was _het_ huis van het dorp—een echt Amerikaansch huis,—vierkant,
ruim, ouderwetsch, aan de helling van een heuvel gebouwd, in 't midden
van een groep zware, oude olmboomen, die er met hunne lange, altijd
wiegelende takken en bladen over heen hingen. Onder dat priëel stond op
een effen grasperk het groote witte huis, met neergelaten zonneschermen
en van weerskanten met keurig gestopte en geverfde schuttingen: het stak
tusschen de andere huizen uit als een echte Farizeër. 't Was een huis
om, bij wijze van model, met een étiquette er op, onder een stolp te
zetten, maar zooals meestal met die huizen bij ons het geval is, ge
zoudt op het eerste gezicht gedacht hebben, dat er geen levend schepsel
in was,—geen deur of raam stond er open, geen schijn of schaduw van
leven was er in te zien. Het eenige wat nog deed vermoeden dat er
menschen in woonden, was de dunne, blauwachtige rook, die uit den
keukenschoorsteen omhoog steeg.
Maar nu, die menschen zelven.
Zoo gij ooit in den winter uit logeeren gegaan zijt, is het u dan wel
niet eens overkomen, dat men u een ijskoude woonkamer tot slaapvertrek
gaf, die sinds onheuglijke tijden tot een koelmiddel voor logé's had
gediend,—een kamer, die nooit de warmte van het dagelijksch huizen of
van het dagelijksche zonnetje kent, maar het heele jaar door gesloten
blijft, met de luiken potdicht,—een kamer, die van geen ander vuur
weet, dan van het ceremoniëele, dat even vóórdat gij te bed gaat, wordt
aangelegd in een atmosfeer, waar gij uw adem kunt zien? Heugt het u nog,
hoe moeielijk het was, warm te worden in een bed, waarop toch niets aan
te merken viel, met heldere linnen lakens en sloopen, maar dat glad en
koud was als ijs? Eindelijk gelukte het, maar dat het gelukte, kwam
alleen van de warmte, die uw eigen lichaam van alle kanten liet
uitstralen.
Juist zoo is het met enkele families, waar gij, een bezoek aflegt. Er
valt evenmin iets op aan te merken, als op de versche beddelakens, maar
koud zijn zij, zóó koud, dat gij al uw levenswarmte noodig hebt, om hen
aan het praten te krijgen. Eerst, als ge pas gekomen zijt, denkt ge, dat
zij iets in uw nadeel gehoord hebben, of dat gij hun invitatie niet goed
begrepen hebt, of dat gij met den dag in de war zijt; doch neen, gij
bemerkt in den loop van 't gesprek, dat gij wél zijt uitgenoodigd, dat
gij wél verwacht werd, en dat zij voor u alles doen wat zij kunnen, en
u behandelen, zooals zij meenen, dat een logé moet behandeld worden.
Zijt gij nu hartelijk en vroolijk van aard, en gaat ge maar stilweg uw
gang, dan ontdooit gij langzamerhand een klein plekje om u heen in den
huiselijken kring en, op 't punt van vertrek begint gij waarlijk te
denken, dat het u wel bevallen zou nog wat te blijven, en vat het plan
op later eens terug te komen. 't Zijn aardige menschen; zij mogen u
graag lijden; eindelijk zijt gij u bij hen t'huis beginnen te voelen.
Drie maanden later gaat gij hun weer een bezoek brengen, maar ziet,
alles is er juist als van ouds bij uw eerste kennismaking. Het kleine
plekje, dat gij ontdooid hadt, is weêr dichtgevroren: van voren af aan
moet ge met ontdooien beginnen om op nieuw de verstijfde vrienden zoo
ver te brengen, dat zij in staat zijn tot het voeren van een ordentelijk
gesprek.
Reeds den eersten avond, toen ik met den ouden heer Evans en zijn
familie in de holle voorkamer zat, begreep ik klaar en duidelijk, hoe
Emilie's brieven zoo veranderd waren. Ik geloof waarlijk, dat onze
kamers den geur der dagelijksche conversatie, die er in gehouden wordt,
in zich opnemen; ik ken er ten minste, die zoo statig en deftig zijn,
dat zelfs het vroolijkste katje of de onbeschaamdste jachthond er van
verbijsterd raakt. Zoodra gij binnenkomt, voelt ge dat het niet mogelijk
is, daar anders dan uiterst fatsoenlijk te wezen, daar anders te zitten
dan stijf rechtop en over andere dingen te praten, dan over iets, dat
heel leerzaam en heel nuttig is.
Inderdaad was de geheele familie uitermate leerzaam, zeer op beschaving
gesteld en wanhopig nuttig. Geen goed werk, geen liefdadige onderneming
kon in den omtrek op touw gezet worden, waarvan zij niet de ziel en
het leven was. De rechter Evans was de steun en de staf van het dorp.
Mevrouw Evans werd „in de poorten geprezen wegens al de werken” en
eigenschappen der deugdelijke huisvrouw, die Salomo beschrijft: „het
hart haars heeren vertrouwde op haar”. Toen ik hen dien eersten avond
ontmoette, zaten zij deftig en stijf, elk in zijn hoekje, ter weêrszijde
van den grooten, statigen schoorsteen, met den glimmenden koperen haard
tusschen zich in. Op den mantel prijkte aan ieder eind een tinnen
kandelaar en in 't midden een snuiterbakje. Mevrouw Evans paste hare
woorden nauwkeurig af, onuitputtelijk in die alledaagsche termen en
fatsoenlijke formules, waarmeê men gewoon is, zooals 't heet, de
conversatie met vreemden gaande te houden. Haar dochters spraken nu en
dan meê, maar nooit vóór haar beurt en nooit ongepast, stipt naar de
regelen der grammatica en rhetorica, zoodat het duidelijk te merken was
hoe beschaafd, hoe welopgevoed en hoe verstandig zij waren. Maar bij
dat alles werd ik zoo huiverig en kreeg ik zulk een vreemd gevoel van
benauwdheid, dat ik er over begon te denken, of ik niet langzamerhand
versteende en hier en daar al met een dunne laag van kristallisatie
bedekt werd.
Bij zulk een soort van onderhoud kan men, zonder eenig gevaar, zijn
gedachten laten afdwalen; en daar ik niet veel meer was dan een
instrument, dat nu en dan op den rechten tijd in den juisten toon moest
invallen, keek ik den ouden heer Evans aan, die daar zoo statig, zoo
stijf en zoo koud zat, en dacht bij mij zelven, of hij wel ooit een
jongen,—of mevrouw Evans wel ooit een meisje geweest was,—of ze ooit
met elkaar gevrijd hadden, en hoe hen dat was afgegaan.
Ik dacht om den haarlok van Emilie, dien ik in den schrijflessenaar van
Johan had zien liggen in de dagen toen hij verliefd op haar raakte,—om
die verliefde buien, waarop ik mijn deftigen en statigen vriend wel eens
had betrapt, als hij met Emilie in den maneschijn of op romantische
plekjes aan 't wandelen was—en ik (lastig genoeg!) hen tegen kwam—en
ik vroeg mij af, of de modellen van deftigheid, die daar voor mij zaten,
zich ooit door zulke menschelijke zwakheden hadden laten meeslepen.
Ik kon mij even goed voorstellen, dat de statige tang hare beenen
zou opnemen en de pook zou gaan zoenen, als dat immer of ooit deze
eerwaardige personen zich aan zulk een uitgelatenheid hadden schuldig
gemaakt. Maar hoe waren zij met elkander in kennis gekomen? en hoe was
het mogelijk, dat ze ooit getrouwd waren?
Ik keek naar Johan en meende, dat ik hem langzamerhand zag verstijven,
om het evenbeeld van zijn vader te worden. Hij was al een heel
eind op weg, voor zooverre iemand van vijf en twintig jaar op een
twee-en-zestiger lijken kan: even statig en recht, even stil, even
ingetrokken. Daarop keek ik naar Emilie: ook zij was veranderd—zij,
die wilde, vroolijke meid, die wij met al haar eigenaardigheden innig
liefhadden—dat vrije stukje levenspoëzie, vol kleine excepties, aan
geen regels te binden, maar alleen te bedekken onder den wijden mantel
der „dichterlijke vrijheden.” Zoo als zij daar nu tusschen de twee
dames Evans zat, meende ik een zekeren angst in haar levendige oogen te
zien,—een gedwongen toeleg, alsof zij probeerde, nu eens lief te zijn
op een geheel nieuwe manier. Zij was onrustig bij enkele grappen, die ik
uitkraamde, en keek angstig naar mama in den hoek; zij deed haar best om
te lachen en mij op te vroolijken; nu eens zag zij mij aan, alsof zij
een goed woord voor hen woû doen, en dan scheen ze met haar oogen tegen
hen te zeggen, dat ze 't mij niet kwalijk moesten nemen. Zoo als 't wel
meer bij zulke gelegenheden gaat voelde ik een goddeloozen trek, om
allen te ergeren. Ik had grooten lust, Emilie op mijn knie te nemen
of eens duchtig met haar te stoeien, Johan een stomp te geven op zijn
stijven rug, en aan een dier jonge dames Evans voor te stellen, een wals
te spelen, om dan, voor het aangezicht zelf en in tegenwoordigheid van
't eerwaardige paar in den hoek, als een wilde man rond te draaien: maar
„de klopgeesten” waren mij te sterk: ik dorst niet.
Ik dacht aan den argloozen, vrijen omgang van Emilie en Johan, toen ze
geëngageerd waren,—aan de kleine plagerijtjes, half uit verliefdheid,
half uit ondeugendheid, waarmee ze hem nu eens aanhaalde en dan weêr de
wet stelde. _Nu_ noemde zij hem „Evans,” met al de gemaaktheid van een
deftige matrone. Hadden zij haar die fraaie manieren tusschen man en
vrouw voorgepreekt? Denkelijk niet. Als ik toch afging op hetgeen ik nu
reeds voelde, was het duidelijk, dat ik zelf, eer ik in dit huishouden
veertien dagen gelogeerd had, al wat mij eigen was en van den hier
heerschenden toon afweek, geheel zou verloren hebben, even als de boomen
hun bladeren verliezen, na de eerste strenge vorst. Ik begon te merken,
dat ik langzamerhand stijf werd; mijn moed verkleumde. Ik wilde een
verhaaltje opdisschen, maar moest er vrij wat aan veranderen, omdat
ik aan de lucht rondom mij gevoelde, dat sommige gedeelten er van wat
te sterk gekleurd waren; en even als iemand, die op 't punt van te
bevriezen alles doet om zich lenig te houden, maar eindelijk overmand,
zijn bewustzijn voelt wegzinken, werd ik half mal in mijn hoofd en kreeg
een onweerstaanbaren lust, om iets zóó onfatsoenlijks of onzedelijks te
zeggen, dat zij met hen allen in eens van hun stoel sprongen. Schoon ik
nooit van profaneeren hield, hunkerde ik er letterlijk naar, om een plat
of gemeen woord te pas te brengen, dat plotseling eene verschrikkelijke
beroering zou maken in deze betooverde molenkolk,—in één woord, ik
was zoo bang, om zulk een dwaasheid te begaan, dat ik al vroeg opstond
en zei, zoo vrij te zullen zijn, om naar bed te gaan. Emilie sprong
aanstonds van haar stoel op—'t was alsof haar een pak van het hart
viel,—en bood mij aan, mijn blaker te halen en mij naar mijn kamer te
brengen.
Zoodra ze mij binnen de kille wanden van de logeerkamer gebracht had,
scheen zij op eens onttooverd te zijn. Zij zette den blaker neêr, liep
naar mij toe, viel mij om den hals, drukte haar hoofdje aan mijn borst,
en lachte en schreide en noemde mij haren goeden ouden jongen. Zij trok
mij aan mijn bakkebaarden, kneep mij in mijn oor, doorsnuffelde mijne
zakken, danste om mij heen, alsof ze dronken van pret was, bestormde mij
met eene menigte vragen, zonder op antwoord te wachten; in één woord, de
jolige geest van vroegeren tijd scheen eensklaps weder vaardig over haar
te worden, toen ik ging zitten en haar op mijn schoot nam.
„Het is mij weer zoo eigen, dat ik je hier zie Christoffel! Het is mij
nu net, of ik nog thuis ben. Hé, t'huis! dat was toch alles—en die
beste pa, die lieve ma! Er is nooit zulk een t'huis geweest!—iedereen
deed daar wat hij maar wou, niet waar Christoffel?—en wij hielden veel
van elkaâr, niet waar?”
„Emilie!” zei ik in eens, en wel wat voorbarig, „je bent hier niet
gelukkig!”
„Niet gelukkig!” zei ze, en schrikte er half van, „waarom denk je dat?
Och, je hebt het glad mis, ik heb al wat mij gelukkig kan maken. Ik zou
heel onredelijk en ondankbaar zijn, als ik het niet was. Ik verzeker je
dat ik gelukkig, heel gelukkig ben. Natuurlijk zijn zij hier niet, zoo
als zij bij ons t'huis waren. _Dat_ kon ik niet verwachten,—alle
menschen zijn niet eveneens,—maar toch, als je ziet, dat de menschen
zoo goed zijn, wel, dan is het immers natuurlijk, dankbaar te wezen en
je gelukkig te voelen. 't Is beter voor me, weet je, dat ik niet zoo
opgewonden ben: ik moet me wat bedaard leeren houden. Zij zijn hier
allen zoo goed voor me, zij zijn altijd bedaard,—zij doen nooit iets
verkeerds. O! ze zijn verwonderlijk knap en braaf en....”
„En pleizierig ook?” vroeg ik.
„Och, Christoffel! ik zal daar maar niet te veel van zeggen. Zij zijn
zeker niet zoo pleizierig in den omgang als bij ons t'huis; maar zij
zijn nooit boos, zij knorren nooit, zij zijn altijd in een goed humeur;
en wij moeten er niet te veel aan denken, dat wij leven om gelukkig te
zijn: wij moeten er meer aan denken om knap en braaf te wezen—is 't
niet zoo?”
„Dat spreekt als een boek, Emilie? maar met dat al schijnt Johan zoo
stijf als een stok en heeft de huiskamer hier veel weg van een
grafkelder. Je moet niet toelaten, dat zij een steen van hem maken.”
Haar gelaat betrok een beetje.
„Johan is hier heel anders,” antwoordde zij, „dan hij bij ons aan huis
was. Hij is heel anders opgevoed dan wij,—o heelemaal anders; en als
hij weer in zijn oude huis is, aan zijn oude werk, op zijn oude plaats
bij zijn vader, moeder en zusters, dan gaat hij ook den ouden weg weer
op. Hij houdt nog evenveel van mij als vroeger, maar hij toont dit niet
op dezelfde manier en ik moet leeren, begrijp je, daarin te berusten.
Hij is altijd druk bezig, hij zwoegt den geheelen dag, en altijd maar
voor mij; en mama zegt, dat het voor ons vrouwen al zeer onredelijk is,
van onze mannen eenig ander bewijs van liefde te verlangen, dan het
groote bewijs, dat ze den geheelen tijd voor ons werken. Zij knort
nooit op me, maar ik weet dat zij mij voor een bedorven kindje houdt,
en zij heeft mij dan ook bij zekere gelegenheid eens verteld, hoe zij
Johan opgevoed heeft. Zij had hem nooit verwend: zij liet hem, toen
hij nog maar zes maanden oud was, alleen slapen; zij had hem van den
eersten tijd af, nooit anders de borst gegeven dan op vaste tijden,
onverschillig hoe hard hij ook schreeuwde; nooit liet ze hem krom praten
en nog veel minder mocht iemand hem krom voorpraten, maar zij deed
haar uiterste best, dat hij meteen alle woorden precies en duidelijk
uitsprak; zij moedigde hem nooit aan zijn liefde door kussen of
liefkozingen te toonen, maar leerde hem, dat het eenige waaruit ze
zien zou, dat hij veel van haar hield, stipte gehoorzaamheid was. Ik
denk nog dikwijls om 't geen Johan mij verteld heeft, dat hij eens naar
haar toeliep en zijn armen om haar hals sloeg, toen hij zonder zijn
voeten te vegen binnengekomen was, maar dat zij zeer bedaard zijn armen
losgemaakt en gezegd had: „Johan! dit is niet de rechte manier, om te
toonen, dat je veel van mij houdt. Ik zou het veel liever gehad hebben,
dat je bedaard was binnengekomen en je voeten afgeveegd hadt, dan dat je
mij een zoen komt geven, als je vergeet te doen wat ik gezegd heb.””
„Die oude, stijve hark!” zeide ik op een heel oneerbiedigen toon, want
ik was toen nog maar drie-en-twintig.
„Hoor eens, Christoffel! ik wil geen woord meer met je spreken, als je
op zulk een toon begint te praten,” zeide Emilie en zette een lip, al
flikkerde er iets erg ondeugends in haar oogen. „Ik moet je toegeven,
dat zij die dingen wel wat al te ver trekt, maar ze is toch zoo goed. Ik
zei het maar, om Johan te verontschuldigen en je eens te vertellen, hoe
hij opgevoed is.”
„Die arme jongen!” zeide ik. „Nu weet ik, waarom hij zoo ongenaakbaar
en zoo gesloten is. Geen beter hart is er dan het zijne, dat hij daar
wegstopt in die vesting, met de valbrug hoog opgehaald en met diepe
grachten in de rondte.”
„Zij hebben allen een best hart,” zeide Emilie. „Zou je denken, dat zij
hem niet lief had? Eens, toen hij ziek was, heeft zij zeventien nachten
achtereen bij hem gewaakt, zonder uit de kleeren te komen; zij wou in
al dien tijd haast niets gebruiken: Jansje heeft het zelve mij verteld.
Zij houdt meer van hem dan van zich zelve. 't Is soms vreeselijk, zoo
gedurig gespannen als ze is over 't een of ander, dat hem raakt: alleen
uit _beginsel_ is zij zoo koud en bedaard.”
„Ik noem het een duivelsch beginsel!” zeide ik.
„Christoffel! je begint waarlijk wat al te grof te worden.”
„Ik sprak zóó in vollen ernst,” zeide ik. „Wie anders dan de Vader des
kwaads verzon ooit zulke streken, om wat waarachtig goed is te maken
tot iets dat ons tegenstaat, en het edelste in ons zóó achter slot en
grendel te houden, dat wij er voor 't grootste deel van ons leven niets
aan hebben? Wat nut sticht een vuur van brandende liefde als het niemand
verwarmt, en niets anders doet dan de ziel, waarin het besloten is, door
de hitte te verteren? Onderdrukte liefde raakt aan het kwijnen en werkt
op duizenderlei verkeerde wijzen. Die drie vrouwen, dunkt me, leven
hier met elkander als drie bevroren eilanden en weten even weinig van
elkanders inwendig leven af, alsof zij door eeuwige ijsbergen gescheiden
waren,—en dat alles omdat een vervloekt beginsel in het hart der moeder
haar er toe gebracht heeft, de natuur geweld aan te doen.”
„Ja,” hernam Emilie, „somtijds kan ik Jans beklagen; zij is zoo wat
van één jaren met mij: en zoo'n meisje als ik, denk ik natuurlijk,
of—ten minste ze kon net zoo wezen. Voor een dag of wat zag zij er zoo
betrokken en akelig uit, dat ik haar onwillekeurig vroeg: of zij niet
wel was? De tranen kwamen haar in de oogen; doch mama keek haar strak
aan en zei droog weg:
„„Jansje! wat scheelt er aan?”
„„Och, Ma! ik heb een vreeselijke hoofdpijn en al mijn leden doen mij
zeer.”
„Ik wou meteen opstaan, en iets voor haar klaar maken—gij weet, dat wij
bij ons aan huis van de leer zijn dat eene zieke moet opgepast worden;
maar mama zei nog altijd even droog:
„„Och, Jansje! je hebt waarschijnlijk kou gevat; ga naar de keuken, en
zet wat lindebloesem, en neem een voetbad en ga dadelijk naar bed;” en
Jansje ging gedwee heen.
„Ik had groote lust, om met haar te gaan en alles voor haar klaar te
maken; maar—'t is wonderlijk,—hier aan huis durf ik nooit iets voor
een ander doen, en mama keek mij aan, toen zij weg ging, en zei met een
veelbeteekenend knikje:
„„Zoo leef _ik_ er altijd meê; als een van de kinderen ziek is,
vertroetel ik ze nooit; dit is de beste manier om hen te leeren er niet
veel beweging van te maken.””
„Verschrikkelijk!” zeide ik.
„Ja, 't is verschrikkelijk,” zeide Emilie, diep adem halende, alsof het
haar goed deed, dat zij haar hart eens lucht kon geven, „'t is akelig
om te zien, hoe die menschen, die ik weet dat toch veel van elkander
houden, schoon ze onder één dak wonen, nooit een vriendelijk woord voor
elkander over hebben, nooit eens lief voor elkander zijn,—en zoodra er
een ziek is, even als of het een ziek beest was, die maar aan zijn lot
overlaten, om alles alleen te dragen. Maar dat moet anders worden: ik
moet en ik zal mij bij ze indringen. Ik zou bij Jansje willen gaan
zitten en haar aanhalen, haar hand vasthouden en haar hoofd betten; al
hinderde haar dat nog zoo en nog zoo in 't begin, want zij moet toch
leeren, hoe men een ziek mensch op een christelijke manier oppast. Ik
zal haar nu en dan een zoen geven, al neemt ze 't ook op als een kat,
die niet gewoon is gestreeld te worden; en al noemt ze mij honderdmaal
een malle meid—ik weet toch wel, dat zij 't op 't laatst pleizierig zal
vinden. Waar dient het toch voor, dat zij zoo vreeselijk teruggetrokken
en koud, en zoo zuinig met hun liefde zijn? Als een van hen eens
gevaarlijk ziek werd of hem iets overkwam, de anderen zouden alles voor
hem over hebben; kwam er een te sterven, ze zouden radeloos wezen: maar
't zou alles verkropt, alles stil weggelegd worden in dien diepen,
kouden smoorkuil; zij zouden er niet over kunnen spreken; zij zouden
elkander niet kunnen troosten; zij zijn niet in staat het hart voor
elkander uit te storten: zij _kunnen_ dit letterlijk niet.”
„Ja,” zeide ik, „'t gaat hun net als den fakirs, die hun arm zoo lang in
de hoogte houden, totdat hij geheel stijf en niet meer te bewegen is;
net als de ongelukkigen, die doof geboren, nu ook niets kunnen spreken,
omdat zij nooit hun spraakorganen leerden gebruiken. Zij zijn opgevoed
even als de kleine jongens in de middeleeuwen, die een stijf en stevig
harnas aankregen, dat alle jaren vergroot werd, totdat ze eindelijk
volwassen waren en zij er zoo precies in pasten alsof het hun om de
leden gegoten was. Wie zóó wordt opgevoed, blijft altijd een hark en zal
nimmer worden, wat hij had kunnen zijn.”
„Och, zeg dat niet, Christoffel! denk eens aan Johan; denk er eens aan,
hoe goed hij is.”
„Ik denk er aan, hoe goed hij is,” zei ik driftig, „maar ik denk er
ook aan, hoe weinigen dat weten. Ik geloof, dat hij—ook met het
teederste, trouwste, welwillendste hart, met het fijnste gevoel voor
vriendschap—bij de wereld voor een koud, trotsch, zelfzuchtig mensch
doorgaat. Als uw openhartig, levendig karakter de poorten niet
ontgrendeld en de deuren niet geopend had, zou hij nooit de liefde eener
vrouw gekend hebben; en nu is hij nog maar half ontdooid; hij dreigt
iederen dag weer tot ijs te worden.”
„Daar zal ik wel op passen. O, ik ken het gevaar, dat daarvoor
bestaat. Ik zal hem onder de menschen brengen. Ik zal ze wel weten te
veranderen! Zij beginnen meer en meer van me te houden, dat merk ik wel;
vooreerst, omdat ik de vrouw van Johan ben en alles wat van Johan is,
volmaakt is; en vervolgens....”
„Vervolgens omdat zij dag aan dag de ragfijne draden van hun koud
systeem van terughouding om je heen denken te weven, die, al vaster en
vaster en al strakker en strakker gespannen, je net zoo stijf en zoo
doodelijk zullen maken, als zij zelven zijn. Je doet mij denken aan onze
arme kleine eend: heugt je dat nog?”
„Wel zeker, dat arme beest! wat kon hij 't lang uithouden, en in de
rondte zwemmen, terwijl de vijver gedurig meer dicht vroor en het open
plekje, waar hij zich nog in bewegen kon, met den dag al kleiner en
kleiner werd, maar 't was zulk een moedig beest, dat....”
„Dat wij hem op zekeren morgen eindelijk in 't ijs vastgevroren vonden,
en dat hij voor altijd mank was.”
„O, maar ik zal niet vastvriezen”, zei ze lachende.
„Pas maar op, Emilie! gij zijt teergevoelig, meêgaande en niet sterk; 't
ligt geheel en al in je aard, om je naar anderen te voegen en alles voor
hen in te schikken.
Een enkel eendje, zoo als gij, hoe warm ook van bloed en hoe luchtig van
hart, kan toch de vorst uit den heelen vijver niet houden. Terwijl je
nog eenigen invloed hebt, moet je dien gebruiken, om Johan uit dezen
kring weg te rukken, weg naar eene andere plaats, waar je hem geheel
alleen voor je zelven bezit.”
„Och, er wordt immers een huis voor ons gebouwd, dat weet je wel; wij
zullen gauw een eigen huishouden hebben.”
„Waar? vlak bij, onder 't bereik van 't geschut dezer vesting, waar je
heele huishouding tot in de minste kleinigheden alle dagen met een
inspectie bedreigd wordt.”
„Maar mama mengt zich nooit ergens in, ze geeft nooit raad,—of ik moet
het haar vragen.”
„Dat kan best zijn, maar zij heeft toch invloed; ze leeft toch, ze kijkt
toch, zij is er toch; en zoo lang zij er is, en zoolang je huis onder
den rook van dit huis staat, zal de oude tooverkring je man weer
begoochelen—en je kinderen ook, als je ze krijgt; 't zal in de lucht
zitten,—'t zal je vastklemmen en overweldigen—'t zal je huis regeeren
en je kinderen opvoeden.”
„O neen, nooit nooit! Dat zou ik nooit willen! Als God mij ooit een kind
mocht geven, dan zal ik het niet op die nare manier groot brengen.”
„Dan, Emilie! zal de beste kracht van je leven, altijd door, stil en
onmerkbaar, maar niet minder zeker, afslijten omdat al je wenschen en
gevoelens onophoudelijk zullen aanschuren tegen den kouden onwrikbaren
molensteen van hunne overtuiging; het zal een gevecht op leven en dood
zijn met een bedaarden, onzichtbaren doordringenden geest, die zich
nooit in een eerlijk gevecht vertoont, de lucht verpest die je inademt
en je nacht noch dag rust laat. Allen hier aan huis hebben zooveel
goeds en edels en verstandigs—hun doel is zóó heilig hun invloed zóó
krachtig, hun braafheid zóó groot,—dat het je zijn zal, alsof hun wil
geheel overeenstemt met hetgeen je eigen geweten je zegt en ge niet
beter kunt doen, dan u geheel naar hen te plooien en u aan hen te
onderwerpen. Zij hebben een vaster wil, een vaster karakter, dan gij
hebt; altijd heen en weer geslingerd, nu eens om te doen wat zij willen,
en dan weer om je eigen zin te doen, zult gij nooit toonen wat je kunt:
't zal altijd tobben blijven en nooit tot een goed einde komen.”
„Och, Christoffel! waarom ontmoedig je me zoo?”