De plaats, door den Bijbel en het huwelijksformulier aan den man in het

huisgezin toegekend, is niet hooger. In alles, wat stoffelijke belangen,

de wettelijke rechten en plichten, den maatschappelijken rang en stand

van 't gezin betreft, is de man het hoofd; en een vrouw, die achting

heeft voor zich zelve, zal evenmin in twijfel staan in dit opzicht

eerbied en gehoorzaamheid te beloven, als een staatsbeambte zich aan den

president te onderwerpen. Maar omdat de president hooger in rang is dan

de secretaris, volgt daaruit evenmin dat in hunne onderlinge betrekking

de eene onvoorwaardelijk bevelen en de ander zich slaafs onderwerpen

moet, als dat de hooger geplaatste zich het recht zou mogen aanmatigen,

alle zaken en alle daden, welke dan ook, van den mindere te regelen.

Er is nog een groot gebied,—ook in 't huwelijksleven,—waarop ieders

persoonlijke vrijheid ongekrenkt moet blijven;—en die te schenden, die

op een toon van gezag te overheerschen—welk verstandig man ziet niet

in, dat hij, door zóó iets te willen, zich bespottelijk zou aanstellen?

Bij het apostolisch woord: „De man is het hoofd der vrouw, gelijk ook

Christus het hoofd der gemeente is”, mogen wij de in het oog vallende

punten van verschil niet vergeten, die er tusschen Christus en den man

bestaan. Zeker kent het aan den man niet de rechten toe, die alleen uit

almacht en alwetendheid voortvloeien, maar 't beteekent eenvoudig, dat

hij in 't huiselijk leven het hoofd en de beschermer is, evenals de

Zaligmaker dit is voor de gemeente. Het drukt niets anders uit, dan

wat een vaste natuurwet in onze maatschappij is, geldig onder alle

geslachten en alle rassen, en overal terug te vinden, waar ook maar

menschen wonen.

Dat sommige—anders zeer verstandige—vrouwen zich vaak onverstandig en

kinderachtig tegen deze waarheid verzetten, komt alleen, denk ik van de

dwaze overdrijving, waartoe ze aanleiding geeft. Even dwaas is het over

't woord „gehoorzaam” in het trouwformulier te pruttelen, als het voor

een officier zou zijn zich te verzetten tegen de krijgstucht, of voor

een ambtenaar, om de gelofte van getrouwheid aan de grondwet te

weigeren.

Laat van twee jongelieden, die tot denzelfden stand behooren en als

vrienden met elkander omgaan, de een overste en de ander luitenant

wezen. De luitenant zou even dwaas doen met zich in te beelden, dat hij

aan iemand, die zijn gelijke is, niet behoeft te gehoorzamen, als de

overste, met een meesterachtigen toon van gezag aan te nemen, wanneer

het geen dienstzaken geldt.

Eigenlijk is de geheele quaestie over 't meesterschap tusschen twee

rechtgeaarde, welopgevoede, Christelijke echtgenooten in onze

negentiende eeuw even dwaas.

Om in de behoeften en 't onderhoud der zijnen te voorzien en voor hun

goeden naam en hun welstand in de maatschappij te zorgen, is aan den man

een zekere macht verleend, maar hij heeft daarom nog niet het recht,

om in den huiselijken kring eigendunkelijk over de kleine gewoonten en

liefhebberijen der zijnen heerschappij te voeren. Even weinig als hij

't zou mogen doen, wanneer hij niet het hoofd des huizes was, even

weinig heeft hij nu een goddelijk recht om te eischen, dat alles naar

zijn zin zal worden ingericht, al is 't ook in strijd met hetgeen zijn

vrouw wenscht en verlangt. In duizende onverschillige dingen, die 't

fatsoen en de deftigheid van 't gezin niet raken, moet hij evenzeer

nu en dan zijn eigen zin en zijn eigen inzicht opgeven ter wille van

zijn vrouw, als zij verplicht is, zich in andere opzichten aan zijn

beslissing te onderwerpen. In de meeste gevallen staan man en vrouw

volkomen gelijk voor God, en zoo een van beiden, wie dan ook, aan

onredelijke eigenzinnigheid toegeeft, die begaat _zonde_.

't Is mijn vaste overtuiging, dat zulke boeken als ik straks met een

enkel woord heb besproken, een allernadeeligste uitwerking hebben, daar

zij aan den man een vrijbrief voor zelfzucht en stijfhoofdigheid geven

en bij de vrouw de onware gedachte doen post vatten, dat ze in alles

maar, tot in 't onredelijke toe, onderdanig moet zijn.

Is 't gelukkig voor een man in zijn vrouw iemand te vinden, die zijne

eigenliefde streelt en zijn zelfzuchtige grillen zwijgend verdraagt,—is

't gelukkig voor hem gevierd en gevleid en gevoed te worden in al zijn

gebreken en pruttelarijen, zoodat iedereen in den huiselijken kring

aanbiddend neêrknielt voor zijn wil? Is dit het ware middel, om een

rechtgeaard en Christelijk echtgenoot van hem te maken? Ik geloof zeker,

dat vele zoogenaamde goede vrouwen, indien haar echtgenooten slechte

Christenen zijn, er vrij wat schuld aan hebben.

De kleine alledaagsche dingen, waarin man en vrouw 't niet eens zijn,

moeten natuurlijk geregeld worden, maar niets dwazer, niets verkeerder

voor de goede orde is er, dan die te regelen alleen door gezag. Al het

romantische, al het poëtische, al het schoone is voor altijd uit 't

huwelijk verdwenen, zoodra man en vrouw om het meesterschap beginnen te

strijden. Neen, er bestaat geen ander middel om moeielijkheden van dien

aard uit den weg ruimen, dan door van beide kanten daarin te handelen,

zoo als gezond verstand en godsdienst ons voorschrijven.

Met eenig nadenken zal ieder die gezetheid op kleinigheden uit het

toegeven aan 't instinct van eigenzinnigheden ontstaan, bij zich zelven

kunnen waarnemen en tot waakzame zelfbeheersching gedrongen worden.

Onder allen, die op beschaving en ontwikkeling hunner vermogens prijs

stellen, moest er niemand zijn, die niet de kunst bestudeerde, hoe

men op de aangenaamste wijze zijn gevoelen kan opgeven. Wat ons in

hoogere gezelschapskringen vooral aantrekt is de ongedwongenheid, de

gemakkelijkheid, waarmeê de een zich voegt naar den ander, diens vormen

overneemt en door denzelfden smaak als hij zich besturen laat.

In zulke kringen vindt ge geen stijve spoorwegen, die recht door alles

heen snijden en telkens piepen en knarsen, maar zacht vlietende,

kronkelende rivieren, die rustig en kalm hare richting veranderen,

naar dat iedere bocht van de bevallige oevers het meêbrengt. Wat het

bekoorlijke van beschaafde gezelschappen uitmaakt, kan even goed het

bekoorlijke van 't huiselijke leven verhoogen: maar dit is alleen

mogelijk indien ieder lid van 't gezin zich zelven nauwlettend bewaakt

en krachtig beheerscht.

Sommige menschen hebben in dit opzicht een zwaarder strijd te voeren

dan anderen. Ze zijn van nature stipt en nauwkeurig; ze hebben muurvaste

gewoonten: alles moet op de minuut af gebeuren; en de minste afwijking

van den dagelijkschen regel hindert en ontstemt hen.

Ongelukkig genoeg nu, ziet men het, tien tegen één, gebeuren, dat zulk

een soort van menschen smoorlijk verliefd raakt op personen van een

geheel tegenstrijdig karakter.

De man van de klok, die op stipte orde en regel gesteld is, laat zich

geheel inpakken door een zieltje zonder zorg, dat nooit den datum

weet, dat de courant verscheurt, den huissleutel laat slingeren, en

papillotten van quitantiën maakt;—of ook een keurig net meisje, wier

zaakjes even precies geschikt zijn als de cellen van een bijenkorf,

schenkt haar hart aan een wildzang, die haar heiligdom met modderige

laarzen binnen klotst, al haar kleine huisgoden omvergooit, als hij uit

jagen of visschen gaat, en maar niet kan begrijpen, dat zij daar boos om

wordt.

Hoe moet het met zulke echtparen gaan, als zij niets weten willen van

de minnelijke schikkingen die rede en verstand aan de hand doen,—als

ieder zijne eigenaardigheden met de kracht van eene onverzettelijke

hoofdigheid wapent en ze ten koste van den ander doordrijft?

Voor een man en vrouw, die zoo zeer in geaardheid verschillen, bestaat

de ware levenswijsheid hierin, dat zij in plaats van levenslang te

kibbelen en overhoop te liggen, hunne eigene wenschen en inzichten

wijzigen, hunne oogen afwenden van 't geen hun niet aanstaat, om ze te

richten op 't geen hun wel bevalt, en het vaste besluit nemen om, hoe

redelijk 't een of ander ook wezen mag, waarop zij gesteld en waaraan

ze gewoon zijn, alles liever ten offer te brengen, dan aanleiding te

geven tot huiselijke oneenigheid.

Vooral één manier van volhouden is verdrietig en lastig; ik bedoel die

hoofdigheid, waarmeê iemand, zoodra er maar de minste aanmerking op hem

gemaakt wordt, terstond gaat tegenspreken en iets opzoekt, om zich te

verdedigen.

Johan zegt tegen zijn vrouw, dat zij dien morgen een half uur te laat

met het ontbijt is,—en zij ontkent dit stijf en strak.

„Kijk dan maar op mijn horloge.”

„Je horloge loopt niet goed.”

„Ik heb het met de buitenklok gelijk gezet.”

„Dat is al een week geleden: je horloge loopt altijd vóór.”

„Neen, beste! dat heb je mis.”

„Dat heb ik niet. Heb ik je het niet zelf tegen mijnheer B. hooren

zeggen?”

„Lieve! dat is al een jaar geleden,—voordat ik het schoon had laten

maken.”

„Hoe kan je _dat_ nu zeggen, Johan? Het is nog maar een maand geleden!”

„Lieve! je hebt het mis.”

En zoo wordt de strijd voortgezet, terwijl ieder graag het laatste woord

wil hebben.

Die zucht om 't laatste woord te hebben heeft meer kwaad in de

huisgezinnen gesticht en meer Christenen onchristelijk gemaakt, dan de

heele zaak waard is. Duizend van die kleine oneenigheden zouden van zelf

doodbloeden, als beide partijen dit maar toelieten. Laat het waar zijn,

dat Johan zich vergist, als hij zegt, dat het ontbijt te laat klaar

is,—laat er grond wezen of niet voor honderd kleine aanmerkingen, die

wij op elkander maken,—maar zijn ze waard, dat wij er een discussie

over beginnen? Zijn ze zulke stekelige woorden waard, als er altijd uit

die discussies voortvloeien? Zijn ze waard, dat er vrede en liefde door

verloren gaan? Zijn ze waard dat ge er het eenige, ons nog op aarde

overgebleven ideaal,—een rustig gelukkig te huis—voor zoudt prijs

geven?

Liever gezwegen, al hebt ge 't grootste gelijk van de wereld, dan u

er aan gewaagd, dat ge uit uw humeur raakt, door er over te gaan

redeneeren.

Zulk een woordenstrijd, vóór en tegen, waarbij elke partij maar al te

gauw warm wordt, is nooit aangenaam in 't huiselijk leven en onder

na-betrekkingen nooit zonder gevaar. Doorgaans is 't alleen een bedekt

middel om hoofdigheid te believen, dat zelden een andere uitwerking

heeft, dan beide partijen nog veel onverzettelijker te maken, dan

vroeger.

Een kalme overweging van tegenovergestelde inzichten, een bedaarde

opgave van de gronden, die ieder voor zijn gevoelen heeft, kan nuttig

wezen; maar als warmte en hitte en eigendunk en de zucht om gelijk

te hebben zich in het gesprek mengen, dan zijn wellevendheid en

welgehumeurdheid er maar al te spoedig aan toe, om ons te verlaten.

* * * * *

Zoo ver had Christoffel 't met zijn verhandeling gebracht, toen hij een

oogenblik stil hield en naar een krachtig slot voor zijn rede zocht. Een

vers of wat viel hem daarbij in, waarin zóó juist al wat hij gezegd had

werd uitgedrukt, dat men 't hem wel ten goede zal houden, dat hij met

die verzen zijn lezing eindigde:

Helaas! hoe nietig klein een reden

Verwijderd soms een huwlijkspaar,

Dat onder 's werelds tegenheden

Onwrikbaar trouw bleef, van elkaar;

Wier liefde stormen en gevaren

Trotseerde, en nu.... daar 't zonlicht blinkt,

Gelijk een schip in 't hart der baren

Bij doodsche stilte,—op eens verzinkt.

Een enkel woord, een enkel teeken;

Een enkle blik verkeerd verstaan:

Een ademtocht—en 't is bezweken

Wat door geen stormen kon vergaan.

Na 't eerste woord volgt ras een tweede,

Dat d' eens gemaakte bres verwijdt:

Ach, straalde 't oog van liefde en vrede,

Bij 't mingekoos van vroeger tijd,—

Klonk toovrend toen in al hun spreken

De zachte toon der teerheid door,—

Voor altijd is die straal geweken,

En ging die liefdeklank te loor.

Een wolk, door storm uiteengereten,

Is beider hart gelijk,—een vliet,

Die boven langs de heuvelketen

In dartel spel haar watren schiet,

Alsof ze nimmer zouden scheiden;

Maar, eer zij neêrstort in de beemd,

Ze heinde en ver uiteen zal spreiden,

Voor eeuwig van elkaar vervreemd.

ONVERDRAAGZAAMHEID.

V.

ONVERDRAAGZAAMHEID.

„Waarover zult gij van avond in onze huiskerk preeken, Christoffel?”

„Ik zal een preek houden over _onverdraagzaamheid_,” gaf ik mijn vrouw

ten antwoord.

„Over onverdraagzaamheid in den godsdienst?”

„Neen, over onverdraagzaamheid in 't huisgezin en in de opvoeding onzer

kinderen,—een van de zeven doodzonden, waarvan ik er nu al vier heb

gepreêkt—een van „de kleine vossen””.

Men meent gewoonlijk, dat de onverdraagzaamheid, die er in dit leven

bestaat, uitsluitend op 't gebied van godsdienst gevonden wordt, terwijl

toch deze soort van onverdraagzaamheid niet dan een zeer klein onderdeel

is van de ingewortelde, harde, allesbeheerschende onverdraagzaamheid

onzer menschelijke natuur.

Geneeskundigen zijn even onverdraagzaam als godgeleerden. Zij hebben

nooit de macht gehad, om anderen wegens hunne medische gevoelens

op den brandstapel te brengen, maar 't heeft hun zeker aan den wil

niet ontbroken. Staatkundigen zijn onverdraagzaam. Wijsgeeren zijn

onverdraagzaam, inzonderheid zij, die zich veel op hunne vrijzinnige

gevoelens laten voorstaan. Schilders en beeldhouwers zijn

onverdraagzaam. En huisvaders en huismoeders zijn onverdraagzaam,

hatelijk en onverdraagzaam op alle artikelen van den catechismus,

dien zij voor hun huishouden hebben aangenomen.

Mevrouw Perfect preêkt in haar huiskapel tegen de ontaarding van de

tegenwoordige manier van huishouden, niet minder scherp dan Dominé

Houvast tegen den afval van het goede oude geloof uitvaart.

„Spreek mij niet van kussensloopen, die niet geregen worden,”

zegt Mevrouw Perfect; „het staat leelijk en slordig. Ik zou zoo'n

kussensloop evenmin in mijn huis willen hebben als ongedierte.”

„Maar,” brengt eene jonge huishoudster, die zich bewust is kussensloopen

met bandjes in huis te hebben, zeer bescheiden daartegen in, „zoudt ge

niet denken, mevrouw Perfect! dat men best buiten zulke ouderwetsche

gebruiken kan? Het is waarlijk niet noodig, er zoo veel werk van te

maken als men vroeger deed, met die breede zoom, die tusschenzetsels en

vetergaten,—alles precies af te passen en keurig te stikken. Ik zal

niet anders zeggen, of het staat heel netjes; maar als eene vrouw een

huis vol kleine kinderen en een schraal inkomen heeft, dan mag zij haar

heele leven wel met naaien doorbrengen, als zij alles zóó in de puntjes

wil hebben. Is het niet beter dat zij er wat losser over heen loopt, en

wat beweging in de open lucht neemt?”

„Spreek mij niet van lucht en beweging! Wat deed mijn grootmoeder? Wel,

zij deed al haar werk zelve en naaide grootvaders jabots met de fijnste

stiksteken, en ik verzeker u dat zij genoeg beweging had. De vrouwen van

den tegenwoordigen tijd zijn ellendige, ziekelijke, vertroetelde

schepsels.”

„Maar, beste mevrouw! denk eens aan juffrouw Sloof, hier over de deur,

met haar bleek gezicht en haar acht kleintjes.”

„Een slechte huishoudster,” zegt mevrouw Perfect. „Zoo ze maar, net als

ik, het geheele jaar door om vijf uur opstond, dan zou zij tijd genoeg

vinden om alles netjes te doen, en er beter aan toe zijn.”

„Maar, beste mevrouw! juffrouw Sloof is zoo tenger, zoo zenuwachtig.”

„Zenuwachtig! Allemaal gekheid! Ieder mensch is tegenwoordig

zenuwachtig. Zij kan 's morgens niet vroeg opstaan, omdat zij

zenuwachtig is. Zij kan niet netjes naaien, omdat zij zenuwachtig is.

Wel, ik zou zeker net zoo zenuwachtig geworden zijn, als ik mij ook zoo

vertroeteld en verwend had. Maar ik sta vroeg op, dan ga ik vóór 't

ontbijt een kwartier of een half uur omwandelen, en als ik t'huis kom,

ben ik er geheel van opgefrischt. Ik naai alles zelve en geef geen

stukje buiten de deur, en ik geloof toch dat mijn goed netjes genaaid

is. Ik maak altijd de onderkleêren van mijn man en van mijn kinderen,

en ik zeg u, dat ze gemaakt worden precies zoo als 't hoort,—en toch

weet ik overvloed van tijd te vinden voor wandelen, visites maken en

boodschappen. Een vaste wil en een goed overleg, daar komt het op aan.”

„Het is inderdaad verwonderlijk, mevrouw Perfect, dat ge zoo veel kunt

afdoen; maar zijt ge somtijds wel niet eens doodmoê?”

„Neen, niet dikwijls. Wel moet ik zeggen, dat ik in de week vóór

Kersttijd wezenlijk moê was, nadat ik op één dag achttien taarten en

tien koeken had klaar gemaakt en gebakken; maar ik gaf er niet aan toe.

Ik zei tegen mijn man, dat ik wel wat zou uitrusten, als wij een ritje

naar New-York deden, en dit gebeurde ook. Juffrouw Sloof, denk ik, zou

gezegd hebben, dat zij naar bed moest, en had zich een maand lang

vertroeteld.”

„Maar, beste mevrouw Perfect! als ze nu 's nachts geen oog dicht kan

doen van de schreeuwende kinderen...”

„Men hoeft geen schreeuwende kinderen te hebben; mijn kinderen

schreeuwden nooit; 't hangt er maar van af, hoe men de kinderen went. Ik

zou met mijn kinderen wel den heelen nacht hebben kunnen tobben, even

als juffrouw Sloof, maar daar paste ik wel op. Ik nam ze 's avonds om

tien uur op, gaf ze dan de borst en verdroogde ze nog eens; en dan waren

ze tot 's morgens stil. Geen van mijn kinderen heeft mij nog een

slapeloozen nacht bezorgd.”

„En als zij tanden kregen?”

„Ook niet. Ik wist daar een middeltje op. Ik stak het tandvleesch door,

net als een chirurgijn, en ik had er nooit moeite meê; 't hangt alles

maar van de behandeling af. Ik speende ze allen ook zelve; al dat tobben

met kinderen, die gespeend worden, is maar gekheid.”

„Mevrouw Perfect! gij zijt een geleerde huismoeder, maar 't is toch

onmogelijk ieder kind op die manier groot te brengen.”

„Maak me dat niet wijs: men moet ze maar dadelijk zoo wennen, als men

wil. Geloof me, ik heb het met mijn achttal wel ondervonden.”

„Maar dat ééne kind van juffrouw Sloof maakt meer leven dan al uwe acht

samen. Het schreeuwt zóó geweldig dat er alle nachten iemand meê over de

kamer moet loopen; de kindermeid kan het niet uithouden en de juffrouw

zelve wordt er ziek van.”

„Dat behoefde volstrekt niet; 't is niet anders dan 't gevolg van een

verkeerde behandeling. Denk eens, dat ik met mijn kinderen 's nachts

over de kamer had moeten loopen, dan zou ik nog al wat werk gehad

hebben; maar ik zet het op de rechte wijze in. Ik wilde, dat ze stil

zouden blijven liggen, en zij deden het; en als zij schreeuwden, stak ik

nooit een kaars aan en nam ik ze nooit op, maar nam er volstrekt geen

notitie van en dan vielen zij langzamerhand in slaap. Kinderen merken

gauw, of zij met hun schreeuwen wat gedaan krijgen of niet, kinderen

schreeuwen alleen maar uit kwaadheid; en als ik ze op geen andere manier

tot bedaren kon brengen, dan gaf ik ze een paar fiksche klappen, en zoo

merkten zij al spoedig, dat al hun geschreeuw hun niets hielp.”

„Maar, beste mevrouw, gij zijt een stevige, gezonde vrouw, en uw

kinderen waren het ook.”

„Nu, ik zou wel eens willen weten, of dat kind van juffrouw Sloof ook

niet gezond is? 't Is immers een flink kind, dat zoo ferm groeit, als ik

ooit een kind heb zien groeien. Dat kind scheelt niets anders, dan dat

het zijn nukken heeft en dat zijn moeder hem vertroetelt.”

Die mevrouw Perfect staat in de buurt, waar zij woont, bekend als het

model van een vrouw. Haar gebak is nooit testig; haar bont is altijd

vrij van de mot; hare kleeden verschieten nooit; haar inleggoed bederft

niet; de meiden doen er precies wat ze doen moeten; de kinderen maken

nooit een rommel in de kamer; en zijn ze aan de borst, dan schreeuwen ze

nooit, maar slapen den heelen nacht door,—en nooit van zijn leven heeft

mijnheer Perfect nog behoeven te zeggen: „Lieve, er is een knoop van

mijn overhemd.” Er komen nooit vliegen bij haar in de keuken, er liep

nog nooit een duizendpoot in den kelder en een spin heeft nooit den tijd

gehad om een web in een van haar kamers te maken. Alles bij haar aan

huis blinkt en glimt en glinstert van zindelijkheid,—in de fijnste

puntjes keurig en net,—en 't is mevrouw Perfect, die dat alles doet,

altijd in de weêr, altijd gekleed, altijd attent, overal bij de hand en

nooit vermoeid.

Terwijl nu mevrouw Perfect zoo uitmuntend haar huishouden bestuurt, is

zij bovendien lid van allerlei liefdadige comité's, maakt handwerkjes

voor bazaars en verlotingen, en al wat zij doet, doet zij keurig. Zij is

altijd even gedienstig, behulpzaam en welwillend, en de maatschappij

heeft alle reden om zich te verblijden dat zij er is.

Doch met dat al is mevrouw Perfect zoo onverdraagzaam als de inquisiteur

Torquemada. Zij volgt stijf en strak, evenals de locomotief, het

afgebakende spoor; haar oordeelvellingen en meeningen doorsnijden de

maatschappij in rechte lijnen met al het geweld van haar voorbeeld en

met al den stoom van haar geestkracht, en zij gaat voor ouden noch

jongen, voor zwakken noch zieken uit den weg. Zij kan en zij wil de

mogelijkheid niet begrijpen, dat er nog andere karakters dan het hare

zijn, en dat andere karakters een andere manier van leven en handelen

hebben.

Hoe goed en gedienstig zij mag wezen, is zij toch een schrikbeeld

voor haar arme, zwakke altijd tobbende buurvrouw aan den overkant,

die—behalve dat haar hoofd altijd kookt en haar lendenen haar altijd

zeer doen,—behalve dat zij 's nachts niet kan slapen en over dag

sloven en tobben moet,—bovendien overal en altijd gebukt gaat onder

de gedachte, dat mevrouw Perfect al haar tobberijen aan een verkeerde

manier van huishouden toeschrijft, en beweert, dat zij evenveel als zij

zou kunnen doen, zoo ze maar wilde. Daar zij zeer weinig zelfvertrouwen

of gevoel van eigenwaarde bezit is ze geheel radeloos en mistroostig,

als zij er om denkt; en zij denkt er den heelen dag om. Is het dan

wezenlijk _haar_ schuld, dat haar kleine 's nachts bijna niets slaapt en

aldoor schreeuwt, en dat geen van hare kinderen ooit kon opgevoed worden

volgens die vaste regels, waarvan zij hoort, dat zij in het huishouden

over de deur zoo gunstig werken? De gedachte aan mevrouw Perfect is

voor haar een spook en een kwelduivel; wat deze er wel van te zeggen

heeft—dat is voor haar de zwaarste last en de eerste tobberij.

Nu moet men weten, dat mevrouw Perfect afstamt van een forsch en

krachtig en langlevend geslacht: „met leden breed geschoft en zenuwen

van staal”. Geen schijn of schaduw van zenuwachtige aandoeningen is ooit

in haar familie bekend geweest, en ze oordeelt over de ongelukkige

juffrouw Sloof bijna even verstandig, als een forsche Cochinchina-kip

over een colibri. Zulke Cochinchina-kippen zijn sterk en nuttig en zulke

colibri's tenger en van weinig nut; maar laat ze elkander geen diëet

voorschrijven of elkanders huishouden regelen. Heeft niet de een

evenveel recht overeenkomstig zijn natuur te leven, als de ander?

Dit voorbijzien van 't geen een ander volgens zijn natuur noodig

heeft, is een der voornaamste oorzaken van huiselijk ongeluk. De beste

huishoudsters zijn zij, die haar huishouden op zulk een manier regelen,

dat allerlei karakters gelegenheid hebben, zich te ontwikkelen, zonder

op anderen inbreuk te maken.

Enkele vrouwen hebben er bijzonder slag van, om de karakters te

begrijpen en te leiden. Zij deelen aan iedereen een gevoel van vrijheid

en ongedwongenheid meê; zij weten elk zijn plaats aan te wijzen; en

ontdekken terstond, waar hij geschikt voor is; zij hebben van nature de

gelukkige wijsheid, niet meer van iemand te verlangen of te vragen, dan

hij geven kan. Te rechter tijd hebben zij voor elk wat wils: een been

voor den hond; graten voor de kat; hennepzaad voor kanarie; een boek of

tijdschrift voor een geleerden logé, die zich anders vervelen zou; een

vroolijk praatje voor de onbezorgde juffrouw Zeventien; breiwerk voor

grootmama; hengels, gieken en buskruit voor den jongen Wildzang, wiens

baard pas begint te groeien,—en nooit nemen zij 't kwalijk als de

kanarievogel het been van den hond niet smakelijk vindt, of als de hond

geen kanariezaad eet, of als juffrouw Zeventien het tijdschrift van den

ouden heer Zestig niet wil lezen, of de jonge Wildzang geen lust in

breien voelt, of als grootmama niets opheeft met pistolen en kruit.

Maar er worden ook andere vrouwen gevonden, die de grondslagen van het

huiselijk leven zoo klein en beperkt en benauwd maken, dat alleen zij

zelven en eenige weinigen, die precies zooals zij denken en doen, 't in

dat huis kunnen uithouden. Wie zal ons vertellen, hoeveel ellende

daaruit voorkomt?

De kleine vossen · 第 7 / 12 段