„Het is je heilige plicht, den wil van dien jongen te buigen. Ik heb den

wil van mijn jongen ook weten te buigen. Houd de plak bij de hand, geef

hem nooit zijn zin, straf hem voor ieder verzet, laat nooit zijn haan

koning kraaien, dan zal hij eindelijk wel gedwee en onderworpen wezen.”

Zulk een raad is verkeerd, omdat zij dien evenmin kan opvolgen, als een

koe wormen voor haar kalf kan opkrabben, of een kip haar kuikens kan

zogen.

Sommige menschen hebben zulk een vasten, krachtigen wil, dat zij in

staat zijn over den wil van anderen te heerschen. _Zij_ kunnen op die

manier regeeren,—en dit regeeren heeft de beste uitwerking, omdat het

in hun aard ligt, altijd wordt volgehouden en hun natuurlijk en flink

afgaat. Laat hen tevreden zijn met hun eigen succes, zonder zich daarom

nu uit te geven voor algemeene opvoedkundigen of wat zij, op grond

hunner ondervinding, in alle mogelijke gevallen meenen door te kunnen

drijven.

Er zijn weer anderen,—en tot hen behooren menschen van het

beminnelijkste en edelaardigste karakter,—in wier aard het gebieden

niet ligt. Zij hebben voor zich zelven wilskracht genoeg, maar zij

missen 't vermogen om op den wil van anderen te werken. Toch zijn er van

die soort wel moeders geweest, die in de opvoeding van haar kinderen

slaagden, wanneer zij met haar eigenaardig karakter te rade gingen en

niet trachten te doen, wat zij toch niet konden volbrengen.

_Invloed_ is een macht, die langzamer werkt dan gezag, die schijnbaar

zwakker, toch op den duur veel meer uitricht en zeker een veel beteren

weg volgt, om het doel te bereiken, dan blind gezag of driest geweld,

waaraan zachte drang of gematigheid ontbreken.

Als een moeder een edel, godsdienstig, liefhebbend hart heeft, als zij

nooit haar toevlucht neemt tot list of bedrog, als zij nooit driftig

wordt en een goed voorbeeld geeft,—laat haar dan maar blijmoedig haar

gang gaan, al kan zij de tucht, die op een oorlogschip heerscht, niet

bij haar woelig troepje invoeren, of ze allen even zoet houden, zooals

enkele vrouwen doen, aan wie God andere talenten gegeven heeft; en laat

ze den moed niet verliezen, indien het somtijds maar heel weinig schijnt

wat ze bijdraagt tot het groote werk der vorming van menschelijke

karakters, daar toch zelfs de groote Schepper der wereld, volgens het

bijbelwoord, hierin nu en dan teleurgesteld wordt.

De verdraagzaamheid in den familiekring moet vooral acht geven op de

onderscheiden, trappen en tijdperken in de lichamelijke en geestelijke

ontwikkeling der kinderen.

De overgang van 't eene ontwikkelingstijdperk tot het andere veroorzaakt

bij den mensch, even als de doorgang der zon door de evennachtslijn,

dikwijls stormen en onweders. Als de knaap of het meisje volwassen

wordt, raken meer dan eens hoofd en zenuwen, lichaam en ziel in de war;

somtijds verandert daarbij 't karakter zóó geheel en al, dat het kind

voor zich zelf en voor zijn ouders verloren schijnt. In dien toestand

van overprikkeling komen allerlei onverzadelijke begeerten, onredelijke

wenschen, onbepaalde plannen boven, en juist uit de hartstochten van dit

overgangstijdperk ontstaat somtijds de rampzalige gewoonte, om zich over

te geven aan 't gebruik van prikkelende middelen, die 't geheele leven

verwoesten.

Daarbij komt 't geduld van heiligen te pas. De gejaagdheid moet

getemperd worden, de huiselijke haard moet verdraagzaam genoeg zijn om

den jongeling tegen te houden, dien de Satan wil ontvangen en liefkozen,

als zijn moeder 't niet doet. De jongen voelt dat hij een man is,—en

dit gevoel werkt in hem als de branding der zee, oorverdoovend en

allesvernielend.—Hij is luidruchtig, woelig, oproerig, en zoekt alles

in de war te sturen, hij veracht alle maatschappelijke vormen, hij heeft

een hekel aan huis en verlangt naar buiten, naar zee; hij gaat het

liefst met het ruwste gemeen om en verzet zich tegen iederen dwang. Heb

maar wat geduld, laat de lijdzaamheid een volmaakt werk hebben, en na

verloop van een paar jaren, als hij ten minste aan geen dierlijke drift

zich verslaafd heeft, zal er een bedaard en fatsoenlijk jongmensch uit

groeien. Maar als hij nu, eer het zoo ver met hem is, zijn voeten niet

veegt en zijn pet tegen den grond gooit, en zijne kleêren scheurt, en

vecht en tiert en schreeuwt en 't geheele huis overeind zet,—wanhoop

niet; moogt gij uw zoon behouden, wat komen er dan pet en schoenen,

kleêren en rumoer op aan? Al wat ge aan verdraagzaamheid en

inschikkelijkheid ten koste legt, om te maken, dat een jongen op

dien leeftijd weltevreden in huis is, 't is alles best besteed.

Doorgaans ziet men te veel voorbij, dat juist in dit tijdperk van

overgang tot volwassenheid de grootste inspanning van den geest wordt

gevorderd. De jongen moet voor de academie klaar gemaakt worden, het

meisje zit in de hoogste klasse op school, en het zenuwleven, dat bij de

kentering in 't physieke met dubbele kracht moet werken, heeft bovendien

te voorzien in 't geen de africhtingsmethode en de tucht van de school

vorderen.

Het meisje groeit op tot een rijzige, flinke vrouw; en de natuur heeft

handen vol werk om er bouwstof genoeg voor te vinden. Zij moet den eenen

wissel na den ander voldoen; ze doet niets dan betalen; had ze nu alleen

haar vrouw op te bouwen, 't kon nog wel gaan, maar bovendien wordt ze

aangemaand voor stelkunst, meetkunst, muziek, talen—en de arme natuur

slaat bankroet. Met een deel van haar werk moet het wel verkeerd gaan en

't resultaat is—een kromme ruggegraat of een ontstoken long.

Op de meisjes- en jongens-kostscholen verkeeren de meeste jongelui juist

in dat gevaarlijke tijdperk van lichamelijke en zedelijke ontwikkeling.

Men verwacht van hunne onderwijzers, dat deze hen onder strenge tucht

recht op het doel af zullen leiden, zonder in 't minst notitie te nemen

van de groote physieke veranderingen, die er bij hen plaats grijpen. 't

Is waarlijk geen wonder, dat hunne opleiding zoo moeilijk valt en dat er

zoo menigeen mislukt, die naar lichaam en ziel een brekebeen wordt. De

schuld ligt niet aan den onderwijzer; hij doet alleen wat de ouders van

hem verlangen, die hun kind nu eenmaal onverbiddelijk tot een zekeren

cursus veroordeeld hebben,—enkel omdat anderen hetzelfde gangetje zijn

gegaan.

Eindelijk (want mijn preek is al veel te lang), eindelijk nog ééne

opmerking. Ieder mensch heeft een handvat, waarmeê we hem aan den gang

kunnen krijgen, en een werk waarvoor hij juist is berekend: en onze

groote levenstaak is het, voor zoo veel wij anderen schuldig zijn, ieder

bij zijn eigen handvat aan te grijpen en, voor onszelven, ieder zijn

eigen werk te doen.

ONWELLEVENDHEID.

VI.

ONWELLEVENDHEID.

„Ik voor mij,” zei mijn vrouw, „ik houd het er voor, dat

_onwellevendheid_ almeê de ergste verstoorster is van den huiselijken

vrede. Bij huisgenooten denkt men niet eens aan de attenties en

beleefdheden, waarmeê men voor vreemden zoo gul is.”

„Ik denk er anders over, Mevrouw!” antwoordde Robbert Stevenis. „'t Is

al mooi genoeg, dat men zich buiten 's huis den last van allerlei vormen

en complimenten dient te getroosten: maar als men t'huis komt, moet men

zijn nauwe laarzen en handschoenen kunnen uittrekken; zijn huisjasje en

zijn pantoffels aandoen en vrijuit zijn meening zeggen, zonder er zijn

hoofd meê te breken, of het ook onbeleefd is. Een kring van vrienden die

elkander leeren verstaan, die elkander vrijheid in alles gunnen:—dat

moet ons huiselijk leven wezen. We hebben een plaats noodig, waar wij,

zonder dat wij onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig

of vervelend of onpleizierig kunnen zijn. Daar teren wij zoo wat op het

crediet, dat onze huisgenooten ons geven en wij bij hen hebben, omdat

wij elkanders goede zijde, elkanders waarde door en door kennen. Daar

zijn al die beleefdheden en attenties, waarop wij onder vreemden ons

toeleggen, evenmin noodig, als 't voor een geleerde noodig is, iederen

dag eer hij zijn lectuur begint, het alfabet op te zeggen.”

„Ja, zoo gaat het meestal,” zeide Jenny, „wanneer een heer aan eene dame

het hof maakt dan helpt hij haar heel lief uit het rijtuig en houdt zoo

netjes haar japon op, dat er geen spatje modder van de wielen aankomt;

maar zijn zij eens man en vrouw, dan blijft hij heel stil zitten of

houdt het paard vast en laat haar alleen maar begaan, om er uit te

komen. En toch, als mooie juffrouw Pimpelmees bij hen te visite komt,

dan is hij nog even galant en vliegt naar het portier, en houdt ook

_haar_ japon van de wielen af; en wat bewijst het? dat hij lang zoo veel

niet van haar houdt als van zijn vrouw, en dat ze malkander eigenlijk

vreemd zijn.”

„Heb je voor een goede kennis of ook voor je aanstaande een das gezoomd

of zijn handschoenen genaaid, dan bedankt hij je op de hartelijkste

wijze; maar is hij eens zeker van je liefde, zijt ge met hem getrouwd,

dan is het kortweg: „Zoo is 't goed. Nu moest je nog eens een band aan

mijn halfhemd zetten, en die torn in mijn jas naaien. Maar vergeet het

vooral niet, zoo als je gisteren gedaan hebt!” „Om al die redenen,” zei

Jenny met een heel verstandig knikje, denk ik het trouwen maar zoo lang

mogelijk uit te stellen, omdat het mij vrij wat pleizieriger voorkomt,

een heelen boel vrienden te hebben, die mij allerlei beleefdheden en

attenties bewijzen, dan er mij met één te moeten behelpen, die altijd

maar teert op 't crediet, dat ik in zijne liefde stel. Ik voel volstrekt

geen verlangst naar een man die in mijn bijzijn zit te gapen, die aan 't

ontbijt, terwijl ik lust in een praatje heb, altijd maar door de courant

leest, en den heelen avond sigaren rookt of stil met een boek voor

zich zit, in plaats van mij te amuseeren, en, in één woord, omdat hij

nu eenmaal gezegd heeft dat hij innig veel van mij houdt, recht en

aanspraak meent te hebben, om vervelend en onaangenaam te wezen. Als hij

een prettig gezicht heeft en vroolijk, aardig, geestig kan praten, dan

wil ik graag tot de dames behooren, waar hij meê omgaat, maar ik zal wel

oppassen dat ik dit genoegen niet misloop door de dwaasheid te begaan om

met hem te trouwen.”

„Maar, juffrouw Jenny!” zei Robbert, „'t zijn toch niet alleen de

mannen, die er zich schuldig aan maken, dat ze na den trouwdag minder

innemend zijn. Vlugge, betooverende schepseltjes, die ons door uw keurig

en aardig toilet verblindt, die zoo lief en aanvallig en bekoorlijk

zijt, wat komt er van dit alles na 't huwelijk terecht? Als de man de

courant aan 't ontbijt leest, misschien komt het daar van daan, dat er

een slaperige vrouw tegenover hem zit, in een verschoten katoentje, dat

voor 't huiselijk heiligdom goed genoeg is, en misschien heeft zij ook

wel die aardige, prettige, geestige praatjes en manieren verleerd, die

't vroeger onmogelijk maakten, als zij er bij was, naar iemand anders te

kijken of te luisteren. Ik geloof wel, dat zoo iets nu en dan aan de

„godinnen onzer zielen” overkomt. Natuurlijk weten Marianne en ik daar

niets van, want wij zijn een modelpaar, en zitten altijd in den hemel

en speculeeren over die soort van dingen,—wel te verstaan, alleen als

toeschouwers.”

„Maar gij ziet nu toch eens, waar gij met uw beginselen toe komt,” zei

Jenny. „Als de huiselijke kring niets anders is dan de plaats, waar

wij, zonder onzen goeden naam er aan wagen, naar hartelust slaperig of

vervelend of onplezierig kunnen zijn, dan, dunkt mij, hebben de dames

vrij wat meer recht, van die vrijheid gebruik te maken, dan de heeren,

daar al de verveling, de tobberij en de last van 't huishouden voor haar

departement opkomt. Zij moeten 's nachts optrekken met het kind, als 't

schreeuwt; en wanneer zij geen lust hebben, om 's morgens een keurig

toilet te maken, of zoo opgewekt en vroolijk te wezen als in haar

meisjestijd, dan is haar dit toch wel niet kwalijk te nemen. Men mag van

een vrouw, die haar huishouden moet naloopen of met de kinderen moet

omtobben, niet verwachten, dat zij even elegant in haar toilet en even

onderhoudend van discours zal zijn als een meisje, dat bij papa aan huis

nog van geen zorgen weet; maar mij dunkt, dat is nu toch voor de heeren

geen geldige reden, om al die kleine beleefdheden en oplettendheden

na te laten, die ze vóór hun trouwen in acht nemen. Zij zijn sterk en

gezond en welgemoed; zij gaan de wereld in en hooren en zien veel, wat

hen bezig houdt, maar zij moesten nu ook na den trouwdag even opwekkend

in den omgang voor hun vrouwen zijn, als deze het vroeger voor hen

waren. Zóó moet mijn man met mij omgaan, of ik wil nooit een man

hebben,—en daar zou ik niet bijster veel bij verliezen,” zei Jenny.

„Welnu,” hernam Robbert, „ik zal zorgen, dat ik Karel Sedley bij tijds

waarschuw.”

„Karel Sedley, Robbert!” zei Jenny, terwijl zij een kleur van

verontwaardiging kreeg. „Ik begrijp niet waarom gij deze oude historie

telkens weer ophaalt, daar ik u al honderd malen gezegd heb, hoe

onplezierig ik dit vind. Karel en ik zijn goede vrienden, maar....”

„Nu, nu, houd maar op,” zeide Robbert; „ik weet al genoeg; ge hoeft

niets meer te zeggen.”

„Dat zegt ge maar, omdat ge geen kans ziet, mij te weerleggen,” zeide

Jenny.

„Welnu, Jenny!” zei Robbert, „ge weet, dat alle dingen van twee kanten

kunnen beschouwd worden, en ik geef gaarne toe, dat ge heel aardig een

andere zijde hebt laten zien van 't geen ik van mijn kant bekeek; maar

met dat al ben ik overtuigd, dat, al was mijn beweren niet volkomen

juist, het toch zeer nabij aan de waarheid komt. Wat ik vroeger reeds

zei, dat zeg ik nog eens; bij hen, die veel van elkander houden en

elkander na-bestaan, moet er vrijheid wezen, waarbij geen complimenten

te pas komen, en moet en mag er veel door den beugel, wat onder vreemden

onwellevend zou zijn. Daar ben ik zoo zeker van, als van iets ter

wereld.”

„En toch,” zei mijn vrouw, „is er ongetwijfeld waarheid in de dikwijls

aangehaalde woorden van Cowper:

Eenstemmigheid in een of ander

Brengt eerst de harten tot elkander,—

Maar zelden houdt die neiging aan.

Tenzij innemendheid van zeden,

Beschaafde en kiesche oplettendheden,

Haar achteruitgang tegengaan.”

„Nu,” zei Robbert: „ik heb genoeg van Fransche wellevendheid tusschen

man en vrouw gezien. Ik herinner mij nog best, dat er te Parijs in

ons logement een zekere madame de Villiers was, wier echtgenoot haar

zijn naam en het woordje „de” dat daarbij behoorde, gegeven had, ter

liefde van een aardig kapitaaltje, dat zij hem ten huwelijk meebracht.

De manier, waarop hij met haar omging, was een volmaakt model van

allerverfijnste beschaving. Wel leefde hij van haar inkomen en bracht

het door met in zeer aardig maar zeer dubbelzinnig gezelschap langs de

boulevards te wandelen of comedies en opera's te bezoeken; maar 't ging

alles zoo beleefd, zoo beschaafd toe en werd zoo aardig voor madame

bedekt, dat ze, om de elegante manier, waarop 't gebeurde, er wezenlijk

schik in moest hebben, dat ze veronachtzaamd en bedrogen werd. Monsieur

had in ons logement een net kamertje voor haar gehuurd, omdat hij met

zijn financiën wat in de war was, en hij het niet van zich zou kunnen

verkrijgen, zijn lieve engel in een lot te laten deelen, dat naar zijn

zeggen vreeselijk was, maar dat hij met waren heldenmoed besloten had

alleen te verduren. Neen, zoolang hij een sou in zijn zak had, zou zijn

aangebedene Julie haar eigen kamer hebben en allerlei kleine gemakken

behouden,—maar voor hem was 't ellendigste vlierinkje goed genoeg!

Nooit kwam hij bij haar, zonder haar hand met zooveel eerbied te kussen,

alsof ze een prinses was geweest, zonder haar een complimentje te maken,

dat zij er zoo goed uitzag; nooit, of hij had bon-bons voor haar bij

zich en wist haar van de allernieuwste snufjes wat te vertellen. Vooral

was hij druk met die visites tegen den tijd dat madame het kwartaal van

haar inkomsten ontving. Was het wonder dat madame hem aanbad en hem

niets kon weigeren; dat ze alles geloofde wat hij haar vertelde en zich

met een vierde van haar eigen inkomen behielp ter wille van zulk een

voortreffelijk man?”

„Ik weet eigenlijk niet,” zei Jenny, „waarom ge dat verhaal hebt

meêgedeeld, maar volgens mijn inzien is er dit alleen uit te leeren: als

een man zonder eer, zonder beginselen, zonder eenige goede eigenschap,

het hart eener vrouw kan winnen en behouden alleen door zoolang zij

er bij is, haar altijd wellevend en lief te behandelen, hoeveel meer

invloed zou het dan hebben als een man even zoo deed, die iemand van

beginselen is en zijn vrouw wezenlijk lief heeft. Als een man, die een

vrouw veronachtzaamt en haar van haar geld berooft, toch haar liefde

behoudt, alleen omdat hij, wanneer hij bij haar komt, wellevend en

attent voor haar is, dan, dunkt mij, blijkt daaruit duidelijk, dat

beleefdheid wel degelijk bij de liefde te pas komt.”

„Met malle vrouwen ten minste,” zei Robbert.

„Ja en met verstandige ook,” zei mijn vrouw. „Uw monsieur is een

voorbeeld, hoe iemand op Fransche manier een laagheid begaat; maar ik

ken een ongelukkige vrouw, wier man hetzelfde deed op Engelsche manier,

zonder eenige complimenten. In plaats van haar aan te halen, vloekte hij

op haar en beroofde haar van haar geld, zonder haar ooit bon-bons te

presenteeren; en ik verzeker u, als het nu eenmaal gebeuren moest, dat

ik dan toch nog liever op de Fransche dan op de Engelsche manier daarbij

behandeld zou worden. Beleefdheid, al is het niet alles, is toch beter

dan niets,—al wil men natuurlijk liefst nog wat meer en wat degelijkers

hebben. Moet ge nu eenmaal bestolen worden, dan laat ik mij al zoo lief

mijn geld met zoete praatjes en bon-bons aftroggelen als nog slaag en

schoppen op den koop toe te krijgen.”

„De fout in uwe redeneering,” zei ik, „schuilt hierin, dat gij, zoo

als men wel meer doet, een vergelijking wil maken tusschen een schurk,

die fijnbeschaafd, en een braaf man, die het niet is; maar vergelijkt

eens een schurk en een braaf man, die beiden beschaafd of die beiden

lomperts zijn, met elkaar,—en dan zult ge zien wat ze beiden wezenlijk

waard zijn.

„'t Is een vaste regel, dat die natiën die voor wellevendheid en

hoffelijkheid 't gunstigst staan aangeschreven, 't meeste te kort komen

in goede trouw en oprechtheid; men is zoo gewoon van beleefde en valsche

Grieken, van beschaafde en sluwe Italianen, van hoffelijke en onoprechte

Franschen te spreken, dat een flink en oprecht man er al gauw aan toe

is, om ruwheid en onbeleefdheid voor bewijzen van goede trouw en

eerlijkheid te houden.

„Niemand kan een Fransch werk lezen, zonder te gevoelen, hoe diep een

zekere hoofschheid zelfs ieder onderdeel van het leven in Frankrijk

doordrongen heeft,—hoe zorgvuldig daar alles vermeden wordt, wat een

ander onaangenaam kan zijn. Als wij op de Fransche comedies mogen

afgaan, dan wordt een huiselijke twist op de beschaafdste manier gevoerd

en niemand beleedigd dan met de uitgezochtste termen. 't Is onmogelijk,

de ruwe en ronde woorden, waarmeê wij iemand een brutaliteit aandoen, in

het Fransch te vertalen. Alles gaat bij hen uit van den regel, dat ons

onderling verkeer altijd even beleefd en even lief moet zijn, zoodat

het nooit iemand hindert en nooit de minste aanleiding tot oneenigheid

geeft.

„Neemt een Franschman een klerk of een anderen ondergeschikte in zijn

dienst en hoort hij vervolgens iets tot zijn nadeel, dan zou zeker wel

het laatste zijn waaraan hij denkt, om hem dit meê te deelen, en rondweg

voor de waarheid uit te komen. Hij schrijft hem een beleefd briefje, en

bericht hem dat hij wegens een onverwachte verandering in zijn zaken,

geen bediende nu noodig heeft, en dat het hem zeer spijt, 't aangename

gezelschap van monsieur hierdoor te moeten missen, enz.

„Er is hiervan zeker geen treffender voorbeeld, dan wat ons madame

George Sand in haar levensbeschrijving bericht over de verhouding

tusschen haar vader en diens moeder. Hun liefde is inderdaad romanesk.

Hij schrijft haar allerliefste brieven, hij kust haar hand op iedere

bladzijde, hij is een toonbeeld van een liefhebbend en toegenegen zoon,

en toch, zonder er haar iets van te zeggen, maakt hij te gelijkertijd

alles in orde voor een geheim huwelijk met een vrouw uit den minderen

stand en van een zeer dubbelzinnig gedrag,—een huwelijk, waarvan hij

begrijpt, dat zijn moeder 't besterven zou, als zij 't wist. Hij trouwde

met haar, woont bij haar in en krijgt een paar kinderen, voordat hij

het hart zijner aangebeden moeder wil grieven, door haar de waarheid

te zeggen. De aangebeden moeder verdenkt haar zoon wel, maar laat er

in haar brieven aan hem niet het minst van blijken. Zij is te kiesch

om de vraag, die eene Engelsche moeder rechtstreeks tot haar zoon zou

gericht hebben, aan haar dierbaren Maurice te doen; maar zij wendt

zich tot den commissaris van politie; zij weet de wettelijke bescheiden

van 't huwelijk in handen te krijgen: en al is ze nu met de geheele

zaak bekend, toch heeft dit geen invloed op den teederen toon van haar

brieven, of op de hartelijkheid, waarmeê zij, even als altijd, haar zoon

ontvangt, wanneer hij eenigen tijd, zooveel als zijn huishouden 't hem

toelaat, bij haar komt doorbrengen.

„In een Engelsche of Amerikaansche familie zou er een hevig tooneel, een

onverholen vredebreuk zijn gevolgd, maar deze wellevende zoon en moeder

zetten jaren lang dit hoofsche drama voort, waarbij zij zich houdt,

alsof zij zich door hem laat misleiden, en hij zich inbeeldt, dat hij

door die misleiding het gevoel zijner moeder spaart.

„Nu kan het wel niet anders, of 't gadeslaan van zulk een gedrag heeft

bij ronde en oprechte menschen de uitwerking, dat ze, in een ander

uiterste vallende, de wellevendheid te laag schatten, alsof deze

noodwendig in strijd moest wezen met goede trouw. Doch omdat het al

geen goud is wat er blinkt, volgt daaruit nog niet, dat niets wat blinkt

goud is, en omdat beleefdheid en hoffelijkheid in het dagelijksch

leven dikwijls misbruikt worden tot schandelijk bedrog, dat ze daarom

nooit met goede trouw gepaard kunnen gaan. Geen vrouw zou een sluwen,

huichelachtigen schelm boven een braaf man verkiezen, al is hij wat ruw

en lomp; maar van twee mannen, die beiden even braaf en oprecht zijn,

zal iedere vrouw aan den meest beleefde zeker de voorkeur geven.”

„Al die soort van Fransche beleefdheid,” zei Robbert, „vind ik zoo

ziekelijk en laf, en zulk een bewijs van wantrouwen, dat ik allicht in

een ander uiterste zou vervallen. Ware liefde moet een krachtige plant

zijn, die geen broeikas noodig heeft, maar zon, wind en regen kan

verdragen. Menschen, die te bescheiden en te wellevend zijn om een ander

ronduit te zeggen wat hun op 't hart ligt, krijgen daar binnen een poel

van vuiligheid, waaruit allerlei stekelig ongedierte voortkomt. Mijn

stelregel is: Zeg alles, zooals gij 't meent; heb nu en dan een standje

en sla er doorheen: een beetje brommen en ruzie mag wel; en leer 't

zelfde in anderen verdragen.

„Als ik met wat minder overleg en wat minder complimenten tegen

Marianne zeg, dat de koffie te hard gekookt heeft, dan ik zoo iets zeî

tegen de oude juffrouw Pollux, toen ik kamers bij haar had, dan komt het

daar van daan, dat ik Marianne eigenlijk voor een deel van mij zelven

aanzie, waar ik die oude juffrouw nooit voor hield,—dat wij het samen

te goed eens en te vertrouwelijk met elkander zijn, om over zoo iets

veel woorden vuil te maken,—dat zij er niet driftig of zenuwachtig om

zal worden, maar eenvoudig de koffie voortaan niet te lang zal laten

koken. Bedank ik haar voor 't naaien van mijn handschoenen nu niet met

zooveel omhaal als toen wij nog geëngageerd waren,—'t is immers omdat

zij tegenwoordig al die soort van dingen zoo dikwijls voor mij doet, dat

het haar danig vervelen zou, indien ik er gedurig voor op mijne knieën

viel. Al wat ik over haar handigheid en netheid in het naaien kon

zeggen, heb ik reeds zoo dikwijls gezegd en heeft ze reeds zoo goed

begrepen, dat er het nieuwtje al lang van af is.

„Marianne en ik hebben samen verscheiden spiegelgevechten gehad, waarin

nu eens de een, en dan weer de ander de overwinning behaalde, doch

waarbij wij gedurig elkander hooger waardeerden en altijd aardigheid

hadden in elkanders vernuft en 't vuur waarmee wij elk onze zaak

verdedigden. Ik verzeker u, dat onze gewoonte, om elkander de waarheid

ronduit te zeggen, vrij wat beter is dan al de beleefdheden, die ooit in

een Fransche trekkas zijn uitgebroeid.”

De kleine vossen · 第 9 / 12 段