vervulling onzer dagelijksche plichten benoodigd, verbruikt en ons
uitput en ontstemt juist dan en juist daar, wanneer en waar wij vooral
gezond en opgeruimd moesten zijn, dan zou hij iets zeggen dat geen
zijner hoorders zou kunnen ontkennen. Als hij er dan bijvoegde, dat
bals, die 's avonds ten tien ure beginnen en 's nachts te vier ure
afloopen, de kracht uitputten, de zenuwen verzwakken, en iemand geheel
ongeschikt maken voor de vervulling zijner huiselijke plichten, dat zou
alweêr iets zijn, dat zeer weinig menschen hem zouden betwisten. Als
hij verder beweerde, dat het verkeerd is bedorven lucht in te ademen
en de maag zóó met ongezonde lekkernijen op te vullen, dat men er dagen
achtereen gejaagd en knorrig van is, dan zou hij evenzeer iets in 't
midden brengen, dat door niemand zou geloochend worden, en de hoop mogen
voeden, dat zijn preek niet geheel zonder vrucht zou blijven.
Het beste middel ter beoordeeling, of eenig vermaak al of niet
geoorloofd is, bestaat hierin, dat wij er op letten, welken invloed het
daags daarna heeft op onze zenuwen en op ons humeur.
Elke uitspanning moet altijd,—zoo als het woord reeds
aanduidt,—ontspanning zijn; ze moet ons opfrisschen, vernieuwen, ons
lichaam of onzen geest bij beurten tot rust brengen en ons een vroolijke
opgewektheid geven, om het dagelijksch werk weêr op te vatten.
Geen krachtiger argument tegen alle prikkelende middelen,—onverschillig
of ze opwekkend dan of ze bedwelmend zijn,—dan de waarheid, dat ze
gelijk staan met een wissel, waarbij men te veel disponeert,—dan de
opmerking, dat ze in één uur de kracht uitputten, die voor geheele dagen
bestemd was.
Door te veel werk, te veel zorg, te veel uitspanning verbruikt iemand
al den gewonen wettigen interest van zijn zenuwgestel. Onvoorziens wordt
hij om 't een en ander aangesproken. Hij moet een moeilijke rekening
opmaken, een verhandeling of een preek stellen, en hij windt zich op met
een kop koffie, een sigaar, een extra glas; in één woord, hij handelt
juist als een doorbrenger, die eerst den interest van zijn geld heeft
verteerd en nu zijn kapitaal aanspreekt. Alle kracht, die hij op deze
wijze verkrijgt, gaat van zijn hartebloed af: hij borgt het van een
onbarmhartigen schuldeischer, die mettertijd niet rusten zal, eer hij
voor 't geleende hem 't pond vleesch uit het lijf heeft gesneden.
Bezinksel van zulk eene overprikkeling,—anders niet,—is meestal
de gemelijkheid, die 't huiselijk geluk verstoort. Er zijn er, die
koffie drinken, en toch dagelijks bekennen, dat zij er zenuwachtig
van worden; er zijn er, die zich met tabak, anderen die zich met wijn
of sterken drank bedwelmen, en om eenige oogenblikken in de wereld te
schitteren, zichzelven en hun huisgenooten lange uren bezorgen, waarin
vriendelijkheid of innemendheid ver te zoeken is. Er zijn er die zich
Christenen noemen,—ellendige slaven, altijd in schuld bij de natuur,
altijd over meer beschikkende dan hun inkomen is, altijd hun kapitaal
van levenskracht opterende, omdat zij den zedelijken moed niet hebben
een onwaardige neiging te onderdrukken.
't Is hetzelfde geval met die tallooze inwilligingen aan de tong gedaan,
die van de maag meer vergen dan zij doen kan, en al de jammeren eener
indigestie veroorzaken. Voor iemand die aan hardnekkige verstoppingen
lijdt, is 't niet mogelijk zich als een goed Christen te gedragen;
maar een goed Christen moet aan geen hardnekkige verstoppingen lijden.
Verstandig zichzelven te beheerschen en aan dwaze inwilligingen geen
voet te geven dat is 't beste middel tegen alle verstoppingen. Menigeen
is een lijder en maakt ook de zijnen tot lijders, alleen omdat hij
altijd maar voortgaat met te gebruiken wat hij weet dat hem niet dient.
Maar de zucht, om te veel over onze krachten te disponeeren en ze bij
wijze van voorschot te gebruiken openbaart zich niet alleen in ons
dagelijksch bedrijf, in onze uitspanningen, of in de streeling van ons
gehemelte,—ze ontstaat ook door verleidingen, die vrij wat gevaarlijker
zijn, omdat ze met onze zedelijke godsdienstige vermogens in verband
staan. Er is ook op godsdienstig gebied een versnelde polsslag, een
overspanning, die ons onverbiddelijk naar den afgrond der gemelijkheid
voert. Zelfs Paulus werd in den derden hemel niet opgetrokken, of hij
voelde later den scherpen doorn in het vleesch, den engel des Satans,
die hem met vuisten sloeg.
Juist voor hen, die een meer dan gewoon godsdienstig gevoel bezitten, is
de verzoeking het grootst, om er in 't openbaar al te veel aan toe te
geven, zoodat na de overspanning ontspanning volgt en hun geen kracht
overblijft, om in het huiselijke leven anderen met een goed voorbeeld
voor te gaan.
Dominé X preekt van daag alsof hij een engel was; hij verliest zich
in de sferen eener hoogopgewondene godzaligheid, waar zijne hoorders
hem alleen uit de verte kunnen naoogen; hij verhaalt hun van den
overwinnaar, die de wereld overwint; van het onwrikbaar geloof, dat
geen lijden vreest; van dien vrede der liefde, door niets op aarde te
verbreken: en allen zien hem aan met stille opgetogenheid, en wenschen,
dat zij zich ook zoo konden verliezen!
Helaas! de overspanning, die hem zoo verheven doet spreken, die
hemelsche verrukking, is een dubbel en driedubbel voorschot, dat hij van
de natuur borgt,—en zijn vrouw, die onder zijn gehoor zit, denkt er bij
wat al donkere dagen van reactie haar voor de deur staan! Veertien dagen
lang is hij door een stormvlaag van wilde opgewondenheid voortgezweept,
waarbij hij twee, driemaal zooveel van zijn krachten vergde, als ze
geven konden, en telkens tot den prikkel van sterke koffie zijn
toevlucht nam. Hij heeft nacht op nacht zieken bezocht of stervenden
getroost en alle dagen menigte van vrome bezoekers te woord gestaan,
terwijl hij nog wel meende al sterker en sterker daaronder te worden,
omdat hij met iederen dag prikkelbaarder en meer opgewonden werd. Met
zijne hooggekleurde ingevallen wangen en zijn glinsterende oogen, ziet
hij er voor zijne hoorders uit als een geest, die gereed staat de wieken
uit te slaan om naar eene hoogere wereld te zweven; maar voor zijne arme
vrouw belooft dit alles heel wat anders. Haar instinkt als vrouw en als
moeder zegt haar, dat hij met beide handen zijn levenskapitaal aantast,
dat er een vreeselijke afrekening volgen moet en dat er vele, vele
donkere dagen zullen komen. Hij, die zoo roerend heeft gesproken over
den vrede eener ziel, die in God hare rust vindt, zal het geschreeuw
van zijn jongste kind of het ronddribbelen van zijn oudste niet kunnen
verdragen: hij, die zoo dierbaar preêkte van de volkomene overgave
des geloofs, zal zich doodsbenauwd maken voor de slagersrekening en
sidderen van angst, dat het tractement zeker op zal wezen, eer het
nieuw kwartaal nog verschenen is; en hij die op zoo treffende wijze het
zwijgen van Jezus onder den grievendsten smaad wist voor te stellen, hij
zal maar al te vaak een onbedacht woord aan zijn mond laten ontglippen.
De arme X zal dagen en weken achtereen ziek naar den geest en in 't
geheel niet in staat zijn, Christus op zulk een wijze te prediken, als
de meest afdoende van allen is: namelijk door zijn handel en wandel.
Maar hoe nu, moeten wij dan het werk des Heeren niet werken?
Ja zeker; doch het voornaamste werk des Heeren, waarvoor in de eerste
plaats moet gezorgd worden, is: een voorbeeld als Christus te geven.
Beter is het jaren achtereen gestadig en ijverig in stilte te werken,
zonder het aanwenden van eenigen prikkel, die het gestel overspant,
beter is het elken dag slechts zooveel kracht te verbruiken, als de
nacht door zijn rust weer herstelt, en het gesprokene op den kansel toe
te lichten door het gedrag in den huiselijken kring,—dan nu eens in
opgewondene overspanning en straks weer in doffe neerslachtigheid het
leven door te brengen.
Wat op de preekers van toepassing is, geldt evenzeer van de hoorders. 't
Vervullen van onze godsdienstplichten moet even als onze uitspanningen
beoordeeld worden naar den invloed, dien het heeft op ons leven.
Indien al te veel bidden, zingen en preeken ons vermoeid, zenuwachtig
en knorrig maakt, dan is het nagenoeg even verkeerd als al te veel
uitspanning.
Het zou wel te wenschen zijn, dat er dagelijks in iedere buurt een paar
stille en stichtelijke godsdienstige bijeenkomsten gehouden werden,
die 's morgens en 's avonds aller harten gedurende eenige plechtige
oogenblikken als tot één huisgezin vereenigden, en zonder opzien
te wekken de lamp des geloofs en der liefde, door haar gestadig te
voeden, brandende hielden. Dezen geest ademen enkele van dagelijksche
bidstonden, die, acht of tien jaren geleden in eenige steden van
Nieuw-Engeland begonnen, hun rustig karakter niet verloochend hebben;
deze geest heiligt ook de morgen- en avondgodsdienstoefeningen, tot
onze blijdschap bij de Episcopalen in gebruik. Al wat de godsdienst in
bestendige aanraking met het dagelijksche leven brengt, zoodat het een
recht gezond en blijmoedig leven wordt, begroeten wij als een bode van
een beteren dag. Niets is beter voor den welstand van ons lichaam dan
dagelijksch gebed. Daarin ligt het uitnemendste middel om de zenuwen tot
bedaren te brengen en de zorgen te doen vergeten. Mag ik niet hopen, dat
eerlang alle Christenen het daarmeê eens zullen zijn en dat alle buren
als één gezin zich rondom één altaar zullen vereenigen, om niet alleen
voor zich zelven, maar ook voor elkander te bidden?
De slotsom van onze geheele redeneering is dan:
Leg altijd wat weg, om uw te-huis er mee op te vroolijken, en bewaar
dat weggelegde even trouw als de priesters de toonbrooden in den tempel
bewaarden. Hoe hoog uw rang zij, hoe gewichtig en heilig het ambt door
u bekleed, gij wint niets met het verwaarloozen van uw huiselijke
plichten. Spaar u zelven zooveel dat gij in staat zijt, te dragen en te
verdragen, te geven en te vergeven, en levenslust en vroolijkheid te
verspreiden rondom den huiselijken haard.
Als de laatste profeet des Ouden Verbonds het werk van den voorlooper
van den Messias wil karakteriseeren, dan zegt hij:—wat denkt ge wel?
„Hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart
der kinderen tot de vaderen; opdat ik niet kome, en de aarde met den ban
sla!”
Maar al genoeg over 't geen men doen kon, om die ziekelijke
prikkelbaarheid te voorkomen. Dat ze toch nog voortdurend vele
slachtoffers maken zal, is toe te schrijven aan de volgende redenen:
Vooreerst: 't Gebruik van tabak, wijn, sterken drank en dergelijke
prikkelende middelen, van geslacht tot geslacht volgehouden, heeft het
hersen- en zenuwgestel in die mate aangetast, dat het lang zoo sterk
niet meer is als vroeger. Uitvoerig heeft Michelet dit onderwerp in een
zijner jongste werken behandeld; en wij hebben een opkomend geslacht te
verwachten, dat, met een bedorven zenuwgestel geboren, niet dan door
onophoudelijke en verstandige zorgen tegen ziekelijke prikkelbaarheid
kan bewaard blijven.
Er is een temperament, dat men het MELANCHOLISCHE noemt, aan veel
menschen, zelfs aan de edelste, aan de rijkstbegaafde eigen,—een
stoornis van 't evenwicht tusschen de zenuwkrachten, waaruit nu eens
hooge opgewektheid en dan weêr diepe neêrslachtigheid volgt,—eene
erfenis, rampzalig wie haar bezit, al gaat zij ook dikwijls met
groote talenten gepaard. Zelfs is zij nu en dan het treurige deel van
ongelukkigen, die geen talenten bezitten, en die derhalve hare lasten
en kwellingen te verduren hebben, zonder haar vergoeding te genieten.
Wie zulk een temperament bezitten, zijn blootgesteld aan vlagen van
neêrslachtigheid en wanhoop, van zenuwlijden en prikkelbaarheid, waarbij
ze de gansche wereld met een somber waas overtogen zien en zich een
geheel verkeerde voorstelling maken van zich zelven, van hunne vrienden,
van hunne levensomstandigheden en van alles, wat hun overkomt.
Voor hen, die daarmede behebt zijn, is het zeker 't allerverstandigste,
dat zij zich zelven en hun zwak leeren kennen, dat zij begrijpen, hoe
deze aanvallen van neêrslachtigheid en moedeloosheid even goed een
ziekteverschijnsel zijn als koorts of kiespijn,—en dat het aan deze
ziekte eigen is, het hoofd met valsche voorstellingen op te vullen,
waardoor zij in hun eigen oogen ellendige en hatelijke schepsels zijn,
waardoor hunne beste vrienden onrechtvaardig en onvriendelijk schijnen
en waardoor al wat er gebeurt er uitziet, alsof het geheel verkeerd is
en op het ontzettendste verderf uitloopt.
Als iemand maar weet, dat hij zulk een temperament heeft, en het
voor een ziekelijk verschijnsel erkent,—dan is hij de bezwaren en
kwellingen, die er aan verbonden zijn, reeds half te boven. Hij zal dan
in die uren van bitterheid niet wagen zoo te spreken en te handelen,
alsof alles waarheid was, wat hij denkt en gevoelt en ziet. Hij, wien
deze wijsheid ontbreekt, stort over zijn gezin en zijn vrienden de
wateren der bitterheid uit: hij kwetst door onbillijke beschuldigingen,
en vergalt het huwelijksleven der zijnen door inbeeldingen, die hij wel
voor waarheid houdt, maar die even valsch zijn als de visioenen van een
koortslijder.
Een verstandig man, die aan deze kwaal lijdt, maar weet wat hem scheelt,
zal zich stellig voornemen te zwijgen, om de sombre gedachten, die hem
pijnigen, niet onder woorden te brengen.
Een zeer ontwikkelde en aardige vrouw, die nu en dan aan zulke vlagen
leed, zei eens tegen mij: „Er zijn tijden, mijnheer, dat ik door den
duivel bezeten ben, maar dan wacht ik mij wel, een enkel woord te
spreken.” Zoo droeg deze verstandige vrouw haren last zwijgend met zich
om, en maakte daardoor op allen, die haar kenden, den indruk, dat zij
een opgeruimd, lief karakter had; en toch, als zij maar een tiende
gedeelte van 't geen in haar ziekelijke uren bij haar omging, had
uitgesproken, zou zij al haar kennissen van zich verwijderd en anderen
even ongelukkig gemaakt hebben, als zij zelve was. Door zelfkennis en
zelfbeheersching was ze nu gelijk aan een zonnestraal, die overal leven
en vroolijkheid wekt.
Dergelijke overwinningen zijn overwinningen van waarachtige heiligen.
Doch wanneer iemand, die aan deze zwaarmoedigheid lijdt, eens in de
verzoeking komt om haar zwaren last door 't gebruik van een of anderen
prikkel te verlichten dan is de strijd reddeloos verloren. Uit deze
soort van menschen, meer dan uit eenige andere, wordt het groote
heirleger van dronkaards en opiumschuivers gedurig aangevuld. De
Hypochondristen behooren, volgens de juiste beschrijving van een hunner,
Dr. Johnson, tot de ongelukkigen, voor wie wel _afschaffing_, maar nooit
_matigheid_ mogelijk is. Zij kunnen, zij willen niet matig zijn. Elke
prikkel, waarmeê zij hun zwaarmoedigheid zoeken te verdrijven, wekt
eene onverzadelijke begeerte naar meer, een brandenden hartstocht. Het
temperament neigt reeds uit zijn aard tot waanzinnigheid. De strengste,
zorgvuldigste en gelijkmatigste leefregel is noodig, om het binnen de
juiste palen te houden; maar het gebruik van prikkelende middelen
verergert het zoo zeer dat het tot razernij wordt.
Alle ouders behoorden bij de opvoeding hunner kinderen toe te zien, of
zich de teekenen van zulk een temperament bij hen vertoonen. Zij doen
zich reeds in de vroegste kindsheid voor; en er kan aan de physieke en
moreele opvoeding van een kind, dat overhelling heeft tot vlagen van
neêrslachtigheid, niet te veel moeite en zorg besteed worden.
't Is volstrekt noodig daarbij alle overprikkeling bij uitspanning,
studie of leefwijze ten strengste te vermijden. Een verstandige
opvoeding zal in menig opzicht de onvermijdelijke kwalen en kwellingen,
aan deze ongelukkige gestellen eigen, kunnen verzachten.
Maar er is nog een andere soort van menschen, die voor 't beheerschen
van hun luimen en humeuren alle wijsheid noodig hebben; ik bedoel die
talrijke klasse, wier ongelukkige omstandigheden 't onvermijdelijk
maken, dat zij zich altijd overspannen en overwerken, zoodat zij elken
avond uitgeput en doodaf zijn. Ik denk aan die slovers, dagelijks onder
een al te zwaren last gebukt: neen! uw stuurschheid, uw knorrigheid moge
meêwarige zielen bedroeven, toch vertoornt ze ons niet. Ik denk aan die
moeders, met een troep kleine kinderen altijd bij haar en om haar, met
een zuigeling die haar nacht noch dag rust gunt: aan die huisvaders die
met al hun tobben en zwoegen 't gebrek ter nauwernood buiten de deur
kunnen houden,—ja, aan allen denk ik, die sloven en slaven en boven hun
kracht onder de lasten des levens gebogen gaan.
Voor u heb ik maar tweeërlei raad, twee middelen om u van de
prikkelbaarheid te genezen, die 't gevolg van uw vermoeidheid is; leer
tegen de menschen te zwijgen en leer tegen God te spreken. Het hart
moet zich uiten of barsten,—maar laat het dan leeren bestendig en
vertrouwelijk gemeenschap oefenen met Een, die aan alle plaatsen
tegenwoordig is en medelijden heeft met al onze zwakheden. Geen beter,
geen ander middel is er tegen uw gemelijkheid en uw klaagzucht. Zoo en
zoo alleen kan er rust ontstaan na de onrust; en kunnen de snaren, die
door overspanning gesprongen zijn, opnieuw gespannen worden, om een
hemelsche harmonie voort te brengen.
TERUGHOUDING.
III.
TERUGHOUDING.
(Het volgende is een getrouw afschrift
van 't geen ik in de huiskamer aan mijn
vrouw en aan Jenny voorgelezen heb.)
Bij onze beschouwingen ligt nu een andere stoornis van ons huiselijk
geluk aan de beurt, nog moeilijker te overwinnen, dan een van de beide,
waarover ik reeds gesproken heb.
In het formulier der algemeene Schuldbelijdenis onzer Kerk spreken wij
twee dingen uit: „Wij hebben nagelaten, wat wij hadden moeten doen
en gedaan, wat wij hadden moeten nalaten.” Dit tweeledig artikel zegt
aangaande onze onvolmaaktheid alles, wat er van te zeggen is.
Juist hetgeen wij niet gedaan hebben, maar hadden moeten doen: juist
hetgeen wij niet gezegd hebben, maar hadden behooren te zeggen, is het
onderwerp, dat ik nu aan de orde gesteld heb.
Ik herinner mij uit mijn schooljaren, dat ik dikwijls zat te mijmeren
over 't geen ik in een oud „scheikundig handboek” gelezen had, dat
er namelijk in alle lichamen een zelfstandigheid voorhanden is, die
warmtestof heet, maar dat zij, zoolang ze in gebonden toestand verkeert
(gelijk bij sommige lichamen 't geval is), noch op onze zintuigen, noch
op een thermometer eenigen invloed heeft en eerst dan, wanneer dit
beletsel is weggenomen, het kwik doet rijzen en onze handen verwarmt. 't
Heugt me nog, hoe ik toen steeds met eerbied en bewondering nadacht over
het groote aantal blinde, doove en stomme krachten, welke de natuur op
deze wijze in voorraad heeft. Hoe zonderling kwam het mij voor, dat arme
huisgezinnen elken winter moesten huiveren en bibberen van kou, terwijl
er toch zooveel verborgen warmtestof in 't geheime magazijn der natuur
was weggesloten,—terwijl ze toch verscholen was in al wat zij
aanraakten en betastten.
In de geestelijke wereld bestaat er een verschijnsel, dat daarmeê geheel
overeenkomt. Er is een groote, levenwekkende, verwarmende macht, liefde
genaamd, die verborgen en onzichtbaar in ons hart bestaat, maar die geen
werkelijk leven, geen koesterend vermogen heeft, voordat zij zich naar
buiten openbaart.
Hebt gij ooit op een ruwen kouden dag even vóór een sneeuwstorm, in een
kamer zitten werken, die op den juisten graad, volgens een nauwkeurige
thermometer, verwarmd was? Gij bevriest niet, maar gij huivert, uw
vingers worden niet stijf van de koû, maar met dat al verlangt gij
toch, dat het warmer was. Gij kijkt naar de kachel, loopt er geheel
werktuigelijk heen, en rilt er van, nu gij merkt, dat er geen vonk meer
in is. Graag zoudt gij een doek of een mantel hebben; ge krimpt van kou
ineen; ge ziet op den thermometer, en 't hindert u dat ge niets geen
reden tot klagen hebt,—want ('t is om boos te worden) hij staat juist
zóó hoog, als alle goede boeken en goede dokters de gulden middenmaat,
de beste temperatuur voor onze gezondheid noemen, en toch, ontaarde!
toch blijft gij huiveren en hebt een gevoel, alsof bij 't gezicht van
een brandenden haard u de hemel zou opengaan.
Er zijn vrij wat menschen, wier gansche leven zulk een doorgaande
huivering is; ze zijn niet warm, al moesten ze, volgens alle regels,
warm zijn,—hun leven is koel en koud en kil,—zij zien nooit het
flikkeren van een brandenden haard.
Ik wil mijn meening duidelijk maken, door een bladzijde uit mijn eigen
ondervinding meê te deelen.
Ik was een en twintig jaar oud, toen ik speelgenoot was van mijn jongste
en liefste zuster Emilie. 't Heugt me nog, hoe ze er bij de inzegening
uitzag, bleek en toch opgewekt, op 't punt van te weenen en toch
overgelukkig, omhuld met lichte wolkjes van gaas en van krullen en van
al de mysteries, die met den bruidsmorgen voor altijd voorbijgaan.
Iedereen hield het voor een gelukkig huwelijk, want haar man was een
aangenaam mensch, flink, waardig, met beginselen zoo goed als goud
en zoo hecht als arduin.—Emilie was altijd zulk een prettig, lief
troetelkindje van de familie geweest, zoo dartel en opgewonden, gevoelig
en zenuwachtig, dat wij zulk een welwillenden, degelijken, bezadigden
echtgenoot juist voor haar geschikt rekenden. „'t Is inderdaad een
besturing van onzen Lieven Heer!” verzuchtten al de oude dames, terwijl
zij gedurende de huwelijks-inzegening, volgens het algemeen gebruik,
niets deden dan zachtjes snikken en de oogen afvegen.
Ik herinner mij nog de drukte van den dag,—het bonte gewoel van
witte handschoenen, van zoenen, van speelnoten en van toasten, van
koffersleutels die zoek en van nestels die gebroken waren, de tranen van
mijn lieve moeder en de onfatsoenlijke pret van Christoffel, die, al
had hij er om moeten sterven, toch maar geen akeligheid in die heele
vertooning kon zien en slechts wenschte dat hij er zelf ook zoo goed aan
toe was.
En zoo reed Emilie van ons weg om haar huwelijksreisje te doen, waarop
wij bijna dagelijks brieven van haar ontvingen, brieven net zoo als zij
zelve was, vol vroolijke, dartele krabbels, tintelende en mousseerende
van dwaasheid en dolheid, en altijd weêr aan het slot: hoe volmaakt en
hoe goed hij was, en hoe lief hij voor haar zorgde, en hoe gelukkig zij
was, enz., enz.
Daarop kwamen er brieven uit haar nieuwe woning. Hun huis was nog niet
gereed, maar terwijl het gebouwd werd woonden zij in bij zijn moeder,
die „zulk een goede, hartelijke vrouw” was, en bij zijne zusters, die
ook „zulke lieve meisjes” waren.
Doch na verloop van eenigen tijd kwam er verandering in haar brieven.
Zij werden korter; zij schenen ons de woorden als toe te tellen; en in
plaats van met luchtige scherts en jolige dwaasheden, waren ze opgevuld
met afgemeten lofredenen op haar huiselijk leven en haar familie-kring,
blijkbaar geschreven, om zich zelve wijs te maken, dat zij werkelijk
gelukkig was.
Johan was nu natuurlijk niet meer zoo dikwijls bij haar: hij had
zijn zaken die hem den heelen dag bezig hielden, en 's avonds was hij
doodmoê. Toch bleef hij altijd even lief en attent; wat had ze al reden
om dankbaar te wezen! Zijn moeder was waarlijk al heel goed voor haar
en deed alles, wat zij billijkerwijze kon verwachten, om haar genoegen
te doen,—natuurlijk dat zij haar 't gemis van mama niet geheel kon
vergoeden,—en Marie en Caroline waren ook heel lief—„voor haar doen”
schreef zij er bij, maar, zij schrapte dat weêr uit en zette er boven:
„heel lief, moet ik zeggen.” Zij waren de beste menschen, die er te
vinden waren—vrij wat beter dan zij was; en zij zou een heelen boel van
hen trachten te leeren.
„Die arme Emilie!” zeide ik toen reeds bij mij zelven, „ik vrees, dat
deze heele lieve menschen langzamerhand zullen maken, dat zij verkleumt
en bevriest.” En toen ik den daaropvolgenden zomer een reisje ging
doen, besloot ik, bij die gelegenheid, van hunne herhaalde uitnoodiging
gebruik te maken en een paar dagen bij hen te logeeren, om te zien hoe
de zaken stonden. Johan was onder de jongelui op de academie bekend als
wat droog en wat saai, maar door en door goed. Ik had zijn vriendschap
weten te winnen door een geregeld beleg van zijn hart, en was hem door
loopgraven genaderd, totdat ik, toen ik eindelijk de vesting veroverde,
er schatten in vond, die mijn moeite rijkelijk beloonden.