„Ik dien je versterkende middelen toe, Emilie! Ik toon je werkelijk

bestaand gevaar; ik maak je wakker, om het nog intijds te ontkomen.

Johan verdient veel geld: er bestaat geen reden, waarom je altijd hier

begraven zou blijven. Gebruik je invloed even als _zij_ doen,—iederen

dag, ieder uur, ieder oogenblik, om hem nu reeds aan de gedachte te

wennen, dat hij op een andere plaats met je zal gaan wonen. Laat hem

niet altijd de baas wezen en geef hem niet altijd gelijk; zwijg niet

en schik niet en plooi niet, om hem en je zelve wijs te maken, dat je

gelukkig bent; laat hem de dingen hier niet altijd van de mooiste zijde

bezien; verdraag het niet, dat hij iederen dag en ieder uur tot zijne

gewone koelheid en stugheid vervalt; en vooral verloochen je eigen

openhartig karakter niet; heb er achting voor en bewaar het. Zit met

hem te vrijen en te kibbelen; gebruik alle wapenen, die een vrouw maar

heeft, om hem te beletten, dat hij ooit of immer zich weer opsluit

in zijn vroeger kasteel Stuggenstein, waar je hem uit verlost hebt.

Protesteer tegen dat hatelijk artikel uit het wetboek van mama Evans,

dat tusschen man en vrouw de liefde van zelve spreekt, ook zonder dat ze

die dagelijks elkander behoeven te laten merken; breng alle gebonden

warmtestof in een kwaden naam; houdt vol, dat het niet genoeg is,

een man te hebben,—dat wat hij jaren geleden tegen je zei, nu niet

voldoende is,—dat de liefde elken levenszomer nieuwe bladeren moet

krijgen, even goed als de olmboomen, en nieuwe takken om al vaster en

grooter te worden, en nieuwe bloemen moet kweeken, om den stam te

versieren.”

„Maar ik heb wel eens hooren zeggen, dat er geen zekerder middel

bestaat, om iemands liefde te verliezen, dan te veel te eischen, en dat

zij allerminst door verwijtingen te winnen is.”

„Alles zoo waar als een evangelie, Emilie! Maar ik spreek niet van

verwijtingen of van onredelijk doordrijven of van booze humeuren,—je

zoudt niets van dit alles kunnen probeeren, zelfs al wou je, jij kleine

dreumes! Ik spreek nu van 't hoogste, 't edelste, 't heiligste wat

wij aan onze vrienden schuldig zijn: den plicht, om hen hun eigen

adel en deugd zuiver en onbevlekt te helpen bewaren. Onnadenkende,

onwillekeurige, onverstandige liefde en zelfopoffering, zooals veel

vrouwen aan man en kinderen bewijzen, strekt maar alleen, om hen, aan

wie ze betoond worden, te bezoedelen en te vernederen. Misschien wordt

een vrouw heilig door zelfopoffering, maar worden haar man en haar

kinderen het ook, als ze zonder iets van hun kant te doen, dit offer

maar klakkeloos aannemen? Ik heb eens gelezen: „wie voor een vrouw in

haar vlekkelooze reinheid neêrknielt, werpt er, terwijl hij zich buigt,

met zijn adem den eersten smet op.”

„Geldt dat niet van alle onverstandige liefde en zelfopoffering? Laten

wij, zonder er iets tegen in te brengen, toe dat zij die wij liefhebben,

koel en lastig en zelfzuchtig worden, dan hebben wij niet waarachtig

lief, dan zijn wij geen echte vrienden. Er is geen man ter wereld,

die iets beteekent, of hij bemerkt al spoedig het onderscheid, dat er

is tusschen hetgeen zijn vrouw uit belangstelling in zijn eer, zijn

vooruitgang op den weg ten leven, zijn eeuwig zieleheil, hem voorhoudt,

en een kinderachtig pruilen, waarbij ze alleen om zichzelve denkt.

't Zal je eigen schuld zijn, indien je man, omdat je niet doet wat je

doen kunt, weer tot dezelfde koelheid en afgemetenheid vervalt, als hem

reeds van zooveel genot en genoegen beroofd hebben. Zulk eene doode,

dorre manier van leven is even onchristelijk als onpleizierig; en als

Christin, die beloofd hebt heldhaftig onder de banier van Christus te

strijden, is het je plicht, op dien antichrist aan te vallen, al neemt

hij ook nog zoo den schijn aan van bijzondere vroomheid en deemoed. Denk

er aan, dat er in den kring der jongeren van Jezus even goed uiterlijke

teekenen van liefde waren, als het innerlijke leven daar krachtig was.

De discipel, dien hij lief had, lag aan zijn borst; en de verrader zou

geen teeken gehad hebben, waarmee hij hem verried, indien Jezus niet

gewoon was geweest den jongeren bij 't komen en 't heengaan een kus te

geven.”

„Ik ben blij, dat ge mij dit alles gezegd hebt,” hernam Emilie, „omdat

ik mij nu eens zoo sterk gevoel. Vroeger dacht ik altijd, dat ik te

veel naar mijzelve toerekende, als ik van Johan meer blijken van liefde

verlangde; maar ik zie nu in, dat het voor hem zelven goed zou wezen.

Ja, alleen wat voor hem het beste is, wil ik van nu af zoeken.”

En zoo begon mijn kleine zus, nu zij 't er voor hield dat het om

zelfopoffering te doen was, vrij wat beter, dan de meeste vrouwen van

haar slag, te begrijpen, hoe ze zich moest gedragen. Zeg tegen zulke

vrouwtjes, dat, zich te laten gelden, een soort van martelaarschap is:

en zij zullen zich laten gelden.

Maar hoe welsprekend ik dien avond ook geredeneerd had, toch werd het

huis op dezelfde plaats als men van plan geweest was, gebouwd, en het

huishouden van Johan en Emilie bleef altijd onder de schaduw der olmen

van den ouden heer Evans, alsof ik er geen woord over gesproken had.

Emilie werd moeder van twee lieve jongens, en begon al magerder en

zwakker te worden, en hoe zwakker ze werd, des te meer was het noodig,

dat het bestuur over de huishouding en de zorg voor de kinderen op mama

en de zusters overgingen; die dat alles op hare arendsvleugelen droegen:

want wat kan er gedaan worden door een vrouw, die den meesten tijd

tusschen leven en dood zweeft?

Eindelijk zei ik ronduit aan Johan, dat de lucht en 't klimaat daar veel

te scherp waren voor haar, die hij, die zij allen zoo innig liefhadden;

eindelijk stemden zij in de verandering toe, waarvan zoo dikwerf

gesproken, waarop zoo dikwijls aangedrongen was, maar die de oude lui

altijd hadden tegengehouden.

Johan kocht een lief buitentje dicht bij ons huis; hij ging daar met

vrouw en kinderen wonen; en wat ik over een verandering van moreelen

dampkring voorspeld had, gebeurde. Binnen 't jaar hadden wij onze Emilie

van ouds weer terug, blozende, vroolijk, jolig, vol leven, vol lust en

vol kracht. Zij kon haar huishouden nu weer zelve besturen, zij was een

prettige speelkameraad voor haar jongens en speelde op haar aardige

manier den baas over Johan, die zich weêr door haar leiden liet, evenals

in de gelukkige dagen van hun engagement. De nachtmerrie was voorbij: en

Johan was niet minder dan wij over zijn vrijheid in zijn schik. Zoo als

Emilie zei: hij was omgekeerd als een blad op een boom.

En hier eindigt mijn verhaal.

En nu, wat leert men hieruit? Dit: dat men in het leven het eene

_uitdrukken_, het andere _onderdrukken_ moet. Liefde, vreugde, hoop,

geloof, medelijden, behooren tot de dingen, die wij moeten uitdrukken,

openbaren, aan den dag brengen; toorn, nijd, kwaadwilligheid, wraak,

liefdeloosheid, tot die dingen, die wij moeten onderdrukken, bedwingen,

_terughouden_.

Enkele, zeer godsdienstige en brave menschen vergissen zich, als zij die

_terughouding_ op beide soorten van gemoedsaandoeningen evenzeer

toepassen. Zij onderdrukken zoowel de gevoelens van liefde als van

haat: van medelijden als van nijd, maar vergeten daarbij een groote

wet, die evenzeer in de moreele als in de physieke wereld geldt: dat

onderdrukking doet verkwijnen en wegsterven. Maai twee- of driemaal 't

onkruid weg: al is 't nog zoo taai, 't zal sterven, omdat de sappen

der wortels geen lucht kunnen krijgen. Een kompres op het een of ander

lichaamsdeel gaat er den groei van tegen de chirurgijn weet dit en slaat

er een stevige zwachtel om; maar wat dunkt er u van, om, zoo als sommige

dames van mijn kennis doen, een stijf verband om de borst en de longen

te leggen, of de voet in de zwachtelen, zoo als bij de Chineezen

gewoonte is? Maar vooral wat dunkt u er van, als zij een verband slaan

om de edelste gemoedsaandoeningen en de _liefde_ in een lijkkleed

wikkelen?

Doch er zijn weêr anderen, en hun getal is legio—misschien behoort

gij, lieve lezer! en ik zelf er eenigszins toe,—die de instinctmatige

gewoonte van terughouding hebben bij alles wat het hoogste en edelste in

hen is, maar, zoodra het min edele en min waardige aandoeningen geldt,

dat instinct volstrekt niet gevoelen.

't Valt vrij wat gemakkelijker, onze vrienden in een oogenblik van toorn

uit te schelden, dan op innemende wijs hun te zeggen, hoezeer wij hen

liefhebben, eeren en achten. Gramschap en bitterheid vinden van zelf

wel woorden en gaan haar eigen gang; maar liefde is bedeesd, kijkt

schuchter het venster uit en draait aan de deurklink.

Hoeveel vrijmoediger spreken zelfs Christenen woorden van toorn,

verachting en veroordeeling uit dan woorden van teederheid en liefde!

„_Ik haat_” zegt men hardop en met kracht: „_Ik bemin_” niet dan met

eene weifelende stem en een blos op 't gelaat.

In toorn ontstoken spreken wij, al wordt er een liefhebbend hart door

gegriefd, krachtig, met nadruk, vrij uit; maar wij stamelen en blijven

in de woorden steken, wanneer ons beter ik ons dringt, onze schuld te

bekennen en vergeving te vragen. Zelfs wanneer ons hart door berouw

verbrijzeld is, dralen wij nog en geven wij geen lucht aan 't geen ons

het meeste benauwt en beklemt.

Hoeveel duizenden zijn er, die met hun rijkste schatten naar hart en

geest, als ellendige gierigaards leven! Omringd door betrekkingen, die

zij innig liefhebben, maar die, zoo ze dezen in hun spreken en doen

maar iets meer van die liefde toonden, veel gelukkiger, rijker, en

beter zouden wezen,—houden zij al dien rijkdom hunner genegenheid

maar achter slot; zij kunnen, zij willen er niets van uitdeelen.

Menschen, die elkander met hart en ziel liefhebben, achten, vereeren,

bijna aanbidden,—zulke menschen leiden een akelig, ijskoud leven met

elkander, en terwijl ze voor alle andere dingen de grootste attentie

hebben en de meeste zorg dragen, behandelen zij hun liefde als een ding

dat van zelf gaat, als een plant die verleden jaar uitgebloeid is en nu

knoppen noch bloesems kan voortbrengen.

Zijn er niet zoons en dochters, wier ouders alles voor hen over

hebben,—mannen en vrouwen, broeders en zusters, bij wie het materiaal

voor een gelukkig leven onder een doodelijk zwijgen verscholen

ligt,—die zich voor alles den tijd gunnen, behalve voor dit ééne: dat

ze op hun beurt de liefde, die hun bewezen wordt, beantwoorden?

Eens, denken zij, komt de tijd nog wel, dat zij gelegenheid zullen

hebben, om elkander 't leven te veraangenamen, om samen te wandelen en

samen te rusten, om elkander die verborgen schatten te ontdekken, die nu

ongebruikt blijven en die ze renteloos laten liggen.

Helaas! de tijd vliegt weg en de dood snelt aan; er blijft ons niets

anders over, dan de oude klacht van de Schrift te herhalen: „Het

geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij weg was.”

Geen bitterder tranen bij 't graf dan die er vloeien om 't geen niet

gezegd en niet gedaan werd, schoon 't had moeten gezegd en moeten gedaan

worden.

„Zij heeft nooit geweten hoe lief ik haar had.” „Hij heeft nooit

geweten, wat hij voor mij was.” „Ik was van voornemen geweest, hem nog

meer tot mijn vriend te maken.” „Nu eerst, nu hij dood is, gevoel ik,

wat ik in hem verlies!”—zulke uitdrukkingen zijn de vergiftige pijlen,

die de wreede dood van de deur van 't graf op ons afschiet.

Hoe veel meer genot konden wij van ons huwelijksleven, van onze

vriendschap hebben, als elke stille liefdeaandoening bloesems en

vruchten droeg en zich in daden openbaarde. Ik bedoel nu niet alleen

liefkozingen. Soms zijn ze wel de beste taal der liefde, maar soms ook

niet. Bij enkele gestellen, vooral bij uiterst fijne en teêrgevoelige,

wekken ze allicht door overmaat een soort van tegenzin op. Maar dan

blijven er toch nog woorden en blikken en kleine oplettendheden over,

waaraan onze liefde te merken zal wezen, en er is ter nauwernood één

gezin, dat niet nog gelukkiger zou zijn, als 't nog rijker aan die soort

van attenties was.

't Is een dwaasheid te denken, dat wie familie van elkander zijn,

natuurlijk veel van elkander houden, enkel en alleen omdat zij familie

zijn. Liefde moet onderhouden worden en kan, indien ze met oordeel

gekweekt wordt, even als een wilde vruchtboom door de zorg van een

tuinman, dubbel zoo veel vruchten dragen als anders: maar liefde kan ook

door veronachtzaming wegkwijnen en sterven, evenals de dubbele rozen,

in een schralen grond aan zich zelve overgelaten, weêr tot enkele

verloopen.

Twee oorzaken liggen er in onzen landaard, waardoor wij die gemakkelijke

manier en die vlugheid van ons uit te drukken missen, die ons bij de

Italianen en Franschen zoozeer bevalt: de vrees voor vleierij en eene

aangeboren bedeesdheid.

„Mijn hart brandde op mijn tong, om gisteren juffrouw Die-en-Die te

zeggen, hoe lief ik haar vond,” zegt juffrouw Zoo-en-Zoo.

„En waarom hebt gij 't haar dan niet gezegd?”

„Och, het zou den schijn van vleien gehad hebben, weet ge.”

Maar wat is vleierij?

Vleierij is _onoprechte_ lof, uit baatzucht gegeven, maar een vriend of

een vriendin met volle oprechtheid te zeggen, wat wij goed en lief in

hen vinden, dat is geen vleien.

Uit vrees voor vleierij gaan zulke akelig oprechte menschen met hen,

die zij liefhebben en bewonderen, dagelijks op die manier om, dat ze

wel denken moeten: we zijn hun geheel en al onverschillig. Ouders zijn

zoo bang door hun liefde en goedkeuring de kinderen trotsch en ijdel te

maken, dat een jongen er dikwijls moedeloos en wanhopig onder wordt, en

eindelijk eens toevalligerwijze aan de weet komt, dat zij trotsch op hem

en gek met hem zijn. Soms (er komen zulke tijden) als een vader rondweg

zei, dat hij zijn jongen liefhad, zou het dien jongen meer goed doen dan

de beste preek,—maar vader kan het niet zeggen,—zoo iets kan hij toch

niet laten merken!

De andere oorzaak onzer _terughouding_ noemde ik onze bedeesdheid.

Er zit ons een machteloosheid om ons uit te drukken in merg en been,

waartegen wij moeten strijden, die wij moeten uitdrijven. Maar wij

kunnen ons daarin oefenen, als wij maar inzien en gevoelen, hoe noodig

het is; wij kunnen het tot een christelijken plicht maken, niet alleen

lief te hebben, maar ook onze liefde te toonen,—niet alleen trouwe

vrienden te _wezen_ maar 't ook te doen _blijken_, dat wij het zijn.

Wij kunnen ons zelven dwingen, wat in onze harten opkomt en op onze

lippen zweeft, uit te spreken—en geen van die voorkomende, innemende

oplettendheden achterwege te laten, die wij wel begeeren, maar toch

schromen te bewijzen. Langzamerhand zal dit gemakkelijker gaan: een

woord van liefde zal een woord van liefde uitlokken,—een klein

dienstbetoon, een wederkeerige dienst ten gevolge hebben,—zoodat

eindelijk de harten in den huiselijken kring in plaats van te zweemen

naar bevroren, ijskoude eilandjes, vol warme lucht zullen zijn, en, in

de liefelijkste samenstemming met elkander vereenigd, eene ongestoorde

melodie van liefde zullen aanheffen.

HOOFDIGHEID.

IV.

HOOFDIGHEID.

Mijn kleine vossen zijn beestjes, die wel waard zijn wat nader bekeken

te worden; ik hoop maar, dat mijn bekoorlijke menagerie mijne lezers

niet vervelen zal, eer ik hun van alles het fijne heb laten zien.

Bedenkt, dat er zeven vossen zijn waarvan wij er nog maar drie

onderhanden hadden: ge dient dus nog heel wat geduld te hebben.

't Is nu onder ons uitgemaakt, dat de „kleine vossen” zooveel zijn als

de kleine boezemzonden van ons, welopgevoede, deugdelijke Christenen,

die immers hopen dat wij tegen stelen, doodslaan en alle andere grove

zonden in de Tien Geboden vermeld, niet eens meer eenige waarschuwing

noodig hebben. Die kleinen nu worden doorgaans als te onbeduidend

beschouwd, om er van den preêkstoel tegen te ijveren; zij schijnen zóó

beuzelachtig, dat de leeraars er niet eens om denken; zij zijn als die

kleine spinnetjes op de planten,—bijna te klein, om met het bloote oog

gezien te worden, en alleen te merken aan het verwelken en afvallen van

het eene blad na het andere, dat anders groen en frisch zou wezen.

Ik heb thans het oog op een anderen kleinen vos, die zeer veel toebrengt

tot het verwoesten der wijngaarden van huiselijk geluk,—ja, die meer

druiven heeft doen mislukken, dan iemand zou denken. 't Valt mij niet

gemakkelijk, zijn juisten naam te noemen. Bij de opsomming van mijn

zevental gaf ik hem den naam van _hoofdigheid_; anders,—'t was

misschien beter geweest,—_doordrijverij_.

Even als menig ander gebrek, ontstaat ook deze verkeerdheid uit

overdrijving van eene eigenschap, die hoogst noodig en lofwaardig is.

Vastheid van wil is het stevig graniet, waarop de grondslag van ons

leven rust. Zonder deze zou er niets tot stand komen: al onze plannen

zouden zeepbellen zijn en niets meer. Aan ieder goed uitgerust schepsel

moet een zekere mate van vasthoudendheid, een soort van wilsvolharding

eigen zijn; en, om den mensch tot het verkrijgen dier onmisbare

eigenschap in staat te stellen, heeft de Schepper hem een vermogen

verleend, dat hij met de dieren gemeen heeft. Het vermogen om vol te

houden is bij de dieren een blinde kracht, die alleen van spieren en

zenuwen afhangt, en bij het eene dier geheel anders werkt dan bij het

andere. De taaiheid waarmeê zich een bulhond vastklemt aan zijn prooi,

de koppigheid, waarmeê een muilezel zijn vier pooten schrap zet en

slagen en bedreigingen verduurd, doet ons duidelijk zien, wat die

eigenschap is, zoolang ze alleen dierlijk blijft, schoon diezelfde

eigenschap, aan den mensch verleend, de bron is van de heldhaftigste

lijdzaamheid, van de uitnemendste volharding, waardoor alle grootsche

en edele daden volbracht worden.

Het huiselijk gebrek, door ons bedoeld, ontstaat, wanneer deze

eigenschap in 't wilde opgroeit, wanneer de vastheid van wil bij

instinct handelt, en niet luistert naar rede of geweten,—'t is wat

wij in het dagelijksche leven noemen „stijf op zijn stuk staan.”

Dit _dierlijk_ instinct van „stijf op zijn stuk staan”, bedoel ik met

hoofdigheid of doordrijverij; en in het huiselijk leven sticht het des

te meer kwaad, daar 't als instinct werkt, zonder door 't verstand

bewaakt of door 't geweten veroordeeld te worden.

In dat aardige, fonkelnieuwe optrek ginds aan den voet van dien heuvel,

vindt gij een pas getrouwd paartje, te midden van de prettige drukte

die aan het opzetten van een jongelui's huishouden vast is, als 't uit

een ruime beurs toegaat en alles op gemak en genoegen is aangelegd. De

timmerman, de behanger, de kastenmaker wachten, wat mijnheer en mevrouw

nog te zeggen hebben; en deze hebben niets anders te doen, dan alles te

schikken en te bepalen, waar al hun keurige meubelen zullen geplaatst

worden. Onze Hero en Leander,—ik zal ze zóó maar noemen—zijn precies

in de punten, niet te lang, niet te kort, maar volgens alle vormen en

gebruiken geëngageerd geweest. Zij hebben elkander twee jaren lang

dagelijks een brief geschreven, die begon met: „Lieve beste” en eindigde

met „De uwe”, enz.; zij hebben elkander bloemen en ringen en haarlokken

present gegeven; elkanders miniatuurportretten op hun hart gedragen;

uren achtereen doorgebracht met over alle mogelijke dingen te spreken,

en ze zijn vast overtuigd, dat er nooit zulk een sympathie der zielen,

zulk een overeenstemming van gevoelens, zulk een hechte, verstandige,

stevige grondslag voor wederkeerige achting bestaan heeft, als bij hen

het geval is.

Nu is 't een zekere waarheid, dat er menschen zijn die volkomen

overeenstemmen en harmonieeren in de dingen des geestes,—die van

dezelfde boeken houden, dezelfde verzen aanhalen, dezelfde beginselen

voorstaan, dezelfde godsdienst belijden,—en die toch, wanneer zij het

eenvoudigste dagelijksche ding samen te doen hebben, ieder oogenblik aan

het kibbelen raken en met elkander in botsing komen, eenvoudig omdat er

voor iedereen, in zijn gewoonten en hebbelijkheden, in zijn sympathiën

en antipathiën duizenden kleinigheden zijn, waarmee de rede niets te

maken heeft, waarop de wetten der logica niet kunnen toegepast worden,

en die men al te kinderachtig rekent, om er den invloed der godsdienst

op te laten gelden,—duizenden kleinigheden waarover men het toch

eindelijk eens moet worden, zal men zamen rustig wonen en leven.

Onderstel eens, dat een blauwe meerkol aan een lijster het hof maakt

en 't jawoord krijgt en met haar huwt. Gedurende het engagement zullen

zij zeker wel allerlei minnekozerijen gehouden hebben over de zaligheid

van een vrij leven, over 't geluk om zich in de blauwe zomerlucht te

verliezen. Mijnheer Meerkol zal wel heel deemoedig in verrukking gekomen

zijn, als hij zijn leelijk gekras met de liefelijke zangen van juffrouw

Lijster vergeleek. Maar, eens met elkander vereenigd, beginnen zij over

„zaken” te praten. Hij is vast overtuigd, dat een gat in een hollen

boom de eenige geschikte plaats voor een nest is; zij weet zeker, dat

zij daar binnen de maand van de vocht en van rhumatiek zou sterven.

Zij heeft er nooit van gehoord, dat men ergens anders een huishouden

opzette, dan in een lief, klein nestje, opgehangen aan een zwiepende

populiertak; hij weet zeker, dat hij, eer de zomer voorbij was, aan

duizeligheid zou lijden door dat onophoudelijk zwaaien in zulk een

logies,—hij zou er zeeziek van worden,—hij mag er niet aan denken!

_Zij_ weet nu, dat hij haar niet lief heeft, want dan zou hij er nooit

aan gedacht hebben, haar in een oud vermolmd gat van een verrotten boom

op te sluiten; en _hij_ weet nu, dat zij niet van hem houdt, want dan

zou zij hem toch 't leven niet willen vergallen, door hem te laten

draaien en zwaaien, zooals geen ordentelijke vogel kan uitstaan. Beiden

staan stijf op hun stuk, en hoe zullen zij een van beiden overtuigd

worden, dat wat hem het beste dunkt, daarom nog niet het beste is? De

natuur weet daarop een middel, en daarom paren blauwe meerkollen niet

met lijsters: en van daar komt er geen gekibbel in de huishouding der

vogels.

Maar, mannen en vrouwen, even verschillend in hun smaak en in hun

gewoonten als blauwe meerkollen en lijsters, engageeren zich en trouwen

met elkander, en beginnen een nest te bouwen, _alias_ een huishouden op

te zetten, met even krasse en even onberedeneerde vooroordeelen, als de

partijdige ingenomenheid van juffrouw Lijster met een slingerend nest en

van mijnheer Meerkol met een vermolmden boom.

Onze Leander en Hero dan, die van daag hun optrek in orde brengen,

zullen mijn meening juist van pas toelichten. Beiden zijn tot nog toe

niet veel meer dan kinderen geweest,—beiden afgodisch vereerd in den

kring, waarin zij zijn groot gebracht, als toonbeelden van goeden

smaak;—natuurlijk hebben beiden het zeer eigenaardige van dien smaak

vrij wat verscherpt en veel daaraan toegegeven. Zij koesteren voor

elkander waarachtige, innige achting en liefde, die op den hechtsten

en heiligsten grond steunt: omdat er overeenstemming tusschen hen

bestaat in de hoogste aangelegenheden. Beiden zijn edel van hart

en diepgevoelig,—beiden uiterst beschaafd, schrander, kiesch van

smaak,—beiden waarachtig godsdienstig; en toch moet ik u zeggen, dat

het eerste jaar in de geschiedenis van hun huwelijksleven geen anderen

naam verdient, dan: _een jaar van gevechten_.

Ja, die beiden geliefden, zoo trouw, zoo innig verknocht, in menig

opzicht zoo voortreffelijk, kunnen zich in 't echtelijk leven niet met

elkander vereenigen, zonder dat er een opbruising volgt, even hevig als

bij 't vermengen van loogzout met een of ander zuur; en 't zal niet uit

te maken wezen, wat de meeste schuld daaraan heeft, het zuur of het

loogzout, omdat beide van de beste qualiteit zijn.

De reden daarvan is, dat beiden „stijf op hun stuk staan,” en dat er

geen twee menschelijke wezens te vinden zijn, die altijd en in alles

volkomen overeenstemmen. Beiden hebben een zeer bepaalden smaak en zijn

zeer beslist in hun keus. In de eenvoudigste dingen hebben beiden een

_gevoelen_, een bepaald gevoelen,—dat zij voor geen geld ter wereld

zouden opgeven. Er is geen wensch zoo gering, geen kleinigheid zoo

nietig, dat zij niet zouden weten, wat zij er van verlangden,—en daarin

kan noch redeneering noch vloed van lieve woordjes verandering brengen!

't Is een heerlijke morgen, stralende van licht en geluk: in haar

luchtig ochtendgewaad, met haar keurig sluitende laarsjes, klimt ze over

de kisten en koffers, die in de veranda uitgepakt zijn; en hij, zalig in

't bezit van zulk een lief vrouwtje, kan 't haast niet dulden, dat zij

die bevallige voetjes gebruikt, en zoekt allerlei voorwendsels, om haar

telkens over de kisten heen te tillen en in triomf naar haar nieuwe

woning te voeren.

De kleeden zijn gelegd, en nu zullen de meubelen ingedragen worden.

„Zet de piano maar voor het raam,” zegt mevrouw.

„Neen, niet voor het raam,” zegt mijnheer.

„Wel beste! 't spreekt immers van zelf, dat zij voor het raam moet

komen. Wat zou zij ergens anders leelijk staan. Ik heb de piano's nooit

anders dan voor de ramen zien staan.”

„Lieve! je wilt toch het mooie uitzicht, hier uit dit raam, niet

wegnemen door er een piano voor te zetten. De beste plaats is dáár, in

den hoek. Probeer het maar eens!”

De kleine vossen · 第 5 / 12 段