met lof dan met berisping. Wacht totdat een onhandige dienstmaagd iets
goed doet, en geef haar daarvoor een prijsje, en gij zult een nieuw vuur
in haar oog zien glinsteren, en kunt er voor 't vervolg zeker van zijn,
dat zij ten minste dit ééne goed zal doen.
Als gij berispt, hetgeen zelden moet gebeuren, laat het dan onder vier
oogen zijn, met de meeste bedaardheid met tact en verstand. De gewoonte,
kinderen en dienstboden in het bijzijn van anderen te berispen, kan niet
te zeer afgekeurd worden. Halstarrigheid en eigengezindheid komen er uit
voort, terwijl eene berisping onder vier oogen misschien in dank zal
aangenomen worden.
Als een algemeenen regel stel ik: behandel kinderen in dit opzicht
eveneens, als of gij met volwassenen te doen hadt; zij zijn volwassenen
in miniatuur, en hebben er evenveel recht op, dat gij hun gevoel
eerbiedigt, als ieder onzer.
Eindelijk, laat ons allen een heiligen krans vlechten van 't geen er
goed en liefelijk is in ons leven, onzen kring, ons dagelijksch werk, en
't geen er goed en liefelijk is in onze vrienden, onze kinderen, onze
dienstboden, en dien dagelijks in handen nemen, totdat prijzen en
opbeuren voor ons gewoonte is. Dat doende, zullen wij één kleinen vos
gevangen en gedood hebben, die maar al te veel jonge druifjes verdorven
heeft.
PRIKKELBAARHEID.
II.
PRIKKELBAARHEID.
De kerstdag, die deed het mij; daar ben ik zeker van, en hoe 't zich
heeft toegedragen, zal ik u eens vertellen.
Gij moet dan weten, dat de viering van jaarlijksche feesten en
gedenkdagen altijd bij de familie Crowfield in eere gehouden is; maar
onder al de gedenkdagen van 't heele jaar wordt er geen zoo vroolijk
gevierd als kerstmis.
Laat niemand hierbij zijne archeologische ooren opsteken en ons
vertellen, dat volgens de berekeningen der chronologen de viering van
het kerstfeest een dwaasheid is,—dat het op de duchtigste gronden
vaststaat, dat de heuglijke gebeurtenis, die wij dan herdenken, niet op
den 25sten December plaats gehad heeft. Laat het waar zijn, maar wat
kan ons dat schelen? Als zulk eene buitengewone, heuglijke gebeurtenis
ooit op aarde voorgevallen is, dan is zij zeker 't herdenken wel waard.
't Is de _gebeurtenis_, die wij vieren, niet den _tijd_, waarop zij
voorviel. En indien alle Christenen gedurende achttien honderd jaren,
terwijl zij over duizend andere punten twistten en streden, goedgevonden
hebben, dezen eenen 25sten December aan de verkondiging van Gods
welbehagen in menschen toe te wijden, wie zou dit gebruik dan laten
varen en om een historisch bezwaar de heerlijke kerstdagen willen
missen?
In ons huis dan is Kerstmis altijd een hooge feestdag geweest, een dag,
die reeds den vorigen avond de oogen van ons klein volkje openhield,
daar de kinderen, maar met één oog dicht, gingen slapen, om toch de
eersten te zijn, die vader en moeder een gelukkigen kerstdag wenschten
en een kijkje van den wonderbaren kerstboom hadden.
Ditmaal vierde de geheele stoet van gehuwde broêrs en zusters, zoons en
dochters, met al de kinderen van de familie, een vroolijk feest rondom
een prachtigen kerstboom, die door mijne vrouw en Jenny en mij gemaakt
en versierd was: een werk, dat ons wel acht dagen had bezig gehouden.
Als het jonge volkje meent, dat deze boomen in één nacht en zonder
eenigen arbeid groeien, dan weet het er even weinig van als van de
meeste andere zegeningen, die, zonder dat zij er aan denken, op hunne
hoofdjes neêrdalen. Dat geklauter en geklim, dat loopen en draven, dat
vastbinden en weer losmaken, die schikkingen en verschikkingen, die
vlugheid en vaardigheid om nu hier, dan weer daar te zijn, waskaarsen
zonder tal en gouden loovertjes en andere blinkende voorwerpen aan
de takken te binden, mooie poppen in bevallige standen op te hangen,
de takken recht te houden onder den last van allerlei snuisterijen,
op 't gevaar af dat de waskaarsen onderste boven vallen,—van al die
werkzaamheden was ik, Christoffel, de ziel. Ik bekreunde mij niet
over mijne rhumatisme, ik bekommerde mij niet om mijn waardigheid:
men zag mijn kale kruin nu eens hier, dan weder daar, boven de dikke
sparretakken opduiken. Hier moest ik een goede plaats geven aan een
mooier aangekleed popje, daar een paar nieuwe schaatsen voor Tom aan een
stevigen tak ophangen, nu eens zakken met suikergoed vastbinden en dan
weer een wanhopigen strijd voeren met een weerspannige waskaars die maar
niet recht wou blijven staan. Zonder naar den raad van mijn vrouw te
luisteren, bleef ik dikwijls laat op, sprong vaak in het holle van den
nacht op eens weêr uit mijn bed om nog een kleine verandering te maken,
en was vóór dag en dauw weer bij de hand en met nog andere verbeteringen
bezig. Als die kerstboom een vesting geweest was, die ingenomen, of een
veldtocht, die beraamd en ontworpen had moeten worden, dan kon ik er
niet meer tijd en moeite aan besteed hebben. Mijn ijver overtrof dien
van de bedrijvige Jenny zelfs zoozeer, dat zij het niet kon begrijpen,
of 't moest wezen (zoo als ze met een onbeschaamd gezicht zei), dat
vader al hard op weg was om kindsch te worden.
Maar was die boom op kerstavond niet schitterend verlicht. Waren wij,
ik en mijn jongste kleinzoon, de kleine Tom, niet aan 't hoofd van
den prachtigen optocht met papieren sjako's op het hoofd? Was het
niet een verrukkellijk getrompet en getrommel, terwijl wij rondom onze
schitterenden kerstboom trokken, die met honderden roode en blauwe en
groene waskaarsen prijkte, en op den top een engel met groote gouden
vleugels droeg, waarvan het uitknippen en opplakken mij nachten aaneen
uit den slaap gehouden had? Ik had bergen van bezwaren met dien engel te
overwinnen gehad, en hem, nadat hij zijn linker vleugel verstuikt had,
een week lang als chirurgijn gediend; nog altijd was ik bang, dat die
vleugel weêr uit het lid zou raken op het gewichtig en zalig oogenblik,
dat onze kerstboom vertoond werd. Doch de schikgodinnen waren ons
gunstig; de engel hield zich goed, hij sloeg zijne vleugels zoo wijd
mogelijk uit, en de waskaarsen brandden allen helder en het kleine
volkje was zoo uitgelaten van vreugde, dat het mijne stoutste
verwachtingen ver overtrof; en daarop stoeiden en speelden en zongen
we, zoolang als de kleine oogjes konden openblijven; en zoo brachten
wij onze kerstmis door.
Ik heb nog verzuimd van het kerstmaal te spreken, die keur van spijzen,
waaraan wij zoo heerlijk smulden. Mijne vrouw stelde alle huishoudelijke
overleveringen ten opzichte van dit feest in de schaduw: de kalkoen en
de kuikens, de geleien en de sausen, de taartjes en de pudding, zie,
zijn ze niet geschreven in het Boek der Gedachtenissen, dat tot op dezen
dag bewaard gebleven is?
De feestdagen gingen vroolijk voorbij, en op den nieuwjaarsdag ging ik,
ouder en goeder gewoonte, bezoeken afleggen bij mijne kennissen, terwijl
mijn vrouw en dochter te huis bleven om de vrienden, die ons kwamen
bezoeken, op te wachten. Alles was vroolijk om ons heen, en allen
moesten toestemmen, dat wij nooit zoo'n plezierige week gehad hadden.
Maar een dag of acht later begon ik te merken, dat er een kink in den
kabel kwam. Ik moest een artikel schrijven voor een maandblad, maar het
vlotte niet: ik kon geen letter op het papier zetten. Mijn eten smaakte
mij niet zoo goed als anders, en ik had een duister gevoel, dat er iets
was, dat verkeerd ging. De rekening van mijn steenkolen kwam in, en ik
hield mij overtuigd, dat wij te veel verstookt hadden en dat ons fornuis
een groote zinkput was. Mijn kleinzoons en kleindochters kwamen bij ons
te visite, en ik vond, dat zij een leven maakten als een oordeel; ik
merkte dat zij zonder voeten te vegen binnen kwamen, en in eens viel het
mij in: ze krijgen eene verkeerde opvoeding, ze groeien zoo maar in 't
wild op. Desgelijks zag ik glazen en borden, waar hoekjes uit waren, en
maakte ik hatelijke opmerkingen over de lompheid van de meiden; van ons
glaswerk en porcelein zou wel geen stuk heel blijven. Toen ik een van
mijne papierladen opentrok, zag ik, dat Jenny's sajet uit het laadje,
dat ze gebruikt, bij mijne papieren geraakt was; Jenny begon slordig te
worden; buitendien, sajet is duur, en meisjes brengen nog al wat geld
zoek met het maken van prullen, waaraan niemand iets heeft. Daarenboven
had Grietje mijn pantoffels tot drie malen toe in de hangkast gezet, in
plaats van ze onder mijn schrijftafel te laten staan, waar ik ze noodig
had. Mijn vrouw moest de dingen meer nagaan; de meiden deden alles
verkeerd; 't was vreemd, dat zij 't niet zag.
Aan al die grieven gaf ik van tijd tot tijd lucht in korte, bittere
gezegden, even onbeschroomd, alsof ik nooit een artikel over „kleine
vossen” geschreven had, totdat mijne oogen eindelijk omtrent mijn waren
toestand open gingen.
't Was avond: ik had het vuur juist in den besten bouwstijl opgebouwd,
ik had mijne pantoffels aangetrokken en zat vrij verdrietig het nummer
van een hatelijk tijdschrift open te snijden.
Mijn vrouw kreeg de tang en verlegde even een blokje.
„Engel!” zeide ik, „ik wou wel dat je met je handen van het vuur
afbleef,—je maakt het altijd uit.”
„Ik woû het vuur maar wat meer lucht geven,” zei mijn vrouw.
„Als je telkens aan het vuur komt, dan moet het wel uitgaan.”
Als om dit gezegde te logenstraffen, schoot er een heldere vlam tusschen
de blokken te voorschijn en begon het vuur te branden en met vroolijk
geknap mij te sarren. Zoo er nu iets is, dat een heilige boos kan maken,
dan is het, op zulk een manier door zijn eigen vuur bespot te worden.
Het is een ondragelijke onbeschaamdheid. Ik stak mijne beenen knorrig
uit en raakte daarbij Fidel aan, die zoo geducht begon te blaffen dat
mijne zenuwen nog meer over stuur geraakten. Ik gaf hem nu een duchtigen
schop, opdat hij ten minste een reden tot blaffen zou hebben, en wierp
bij die gelegenheid het werkmandje van Jenny omver.
„Och, papa!”
„Ik woû, dat je met je mandje en kloenen naar de maan liept! 't Is er
hier zoo vol meê, dat men zich haast niet kan verroeren. 't Zijn maar
noodelooze dingen en duur ook.”
„Duur?” zeide Jenny, terwijl zij eene kleur van boosheid kreeg: want als
er iets is, waar Jenny zich op beroemt, dan is het op hare zuinigheid.
„Ja,” zeg ik, „duur,—want zij kosten tijd en geld. Terwijl er honderden
armen zijn, die kleêren noodig hebben, zitten de dames niets anders te
doen dan sajet te verknoeien aan allerlei prullen. Als zij voor de armen
wat maakten, dan kon het nog aangaan, maar allen zijn zij één pot nat:
er bestaat geen werkelijk Christendom in de wereld—niets dan verfijnde
zelfzucht en zinnelijkheid.”
„Lieve!” zei mijn vrouw, „je bent van avond zeker niet wel. Het is er
nog niet zoo erg meê gesteld, als je wel denkt: je bezuurt de kerstweek
nog.”
„Ik ben heel wel. Ik zou niet beter verlangen. Maar ik ben, hoop ik,
nog wel in staat om te zien wat er onder mijne oogen gebeurt; en dan
moet ik je zeggen, vrouw! dat het zoo niet langer kan blijven gaan. Er
moet meer op de kleintjes gelet worden. Daar heb je Grietje,—die meid
doet nooit wat er gezegd wordt. Je bent niet streng genoeg op haar,
vrouw! Zij maakt het vuur met het laatste nummer van de krant aan en zij
verkiest mijn pantoffels niet te zetten, waar zij behooren; en ik kan
mijn studeerkamer toch niet tot een magazijn maken voor Jenny en hare
mandjes en kloentjes en voor al die rommel.”
Juist op dit oogenblik hoorde ik Jenny iets in zich zelve mompelen. Zij
kon hare boosheid over mijn uitval tegen haar sajet nog niet verkroppen;
zij zat, met haar rug naar mij toe, druk door te werken, en zei heel
zacht, maar toch heel verstaanbaar:
„Als _ik_ zoo redeneerde, dan zou men vast zeggen dat ik _knorrig_ was.”
Ik hield mij alsof ik verstrooid van gedachten in het vuur zat te
kijken; maar Jenny's woorden hadden mij aan mij zelven ontdekt. Was
_dat_ het? Was het dan waarlijk zoo, dat het huis, de meiden, Jenny en
haar sajet, Fidel en mijn vrouw even als gewoonlijk waren, en dat het
eenige verschil aan mij, aan mijn knorrigheid lag? Hoe dikwijls had ik
Fidel naar dezelfde plaats gelokt, als waar hij lag, toen ik hem een
schop gaf! Hoe dikwijls had ik, beter gehumeurd dan nu, Jenny een
complimentje over haar net tapisseriewerk gemaakt en gezegd, dat ik het
wel aardig vond, die dameswerkmandjes zoo vertrouwelijk met mijne
papieren te zien omgaan. Ja, het was duidelijk. Niets was veranderd,
behalve alleen dat ik knorrig was.
_Knorrig._ Ik paste dat eenvoudige, ouderwetsche woord op mij zelven
toe, in plaats van te zeggen, dat ik uit mijn humeur of wat zenuwachtig
was, of eenige van die andere verzachtende uitdrukkingen te bezigen,
waarmede wij onze kleine zonden verbloemen. „Daar heb je 't nu al,
Christoffel!” zeide ik bij mij zelven, „je bent een letterkundige, met
een wat prikkelbaar zenuwgestel en een zwakke maag, en je hebt gegeten
alsof je achter den ploeg moest; je hebt je twee weken lang als een
jongen van zestien jaar aangesteld; je bent vroeg opgestaan en laat naar
bed gegaan; en het gevolg er van is, dat je, evenals een zieltje zonder
zorg, in veertien dagen het kapitaal levenskracht, dat veertien weken
had moeten duren, verbruikt hebt. Je kunt geen ijzer met handen breken,
Christoffel! Als de bron van vroolijkheid opgedroogd is, kan je niet
vroolijk wezen; de dingen kunnen er niet voor je uitzien, als toen je
nog in de kracht van je leven was. Als de vloed voorbij is, blijft er
niets over, dan onoogelijk en stinkend slijk, daar valt niet aan te
veranderen: maar jij, Christoffel! kunt je aandoeningen bedwingen—je
kunt weten wat je scheelt,—je kunt voorkomen, dat wat je te veel aan
kerstkoeken gegeten en te veel aan kerstvreugde genoten hebt, neêrkomt
op je vrouw, op Fidel en op Jenny, laat het wezen in den vorm van
venijnige zedepreeken en hatelijke opmerkingen, of in dien van een
duchtigen schop, zooals je aan het arme beest gegeven hebt.”
„Kom hier, Fidel, arme hond!” zei ik, terwijl ik mijn hand naar Fidel
uitstak, die in een hoek der kamer was gaan liggen en mij strak aankeek,
„kom hier, mijn beest! Was de baas knorrig? Kom hier maar. Wij moeten
vergeven en vergeten, oude jongen! niet waar?” En Fidel verrekte zijn
rug haast en verscheurde mijn hart door zijn onophoudelijk
kwispelstaarten.
„En wat jou betreft, poesje!” zeide ik tot Jenny, „ik ben je heel
dankbaar, dat je je gedachten zoo vrij uit gezegd hebt. Je moet mijn
scherpe aanmerkingen maar niet al te veel tellen, en je handwerkjes in
zoo veel laden van mijn schrijftafel leggen als je maar wilt.”
In een woord ik bracht de zaak met allen in orde—en verontschuldigde
mij zelfs bij mijn vrouw, die, tusschen twee haakjes, zoo menigen zomer
en zoo menigen winter met mij doorgebracht heeft, dat zij mij door en
door kent, en mijne knorrigheid dan ook even kalm had verdragen, alsof
ik een kind was geweest, dat een tand kreeg.
„Natuurlijk wist ik wel, Christoffel! wat er aan haperde; vermoei je
maar niet,” zeide zij, toen ik eene verontschuldiging begon, „wij kennen
elkander wel. Maar er is één ding dat je eens moet herinneren: dat je
preek al klaar moest zijn.”
„Welnu dan,” zeide ik, „even als andere beroemde schrijvers, zal ik van
mijne eigene gebreken gebruik maken, en over den tweeden kleinen huisvos
spreken, die
PRIKKELBAARHEID
heet.”
Prikkelbaarheid is meer dan eenige andere gemoedsstemming, een zonde des
vleesches. 't Is niet, zoo als nijd, wrok, wangunst, wraak, een gebrek,
dat wij ons even goed in een geest zonder lichaam kunnen voorstellen:
want inderdaad heeft niets meer van een _lichaams_kwaal dan dit. Er zijn
ongesteldheden, er zijn zenuwaandoeningen zóó hevig, dat we niet kunnen
begrijpen, hoe zelfs de geest van een engel, als hij in een lichaam
moest huizen, dat aan zulke kwalen lijdt, meer zou vermogen te doen dan
geduldig verdragen. Zenuwlijden is het, anders niet: en de aanvallen,
die het arme slachtoffer op anderen doet, zijn even goed een gevolg van
ongesteldheid, als het happen en bijten van een lijder aan watervrees.
Daarentegen zijn er anderen, die beminnend en bemind hun levenspad
bewandelen, overal welkom, hooggeroemd als voorbeelden van 't geen
de godsdienst vermag, en die met dat al om die reden toch weinig lof
verdienen. Hun geest woont in een lichaam, zoo kalm en bedaard, hun
gewaarwordingen zijn allen zoo frisch en krachtig en aangenaam, dat het
hun niet mogelijk valt, de wereld anders dan met een liefdevol oog en in
het vroolijkste licht te bezien. De kwade luim van anderen maakt hen
niet boos; overkropte bezigheden doen hunne zenuwen nooit aan; en hunne
gansche leven lang wandelen zij in den helderen zonneschijn van volkomen
lichamelijke gezondheid.
Zie Fidel eens. Hij is nooit zenuwachtig, nooit knorrig, hij bijt of
bromt nooit, maar terstond na de hevigste mishandeling kwispelt hij u
met zijn staart vergiffenis toe,—en dat alleen omdat de natuur zijn
hondenlijf zoo samengesteld heeft, dat het altijd harmonisch werkt. Was
ieder mensch met een maag en met zenuwen als de zijne bedeeld 't zou
ongetwijfeld beter en gelukkiger in de wereld toegaan. De man heeft
waarheid gesproken die eens de opmerking maakte, dat de grondslag van
alle intellectueele en moreele waarde, op een goed gezond lichaam moet
berusten.
Nu valt het, denk ik, wel niet te ontkennen, dat de vrede en het geluk
van den huiselijken kring meestal groot gevaar loopen, als een der
huisgenooten aan die prikkelbaarheid van zenuwen lijdt. Ieder zal,
wanneer hij over de zaak nadenkt, moeten erkennen dat zijne betrekking
in de maatschappij, het karakter zijner vrienden, zijne waardeering van
hunne deugden en gebreken, zijne wenschen en verwachtingen alle zeer
veel van den staat zijner zenuwen afhangen. Kunnen wij ons niet allen
herinneren, hoe 't ons wel eens gebeurd is, dat wij als miskende
schepselen, wier vrienden allen onredelijk waren, wier leven vol
beproevingen en tegenspoeden was, te bed gingen, en op een heerlijken
morgen wakker werden, toen al deze inbeeldingen verdwenen waren met de
nevelen van den nacht? Onze vrienden waren toch nog zoo kwaad niet; de
kleinigheden, die ons kwelden, schenen ons bij den helderen zonneschijn
belachelijk toe; en wij waren gelukkige menschen.
De levenswijsheid schrijft ons derhalve in dit opzicht twee dingen voor:
vooreerst, te zorgen, dat ons lichaam niet in zulk een prikkelbaarheid
komt, en, ten andere dezen toestand te kennen en te bedwingen, wanneer
wij dien niet kunnen afweren.
Natuurlijk is de eerste regel de beste en toch schijnt dit het minst van
allen erkend en begrepen te worden. Wij hebben tal van voorschriften
voor 't beheerschen van den tong en het karakter; 't is een
modderpoel,—zooals Bunyan naar waarheid gezegd heeft—waarin
karrevrachten van goedkoope raadgevingen geworpen zijn; maar hoe wij
gezond kunnen worden en blijven naar hoofd, maag en zenuwen, zoodat wij
nooit in verzoeking komen om knorrig of driftig te zijn, dat is een
onderwerp, waarover de geleerden, die godsdienstige en zedelijke
voorschriften geven, doorgaans maar los heenloopen.
Zonder mij nu in de physiologische termen te verdiepen, mag ik toch ten
aanzien van ons menschelijk wezen vaststellen, dat er een macht is,
waardoor wij leven, ons bewegen en zijn,—waardoor het hoofd denkt, de
maag het eten verteert, het bloed omloopt, en de verschillende deelen
van ons lichaam doen, wat ze doen moeten. Dit iets—noem het zenuwvocht,
zenuwgestel, levenskracht, hoe of gij ook wilt—kan echter niet
nauwkeurig omschreven worden. Het is bovendien duidelijk, dat de
menschen die kracht in zeer verschillende mate bezitten: enkele brengen
haar voort even als een stoommachine den stoom, en gebruiken haar
voortdurend, zonder dat zij uitgeput raakt; en anderen bezitten er
weinig van en verbruiken haar snel. Wij zeggen wel eens, dat deze of
gene spoedig op is. Van zulk een uitputting zijn de zuiver physieke
gevolgen zenuwachtigheid en prikkelbaarheid. Zoo iemand heeft zijne
zenuwkrachten uitgeput,—even als een jongen, die, wat een heele week
hem moet voeden, op Maandag al opeet, om dan tot den volgenden Maandag
te vasten; of wel, zoo iemand heeft de hoeveelheid zenuwkracht, voor
't geheele lichaam met al zijne deelen benoodigd, voor een enkel deel
geheel in beslag genomen en tot schade der overige deelen verbruikt. Zoo
gaat het dikwijls bij letterkundigen: 't overspannen hoofd verbruikt
voor zich al wat de andere lichaamsdeelen voor een gezonde werking
noodig hebben; de maag heeft geen kracht tot verteren; de afscheiding
der vochten gaat ongeregeld; en het gebrekkig geassimileerd voedsel,
opgenomen in iedere zenuw en vezel, voert met zich iets prikkelends en
scherps, dat een algemeene onrustigheid en onlust veroorzaakt. Zoo
brengt menigeen zijn geheele leven worstelend door, terwijl nauwelijks
een op de duizend dat volkomen evenwicht der deelen, die eigenaardige
harmonie van krachten kent, waaruit een gezonde toestand en als gevolg
van dezen, opgeruimdheid en welwillendheid ontstaat.
Wij, Amerikanen, zijn een zenuwachtig prikkelbaar volk. Vele kinderen,
in de hoogere standen waarschijnlijk de groote meerderheid, komen ter
wereld met zenuwkwalen en hersenontstekingen en maagziekten, die hen
ongeschikt maken voor eenige sterke of langdurige inspanning zonder dat
zij er hinder van hebben, zoodat zij te midden van al hun zwoegen
telkens moeten ophouden en uitzieken. Het leven hier in Amerika is zoo
gejaagd, gaat zoo snel, het klimaat is zoo prikkelend ten gevolge van de
plotselinge afwisselingen in de temperatuur, dat, wie aanleg heeft voor
zenuwongesteldheden, gedurig erger moet worden.
Wanneer men er dus geen gewetenszaak van maakt een deel van zijn
krachten voor huiselijk leven en voor huiselijk verbruik te
besparen—dan moet wel onder zulke omstandigheden de huiselijke kring
dikwijls niet meer voor ons wezen dan toevluchtsoord, als wij _op en af
zijn_.
Papa is na het haastig gebruik van 't ontbijt onophoudelijk in de weer,
en leeft den geheelen dag voor zijn zaak: hij wijdt daaraan alle
krachten van hoofd en hart, van lichaam en ziel toe, en komt dan afgemat
en uitgeput t'huis, zoodat hij het geschreeuw van den zuigeling niet kan
verdragen, en de pret en 't gestoei van de andere kinderen hem nog meer
uit zijn humeur brengen. De kleinen zeggen in hun ronde taal: „Papa is
knorrig.”
Mama gaat uit op partij, tot een twee uur in den nacht: zij zit daar in
een benauwde zaal, eet van allerlei, en is morgenochtend zoo zenuwachtig
dat niemand haar een strootje in den weg moet leggen.
Papa's, die dag op dag zóó hard werken, en mama's, die zóó avond op
avond uitgaan,—wat blijft er van hen over om den huiselijken haard op
te vroolijken en voor hunne kinderen te leven?
Wel zegt de man, dat hij 't niet helpen kan, want dat zijn zaken toch
voorgaan; maar waartoe dient het, tot zulk een prijs zijn geld op te
stapelen? Waarom niet liever wat minder geld verdiend en wat meer tijd
besteed aan 't huiselijk leven, tot vreugd van zijne vrouw en tot nut
van zijn kinderen? Waarom al zijn kracht tot op den laatsten droppel aan
wereldsche bemoeiingen verspild, en aan zijne innigst-geliefden niets
anders gegeven dan den bitteren droesem?
De meeste waarschuwingen, van den kansel en in de kerk tegen overdreven
zingenot ingebracht, hebben niets uitgewerkt, omdat zij verkeerd werden
aangelegd. Er is, bij voorbeeld, een kanonvuur geopend tegen het dansen,
en dat alles om redenen, die den toets volstrekt niet kunnen doorstaan.
't Is dwaasheid het dansen een zonde te noemen, omdat wij leven in een
vergankelijke wereld en ons voor de eeuwigheid moeten voorbereiden.
Als het dansen daarom zonde is, dan is ook knikkeren en stoeien met
kinderen, of veel van lekker eten houden en honderd andere dingen,
waartegen niemand ooit bezwaar heeft ingebracht, dan is dat ook zonde.