heele kamer bederven.”
„En mij dunkt, beste! dat de kamer er juist van bederven zal, als we de
piano voor die vensterbank zetten. Denk eens, wat een prettig plaatsje
het wezen zal, om dáár te zitten.”
„Net alsof wij niet achter de piano konden zitten als wij dat verkozen,”
brengt mevrouw in 't midden.
„Maar toch, hoeveel ruimer en gezelliger ziet de kamer er uit, als je
meteen bij 't binnenkomen door het raam 't uitzicht op de kleine vallei
hebt en eventjes in de verte de spits van den dorpstoren ziet!”
„Maar ik kan er mij nooit meê vereenigen, dat de piano zoo in een hoek
gestopt wordt”, zegt Hero. „_Ik sta er op_, om haar voor het raam te
zetten. Zoo staat de piano van mama ook, en van tante Jans, en van
mevrouw Wilson: iedereen heeft zijn piano zoo staan.”
„Als je begint te spreken van er op te staan,” zegt Leander „dan kan ik
dat van mijn kant even goed doen.”
„Maar, schat! je weet toch wel, dat de huiskamer tot het departement van
de vrouw hoort.”
„Niet van een getrouwde vrouw, zou ik denken. Ik geloof, dat de
huiskamer even goed tot het departement van den man hoort, omdat hij er
een groot gedeelte van zijn tijd in zal doorbrengen.”
„Maar mij dunkt, dat je iets niet zoo moest doordrijven als je weet, dat
het mij displezier doet,” zegt mevrouw.
„En mij dunkt, dat _jij_ iets niet zoo moest doordrijven als je weet,
dat het mij displezier doet,” zegt mijnheer.
En nu beginnen Hero's wangen te gloeien en kookt het van binnen, en zegt
ze:
„Welnu, als je er dan op staat, dan moet de piano maar zoo gezet worden,
als je verkiest, maar dan zal ik er ook nooit met plezier op spelen!”
Zoo gaat ze de kamer uit en laat den overwinnaar alleen, die bitter
ongelukkig met zijn overwinning is.
Hij loopt haar achterna en vindt haar boven, troosteloos en weenende, op
een koffer zitten.
„Kom Hero! hoe kan je nu zoo kinderachtig zijn? Ik wil je je zin wel
geven.”
„Neen—het moet nu maar zoo blijven, als je verkiest. Ik had vergeten,
dat gehoorzamen de plicht van de vrouw is.”
„Gekheid, Hero! Wees toch verstandig. Laten we niet kibbelen, alsof we
kinderen waren.”
„Maar 't is toch zoo klaar als de dag, dat ik gelijk had.”
„Hoor eens, beste! ik kan onmogelijk toestemmen dat je gelijk hebt; maar
ik heb er niet op tegen, dat de piano naar je zin gezet wordt.”
„Ik kan maar niet begrijpen, Leander! dat je niet inziet, hoe leelijk de
piano in dien hoek zou staan. 't Zou mij hinderen, zoo dikwijls ik de
kamer binnen kwam en 't zou in dien hoek veel te donker zijn, om de
noten te zien.”
„En ik kan maar niet begrijpen, Hero! dat een vrouw van zooveel smaak
niet inziet, hoe leelijk de kamer er van wordt, als men dat raam bezet.
't Is het mooiste plekje van 't heele vertrek.”
Zoo blijven zij in denzelfden kring ronddraaiende, altijd op dezelfde
manier redeneerende, gedurig meer ontstemd en stekeliger, beide ten
volle bereid (zoo als zij zeggen) om in vredesnaam toe te geven, maar
ook beide met alle klem betoogende, dat toch hun gevoelen het beste is,
zoodat aan weêrskanten het dierlijk instinct van hoofdigheid gedurig
meer toeneemt en al gaande weg sterker wordt. In de hitte van dien
woordenstrijd vliegen er ondertusschen enkele schimpscheuten en
hatelijkheden, even als splinters van de lansen in een tournooi. Hij
zegt haar in zijn drift, dat zij zich maar slaafs aan de dwaasheden
van de groote wereld houdt, zonder eenig idée van orde en bevallige
schikking te hebben,—en zij op haar beurt verwijt hem, dat hij in alles
de baas wil wezen en zijn eigen hoofd volgt; en zoo duurt dit gevecht
den geheelen dag voort, nu en dan met tranen en kussen geschorst
door een korten wapenstilstand, die echter verraderlijk telkens weer
geschonden wordt door die ongelukkige woorden: „Lieve! met dat al moet
je toch toestemmen, dat _ik_ gelijk had,” hetgeen natuurlijk het sein
is, om het gevecht weer van voren af aan te beginnen.
Zulk een lang volgehouden kibbelarij is de moeder van een menigte
kleinere schermutselingen,—daar de boven genoemde splinters van
hatelijke opmerkingen en verwijten, die in het heetst van den strijd
overal rondvlogen, zich in 't vleesch vasthechten, daar ontsteking
veroorzaken en langzaam verzweren moeten. Schuilt er echter op den
bodem des harten en in rijken overvloed echte, ware liefde, dan gaat het
genot der verzoening 't verdriet van die kleine geschillen zóó veel te
boven dat ze geen van beiden recht inzien wat zij doen, en van verre
niet vermoeden dat zulk eene innige liefde, als zij voor elkander
gevoelen, door deze kibbelarijtjes, die toch eigenlijk niets te beduiden
hebben, ernstig kan bedreigd worden.
Doch de oorzaak van al die moeilijkheden, de verborgen, onbewaakte,
maar geweldige macht der eigenzinnigheid in kleinigheden maakt, dat
dergelijke tooneelen gedurig weer voorkomen. Bij voorbeeld, terwijl het
nu eens tusschen de buitjes door helder is, bezorgt Hero voor haar
Leander een „maaltijd van vrede en welbehagen”, en maakt een slaâtje
voor hem klaar—neen, maar een pronkjuweel van een slaatje. Ook Leander
is vroolijk en in zijn humeur; maar, na even van de sla geproefd te
hebben, schuift hij zijn bord op zij.
„Beste! smaakt de sla je niet?”
„Neen, lieve! ik eet nooit iets, waar slaolie in is.”
„Geen slaolie? Hoe gek! Ik heb nog nooit van sla zonder olie gehoord.”
En mevrouw ziet er alles behalve lief uit.
„Maar, lieve! zooals ik je zeg, ik gebruik ze nooit. Ik houd meer van
suiker en azijn over de sla.”
„Suiker en azijn! wel Leander! hoe is het mogelijk! Dat eten de boeren
immers? Je moet waarlijk nog eens probeeren, of de sla je niet smaakt,”
voegt ze er bij op een vleiende toon.
„Lieve! ik probeer _nooit_, of iets mij smaakt, dat ik nog nooit geproefd
heb. Ik houd me maar bij het oude.”
„Ik moet zeggen Leander dat ik dit alles behalve aardig van je vind.”
„En ik vind het niet aardig van je, dat je mij iets wilt opdringen, waar
ik niet van houd.”
„Maar je zoudt er wel van houden, als je 't maar eens woudt probeeren.
't Is er net mee als met olijven: ik heb wel eens gehoord, dat enkele
menschen daar vreeselijk tegen zijn, maar als zij die een keer of wat
gegeten hebben, worden zij er dol op.”
„Dan dunkt mij, dat zij al heel dwaas zijn met zoo veel moeite te doen,
daar er toch zeker eten genoeg is waar zij van houden.”
„Ik geloof toch niet, Leander! dat zoo iets beleefd of innemend is. Mij
dunkt, wij moeten ons best doen, om ons naar den smaak van onze vrienden
te schikken.”
„Welnu, schat! dan moet gij maar eens probeeren, of je niet van sla met
suiker en azijn houdt.”
„Maar dat vind ik zoo iets raars en onfatsoenlijks! Heb je ooit gehoord,
dat er sla met azijn en suiker aangemaakt, op een deftige tafel kwam?”
„De tafel van mijn moeder was toch, dunkt mij, deftig genoeg, en daar
heb ik de sla zoo leeren eten. Je bekreunt je voor een verstandige vrouw
veel te veel om de mode en wat de fatsoenlijke menschen er van zullen
zeggen.”
„Dat heb je me verleden week ook al gezegd, en ik geloof dat ik zoo iets
niet verdien, in 't geheel niet verdien,” antwoordt Hero met nadruk.
„Evenmin verdiende ik het verwijt, dat ik in alles de baas wil wezen en
altijd mijn zin doen.”
„Maar, beste Leander! nu zal je toch wel moeten erkennen, dat er wat van
aan is.”
„Dat zie ik nog niet in.”
„Je staat zoo stijf op je stuk, dat hemel noch aarde je verwrikken kan.”
„Sta ik dan meer op mijn stuk dan jij?”
„Wel zeker doe je dat,” zegt Hero.
„Dat heb je toch glad mis.”
Hero slaat hare oogen naar boven en reciteert met zekeren nadruk:
Mogen we eindelijk daarin slagen—
Wie verlangt en bidt het niet?—
Dat wij zóó ons zelven zagen,
Als ons ieder ander ziet.
„Juist,” zegt Leander. „Ik hoop, dat je gebed voor je zelve rijke
verhooring mag vinden, lieve!”
„Ik geloof, dat je er plezier in hebt, mij boos te maken,” zegt Hero.
„Maar, lievert; wat ben je toch dwaas en kinderachtig,” zegt hij weêr.
„Waarom kunnen wij elkaâr toch niet met vrede laten?”
„Jij bent begonnen.”
„Neen, schat! 'k vraag je wel excuus, _jij_.”
„Stellig niet. Leander! jij begon.”
Nu kan een gesprek van dien aard uren achtereen duren, zoolang de
respectieve partijen adem en kracht behouden, terwijl ze al stijver en
stijver op hun stuk staan, al weten zij heel goed, dat zij met iets, al
is het nog zoo weinig, toe te geven, er terstond een einde aan zouden
maken.
_Zij_ zou kunnen zeggen! „Welnu, beste: je zult de sla altijd zóó
hebben, als je ze 't liefst hebt,” en _hij_ zou kunnen zeggen: „Lieve!
als je 't graag hebt zal ik eens probeeren of ik van de sla, zooals jij
ze klaarmaakt, houd.” Zei Hero maar het eerste of Leander het tweede,
dan zou de ander van zelf toegeven. De een zou wel volgen, als de ander
het maar eerst wou doen; maar zooals het nu is, doen zij mij denken aan
een paar koeien, die ik eens in een weî heb zien staan met de horens
vlak tegen elkander, zoodat geen van beiden een duim breed vooruit of
achteruit kon. 't Is niets anders dan de dierlijke kracht van koppig
volhouden; met ons verstand of ons geweten of ons godsdienstig gevoel
heeft het niets uit te staan.
De geschilpunten, waarover op deze wijze door het jeugdige echtpaar
getwist werd, waren verwonderlijk vele: zoo, bij voorbeeld, of de mooie
gravure naar de schilderij van Turner in de huiskamer of in de zijkamer
hoorde,—of ze hun landschap zouden ophangen of dat het beter op den
ezel zou staan,—of de buste van Psyche op de marmeren tafel in de
vestibule moest gezet worden, dan wel of ze beter voldoen zou op de
boekenkast. Al deze punten werden met zulk een omhaal van woorden,
zulk een rijkdom van argumenten, zulk een kracht van taal besproken,
als iemand begrijpen kan, die weet, wat al redeneeringen een paar
eigenzinnige menschen over iedere kleinigheid kunnen te berde brengen.
Allerlei uit de klassieke oudheid, allerlei uit Kugler's „Handboek der
schilderkunst”, allerlei meeningen van levende meesters, werden er
bijgehaald, om niet eens te spreken van maatschappelijke, zedelijke en
godsdienstige quaesties: want er is geen ding ter wereld, dat niet op
de eene of andere wijze met alle andere dingen in verband staat.
Dr. Johnson heeft opgemerkt: „dagelijks komen er duizende kleine
geschillen voor, waarover 't verstand nooit beslissen kan: quaesties,
waarbij onderzoek te vergeefs en logika belachelijk is, gevallen, waarin
iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd worden.”
Met allen eerbied voor den grooten zedekundige moet ik opmerken, dat
hij door deze bewering toont, al zeer weinig begrip te hebben van de
eindelooze stof tot discours, die een paar zeer beschaafde maar zeer
hoofdige menschen in het kibbelen over huiselijke dingen vinden. 't
Mag bespottelijk wezen er de logica bij te halen, maar zulke menschen
als onze Leander en Hero kennen geen gevallen, waarin iets gedaan moet
worden zonder dat er ook veel over te zeggen valt. Met dat al verwoesten
en vernietigen deze ellendige en eindelooze kibbelarijen 't heerlijk
ideaal van trouw en teederheid, dat zij op grond hunner innige
overeenstemming en der waarachtige degelijkheid van hun karakter zich
met recht mochten voorstellen. Hun huiselijk leven is niet zoo gelukkig
als zij verwacht hadden: nu en dan bemerken zij met schrik, dat ze
somtijds niet lief voor elkander zijn; en toch, als Leander een week van
huis is en om Hero denkt, dan kan geene andere vrouw bij haar halen; en
voor Hero schijnt er geen eind aan den dag te komen en het huis geheel
uitgestorven te wezen, als hij weg is; beiden beschuldigen zich zelven
als zij aan hunne kleine kibbelarijen denken, maar geen van tweeën weet
te zeggen, hoe de kleine vos moet gevangen worden, die hun wijngaard
verderft.
Wij denken veel over ons zelven na, maar 't is vreemd, hoe weinig vrucht
dat draagt,—wij hooren zeer verstandige menschen over zich zelven en
anderen spreken, en zich verwonderen, dat het zóó met hen is, als het
is, maar—hoe vreemd!—toch brengen zij 't eene jaar na het andere
door, zonder te weten, hoe zij met zich zelven of met anderen moeten
omgaan, zal het beter worden:—ach, de levenswijsheid die ze bij de
behandeling van gaspijpen en waterleiding dagelijks toepassen, laat hen
in de steek, waar het de behandeling van hun eigen gemoed en van 't
karakter hunner vrienden geldt.
„Maar _ik_ zou zulke tooneelen niet met _mijn_ vrouw willen hebben,”
zegt Don Positivo. „_Ik_ zou zoo'n verstandige vrouw niet willen
trouwen; zoo een is altijd eigenwijs en lastig. _Ik_ zoek een vrouw, die
zacht en gedwee is, die al mijn ideeën van mij overneemt en zich geheel
naar mijn smaak voegt.” Don Positivo trouwt dan ook met een aardig glad
gezichtje, zoo schuchter en poezelig en zoetsappig, dat hij er vast op
aan kan, dat zij in 't geheel geen wil heeft. Zij is de maan aan zijn
hemel, die nooit zal schijnen, of 't licht moet van hem komen.
Als ik nu één raad schuldig ben aan mijne vrienden die graag hun eigen
zin hebben, dan moet ik hen waarschuwen: neemt nooit de proef met een
domme vrouw; want de koppigheid van een knappe en verstandige is nog
niets bij de koppigheid van een domme en een leeghoofd.
Laat Don Positivo met zoo'n vrouw maar eens trouwen. Zij wil de maan
hebben en houdt vol, dat hij haar niet lief heeft omdat ze die niet van
hem krijgt: te vergeefs zal hij zijn astronomische kennis te baat nemen,
en haar bewijzen, dat de maan zoo maar niet te grijpen is. Zij luistert
schijnbaar aandachtig, met haar hoofdje op zij, en nadat hij als Brugman
gepraat heeft begint ze van voren af aan, precies met dezelfde vraag en
precies op dezelfde manier.
Als zij wil, dat haar lieve Jantje van school wordt genomen, omdat de
meester voor zijn plezier de wetten van het Instituut niet veranderen
wil, betoogt Don Positivo haar in de keurigste en duidelijkste taal:
vooreerst de wenschelijkheid, dat een jongen zich al vroeg aan
zelfbeheersching en orde gewenne,—ten tweede, de onmogelijkheid dat een
onderwijzer uitzondering zou maken ten gevalle van hun lieveling,—en
eindelijk, de noodzakelijkheid dat de jongen wat begint te leeren. Zij
hoort hem van het begin tot het einde aan, en zegt dan: „Ja, van die
dingen heb ik geen verstand; ik woû alleen maar, dat Jantje van school
genomen werd.” En nu weent ze, en mokt ze, en dreigt ze, en ligt ze
heele nachten wakker, en heeft ze vreeselijke vlagen van hoofdpijn,—in
één woord, ze toont dat een vrouw zonder verstand en beschaving op hare
wijze een even geduchten tegenstand kan bieden, als de schranderste van
haar kunne.
Leander kan zijn Hero somtijds in een eerlijk gevecht met de wapenen
eener gezonde logica overwinnen, omdat zij een vrouw is, die naar rede
kan luisteren en in staat is de kracht zijner tegenbedenkingen te
gevoelen; en als hij zegeviert, streelt hem 't genot dat ze dubbel waard
was bestreden te worden, en schijnt hij zichzelven een held toe. Al is
ze hoofdig, ze is toch ook verstandig al heeft hij veel last van haar
eigenzinnigheid, hij vertrouwt toch altijd op haar gezond verstand; maar
ongelukkig de man, die een vrouw heeft, bij wie het dierlijk instinct
van volhouden alles, maar ontwikkeling en oordeel en verstand gelijk nul
is. Lastig, dikwijls heel lastig is het voor een man, met een vrouw
overhoop te liggen, die hij acht en bewondert; maar met een vrouw,
waarop hij tegen wil en dank met een zekere minachting neerziet....
dat wordt op den duur onuitstaanbaar.
Doch nu ontstaat de vraag: Wat dan te doen met al die kleine geschillen,
door Dr. Johnson bedoeld, waarover 't verstand nooit kan beslissen,
waarbij alle onderzoek te vergeefs en logica bespottelijk is;—die
gevallen, waarin iets moet gedaan, maar waarover weinig kan gezegd
worden?
Lees het werk van Mevrouw Ellis, getiteld: _De engelsche vrouwen_
en gij zult zien, hoe zij het vraagstuk oplost. De engelsche vrouwen
leeren daaruit, dat zonder eenige tegenspraak alles in 't huishouden
overeenkomstig de bevelen van den meester moet gaan, en dat de vrouw
maar één ding moet hopen, namelijk, of 't haar gegeven mocht worden,
altijd juist te weten, wat hij wil. „_L'état, c'est moi_,” is de les,
die ieder getrouwde Engelschman van Mevrouw Ellis leert, en uit de
voorstellingen in engelsche romans zouden wij haast moeten opmaken,
dat dit ontzagwekkende „goddelijke recht” op alle kleinigheden van het
huwelijksleven toegepast wordt.
Miss Edgeworth laat haren generaal Clarendon tegen zijn begaafde en
bevallige vrouw over zijn „bevelen” spreken; en trekt met zulk een
deftigheid aan de schel in de huiskamer, roept en ondervraagt de
sidderende dienstboden met zooveel majesteit, en behandelt alles zoo
vreeselijk militair, dat het waarlijk niet te verwonderen is, als de
arme Cecilia, doodsbenauwd voor zulk eenen krijgshaftigen echtgenoot,
zich aan een leugen schuldig maakt.
In den tijd van zijn engagement deelt hij op een hoogen toon aan haar
moeder mede, dat hij er nooit toe zou kunnen komen, een vrouw, die
vroeger een ander bemind had, tot _zijne_ vrouw te nemen; en daarom
verzwijgt de arme meid een langgeleden „schoolvrijerijtje,” dat tot de
ontzettendste en meest tragische tooneelen met haren heer en meester
aanleiding geeft, die op een goeden morgen in eens de gordijnen van haar
ledikant openrukt en haar een ouden minnebrief voorhoudt met de vraag,
die als een schorre donder haar van schrik doet verstijven: „Cecilia! is
dit _uw_ schrift?”
De nieuwe romanschrijfsters in Engeland stellen ons niet minder krachtig
voor, hoe vast ze aan het goddelijk recht van den man gelooven. B. v. ga
eens na, wat de hoofdinhoud is van zekeren veelgelezen roman: _Agatha's
echtgenoot_ genoemd. Een man trouwt met een beeldschoon meisje, dat veel
fortuin heeft. Vóór het huwelijk ontdekt hij, dat haar broeder, die
voogd over haar geweest is, al wat ze heeft, op een schandelijke wijze
bezwaard en verhypothekeerd heeft, zoodat dit alleen door de grootste
zuinigheid kan verholpen worden. Om nu aan haar boek de leerzame
strekking te geven, die zij bedoelt, laat de schrijfster haar held een
plechtige belofte afleggen, dat hij noch aan zijn vrouw, noch aan iemand
anders het bedrog zal ontdekken, waardoor zij arm geworden is.
Wij lezen dan verder hoe ontstemd de jonge vrouw er onder is, dat haar
man een zeer eenvoudig huis met haar betrekt, haar alle gemakken en
genoegens ontzegt, waaraan ze gewoon is, en altijd maar weigert, haar
eenige aannemelijke reden voor zijne handelwijze te geven. In plaats van
met blind geloof en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid tot hem op te zien
zonder navraag te doen naar zijn manier van handelen, en niet alleen
zonder bewijs, maar zelfs tegen alle waarschijnlijkheid in, hem te
houden voor het puik van alle mannen van eer en verstand, murmureert
deze goddelooze Agatha, en klaagt en denkt dat ze al heel slecht
behandeld wordt, ja, ze is nu en dan zóó bedorven, dat ze (al is het
dan ook zeer bescheiden) dit zelfs durft te zeggen;—waarbij haar man
de rol van een martelaar vervult en in stilte lijdt.—Zoo gaat het door
't heele boek voort: beiden vergaan van verdriet, totdat eindelijk de
waarheid aan het licht komt, de miskende echtgenoot den glorietroon
bestijgt en de boetvaardige vrouw in het stof aan zijne voeten ligt met
de bekentenis welk een verworpeling zij was, om hem ooit te kunnen
verdenken.
De schrijfster van _Jane Eijre_ beschrijft de verhouding tusschen More
en Shirley gedurende hun engagement nagenoeg met dezelfde woorden, alsof
er over het dresseeren van een paard wordt gesproken. Shirley is wat
lastig en stijfhoofdig, en More, haar minnaar en leermeester, geeft haar
_Le cheval dompté_ ten gebruike bij de Fransche les: een kiesche manier
om het plan, dat hij met haar voorheeft, in de hand te werken. Als ze
dan ook, na langdurig verzet, aan zijn wenschen eindelijk toegeeft,
spreekt hij haar aan alsof ze een leeuwin was.
„Getemd of niet, gedwee of woedend, gij zijt de mijne voor eeuwig!”
En zij antwoordt:
„Ik ben blij, dat ik mijn meester ken en aan hem gewend ben. Alleen zijn
stem zal ik volgen, alleen zijn hand zal mij leiden, alleen aan zijn
voet zal ik rusten.”
De begaafde schrijfster van „_Nathalie_” schildert den strijd van
een jong meisje, dat geëngageerd is met een man, die veel ouder dan
zij, en daarbij vreeselijk somber en heftig is,—een man van een
allerzonderlingst gedrag, maar toch zoo hartstochtelijk gesteld op
een blind vertrouwen, dat hij met een diepe, doffe stem u verzekert:
zoo een van zijn beste vrienden ook maar één oogenblik aan zijn eer
twijfelde,—zelfs al getuigden alle omstandigheden tegen hem,—dan was
het tusschen hen gedaan, voor eeuwig gedaan!
Nadat hij Nathalie geheel en al in zijn macht gebracht en een tijd
lang zeer op zijn gemak en met een zekere voldoening haar verlegenheid
en haar onrust gade geslagen heeft, ontvouwt hij haar eindelijk zijn
geheimzinnige plannen, door tegen een van haar minnaars, terwijl zij er
bij zit te zeggen, dat het zijn voornemen is, deze jonge dame te vragen,
of zij lust heeft zijn vrouw te worden. Gedurende 't engagement echter
gelukt het hem, haar kalmte te verstoren door zeer voorbarig te spreken
over 't goddelijk recht van den man, en als zij dan wat kriegelig wordt,
vindt hij 't, hoe lief hij haar ook heeft, maar beter hun engagement te
verbreken, omdat hij niet gelooft dat ze gelukkig met elkander zullen
zijn.
Het overige van den roman vertelt ons nu, wat zij beiden te tobben en te
strijden hebben, welk een zee van verdrietelijkheden hen overstelpt en
hoe hij met iederen dag koeler, trotscher en norscher wordt,—alles de
schuld, zooals 't voorgesteld wordt, van die ondeugende Mej. Nathalie;
die een heilige van hem had kunnen maken, als ze haar hoogste genot
maar daarin gesteld had, dat ze hem zijn zin gaf. Haar geweten klaagt
haar aan: het is alles haar schuld; eindelijk onder dien last bijkans
bezwijkende, besluit zij zich te verbeteren, gaat naar zijn kamer,
vindt hem alleen en werpt zich, hoe stug hij haar ook behandelt, voor
hem neer, laat al haar kinderachtigen hoogmoed varen en heeft maar één
verzoek: of ze als zijn meid hem mag oppassen. Maar ze wordt nu ook
beloond door zijn genadige verzekering dat ze, als ze dan zoo gaarne bij
hem wil blijven, _mag_ blijven als zijn vrouw: en de laatste volzin van
den roman stelt haar voor op de eenige plaats, zooals we hooren, waar
een vrouw wezenlijk gelukkig kan zijn, namelijk aan de voeten van haar
lieven man.
Dit is dan, zooals de beschaafdste vrouwen in Engeland meenen, de
oplossing van het huiselijk vraagstuk: indien wij ten minste geloof
mogen slaan aan de dames romanschrijfsters.
Men mag onderstellen, dat de Britsche leeuw aan zijn eigen huiselijken
haard, die daar in al zijne majesteit met zijn rug naar het vuur en zijn
handen onder zijn rokspanden staat, niet zulke onbehoorlijke discussies
te voeren heeft, daar zijn wederhelft geleerd heeft, zooals Miss Bronté
zegt, dat haar plaats aan de voeten van haar meester is, en het voor 't
grootste geluk houdt, een schilderij juist zóó te hangen en een piano
juist zóó te zetten, als hij het graag heeft.
Natuurlijk zal zoo iets door onze lieve republikeinsche vriendinnen met
een algemeenen kreet van afgrijzen worden aangehoord, en zullen zich
evenzeer alle heeren hier te lande daaraan ergeren, die,—dunkt mij
ten minste, tamelijk verlegen zouden zijn met zulk een volstrekte
opperheerschappij in huis.
De aard onzer instellingen begunstigt in geenen deele het uiterlijk
vertoon van gezag. Wel bestaat het noodige gezag onder ons, maar 't
bestaat in stilte en werkt zoo min mogelijk naar buiten.
Onze president[1] is niets meer dan een medeburger, en staat, wat zijn
persoon betreft, met alle andere burgers gelijk. Wij gehoorzamen hem,
omdat wij hem verkozen hebben, en omdat wij wenschelijk achten, dat er
in 't bestuur onzer aangelegenheden een hoogst beroep en een beslissende
stem is.
[1] Men bedenke dat de schrijfster in de Vereenigde Staten van Amerika
woonde.
Vert.