Twee jongelui, uit zeer onderscheiden families afkomstig en op geheel

verschillende wijze opgevoed, trouwen met elkaar. Tegen een of twee

sympathieën, die hen tot elkander brachten, staat menig punt van

verschil over. 't Eerste wat hun te doen stond, moest zeker zijn

elkanders geaardheid te leeren kennen, en zich daarnaar te schikken,

omdat het zoo wezen _moet_; maar in plaats daarvan brengen de meesten

hun leven door met blindweg zich tegen een karakter aan te kanten, dat

van 't hunne verschilt en toch in menig opzicht even goed is, al kan 't

zich nu maar niet naar hen schikken.

Een meisje, dat in een geregeld, welvarend koopmansgezin groot gebracht

is, waar de vaders en de broeders den geheelen dag druk in de zaken

waren, raakt verliefd op een geleerde, die niets van zulke dingen

afweet, wiens lust en leven in zijne boeken en in zijn pen is. Zal zij

nu hem en zich zelven ophoudelijk plagen en kwellen, omdat hij geen man

van zaken is? Zal zij hem gedurig wijzen op 't voorbeeld van haar vader

en haar broeders, en hem voorhouden, hoe die in dit of dat geval zouden

gehandeld hebben, of zal zij 't voor den voet opnemen en eens voor al

denken: „Mijn man heeft wel geen kennis van zaken: dat is zijn _fort_

niet: maar hij is toch in andere vrij wat belangrijker dingen heel knap:

ik mag ook niet alles van hem verwachten; laat hem maar stil zijn gang

gaan en doen wat hij kan, en laat ik trachten te doen, wat hij niet doen

kan: en raken we soms ergens meê verlegen, omdat wij geen van beiden er

raad op weten,—dan maar voor den voet op en moed gehouden!”

Evenzoo kiest een man uit den schoot van een gezin, dat er gek meê is,

een van die teêre vertroetelde zangvogeltjes, die alleen maar geschapen

schijnen, om 't leven te veraangenamen. Past het hem, zoodra hij

getrouwd is, vergelijkingen te maken tusschen haar manier van huishouden

of haar kunde en bedrevenheid in de dingen van het dagelijksche leven,

en die van zijn moeder en zuster, die stevige en praktische vrouwen zijn

en zich van der jeugd af met niets anders hebben bezig gehouden dan met

huiselijke zaken? Zal hij zichzelven en haar onophoudelijk verdrietig

maken door ieder oogenblik weêr te zeggen, hoe zijn moeder gewoon

was 's morgens om vijf uur op te staan,—hoe trouw zij haar boekje

bijhield,—hoe stipt zij alles naging en voor alles zorgde,—hoe ze

nooit van regel en gewoonte afweek?

't Zou al zeer ongepast wezen. Als hij zulk eene bekwame huishoudster

verlangde, waarom maakte hij dan niet, dat hij er een kreeg? Er was toch

overvloed van meisjes, die verstand hadden van wasschen, en strijken,

van stijven, van koken, van al wat er in een huishouden voorkomt, beter

dan de kleine kanarie, waarop hij verliefd raakte, omdat hij door haar

veêren en haar zang, haar flikkerende oogen, haar aardige manieren en

haar guiterijtjes,—begoocheld werd. Nu hij zijn vogeltje gekregen

heeft, moet hij het ook als iets teêrs en kostbaars beschouwen, het

verzorgen en er op passen en net op zulk een manier behandelen, als zoo

iets broos en tengers behandeld dient te worden; en zoo doende zal hij

ondervinden, dat het nog lang de bekoorlijkheden behoudt, waardoor het

eens zijn hart gestolen heeft. Misschien, als hij zijn colibri trouw

verzorgt en er goed op past, ondervindt hij dan ook, dat ze, hoe zwak en

teer ze is, toch even goed als een faisant een nest kan bouwen en haar

eitjes uitbroedt en haar jongen groot brengt op colibri-manier; maar om

dit te kunnen doen, moet zij niet gestoord en verschrikt worden.

Doch de rampen van huiselijke onverdraagzaamheid nemen eerst recht een

begin, wanneer er kinderen komen. Even als ouders, uit verschillende

gezinnen gesproten, soms eigenaardigheden hebben, die zich niet met

elkander verdragen, zoo verschillen ook hun kinderen, èn met hen èn

onderling, in geaardheid.

De ouders houden hun pasgeboren eersteling voor iets, dat hun geheel

toebehoort en waarmeê zij dus kunnen doen, wat zij maar willen. Het

wezentje, pas op den stroom des tijds aangedreven, heeft misschien

eigenaardigheden in zich verborgen, vaster dan een der beide ouders

bezitten, doch met dat al wordt daaraan reeds terstond de loop

aangewezen, dien het te volgen heeft.

Johan is verzot op geleerdheid. Zijn eigen opvoeding is eenigszins

gebrekkig geweest, maar hij heeft besloten, dat zijn kinderen wonderen

van geleerdheid zullen worden. Zijn eerstgeborene is een meisje, die zoo

keurig als madame de Staël zal moeten schrijven, verwonderlijk knap en

volmaakt.

Hij overvoert haar van haar prille jeugd af met litteratuur en leest

haar een bloemlezing uit Milton voor, als zij nog pas acht jaar oud is,

en heimelijk verlangt om met haar poppegoed te spelen. Hij neemt de

eene gouvernante na de andere, zonder de kosten te ontzien, en als het

nu eindelijk blijkt, dat zijn dochter slechts een lief, verstandig,

huishoudelijk meisje is, dat veel van borduren houdt en meer aanleg

heeft voor koken en strijken dan voor poëzie en geleerdheid, dan is hij

teleurgesteld en behandelt haar koel; terwijl zij zich bitter ongelukkig

gevoelt over 't verdriet dat zij haar ouders aandoet, omdat zij niet

kan zijn, wat de natuur niet wilde, dat zij worden zou. Had Johan 't

geschenk, dat Moeder Natuur hem gaf, nederig aangenomen en bedaard

onderzocht, wat het was en waar het goed voor was, hij zou een gelukkig

leven gehad hebben met een zedige, lieve en huiselijke dochter, die den

uitnemendsten aanleg had om met den hoogsten lof in de huishoudkunde te

promoveeren.

Daarentegen heeft een bedrijvige vrouw, die een meesteres is in 't

koken, inleggen, breien, en al wat tot de huishouding behoort, een

dochter, die bij haar breiwerk zit te peinzen, en een boek onder

haar borduurpatroon verstopt,—wier gedachten in Griekenland, Rome,

Duitschland rondzwerven,—die leest, studeert, denkt, schrijft,

zonder te weten waarom; en de moeder doet haar best, deze neiging te

onderdrukken en van haar peinzende dochter een bedrijvige, voortvarende,

flinke huishoudster te maken. Wat al tranen worden er bij die

onderneming vergoten, wat al humeuren bedorven, wat al dagen verspild!

Elk dezer karakters zou er, onder een verstandige leiding, wel toe

gekomen zijn het ontbrekende langzamerhand aan te vullen. Van de geboren

huishoudster zal wel nooit een genie groeien, maar zij kan toch aan haar

huishoudelijke bekwaamheid een ordentelijke portie beschaving en kennis

toevoegen,—en de geleerde droomster is er nog wel toe te brengen, om

uit haar wolken af te dalen, en zoo veel van deze aarde te zien dat zij

het alledaagsche paadje zonder struikelen kan loopen; doch dit moet

geschieden door haar karakter te verdragen,—daaraan gelegenheid tot

ontwikkeling te geven, het eerst te onderkennen en te herkennen, om dan

later de gebreken, die het heeft, te verhelpen.

Een goedberekende, vindingrijke huishoudster, kan met allerlei

gereedschappen te recht, en ook wel zonder gereedschappen. Als zij geen

hamer en spijkers bij de hand heeft, haalt zij met een ijzeren lepel de

spijkers uit het kleed, en timmert ze met een strijkijzer vast, waar zij

ze wil hebben; en zij heeft verstand genoeg om niet knorrig te worden,

al houdt het haar lang op. Zij begrijpt, dat zij met gereedschappen

werkt, die ergens anders voor dienen, en denkt er niet aan om boos te

worden als 't er niet al te best meê gaat. Maar laat ze dan ook even

veel geduld hebben met een dochter, die onhandig in het huishouden, maar

flink en vlug genoeg van begrip is om wat zij haar leert, als zij 't

maar goed doet, te vatten.

Een eerzuchtig man heeft een zoon, die hij voor den geleerden stand

bestemt. Hij moet de Daniël Webster van de familie worden. De jongen

is sterk en gespierd,—vol levenslust en ondernemingsgeest,—helder

van hoofd en scherp van zintuigen,—maar stomp en verward, als 't op

abstracte begrippen aankomt. Hij kent ieder schip, dat in de haven ligt,

hoe het zeilt en hoe groot het is; hij kent elke locomotief, hoe veel

paardenkracht ze heeft, hoe ze loopt en de uren wanneer ze aankomt of

heen gaat; hij is altijd bezig met zagen, timmeren, schaven en spitten;

met ruilen en kwanselen; het hoofd loopt hem om van allerlei, dat op de

buitenwereld, op tastbare dingen, betrekking heeft. In al die dingen is

hij vlug van bevatting, helder van geest, scherpzinnig, verstandig, en

verdient wat hij zegt, wèl gehoord te worden. Maar wat het onderscheid

tusschen zelfstandige naamwoorden en eigennaamwoorden, tusschen 't

onderwerp en 't gezegde van een volzin, tusschen 't betrekkelijk

voornaamwoord en het aanwijzend voornaamwoord, tusschen den volmaakt-

en onvolmaakt- verleden tijd betreft, daarin is hij verschrikkelijk

stomp en achterlijk. Het gebied van abstracte begrippen is voor hem een

gebied van spoken en geesten. Zijn jeugd brengt hij dan ook grootendeels

door in een treurige woestijn van onbegrepene, onbegrijpelijke studiën,

van ontberingen, laken en straffen, waarbij hem alles mislukt en

tegenloopt en hij altijd beknord wordt, omdat zijn vader een geleerde

wil maken van een jongen, die den Natuur voor de fabriek of voor den

ploeg bestemd heeft. Hij zou een landbouwer, een machinist, een stichter

van een nieuwe kolonie, een zeeman, een soldaat, een flinke koopman

kunnen worden, maar hij groeit op in 't gevoel, dat alles, waar hij lust

in heeft, verkeerd is, en dat hij voor niets deugt, omdat hij niet deugt

voor dat ééne, waartoe zijn ouders hem reeds vóór zijn geboorte blindweg

bestemd hebben.

Een andere jongen is een geboren werktuigkundige; hij begrijpt terstond

hoe een machine in elkaar zit; hij is altijd bezig met onderzoeken en

nakijken en het nemen van proeven. Maar zijn wielen, zijn assen en zijn

katrollen worden allemaal weggegooid als prullen, waar niemand iets aan

heeft; hij moet naar de Latijnsche school gaan, en er drie of vier jaar

doorbrengen met iets te leeren wat hij toch niet goed leeren kan. Hij

verliest allen moed, nu hij altijd de laatste van de klasse is, en

verscheidene jongens, die in algemeene ontwikkeling beneden hem staan,

hem vooruitkomen omdat ze die wanhopige regels van de quantiteit en

de accenten in 't Grieksch kunnen onthouden, waar hij gek van wordt en

die hij telkens vergeet, zooals bij voorbeeld, dat properispomena en

proparoxytona, paroxytona worden, als de laatste lettergreep lang wordt

terwijl paroxytona, paroxytona blijven, als de voorlaatste lettergreep

kort is. Daar elk van deze regelen wel weêr zestien uitzonderingen

heeft, die altijd doorgaan, behalve in drie of vier exceptioneele

gevallen, wordt het nog moeielijker uit dien doolhof te geraken: en het

mooiste van alles is, wanneer hij nu dien heelen rommel, met huid en

haar, als zoeten koek naar binnen heeft geslagen, dat hij dan, zonder

er ooit in zijn heelen studietijd iets aan te hebben, de werken der

klassieke schrijvers in vrede mag gaan lezen.

Het grootste gebrek in de zoogenaamde klassieke opvoeding is dit, dat

zij eigenlijk maar past voor een soort van jongens, die zij africht

tot het geen hun natuurlijk aanleg reeds meêbrengt en derhalve ter

nauwernood genoeg voor hunne oefening inspant, terwijl zij voor een

andere, niet minder goede soort van jongens zóó veel bezwaren heeft, dat

deze er moedeloos en wanhopig onder worden. Ik wil wedden, dat er van de

tien jongens te Boston stellig vier zijn, en dat niet van de minste of

domste, die 't onderwijs op de Latijnsche school niet zouden kunnen

bijhouden zonder hun hersens en hun zenuwen zóó te overspannen, dat zij

nergens meer geschikt voor waren.

Een aardige, vlugge jongen, die veel aanleg voor natuurkunde en

werktuigkunde had, was altijd nommer één op de middelbare school. Hij

behaalde de eerste prijzen, en was er zoo blij meê en zoo trotsch op,

als 't behoefde. Nu ging hij naar de Latijnsche school. Hoewel vlug

van bevatting, had hij toch een ellendig geheugen voor 't onthouden van

woorden en regels; jongens, die altijd tegen hem opgezien hadden, kwamen

hem nu ver vooruit. Zij konden een lijst van namen afraffelen, en, hoe

minder zij gewoon waren, over 't geen zij leerden na te denken, des te

vlugger ging het. Zij konden de Latijnsche grammatica met noten en al

van buiten leeren en wisten altijd den weg in de oneindige doolhoven van

Grieksche accenten en verbuigingen. Al deed hij nog zoo zijn best,—die

jongen met zijn helder hoofd en vlug begrip, nu altijd achteruit gezet,

altijd voor een domoor gehouden en geheel ontmoedigd, kon niet opwerken

tegen dezelfde jongens, die vroeger ver beneden hem stonden. Hij begon

te sukkelen en werd van school afgenomen. Menige knappe jongen is door

zulk een verkeerde behandeling voor zich zelf en voor de maatschappij

verloren gegaan. De Latijnsche school is evenals een groote kolenzeef;

elk stukje, dat niet een zekeren omvang heeft, moet er doorheen vallen.

Dit komt er bij het ziften van steenkolen nu juist niet veel op aan;

maar wat dunkt u er van, als zulk een zeef eens gebruikt werd, om

steenkolen van diamanten te ziften?

„Die arme jongen!” zeide Ole Bull medelijdend toen iemand van de treê

van een omnibus een schooljongen wilde afjagen die ongemerkt dacht meê

te rijden. „Die arme jongen! Laat hem daar staan. Wie weet, hoeveel

verdriet hij heeft! Misschien leert hij wel Latijn!”

De geestige Heinrich Heine zegt, terwijl hij aan 't lijden van zijn

jeugd denkt: „De Romeinen zouden de wereld nooit veroverd hebben, als

zij hun eigen taal hadden moeten leeren. Zij hadden er den tijd voor,

omdat zij bij hun geboorte al wisten, welke zelfstandige naamwoorden in

den accusativus op _im_ uitgaan.”

Daarom keuren wij echter de studie der Grieksche en Latijnsche

schrijvers niet af. 't Is een kostbaar voorrecht deze beide doode

talen te verstaan; een verstandig beschaafd man, die den omgang met

de schitterende vernuften van die oude tijden moet missen, verliest

daarbij oneindig veel; doch daarom juist betreuren wij het, dat men maar

langs dat ééne dorre, steenachtige, kunstmatige pad, langs dien éénen

hobbeligen, rechten, nauwen weg den toegang naar zulk een heerlijk

land van kennis vergunt. Wij gelooven niet, dat het noodig is de studie

van het Grieksch en Latijn zoo afschrikwekkend te maken. Menigeen,

die niet in staat is de paradigmata der Grieksche werkwoorden in

geregelde volgorde van buiten te leeren of de lijsten der zelfstandige

naamwoorden, die hunnen accusativus op deze of gene wijze vormen, op

te zeggen, zou toch wel, als hij zich in 't vergelijken en nadenken

oefende, de werken der Grieksche en Latijnsche schrijvers zoo veel

kunnen verstaan, dat hij den zin hunner woorden begreep en den geest er

van genoot; en daar komt het toch maar op aan. Wij hebben een jongen

gekend, die met geen mogelijkheid al de uitzonderingen op de regels der

Latijnsche spraakkunst kon opzeggen, maar die toch zijn zakportefeuille

met aanhalingen uit de „Aeneïs” volschreef en bloemlezingen uit zijn

Grieksch leesboek maakte, terwijl de rector hem alle dagen met zijn

taalregels op de pijnbank zette.

Zijn er niet veel Engelsche meesters, veel schrijvers en redenaars, die

de lijst van zelfstandige naamwoorden op _y_ met het meervoud in _ies_

en de uitzonderingen daarop, niet van buiten kennen? Hoe weinigen onder

ons zouden dit kunnen doen! Zal het een goed schrijver en vloeiend

spreker iets baten, of hij Murray's Grammar van A tot Z kan opzeggen?

Raakt men wel ooit op zulk een manier waarlijk met een taal bekend?

Tegenwoordig is het paradijs der klassieke litteratuur nog even zoo

afgesloten en ontoegankelijk als het Luilekkerland uit de sprookjes.

Er is geen bidden aan: de rijstebrij-berg moet doorgegeten, zal men er

inkomen. Maar geen wonder dan ook dat menigeen net zoolang staat te

hunkeren, totdat hem de trek vergaat en hij geen moed meer heeft om met

de rijstebrij te beginnen.

Die leertrant, die geen andere methode duldt of verdraagt, is

uitsluitend eigen aan 't onderwijs in de klassieke talen. Veel jongens

en meisjes leeren Duitsch, Fransch en Italiaansch lezen en spreken,

en genieten volop het genoegen, om met een voor hen geheel nieuwe

letterkunde kennis te maken, alleen omdat er een eenvoudiger,

natuurlijker, minder pedante manier voor 't aanleeren van die talen

bestaat.

Hard volhouden van 't eens aangenomen opvoedingsstelsel maakt menig

huisgezin ongelukkig, omdat de familietrots heeft vastgesteld: ieder

jongen uit den fatsoenlijken stand—of hij wil of niet—moet op de

Latijnsche school gaan, of anders gooit hij zijn naam en eer te

grabbelen.

„Niet naar de Latijnsche school?” zegt Scholasticus tegen zijn oudste.

„Ik ben er op geweest,—en mijn vader en mijn grootvader en mijn

overgrootvader. Zie de lijst van de leerlingen maar eens na en gij zult

er telkens, van 't eerste begin af, onzen familienaam op vinden.”

„Maar ik kan geen Latijn en Grieksch leeren,” antwoordt de jongeheer

Scholasticus. „Ik kan al die regels en uitzonderingen niet in mijn hoofd

krijgen. Ik heb 't geprobeerd, maar ik kan niet. Als u eens voelen kon,

wat ik gevoel, terwijl ik daarmeê bezig ben. En ik zou niet altijd de

laatste van de klasse willen zijn, al moet ik dan ook krullenjongen

worden.”

Onderstel nu, dat de jongen toch tegen wil en dank genoodzaakt wordt

om iets aan te leeren, waarin hij geen lust heeft, en dat wel op een

manier, waartoe hij een aanleg bezitten moet, dien de natuur hem

onthield,—wat gebeurt er dan?

Hij loopt den cursus door, _of_ als een huichelaar, zijn meester en zijn

ouders bedriegende, bij allen die hem kennen in minachting,—_of_ hij

doet meer dan hij kan en overspant zijn geestkracht, maar blijft met

dat al een middelmatig leerling en verliest zijn gezondheid voor zijn

geheele leven.

Als men eens in de geleerde opvoeding die ééne methode niet zoo

uitsluitend, ten koste van elke andere doordreef, maar erkende dat het

groote doel is een taal te verstaan en haar litteratuur te genieten,

zoodat wat daartoe volstrekt noodig is, ook hoofdzaak bij 't onderwijs

was,—als aan den schildpad de tijd gelaten werd, om naar de bekoorlijke

en goddelijke bronnen van den Helicon te kruipen, als het aan den vogel

vergund werd daarheen te vliegen en aan den visch, er naar toe te

zwemmen,—dan zouden allen er op hunne wijze komen en zich vermeien in

zijn bloemen, zijn schoonheid en zijn frischheid.

„Maar,” zeggen de verdedigers van het algemeen aangenomen stelsel, „'t

is een goede oefening voor den geest.”

Ik twijfel er aan: ik houd het voor tijdverkwisting.

Als een jongen geleerd heeft, dat in den genitivus pluralis van de

eerste declinatie der Grieksche naamwoorden de laatste lettergreep

een circumflexus krijgt, maar dat daarop de volgende uitzonderingen

zijn: 1. Dat de feminina der adjectiva en participia op—ος,—η—ον in den

genitivus pluralis hetzelfde accent hebben als de masculina, maar dat

andere adjectiva en participia feminina, in den genitivus pluralis

perispomena zijn; 2. Dat de substantiva χρῄστης, ἀφύη, ἐτησίαι en

χλούνης in den genitivus pluralis paroxytona blijven,—ik zeg, wanneer

een jongen dit en twintig van die dingen uit zijn hoofd geleerd heeft,

dan is zijn geest geen zier meer ontwikkeld, dan wanneer hij de lijst

memoriseert van de oudste dertien Staten van Noord-Amerika, het getal en

de namen der later bijgekomene, den tijd van hunne aanneming en hun

bevolking, hun handel, hun bedrijf, enz. Dat zijn ook niets meer dan

geheugenoefeningen, maar 't zijn dan ten minste nog oefeningen in dingen

die van eenig belang zijn, en waar men iets aan heeft.

Al die regels en uitzonderingen, boven vermeld, zijn zoo weinig noodig

om de Grieksche litteratuur goed te begrijpen, dat ik gerust durf

zeggen: er zijn vrij wat knappe jongens, die nooit iets van de

meesterstukken der Grieken gelezen hebben, dan alleen in vertalingen,

en die toch den geest der Grieken en de eigenaardigheden hunner taal

vrij wat beter begrijpen en juister waardeeren, dan menige arme jongen,

die met een barren Rector achter zich door de origineelen is

voortgestrompeld en oogen en ooren vol stof heeft van de Grieksche

grammatica.

Wat dan? Zullen wij de oude talen niet leeren? Zeker wel! „Zoo dikwijls

ik een taal leer, zoo dikwijls word ik een man,” zei Karel V,—en hij

had gelijk. Latijn en Grieksch zijn in een kwaden naam gebracht door

de gekunstelde, pedante manier van 't onderwijs, waarbij men van al de

uitgedroogde dorheden der taal, een harde, groote pil maakt, die de arme

jongen slikken en verduwen moet, eer hij een schemerschijntje mag zien

van haar nut en haar schoonheid. Velen sterven in deze woestenij, voor

dat zij in het Beloofde land van Plato en de treurspeldichters gekomen

zijn.

„Maar,” zeggen de autoriteiten op dit gebied, „kijk eens naar Engeland.

Een Engelsche schooljongen leert driemaal zooveel Latijn en Grieksch als

onze jongens leeren.”

Maar Engelsche jongens krijgen driemaal meer vleesch en pudding dan

Amerikaansche jongens, en zijn driemaal minder zenuwachtig. Het verschil

van landaard komt hier in aanmerking; bovendien oefenen de in Engeland

sedert eeuwen bestaande scholen en universiteiten een eigenaardigen

invloed op de geheele Engelsche maatschappij. Wij moeten niet vergeten,

wat wij voor menschen zijn, met welk soort van jongens wij te doen

hebben, welk eene behandeling zij kunnen verdragen, en waaraan onze

Amerikaansche maatschappij vooral behoefte heeft.

In zulk een groot en nieuw land als het onze, zijn de levensbehoeften

zoo veelvuldig, en staat in alles de practijk zoo zeer op den voorgrond,

dat de denkbeelden der ouden ons zoo kort en snel, als maar mogelijk is,

moeten meêgedeeld worden, zonder al die schoolsche spitsvondigheden,

waarmeê anderen zich mogen bezighouden, die er van nature lust en

geschiktheid voor hebben.

Nergens heerscht meer een geest van onverdraagzaamheid en van

uitsluiting, maar ook nergens sticht die geest meer lijden en ellende,

dan op het veel betwiste gebied van opvoeding.

Boeken over opvoeding vergen over 't algemeen veel te veel van de

ouders, en bezwaren hen, zoo ze ook maar eenigszins nauwgezet zijn,

met een last van verantwoordelijkheid, die alle leven uitdooft en alle

kracht verlamt. De schrijvers stellen het aan de ouders zóó voor, alsof

ieder kind niets dan een zachte, weeke massa is, die zij naar hartelust

kunnen kneden en knijpen, vormen en fatsoeneeren—en nu ze hun een goed

model bezorgd hebben, zijn zij dan ook verplicht terstond aan 't werk te

gaan en volgens het opgegeven model, een voortreffelijk mensch van het

kind te maken.

't Is vreemd, dat wie eenigen eerbied voor den Bijbel hebben, aan zóó

iets kunnen gelooven en vergeten, wat de liefdevolle Hemelvader bij

herhaling betuigt, dat _Hij_ kinderen opgevoed en groot gemaakt heeft,

maar dat zij tegen Hem overtreden hebben; of die aandoenlijke klacht:

„Wat is er meer te doen aan mijn wijngaard, dat ik er niet aan gedaan

heb? Waarom heb ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en

hij heeft stinkende druiven voortgebracht?” Als zelfs God, die wijzer,

beter, heiliger, liefderijker is dan wij—als zelfs Hij betuigt, in

dit groote werk teleurgesteld te zijn, is het dan wel raadzaam, tegen

menschen, zoo als wij zijn, te zeggen, dat de vorming van het karakter

hunner kinderen geheel alleen van hen afhangt?

De gezondheid van menige zwakke vrouw is verwoest en haar leven

verbitterd, omdat er een last van verantwoordelijkheid op haar schouders

geladen werd, die er nooit op had moeten gelegd worden; en menig moeder

werd in 't verstandig gebruik van de gaven, die God haar gegeven had,

belemmerd, omdat haar een wijze van handelen voorgeschreven was, die zij

evenmin kon opvolgen, als David de wapenrusting van Saul kon dragen.

Een aardig, lief, tenger meisje trouwt met een krachtig man en krijgt

een jongen, die tweemaal zoo veel wils- en geestkracht bezit als

zij. Zij voelt zich even verlegen in 't worstelen met den wil en de

eigenzinnigheid van zulk een kind, als zij wezen zou, wanneer zij met

een reus moest vechten.

Wat dan? Laat God haar dan verlegen, zoodat zij haar plichten niet

vervullen kan? Neen! als ze zich zelve maar kent en begrijpt en daarnaar

handelt. Zij heeft geen macht tot bevelen, maar zij heeft wel macht tot

overreden. Zij kan den ijzeren wil van haar kind niet buigen of breken,

maar wel vermurwen. Zij is in staat den strijd te vermijden, waarin zij

overwonnen zou worden. Zij kan haar kind voor zich innemen en inniger

aan zich verbinden en door zachten, nauwelijks merkbaren drang haar

invloed dagelijks versterken. Laat haar begaan, en zij zal haar jongen

wel klaar krijgen.

Maar er komt een bemoei-allige schoonmoeder of een ander, die de

wijsheid in pacht meent te hebben, en zegt tegen haar:

De kleine vossen · 第 8 / 12 段