel mogelijk te leven, en zorgen dat wij aan niemand onze

eigenaardigheden opdringen.

„Als ik een volmaakt huisgezin moest schetsen, dan zou het een

vereeniging van menschen zijn, ieder van een bijzonder en scherp

geteekend karakter, die door onderlinge liefde tot een juiste

waardeering van elkander gekomen zijn, en die zich zelven en elkander

zoo goed begrijpen, dat iedereen vrij is in zijn eigen doen en

laten,—een gezin, waar de een altijd bereid is, zijn geheimen aan een

ander meê te deelen en diens geheimen aan te hooren, doch waar men nooit

in elkanders geheimen zoekt in te dringen, en waar niemands gevoel wordt

gekwetst;—waar men, begrijpende dat ieder zijn bijzonder heiligdom en

zijn eigen zelfstandigheid heeft, een ander met al zijn doen in vrede

laat en door geen bemoeizucht hindert; maar toch, aan den anderen kant,

waar een geest van gezelligheid en eenigheid heerscht, die ons in alles

bemoedigt en kracht geeft, omdat wij daaraan weten, hoe wél gezind ze

zijn, die ons omringen, en hoe innig goed ze over ons denken.

„Bij dit onderwerp heb ik nu maar gezwegen van die soort van

onbeleefdheid in 't huiselijk leven, die uit een kwaad humeur en uit

zelfzucht voortkomt; dat toch noem ik niet een gebrek, maar dat heet ik

zonde. Wie toornig is, die is in den regel onbeleefd; en waar twist en

gekijf zijn, daar kan geen wellevendheid heerschen. Maar wat ik op het

oog had, waren veeleer de gebreken van brave en deugdzame en wezenlijk

beste menschen, die alleen om hun huiselijk leven te veraangenamen, nog

wat meer moesten letten op 't geen wat liefelijk is en wel luidt. Ik

weet, dat mijn doel bereikt is en zij 't zullen doen, als ik hen maar

overtuigd heb, dat het hun plicht is; in hun ernstig streven naar 't

geen voor ons van 't hoogste belang is, zien zij maar (daar schort het

hun) de kleinigheden voorbij, die er liefelijkheid en geur aan moeten

geven. Ze zijn goede verstaanders, die maar een half woord noodig

hebben, en dat halve woord heb ik gezegd.”

ONVOLDAANHEID.

VII.

ONVOLDAANHEID.

Eindelijk ben ik aan mijn zevenden vos gekomen,—den laatsten van dat

zevental, waartegen ik een kruistocht gepredikt heb. Ik zal maar meteen

jacht op hem beginnen te maken. Ik noem hem

ONVOLDAANHEID.

En nu ik dit gedaan heb, zal ik de beeldspraak maar laten varen, uit

vrees, dat ik de regelen eener gezonde logica zou te buiten gaan; liever

begin ik terstond met de omschrijving en verklaring van het genoemde

gebrek.

Al de andere huiselijke gebreken en verkeerdheden, waarover ik gehandeld

heb, betreffen de wijze waarop men het doel van 't leven zoekt te

bereiken; maar dit gebrek bestaat in een valsche, bedriegelijke en

ziekelijke voorstelling van het doel zelf.

Als een piano juist op orchest-toon staat, is die voor de meeste

stemmen te hoog, waarom men doorgaans, zich naar de gewone menschenstem

voegende, de piano een halven of kwart-toon lager laat zetten. Wie nu

geen bijzonder hooge stem heeft en toch maar volhoudt, dat de piano

overeenkomstig een zeker afgetrokken begrip van volmaaktheid gestemd

moet worden, van zoo iemand zult ge zeggen, dat hij aan volslagen

monomanie lijdt en zich ellendig afpijnigt, met geen ander gevolg dan

dat hij, al wat hij zingt, valsch zingt.

Toch zijn er vrij wat menschen, die al de snaren onzer

levensbenoodigdheden op orchest-toon spannen en daardoor een wangeluid

onvermijdelijk maken, dat altijd maar voortkrast en hen altijd kwelt.

Onder de eigenschappen van den menschelijken geest is er ééne, die de

geleerden _idealiteit_ noemen: zij is eigenlijk de moeder van 't geen

ik _onvoldaanheid_ genoemd heb. Idealiteit toch doet ons beseffen, dat

er iets volmaakts bestaat, en dringt ons daarnaar te streven; wel verre

dan ook dat zij een verkeerde eigenschap onzer natuur zou zijn, bemerkt

ieder terstond, hoe zij 't beginsel van vooruitgang in zich bevat,

waardoor de mensch van het dier onderscheiden is. Terwijl de dieren

van geslacht tot geslacht dezelfden blijven, zonder iets te leeren of

iets te vergeten, en zonder zich ooit beter of minder goed van hun

levensverrichtingen te kwijten, wordt de mensch door de idealiteit

gedurig aangespoord tot nieuwe uitvindingen en verbeteringen, waaruit

kunst en wetenschap en de geheele vooruitgang der maatschappij ontstaat.

Idealiteit maakt ons tevreden met hetgeen wij voor het oogenblik bereikt

hebben of bezitten of volvoeren: ze veroorzaakt derhalve dat het meer en

beter wordt. Zoo veredelt en heiligt ze op zedelijk gebied ons leven en

denken, en is zij vooral de gezindheid, waarop onze eenige Meester bij

zijn hoogste eischen het oog had. Onvoldaan te zijn met hetgeen ons de

wereld geeft, met de vorderingen die wij aanvankelijk gemaakt hebben, te

jagen en te streven naar een heerlijk doel dat toch altijd hoe meer wij

het naderen, des te verder verwijderd schijnt,—dat is de leer van het

Christendom en de taak van den Christen.

Maar met de eigenschappen van onzen geest is het even als met de

gewassen: groeien ze in het wild op, dan worden ze ruw en raken ze vol

onkruid.

„Wraak,” zegt Lord Bacon, „is een soort van woeste rechtvaardigheid,

koppigheid is verwilderde standvastigheid,”—en evenzoo is onvoldaanheid

overdreven idealiteit; en allerlei ellende, in de maatschappij en in

't huisgezin, ontstaat niet uit deze eigenschap zelve, maar uit haar

overdrijving.

Gezond verstand, geduld en nauwgezetheid moeten de zucht naar iets

beters en volmaakters voortdurend besturen, of ze brengt te weeg dat een

ziekelijke geest van ontevredenheid in de aderen van ons individueel en

ons huiselijk leven binnendringt, als een langzaam werkend vergif.

Hier ergens in de buurt wonen twee families, die door haar

maatschappelijk en huiselijk leven toonen, wat het verschil is tusschen

idealiteit en 't gemis daarvan.

't Zijn prettige, vroolijke, luchthartige menschen, die Daytons:

gastvrij, welwillend en vriendelijk.

Niets gaat er bij hen boven 't middelmatige. Hun huis is redelijk

gemeubeld, het eten is redelijk goed, de meiden zóó tamelijk, en—op

dezelfde hoogte staat het geheele gezin, wat achting en aanzien betreft.

Mevrouw Dayton is een vrij goede huishoudster en als het vleesch maar

niet bedorven, de boter niet sterk, het tafellaken schoon en 't servies

gaaf is, dan breekt zij haar hoofd niet met al die nesterijen, waarop

een keurige huisvrouw gesteld is.

Zij neemt haar kinderen, zoo als ze zijn van nature; zij tracht alleen

goed te onderkennen wat zij zijn, maar oppert nooit de vraag, hoe zij

ze zou willen hebben; zij verwacht van hen nooit iets bijzonders of

buitengewoons, maar is er altijd tevreden meê, zoo als 't met hen

uitvalt.

Wie er aan huis komt, kan gemakkelijk duizend gebreken in den gang van

zaken, in de behandeling der kinderen en in dit of dat gedeelte van 't

huishouden opmerken; maar hij ziet toch en merkt toch ook, hoe iedereen

zich in dien kring zoo zeer t'huis en op zijn gemak voelt, dat dit

genoegen bijkans tegen al die gebreken opweegt. 't Wordt hem duidelijk,

dat er hier wel veel voor allerlei verbetering vatbaar is, maar dat

de familie met de dingen, zoo als zij zijn, volkomen genoegen neemt,

en dat ieder lid van 't gezin in menig opzicht 't veel verder in de

wereld zou kunnen brengen, als ze maar niet zoo blind ingenomen en zoo

onbegrijpelijk goed tevreden waren met hetgeen ze nu al hebben en zijn.

Daar zij elkander naar een zeer middelmatige maatstaf beoordeelen, zijn

zij voorbeelden van onderlinge toegevendheid. De oudste jongen krijgt

nooit een prijs op school,—maar zij hebben ook nooit verwacht dat dit

gebeuren zou; hij heeft toch op school nooit kwaad uitgevoerd, en zij

halen hem in met triumf, grooter misschien dan een andere familie voor

een jongen zou overhebben, die met een eersten prijs t'huis kwam. De

dochters geven zich wel niet voor kunstenaressen uit, maar met welk

onschuldig genot worden haar zeer middelmatige teekeningen bekeken en

bewonderd! Zij kunnen een deuntje of wat op de piano spelen: de heele

familie luistert er naar en vindt het beelderig. Allen zingen met

elkaêr een enkelen psalm of een gezang, en al gaat het nu wat valsch

of uit de maat, zij hebben er hier toch ruim zooveel pleizier van als

menig liefhebber bij een welgeslaagde uitvoering van zijne moeielijkste

stukken.

Zoo zijn de Daytons; en als gij bij hen aan huis komt, moogt ge al

dikwijls gevoelen, dat hier vrij wat te vorderen en vrij wat te

verbeteren overblijft, toch zult gij een genot vinden in de kalme

tevredenheid, die u daar omgeeft.

Vlak tegenover de Daytons wonen de Mores, en de Mores zijn juist het

tegenovergestelde van de Daytons.

Reeds voordat gij hun woning binnentreedt, ziet gij dat alles hier

met de uiterste zorg wordt behandeld. In de oprijlaan groeit geen

sprietje onkruid, het gras is er glad als fluweel, de perken zijn altijd

vol bloemen, de vruchtboomen en wijngaarden groeien precies zoo als

't volgens de beste tuinboeken wezen moet. Binnen's huis valt evenmin

iets aan te merken:—alles schijnt op klokslag te gaan,—de tafel

is meer dan goed, zij is opperbest—wat gij er vindt is in zijn soort

voortreffelijk,—van de kinderen kunt ge niets anders denken, als gij ze

ziet, dan dat ze volgens de uitnemendste methode opgroeien en behoorlijk

geleid en besnoeid en opgekweekt worden, net als de pereboomen en de

wijngaarden buiten. Niets wordt aan het toeval overgelaten; niets

gedaan, zonder ernstig overleg hoe dit het best kan geschieden; en de

uitkomsten zijn naar het oordeel van hun goede, onnoozele overburen

inderdaad verwonderlijk.

Met dat al zijn ze toch niet gelukkig. Al hun volkomenheden schenken hun

geen tiende van de voldoening, die de Daytons van hun halfbakken werk en

hun knoeisels hebben.

De kleine vossen · 第 10 / 12 段