Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is |
| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |
| circumflex, met/zonder eind-n, met/zonder koppelteken. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
+----------------------------------------------------------------+
DE KLEINE VOSSEN.
Mevr. H. BEECHER STOWE
DE KLEINE VOSSEN
ZEVENDE DRUK
[drukkersmerk]
ZUTPHEN—W. J. THIEME & CIE.
INLEIDING.
INLEIDING.
„Wel, papa! wat denkt u van den winter in onze avondvoorlezingen te
behandelen?” vroeg Jenny mij.
„Ik denk er half en half over,” gaf ik haar ten antwoord, „eene reeks
van huiselijke preeken te houden over een heel zonderlingen tekst, dien
ik op den zolder in de kist met oude boeken, boven een preek heb zien
staan.”
„Alsjeblieft geen preeken, papa!—dat klinkt zoo vervelend; en met de
winteravonden hebben wij wel wat onderhoudends noodig.”
„Welnu,” zeide ik, „noem ze dan maar redevoeringen of voorlezingen of
verhandelingen of schetsen; ik zie zoo niet op de woorden.”
„Maar wat is dan die wonderlijke tekst, dien u in de boekenkist gevonden
hebt?”
„Er werd eens over gepreekt door den bet-overgrootvader van je moeder,
den welsprekenden en hooggeachten Simon Shutleworth, „bij de gelegenheid
van de treurige verdeeldheden onder de vromen in de stad West Dofield.”
De tekst staat in 't Hooglied, hoofdstuk II vers 15: „_Vangt gijlieden
ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze
wijngaarden hebben jonge druifjes._””
„Dat is al een heel kluchtige tekst, en ik kan niet begrijpen, wat u
daarvan zult maken.”
„Eenvoudig eenige voorlezingen over Kleine Vossen,” zeide ik, „waarmeê
ik die onbeduidende, weinig getelde, _kleine_ dingen bedoel, die aan ons
huiselijk geluk knagen en de reden zijn dat onze huiselijke kring niet
is wat hij wezen moet. Laat men mooie, goedingerichte prachtige huizen
bouwen; laat men de muren met keurige schilderijen, met kunstjuweeltjes
versieren; laten er tusschen die wanden menschen bij elkander wonen, die
door banden des bloeds en der liefde verbonden zijn en dezelfde belangen
hebben; stel u voor dat het allen goede en edele menschen zijn, en dat
er liefde en godsvrucht onder hen heerschen;—toch maken enkele van die
kleine vossen, waarover ik spreken wil, dat in zulk een veelbelovenden
wijngaard de helft van de trossen (zooals ik 't huiselijk geluk zou
noemen) niet rijp wordt. Wij zien dikwijls menschen samenwonen, die,
ten volle bereid, indien 't noodig is, voor elkander te sterven, toch
niet in staat zijn gelukkig met elkander te leven, althans die lang zoo
gelukkig niet zijn, als men uit hunne gunstige omstandigheden opmaken en
van hunne voortreffelijke karakters verwachten zou.
„'t Komt in 't algemeen daar van daan, dat wij aan onzen huiselijken
haard niet alleen het meest toegeven aan ons gevoel, maar ook in al
ons doen geheel ongedwongen zijn; de huiselijke kring is het négligé
des levens, onze achterkamer, ons kleedkabinetje, waar wij menig
dagelijksch, halfsleten pakje achterlaten, als wij naar buiten gaan,
om dáár vrij wat meer op ons doen en laten te letten. Vandaar is het
bekende spreekwoord ontstaan: „Niemand is een held in de oogen van zijn
kamerdienaar,” en van daar ook de gewone waarschuwing: „wenscht gij uw
vriend te behouden, ga dan niet met hem onder één dak wonen.””
„Dat is met andere woorden gezegd:” bracht mijne vrouw in het midden,
„wij zijn allen gebrekkig en onvolmaakt: hoe meer wij met iemand
in aanraking komen, des te meer gebreken merken wij in hem op. De
karakters, die de proef van den dagelijkschen omgang kunnen doorstaan,
zijn even zeldzaam als een klaveren-vier in een weide. Wie ons niet
hinderen en kwellen door werkelijke gebreken, zijn doorgaans zoo flauw
en zoo onbeduidend, dat ze ons vervelen. Iemand van een gelijkmatig,
krachtig, scherpgeteekend karakter, die zich in alles meester is en
niets overdrijft,—waarlijk, zóó iemand aan te treffen, is wel het
laatste dat ge in de wereld vinden zult.”
„Ik wilde maar zeggen,” hernam ik, „terwijl men zich in het huiselijk
leven geheel zoo voordoet als men werkelijk is, terwijl daarin weinig
van die slagboomen en sluiers zijn, waardoor de menschen in het openbare
leven verhinderd worden, elkanders gebreken te zien en op elkander te
hakken en te vitten—is het toch vreemd, dat men dit huiselijk leven
doorgaans met minder nadenken en overleg begint en voortzet, dan ieder
bij de meeste andere dingen, die hij ter hand neemt, noodig acht.
Niemand zal een stoomwerktuig gaan maken, zonder vooraf nauwkeurig
onderzocht te hebben, in welke verhouding de verschillende deelen tot
elkander moeten staan, en zonder zich eerst eens af te vragen, of hij
wel kennis en bekwaamheid en vermogen genoeg bezit, om het goed te doen.
Niemand wordt violist, zonder eerst eens te zien, of zijne vingers wel
lang en buigzaam genoeg zijn, om de accoorden te grijpen en mettertijd
wat beters voort te brengen, dan een akelig gezaag en gekras. Wat zouden
wij wel zeggen van iemand, die zonder zich in het minst om het stemmen
van de instrumenten te bekommeren, een heel orchest samenbracht, en
zich dan de haren uit het hoofd trok, om 't mislukken van zijn concert?
Het is de schuld van de instrumenten niet dat zij met elkander zulk
een schel geraas maken; zij kunnen ieder op zich zelf uitstekend en
onberispelijk zijn; maar let men niet op den aard van elk instrument
afzonderlijk, en voegt men ze dan toch bijeen, dan moet het concert wel
in de war loopen. Nog erger zou het zijn, als iemand zoo dom was dat hij
van een instrument iets verlangde, waarvoor het uit den aard der zaak
niet berekend is,—als hij van de flageolet een solo voor den contre-bas
verwachtte, en de bazuin hard viel, omdat zij niet zoo vlug en zoo rijk
aan toonen is, als de viool.
„En toch is menigeen niet dikwijls even dwaas bij 't opzetten van een
huishouding? Een jongeling en een meisje verbinden zich met elkander,
aangetrokken door zekere geestverwantschap, door eenige overeenstemming
van karakters waaruit wederkeerige toegenegenheid ontstaan is. Men
loopt er in den regel zeer los over heen om te onderzoeken, wie en
wat zij zijn.—Men denkt niet aan den wederkeerigen invloed dien de
beide karakters op elkander zullen oefenen—men beproeft en stemt
de instrumenten niet vooraf, die eene levenslange harmonie of eene
levenslange disharmonie zullen voortbrengen,—en na den korten tijd van
het engagement, waarin hunne onderlinge betrekking zoo verschillend
mogelijk gemaakt wordt van hetgeen zij later na hun huwelijk zal zijn,
meubeleeren deze twee een huis en gaan ze te zamen wonen. Tien tegen
een, dat de huiselijke haard terstond beschouwd wordt als een geschikt
toevluchtsoord voor wederzijdsche betrekkingen en vrienden die ook
al tot het huiselijk concert worden toegelaten, zonder eenigszins in
aanmerking te nemen wat naar alle waarschijnlijkheid de invloed van
het eene karakter op het andere zal zijn, en of al die instrumenten wel
harmonieeren zullen. Dan komen er kinderen, waarvan ieder een wezen, een
wil, een macht à-part in 't gezin is; en zoo ontstaat er, met de lagere
machten van dienstboden en onderhoorigen, een huishouden. Waarlijk,
't is geen wonder, als al deze toevallig bijeengebrachte instrumenten
tegelijk zich laten hooren, dat er nu en dan wel zoo veel disharmonie
als harmonie ontstaat. Want al harmonieeren de man en de vrouw,
misschien komen er wanklanken door schoonmoeder of schoonzuster, terwijl
bovendien met ieder kind, dat een scherpgeteekend karakter heeft, het
gevaar, dat het concert in de war loopt gedurig nog toeneemt. En toch,
al geven wij dit alles toe, toch is er niets op de wereld, dat ons
hooger en zuiverder geluk kan doen genieten, dan het huiselijk leven.
Evenwel, door veredeling en zorg zou het nog veel gelukkiger kunnen
worden. Wel kunt ge goede peren krijgen, eenvoudig door een pit in
den grond te stekken, al laat ge den boom die er uit voorkomt jaren
lang aan zijn lot over; maar fijner en lekkerder zijn ze toch, als de
tuinman den boom zorgvuldig heeft gekweekt en bemest en gesnoeid. Wilde
wijnstokken hebben wel eens overvloedig gedragen en heel lekkere druiven
voortgebracht; maar toen onze vriend Dr. Grant zich met der woon te Iona
neêrgezet had, wist hij door het bestudeeren van de wetten der natuur de
oude soorten zóó te veredelen, dat hij er geheel nieuwe en veel geuriger
uit trok. Zoo zou het ook ons gaan, wanneer al de kleine vossen, die
den wijnstok en den vijgenboom van ons huiselijk leven verderven,
verjaagd en gedood werden: wij zouden er veel heerlijker trossen en
vruchten van inoogsten.”
„Maar papa!” zei Jenny, „om tot de vossen te komen: zeg ons nu eens, wat
zij zijn.”
„Wel, zoo als de tekst zegt, het zijn _kleine_ vossen, de
lievelingsbeestjes van sommige menschen, kleine diertjes, waarvan men
geen kwaad vreest,—over het geheel beestjes, waarvan de menschen
denken, dat zij wezenlijk wel wat goeds kunnen doen, maar in allen
gevalle niet veel kwaads zullen uitrichten. En daar Noach de reine
dieren bij zeven paren in de ark bracht, zal ik mij ook maar tot het
heilige zevental bepalen. Ik noem mijn zeven kleine vossen:
1. VITACHTIGHEID.
2. PRIKKELBAARHEID.
3. TERUGHOUDING.
4. HOOFDIGHEID.
5. ONVERDRAAGZAAMHEID.
6. ONWELLEVENDHEID.
7. ONVOLDAANHEID.
„En hier hebt gij nu,” zeide ik, terwijl ik mijne preek in handen
nam, „wat ik over den eersten kleinen vos te zeggen heb.”
VITACHTIGHEID.
I.
VITACHTIGHEID.
Een alleraardigst diertje, dat vele menschen onverhinderd in hunne
huiselijke wijngaarden laten rondloopen, vast overtuigd, dat het den
groei der druiven bevordert en een uitstekend middel is om ze in orde te
houden.
Nu mag men veilig als een regel stellen, dat niemand het pleizierig
vindt, als een ander iets op hem te vitten heeft, maar dat iedereen zelf
gaarne vit als iets hem niet bevalt.
Lieve lezer of lezeres! is het niet een wezenlijk genot voor ons,
wanneer wij wat kunnen aanmerken op iemand die ons niet aanstaat, of op
iets, dat ons hindert?
Dit schijnt bij den eersten opslag een afwijking van den gewonen regel.
Over het algemeen gaat het zoo, dat hetgeen ons een genot is te doen,
ook voor onzen buurman, wien wij het aandoen, een genot is. Het is een
genot, te geven, en het is een genot, te ontvangen. Het is een genot, te
beminnen, en een genot bemind te worden; een genot, te bewonderen, en
een genot, bewonderd te worden. Het is evenzoo een genot, te hekelen,
maar, 't is _geen_ genot, gehekeld te worden. Integendeel, juist zij,
die door de prikkelbaarheid van hun humeur het meest tot hekelen geneigd
zijn, kunnen 't minst van allen verdragen dat ze gehekeld worden: zij
binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op
de schouders der menschen, maar zij willen die met hunne vingeren niet
verroeren.
Nu bestaat er in dit opzicht eene groote moeilijkheid. Er komen in het
leven dingen voor, die dringend verbetering noodig hebben; om ze te
verbeteren, dient er toch wel over gesproken te worden met hen, die het
aangaat. Dit opent een wijde deur tot vitterij voor anders welgezinde
menschen, en doet hen met een ruim geweten de schuld van alles wat hen
hindert op anderen verhalen. De vader en de moeder van een gezin zijn
vitters _ex officio_ en moeten al de klachten van ieder, die tot het
gezin behoort ontvangen; ja soms wordt de geheele huiselijke hemel door
den kouden mist van die klaagzucht verdonkerd. Zulke misten brengen aan
den wijngaard veel schade toe, en doen den honigdauw op menigen schoonen
tros vallen.
Orestes raakt verliefd op Hermione, omdat zij er zoo lief uitziet als
een maneschijntje, zoo etherisch als een zomerwolk. Hij brengt terstond
het gewone stelsel van aanbidding in praktijk, dat aan het huwelijk
altijd vooraf gaat; hij verzekert haar, dat zij te goed voor deze
wereld is, te teer en te schoon voor iets wat gewone menschenkinderen
doen,—dat zij slechts op rozen moest treden, in de wolken zweven,—dat
zij nooit een traan moest storten, nooit eenige vermoeienis kennen of
zich moest inspannen, maar in een heldere, etherische sfeer leven, die
harer alleen waardig is. Dat alles nu wordt haar in het oor gefluisterd
bij wandelingen of spelevaarten in den maneschijn, en zoo dikwijls
herhaald, dat men het haar niet kwalijk kan nemen, als zij eindelijk
begint te gelooven, dat er toch wel iets van aan moet wezen.
Nu volgt het huwelijk,—en het blijkt, dat Orestes 't heel precies met
zijn koffie neemt, dat hij erg uit zijn humeur is, als het eten niet
juist op het bepaalde uur klaar staat, en dat geen huiselijke schikking
hem bevalt, als ze niet juist overeenkomt met de gewoonten zijner
waardige moeder, die onlangs in den reuk van heiligheid stierf; ook hij
verlangt, dat zijn huis op ieder uur van den dag in de volmaakste orde
zal zijn. Toch stelt hij niet voor, een knappe huishoudster te nemen;
alles moet gedaan worden door een paar onbehouwen meiden, onder het
oppertoezicht van dat engelachtige wezen, dat slechts op rozen treden,
in wolken zweven en nimmer aardsche zorgen kennen moest! Orestes heeft
het dan ook nooit als een staaltje van den plicht eens echtgenoots
beschouwd, een klein ongerief met stilzwijgen te verdragen. Hij zou
gaarne zijn bloed voor Hermione vergieten,—ja hij heeft dit gedurende
't engagement, toen natuurlijk niemand dit van hem eischte en het ook
nergens voor zou gediend hebben, meer dan eens in zijne opgewondenheid
verzekerd! Maar op de idyllische kozerijen van toen, volgen er nu
gesprekken, zoo als deze b. v.:
„Lieve! die thee smaakt naar den rook; kan je Jansje dan niet leeren,
daar beter op te passen?”
„Lieve! ik heb er mijn best al toe gedaan, maar zij verkiest niet te
doen wat ik haar zeg.”
„Nu, ik zeg maar, als andere menschen goede thee kunnen drinken, dat wij
het ook wel kunnen.”
En later aan tafel:
„Beste! dat vleesch is weêr al te gaar; het is ook _altijd_ te gaar.”
„Niet altijd, lieve! Denk maar eens aan Maandag. Toen heb je zelf
gezegd, dat het net goed was.”
„Nu dan, _bijna_ altijd.”
„Och lieve! het kwam van daag, omdat ik vóór den middag visite gehad heb
en niet naar achteren kon om Bregje een pen op den neus te zetten, zoo
als ik gewoonlijk doe. Het is ook een geduchte last, met zoo'n meid te
moeten sukkelen.”
„Bij mijn moeder aan huis ging het toch altijd goed: 't kwam er niet op
aan, wat voor een meid zij had.”
En dan weêr:
„Beste! je moet er de meiden eens wat van zeggen dat zij zoo schandelijk
veel steenkolen verstoken. Ik heb er nooit van gehoord, dat er in zoo'n
klein huishouden als wij hebben, zoo veel door den schoorsteen ging;”
of: „Lieve! hoe is het in de wereld mogelijk, dat je Leentje de courant
laat scheuren?” of: „Lieve! 't zal maar het beste zijn, dat ik niet
meer t'huis kom eten, als er geen mogelijkheid op is, dat het eten op
zijn tijd klaar komt;” of: „Beste! je mag wel eens maken, dat mijn
halfhemdjes wat beter gestreken worden—ik kan ze zoo onmogelijk
voordoen;” of: „Lieve! je moet den kleinen Jan den spiegel in de
zijkamer niet zoo laten bevingeren;” „Lieve! je moet zorgen, dat de
kinderen niet meer op den zolder spelen;” of: „Beste! je moet aan Bregje
zeggen, dat zij de mat niet buiten laat hangen, als zij den voorgang
veegt,” en zoo voort. In één woord, „lieve” moet er voor zorgen, dat
alles boven en beneden, op zolder, in keuken en in kelder geregeld zijn
gang gaat, en zoo niet—dan moet er behoorlijk op gevit worden.
En toch, als Orestes haar, die hij eens zijn engel noemde in tranen
badende vindt, en zij hem zegt, dat hij haar niet meer zoo lief heeft
als vroeger—dan werpt hij die beschuldiging verre van zich af en
verklaart haar, dat hij haar meer dan ooit bemint, en misschien is
dit werkelijk het geval. Het eenige is, dat zij uit het rijk van
rozengeur en maneschijn in het werkelijk leven is overgegaan. Zoolang
zij beschouwd werd als een engel, als een ster, als een vogel, als
een avondwolk, viel er natuurlijk niets op haar te vitten; maar nu
die engel vennoot in de firma van een huishouden geworden is, zien de
zaken er heel anders uit. Als zij beiden nog in dezelfde omstandigheden
verkeerden, zou Orestes hetzelfde nog eens kunnen betuigen, maar
ongelukkig verkeeren zij nu nooit meer in dezelfde omstandigheden.
Orestes is zonder verder na te denken, gewoon al wat hem voor den
mond komt te zeggen. Vóór het huwelijk vereerde en aanbad hij zijn
toekomstige vrouw als een ideaal, dat in het land der droomen en der
poëzie zweefde, en hij deed zijn uiterste best, om haar ongeschikt
te maken voor het werkelijk leven, dat haar na het huwelijk wachtte.
Nog altijd geeft hij nu in zijn trouwen gedachteloos toe aan allerlei
indrukken, evenwel niet meer om te prijzen maar om te bedillen en te
veroordeelen. Juist dat gevoel voor schoonheid en bevalligheid, waardoor
hij haar vóór het huwelijk zoo zeer bewonderde, doet hem nu, als hij de
inrichting van het huishouden nagaat, dagelijks honderd verkeerdheden
zien en aan honderd gebreken ergernis nemen.
Tot nog toe stelde ik mijn teekening eene lieve, meêgaande vrouw
voor, die zich wel gegriefd gevoelt, maar niet boos wordt,—die,
zonder te klagen over verongelijking, zich in haar treurig lot zoo
goed mogelijk tracht te schikken. Ik heb dikwijls zulke ongelukkige,
beklagenswaardige, kwijnende vrouwen ontmoet: ze zagen er uit als
planten, die eerst in de drukkende warmte der broeikas opgekweekt en tot
bloeien gedwongen, nu op eens in de kou van de droge, stoffige huiskamer
overgebracht, verwelken en geel worden en het eene blad na het andere
laten uitvallen.
Maar deze schilderij heeft nog eene keerzijde:—als de vrouw beleedigd
en vertoornd, op haar beurt ook aan 't vitten gaat en met de scherpe
pijlen van haar vrouwelijk vernuft haren man in de voegen van zijn
wapenrusting zoekt te treffen, en zich op die wijze even onrechtvaardig
betoont en nog vrij wat schuldiger maakt.
Wel is het treurig, als twee menschen die vroeger innig nauw met
elkander verbonden waren en juist door hunne liefde, met elkanders
karakter ten volle bekend zijn, deze kennis eenig en alleen gebruiken om
elkander het leven te verbitteren,—wél is het treurig hen elkander het
hart te zien doorboren met zoo veel juistheid, als waartoe ze alleen
door vroegere vertrouwelijkheid en toegenegenheid in staat zijn, terwijl
iedere doodelijke wonde, die zij elkander toebrengen, hun zelven door
het hart gaat,—en dat alles om zulke ellendige beuzelingen, als
doorgaans 't begin van dit ontzettende drama zijn.
Wat zijn het toch meestal onbeduidende dingen, die aanleiding geven tot
een gekibbel, dat de grondslagen zelven der liefde ondermijnt, en alle
geluk verbant uit den huiselijken kring! Een stuk vleesch is niet gaar,
er wordt te veel olie verbrand, er wordt een courant verscheurd, er
worden te veel steenkolen of zeep gebruikt, er is een bord gebroken!...
en voor deze nietswaardige kleinigheden werpen zeer brave, zeer edele,
zeer godsdienstige menschen soms bij handen vol weg, wat de eenige
reden is waarom heele huizen gebouwd zijn en vuur gebrand wordt en al de
omslag is aangeschaft—_hun huiselijk geluk_. Neen! liever koude koffie,
slappe thee, aangebrand vleesch; liever ieder ongerief, ieder verlies,
dan een verlies van _liefde_; en niets doet de liefde zoo spoedig
kwijnen als onophoudelijk vitten.
Want wordt eens tusschen twee menschen, die innig met elkander verbonden
zijn, vitterij tot gewoonte, dan ontaardt zij met der tijd in een
slepende ziekte; zoodat de zachtste, de redelijkste terechtwijzing, ja
elke berisping, hoe zacht ook gedaan, den heftigsten toorn verwekt; en
wanneer deze ziekelijke toestand eens begonnen is, dan schijnt het bijna
onmogelijk dat de liefde nog genezing kan aanbrengen.
Een enkel voorbeeld. Orestes is op zekeren morgen best in zijn humeur en
zegt tot Hermione, terwijl hij een brief van haar in de hand houdt, op
een schertsenden toon, dat zij de staarten van haar _g_'s niet zoo lang
moet maken, maar meteen stuift Hermione op en antwoordt:
„Zeg mij maar eens wat je nog meer van mij verlangt. Misschien zou je
wel zoo goed willen zijn, bij gelegenheid eens een alphabetische lijst
te maken van alle dingen, die ik moet veranderen.”
„Lieve! je bent onredelijk.”
„Dat zie ik niet in. Ik woû wel dat er eens een einde kwam aan die
onophoudelijke aanmerkingen van mijn heer en meester.”
„Maar, beste! hoe kan je dat nu zoo erg opnemen?”
„Och, zwijg er maar over, lieve! Ik heb dat nu zoo dikwijls gehoord, dat
er 't bekoorlijke van de nieuwheid al lang af is.”
„Kom, Hermione! laten we niet kibbelen.”
„Maar, lieve! wie is er met kibbelen begonnen? Ik niet: ik vroeg je
alleen om een lijstje van mijn gebreken. Ik vertrouw, dat ik, als ik
negentig jaar oud word, nog wel eens aan je overdrevene eischen zal
voldoen. Waarschijnlijk is alles van morgen precies in orde zoodat
er niets op te zeggen valt, _en_ de koffie, _en_ het brood, _en_ het
rookvleesch, _en_ de meiden, _en_ de mat in het voorhuis, _en_ de
zolder, _en_ de benedenkamers; daarom moet ik nu zeker een lesje krijgen
over mijn gebrekkige opvoeding. Ik zal de staarten van mijn _g_'s
voortaan wat korter maken, maar dan verwacht ik ook, dat je een lijstje
maakt van alle andere kleinigheden, die nog verbetering vereischen.”
Orestes schuift zijn koffie weg en trommelt op de tafel.
„Als het mij vergund is, één kleine opmerking te maken, beste! dan zou
ik zeggen, dat het niet bijzonder fatsoenlijk is, op de tafel te
trommelen,” zegt zijn schoone wederhelft.
„Hermione! je bent in staat om iemand woedend te maken!” Met dat woord
vliegt Orestes verbitterd de kamer uit, en is stellig voornemens, dien
middag in een restauratie te gaan eten.
Orestes beschouwt zich als een miskend echtgenoot, en houdt het er
voor, dat er zoo'n tweede vrouw niet bestaat,—het onredelijkste
kwaadaardigste schepsel, dat hij ooit ontmoet heeft. Maar hij denkt
er niet aan, hoe alleen door zijn eigen onredelijke, onophoudelijke
vitzucht zijne vrouw zoo lichtgeraakt en driftig geworden is, dat zij de
zachtste berisping over de minst beduidende zaak niet kan verdragen. Wel
heeft hij geen schuld gehad aan de onaangenaamheden van dien morgen; wel
heeft hij niets onbehoorlijks gezegd, en is zij alleen onredelijk en
knorrig geweest; maar eigenlijk ligt toch de schuld aan hem zelven.
Toen Orestes na zijn huwelijk in zijn Hermione inderdaad slechts een
vogel, eene ster, een bloem vond, maar geen huishoudster, waarom
beschouwde hij de zaak toen niet uit het rechte oogpunt? Waarom
herinnerde hij zich niet al die mooie dingen, waarmede hij haar hoofd
een paar jaar lang volgepropt had en waarom eischte hij meer van haar
dan hij bedongen had? Kan een vogel een goede huishoudster zijn? Kan een
bloem het toezicht houden op Jansje en Leentje en voor haar onbesneden
ooren verhevene kunst en de diepste geheimen van een goede huishouding
ontsluieren?
Als zijn jeugdig vrouwtje—gelijk dit met de meeste meisjes het geval
is—haar rol als huishoudster nog moest leeren, ten koste van duizenden
teleurstellingen en duizenden onaangenaamheden, waarom maakte hij haar
dit dan niet zoo gemakkelijk mogelijk? Waarom herinnerde hij zich niet
hoe bewonderend hij vóór hun trouwen tegen haar opzag en hoe vroolijk
hij lachte om haar gulle bekentenis, dat ze zoo onbekwaam, zoo onhandig
in het huishouden was? Toen scheen dat alles bekoorlijkheid en poëzie,
wat nu na het huwelijk een schromelijke last blijkt te wezen.
Maar als een man bemerkt, dat hij een vrouw heeft, die nog weinig
van huishouden afweet, volgt dan hieruit, dat hij niet beter doen
kan, dan alle aanmerkingen op alles wat hem voorkomt, zonder vormen of
complimenten, haar naar het hoofd te werpen? Hij zou op zulk een toon
niet durven spreken tegen zijn schoenmaker, zijn slager, zijn bakker,
of hij zou er toch altijd eenige inleiding, een enkel verzachtend
woord bijvoegen. Toen Orestes nog niet getrouwd was, maakte hij nooit
aanmerking op het eten, dat hij in zijn restauratie kreeg, zonder zijn
woorden vooraf goed te overleggen, om het scherpe van zijn kritiek
wat te temperen. De wetten der samenleving vereischen, dat wij onze
aanmerkingen op hen, die wij buiten 's huis ontmoeten, eenigszins
matigen en den juisten tijd er voor uitkiezen. Maar op zijn eigen vrouw,
in zijn eigen huis mag ieder vitten zonder eenige complimenten of
verzachtende phrases. Dat kan de man ten minste, maar hij kan er zich
dan ook op voorbereiden, dat hij zijne vrouw binnen een paar jaren
geheel veranderd en zijn huis onuitstaanbaar zal vinden. Misschien
ondervindt hij ook, dat zulk een vitterij een spel is, even goed door
twee personen als door één te spelen, en dat een vrouw hare pijlen met
vrij wat meer juistheid en bedrevenheid kan afschieten dan een man.
Doch de schuld ligt niet altijd aan den man. Even dikwijls wordt een
liefhebbend geduldig, goedhartig echtgenoot gekweld en geplaagd en
bestookt door de vitterijen van een vrouw, die naar 't schijnt geen
grooter talent heeft dan de gave om bij den eersten oogopslag de zwakke
zijden van allerlei dingen te zien en aan te wijzen.
De edelaardigste, de welwillendste mannen zijn dikwijls door die
onophoudelijke vitterijen de knorrigste en ruwste echtgenooten geworden.
Verzekerd, dat toch niets wat zij doen goed gevonden wordt, zijn zij
geëindigd met niets te doen. Voldoen kunnen zij toch niet: waarom zouden
zij 't ooit weêr beproeven?
Ik heb een man gekend, die met een bedorven kindje in het huwelijk trad.
Er was geen eind aan haar grillen, haar eischen, haar pruilen. Eindelijk
had hij, om rust aan zijne zenuwen te geven, besloten, zich voor het
uiterlijke om haar niet meer te bekommeren; hij hoorde haar wenschen
met dezelfde onverschilligheid aan als haar klachten, en leefde voortaan
zoo veel mogelijk alsof zij niet bestond. Hij bezorgde in stilte wat
hij dacht dat zij noodig had, zonder zich de moeite te geven, op haar
verzoeken te letten of naar haar grieven te luisteren. Zijne vrouw
werd ziek, maar het hart van den echtgenoot was koud als een steen; er
bestond geen greintje sympathie meer om het te verwarmen. Zij stierf,
en nu ademde hij weêr vrij en had een gevoel, alsof hem een pak van het
hart genomen was. Hij trouwde met een vrouw, die niet mooi maar lief en
goedhartig was, die weinig eischte, zelden laakte, maar dan nog altijd
met tact, omzichtig, bedachtzaam; en de man, vroeger een onverschillig
echtgenoot werd de slaaf van haar wil. Hij was in hare handen als de
leem in de hand des pottebakkers; de minste aanmerking, die zij maakte,
juist omdat zij nooit scherp en nooit ondoordacht was, had meer invloed
op hem dan een vloed van woorden. Zoo verschillend is dezelfde mensch,
al naar gelang van de wijze, waarop hij behandeld wordt!
Ik heb tot nog toe alleen over de gevolgen gesproken, die vitzucht
tusschen man en vrouw voor henzelven heeft, maar nog treuriger zijn ze,
als zij kinderen hebben. Is vitzucht de kwaal, waaraan de hoofden van
het gezin lijden, dan tast ze al de leden aan. Niets ter wereld doet
kinderen zóó zeer, als onverstandige, onbedachtzame vitterij. Dikwijls
is een kind even gevoelig en prikkelbaar als een volwassene maar wezen
kan, en heeft bovendien nog al de gebreken aan zijn leeftijd eigen.
Niets aan hem is nog behoorlijk op orde; hij is in allerlei dingen nog
zwak en gebrekkig en iedereen acht zich volkomen gerechtigd, rechts en
links op hem te vitten, meestal met het gevolg, dat hem eigenlijk niets
meer kan schelen of dat hij een onverdragelijk humeur krijgt.
Een levendige, woelige jongen komt uit school, verlangend om aan zijne
moeder iets te vertellen, dat hij op zijn hart heeft, en het eerste, wat
hij van zijn vader hoort, is:
„Kijk, daar heb je de deur weêr open gelaten! Wanneer zal je dat toch
eens afleeren? En wat zit er een modder aan je schoenen! Hoe dikwijls
moet ik je toch zeggen, dat je je voeten moet vegen?”
„Daar heb je nu waarlijk je pet weêr op de canapé gegooid! Wanneer zal
je toch eens leeren, hem op te hangen?”
„Leg je lei daar niet neêr; dat is er de plaats niet voor.”
„Wat zijn je handen smerig! Wat heb je toch uitgevoerd?”
„Ga niet op dien stoel zitten; je breekt de veren maar met dat
wiebelen.”
„Mijn hemel! wat zit je haar slordig! Ga dadelijk naar boven en kam het
eens uit.”
„Heb je de knoopen weêr van je kiel afgetrokken? Mijn hemel, wat ben jij
ook een jongen!”
„Spreek toch zoo hard niet; je stem gaat mij door merg en been.”
„Zeg ereis, Piet! ben jij het geweest, die dat potje gebroken heeft?”
„Ik geloof zeker, Piet! dat jij zulke schaarden in mijn scheermes
gemaakt hebt.”
„Piet! ben jij aan mijn lessenaar geweest en heb jij die vellen papier
beklad?”
Nu is het de vraag, indien de volwassene leden van 't gezin een
dergelijke reeks van even gegronde aanmerkingen moesten hooren als de
ongelukkige Piet daar voor zijn deel krijgt, of deze niet evenzeer als
Piet uit hun humeur zouden raken?
Zeker wel: maar dat zijn volwassenen, en deze hebben rechten, die men
eerbiedigen moet. Men kan hun niet alles zeggen, wat men alzoo over hun
doen en laten denkt, of, als men het deed, zou er dan niet altijd leven
in huis zijn?
Meiden zijn in den regel niet veel meer dan volwassene kinderen, en
op deze is derhalve wat ik zeide evenzeer van toepassing. Eene ruwe,
onbeschaafde meid, die in een deftig huis komt dienen, heeft op allerlei
dingen te letten. Hier is een gaspijp, daar de buis van de waterleiding,
overal een omslag van allerlei dingen, die in een deftig huishouden
onmisbaar zijn, en waarmeê ze moet leeren omgaan. Let ze er niet op,
allerlei ongerief zal ontstaan, het geheele huis overstroomt, of met
een walgelijken stank vervuld worden. Het dekken van de tafel en het
bedienen der gasten geeft aanleiding tot honderd vergissingen, waarvan
er ééne genoeg is om 't heele gezin in een kwade luim te brengen. Het is
dan ook niet te verwonderen, dat er zooveel gelegenheid tot vitterij in
het huishouden is, en evenmin, dat Mevrouw en de meid vaak op denzelfden
voet met elkander staan als de kat en de hond, die tegen elkander blazen
en brommen. De vrouw des huizes is boos, kwaad, wanhopig, en met reden;
de meid evenzoo, en met even veel reden. Doch laat Mevrouw eens op een
drukkerij geplaatst en, na enkele vluchtige inlichtingen, gelast worden
een courant te zetten, dan is het waarschijnlijk, dat zij even onnoozel
en verlegen zou staan kijken als Kaatje in haar welingericht en prachtig
gemeubileerd huis.
Er zijn menschen, die voortdurend door de meidenplaag (zoo als zij het
noemen) worden geteisterd, even als de zee, waarvan de golven altijd in
beweging zijn. Letterlijk is hunne tafel tot een strik, en tot een val,
en tot een aanstoot voor hen geworden. Hun gas en hun water, hun vuur,
hunne meubelen, hunne ornamenten, zoodra ze in die onbedrevene, lompe
handen zijn, schijnen als zoo vele pijlen in de hand van Satan, die hij
dag en nacht op hunne gemoedsrust afschiet,—zoodat, al moge ook hun
huis in orde zijn, hun humeur en gemoed het zeker niet is.
Ik richt mij thans tot de gewetens van duizenden vrouwen, die, wat haar
wil en voornemen aangaat, onberispelijk mogen heeten. Zoo dikwijls zij
in de kerk komen, stijgen met elken psalm, met elk gebed hare zielen
tot God, tot hemelsche liefde en reinheid en rust omhoog; en zij zijn
nauwelijks weêr te huis of, zich ergerende aan haar eigen verkeerdheden,
moeten zij zich zelve wel verachten, dat ze zoo liefdeloos, zoo driftig,
zoo knorrig, onder alles zoo licht geraakt zijn: hoe komt het? ze zijn
fijne, gevoelige snaren, maar ze geven een wanklank, als een lompe hand
er gedurig op krast.
Spreek me niet van kloosterpijen en geeseling en onthouding! Ze zijn
waarlijk niet noodig. Laat een vrouw hare huiselijke beproevingen
als zulke kastijdingen beschouwen,—ze aannemen,—zich daarin
verheugen,—daaronder stil en geduldig zijn en een hart vol liefde
bewaren en het klooster kan haar niets meer leeren.
Als Kaatje 's avonds den sleutel van de kachelpijp den verkeerden kant
om heeft gedraaid (nadat het haar reeds meer dan honderd malen gewezen
is, hoe zij doen moet): en de heele familie hoestende en proestende
wakker wordt; als het gas in de kinderkamer door Trijntje uitgeblazen,
in plaats van uitgedraaid wordt, schoon zij telkens weêr heeft gehoord,
hoe gevaarlijk dit is,—als de borden, die 's middags op tafel komen
er smerig en streperig uitzien, al hebt ge haar weken aaneen in de
doodeenvoudige kunst van afwasschen en afdrogen geoefend,—als de vorken
en messen met ivoren hechten in heet vaatwater worden gelegd, al kent ze
er de gevolgen van en al is ze tot vervelens toe gewaarschuwd—als een
paar halfbeschaafde wezens boven en beneden, en door het geheele huis
telkens de belangrijkste dingen vergeten, juist op het oogenblik waarop
zij er om moesten denken,—dan is het ongelukkig met de vrouw des huizes
gesteld, zoo zij hare beproevingen niet in de daad en naar waarheid weet
te verdragen en te boven te komen. Het zijn niet alleen apostelen, die
een welbehagen kunnen hebben in nooden en benauwdheden; maar ook moeders
en huisvrouwen, die van den apostel willen leeren om te kunnen zeggen:
„Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.”
De last drukt niet meer, als wij geleerd hebben, hoe wij dien dragen
moeten. Licht valt het dragen, als wij inzien, waar het goed voor is.
Maar zullen wij 't inzien, als er, in weerwil van de woeling der wereld,
rust en kalmte in den huiselijken kring heerschen, dan moeten wij ééne
gave zoeken, die, hoe ook door allerlei dweepers in miscrediet gebracht,
toch een eereplaats verdient onder de Christelijke deugden:—DE GAVE VAN
HET ZWIJGEN.
Geen woorden kunnen uitdrukken, geen tong kan vermelden, hoe groot de
waarde van het NIET SPREKEN is. „Spreken is van zilver, zwijgen is van
goud;” luidt een oud en kostelijk spreekwoord, en terecht zegt Salomo:
„Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en wie zijne
lippen toesluit verstandig.”
„Maar,” brengen vele stemmen daartegen in, „wat moet er van komen, als
wij niet spreken mogen? Moeten wij onze kinderen en onze dienstboden, en
elkander dan niet bestraffen? Moeten wij het kwaad maar stil zijn gang
laten gaan?”
Neen, verkeerdheden moeten gezien, verkeerdheden moeten aangewezen,
bestraft en verbeterd worden. Berisping en vermaning zijn plichten, die
de hoofden van 't huis jegens hun gezin en alle waarachtige vrienden
jegens elkander te vervullen hebben.
Maar goedgunstige lezer! laat ons eens rondzien in 't leven, laat ons 't
gedrag van anderen en ons eigen gedrag eens nagaan en vragen: „Heeft het
vitten op anderen wel altijd verbetering tot doel? Hoe dikwijls is het
tijdig en billijk, juist en weldoordacht? Hoe vaak wordt het op zulk
eene wijze gedaan, dat het eenige vrucht kan dragen?”
„Een wijs bestraffer bij een hoorend oor”, is een van die _zeldzame_
dingen, waarover Salomo spreekt—misschien wel het zeldzaamste, dat
er te vinden is. Hoe weinig waarlijk vrome menschen gaan van een
godsdienstig beginsel uit bij 't vervullen van dezen uiterst moeilijken
plicht! Wij maken aanmerking op een kachel die zoo trekt, dat alle
warmte in den schoorsteen gaat, en niet in de kamer komt. Dat is
geld verkwist, zeggen wij. Even noodeloos schijnt vaak kerkgaan,
gebed en gezang; zij kweeken en bevorderen de beste, de heiligste
gevoelens,—maar als deze zich niet verspreiden door den atmospheer
van het dagelijksch leven en de lucht van onze huiskamers verwarmen,
dan baten ook prediking, gebed en gezang al bitter weinig.
Wij hebben ons in den gebede neêrgebogen met de ootmoedige belijdenis,
dat wij even onhandig in de geestelijke dingen zijn, even ongeschikt
voor het hemelsch Jeruzalem, als Kaatje en Trijntje en de kleine
bedelares op onze stoep voor onze pronkkamers. Wij hebben de
struikelingen, waaraan wij ons iederen dag, ieder uur schuldig maken,
erkend en beleden; wij gevoelen dat de gedachte daaraan ons met smart
vervult, dat het juk onzer overtredingen ons zwaar op de schouders
drukt. Maar als wij uit de kerk terugkomen, stuiven wij dan niet tegen
onze dienstboden en kinderen op, omdat zij even onhandig en zorgeloos
in de aardsche dingen zijn, als wij in de hemelsche waren? Matigt de
gedachte aan het onuitputtelijke geduld van onzen Heer ons ongeduld
niet, als wij zeventig maal zeven malen iets gezegd hebben en onze
woorden in den wind geslagen zijn? Waarlijk, ik verdenk de oprechtheid
niet van uw godsvrucht, die gij in de kerk hebt opgedaan;—maar wat wij
noodig hebben is dit, dat wij haar in het dagelijksch leven in praktijk
brengen, en dat het er niet meê gaat zoo als met de kachels, die ik
straks noemde, waarvan al de warmte, voor de huiskamer geheel verloren
gaat en zich in het onmetelijke luchtruim daarboven verliest.
Van de wijze, waarop men moet berispen, geeft de Heilige Schrift ons
treffende voorbeelden. Als Paulus een kastijding heeft toe te dienen
aan strafbare Christenen, hoe uitnemend tempert hij haar door zijn
vriendelijkheid en zijn lof! welk een eervolle melding maakt hij
eerst van al het goede, dat in hen is! hoe stellig geeft hij hun de
verzekering van zijne gebeden en zijne liefde!—en als dan eindelijk de
pijl afgeschoten wordt, treft hij, juist omdat alles met zooveel zorg is
aangelegd, des te zekerder zijn doel.
Doch één is er geweest, grooter, heiliger, en beminnelijker dan Paulus,
die op aarde heeft omgewandeld met twaalf eenvoudige, onkundige,
bevooroordeelde mannen, zóó weinig leerzaam, dat zij zelfs nog op
zijn doodsdag twistten over een punt, dat hij hun meer dan eens
had verklaard, en zijne laatste levensure verbitterden door de oude
twistvraag, wie hunner de meeste zou zijn. Daar niets gebaat had,
bewees hij hun, als een dienstknecht voor hen nedergebogen, uit liefde
de geringste slavendienst en zeide: „Indien ik, de Heer en de Meester,
uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten
te wasschen.”
Leerden echtgenooten, ouders, heeren en vrouwen meer in dezen geest
berispen, hunne berispingen zouden vrij wat meer uitwerking hebben, dan
nu vaak het geval is. Door middel van dien geest maakte Fénelon den
hooghartigen, lichtzinnigen, prikkelbaren en zelfzuchtigen hertog van
Bourgondië tot een edel mensch, nederig, minzaam, toegeeflijk voor
anderen, alleen jegens zich zelven gestreng. Hij had tot zinspreuk
gekozen: „Alleen de volmaaktheid kan de onvolmaaktheid verdragen.”
Maar, ook afgezien van dat berispen met bepaalde bedoelingen, hoe
dikwijls dient vitten nergens anders voor dan om lucht te geven aan
onze knorrigheid! De brandnetel steekt ons, en wij werpen dien met
beide handen op onzen buurman, wij branden ons aan 't vuur, en wie er
toevallig bij zijn, krijgen de kolen en de gloeiende asch, die wij van
ons afslingeren.
Zoo heeft men _nurkschheid_, een kouden motregen van hatelijke
opmerkingen; zoo heeft men _brommigheid_, een noord-westelijke storm,
die van geen bedaren weet; zoo heeft men _opvliegendheid_, een onweêr
met hagel en bliksem. Dat alles is vrij wat erger; het zijn werkelijke
_zonden_ voor ieder, die er aan toegeeft,—zonden, even groot en zwaar
als vele andere waarvoor men in een beschaafde maatschappij terugdeinst.
Al die verkeerdheden spruiten voor het grootste gedeelte alleen voort
uit de zucht om lucht te geven aan onze knorrigheid, die door slechte
spijsverteering of zenuw-overspanning ontstaat. Een dominé gaat met een
overladen maag naar de avondkerk, waar hij preêken moet, maar vindt er
niet meer dan een half dozijn toehoorders. Deze moeten 't nu voor de
anderen, die thuis zijn gebleven, ontgelden. „De kerk gaat te gronde; er
is geen belangstelling meer”—en zoo gaat het een uur lang voort; als de
benauwdheid op de maag wat bedaard is, zal de man ook bedaren.
Wij doen in één week vaak het werk, dat wij in zes moesten doen; wij
overspannen onze zenuwen en hersenen; is 't wel vreemd dat er weken
van gemelijkheid op volgen; waarin alles in huis verkeerd schijnt te
gaan? De meiden waren nooit zoo achteloos, de kindren nooit zoo woelig,
het huishouden was nooit zoo ongeregeld, het land nooit zoo slecht
geregeerd, de wereld nooit zoo goddeloos. Doch eigenlijk is het eenige
verschil tusschen de staat van zaken zooals die nu is en zooals die
verleden week was, dat wij onze zenuwen overspannen hebben en de wereld
nu door een donkeren bril bezien. Waarlijk, indien ooit, _nu_ moesten
wij den duivel der vitterij weêrstaan en hem het stilzwijgen opleggen,
totdat onze zenuwen wat bedaard zijn. Er komen tijden, waarop niemand
zich verstouten moest zijne naasten te beoordeelen, of zijne kinderen en
dienstboden te bestraffen, of zijne vrienden te berispen—tijden, waarop
wij zóó heftig zijn, dat wij geen snaar kunnen aanslaan, of wij doen het
te sterk. Dan is het geraden, te beproeven wat zwijgen vermag en, wat
nog beter dan zwijgen is, de toevlucht te nemen tot de macht van 't
gebed.
Doch als wij op den voorgrond stellen, dat wij _nooit_ mogen brommen,
_nooit_ bedillen, _nooit_ opstuiven, en het toch onze plicht is, anderen
hunne gebreken onder het oog te brengen, dan blijft de vraag over, _hoe_
dit dan geschieden moet. Als antwoord op die vraag heb ik iets van een
paar dames mede te deelen.
Mevrouw Streng is eene voortreffelijke vrouw, en zoo vast van
beginselen, dat men met eerbied tegen haar opziet. Hare begrippen
omtrent goed en kwaad zijn juist en helder; zij is mild voor de
armen, welwillend voor kranken en lijdenden, en innig godsdienstig.
Op alle kleinigheden, die in het leven eener vrouw voorkomen, is zij
onbegrijpelijk nauwgezet. Al wat zij doet, wordt juist zoo gedaan, als
het wezen moet. Zij is letterlijk getrouw aan al hare beloften, en met
alle dingen zoo stipt op den tijd, dat men het bij haar wel zonder klok
kan stellen.
Toch mist mevrouw Streng—niettegenstaande al deze voortreffelijke
hoedanigheden—de groote gave om 't haar huisgezin aangenaam te maken.
Zij lijdt aan de ongeneeselijkste soort van vitachtigheid,—zij is een
vitster uit beginsel. Zij heeft een zeer nauwkeurigen regel voor alle
dingen, zoowel voor den loop der dagelijksche gesprekken, als voor het
dekken van een tafel of het zoomen van een handdoek; en zij acht het
haar plicht, allen in haar huishouden aan dien regel te onderwerpen.
Zelden stuift zij in toorn op, zij is niet brommerig, maar zij regelt
haar huishouden met een onverbiddelijke strengheid, die iedere
verkeerdheid aanwijst, niets over het hoofd ziet en van geen
verschooning weet; zij wil in ieder gedeelte van haar gebied alles
volmaakt hebben; en de pijlen harer berisping worden zoo juist gemikt en
met zulk een kracht afgeschoten, dat zelfs de meest verharde ze voelt.
Al is zij dan ook weinig uit haar humeur en zelden of nooit driftig,
toch maakt zij al haar huisgenooten wanhopig door den bedaarden en
afgemeten toon van haar spreken. De meiden zijn bang voor haar, maar
beminnen haar niet. Haar echtgenoot—een beste man, die echter wat
slordig van aard is—wordt nu en dan wanhopig onder den zwaren last
harer vitterijen. Hare kinderen beschouwen haar als iemand, die op een
hoogen, ontoegankelijken bergtop van braafheid woont en altijd met
donkere oogen van die hoogte neêr ziet op alle ondeugende jongens en
meisjes. Zij kunnen maar niet begrijpen, hoe het komt, dat zulk een
brave mama kinderen kan hebben, die—al doen zij ook nog zoo hun best,
om goed op te passen—toch stellig iederen dag ondeugend zijn.
Het gebrek van mevrouw Streng is niet dat hare eischen te hoog zijn, en
evenmin, dat zij haar uiterste best doet, allen daaraan te onderwerpen,
maar dat zij daarbij den rechten weg niet inslaat. Berisping is, volgens
haar stelregel, het eenige middel om iemand van zijne gebreken te
genezen. Zij heeft nooit ingezien, dat het evenzeer haar plicht is te
prijzen als te laken, en dat de menschen meer nog tot het goede worden
aangespoord door hen te prijzen, als zij goed doen, dan door hen te
bestraffen, als zij kwaad doen.
Een geheel ander karakter dan mevrouw Streng heeft mevrouw Ligthart,
een allerliefst vrouwtje, in waarde ver beneden haar, maar vroolijk en
prettig, niet bijzonder vast van beginselen, en er altijd op uit, om al
wat onaangenaam is te vermijden en het levensgenot te verhoogen.
Mevrouw Ligthart wordt door haren echtgenoot, hare kinderen en hare
dienstboden aangebeden, eenvoudig omdat het in haren aard ligt aan
iedereen wat aangenaams te zeggen. Zij heeft er den slag van om elk voor
zich in te nemen, zonder dat zij 't zelve weet. Terwijl mevrouw Streng,
als de meid de tafel gedekt heeft, alles scherp naziet en eindelijk voor
den dag komt met een: „Jansje! heb je die vlek op dat zoutlepeltje niet
gezien? Ik kan niet begrijpen, hoe je zoo onattent kunt zijn!” zou
mevrouw Ligthart zeggen: „Wel, Jans! waar heb je toch geleerd, een tafel
zoo netjes te dekken? Alles ziet er keurig uit, behalve—ja, laat mij
eens zien—och, wrijf dat zoutlepeltje even wat af—dan is alles kant
en klaar.” De meiden en kinderen bij mevrouw Streng hooren nooit van
iets anders dan van hunne gebreken; deze worden hun altijd voor oogen
gehouden. De meiden bij mevrouw Ligthart hooren altijd van het goede,
dat zij verrichten. Zij prijst wat er in hen te prijzen valt, zegt hun,
dat zij dit en dat bijzonder naar haar zin doen, en spoort hen eindelijk
aan, op grond dat zij zooveel dingen goed doen, nog te verbeteren wat
hun ontbreekt. Haar man gevoelt, dat hij altijd hoog in hare achting
staat aangeschreven, en hare kinderen houden 't er voor, dat zij heel
lieve kinderen zijn, al heeft mama soms wel eens een kleine aanmerking
op hen te maken, en al zegt ze dan ook ronduit, wat haar niet bevalt.
De beide gezinnen bewijzen het, dat een alledaagsche vrouw, maar die
gaarne prijst en innemend is, vrij wat meer doen kan dan een zeer
waardige matrone, die naar de beginselen van recht en godsdienst
handelt, maar de menschelijke natuur tracht te verheffen door middel van
een hefboom, die er niet geschikt voor is.
Daarom vooral verbeteren wij, arme menschenkinderen onze gebreken en
misslagen niet, omdat wij denken, dat het toch niet mogelijk is. Wie
ging nooit onder eene zonde gebogen, waartegen hij niet streed, alleen
omdat hij den moed had verloren? en wie hervatte den moed niet, als hij
een vriend had, die hem zacht beoordeelde, het beste van hem vertrouwde,
zijne deugden in 't licht en zijne gebreken in de schaduw stelde?
Waarlijk, hetzelfde vleesch en bloed, dezelfde nooden en behoeften, als
wij hebben, zijn ook eigen aan al onze medemenschen, aan elke onhandige
dienstbode en aan ieder onachtzaam kind.
Laten wij ons dan allen voornemen:
vooreerst, de gave van het ZWIJGEN ons eigen te maken;
ten tweede, alle VITTERIJ, die niet verbetert, ZONDE te noemen; en, als
wij zelven gelukkig zijn, onze naasten nooit lastig te vallen door
telkens op hunne kleine verzuimen te wijzen;
ten derde, de gave en de deugd van den LOF aan te kweeken. Wij hebben
allen geleerd, dat het onze plicht is, God te prijzen, maar weinigen van
ons hebben er zeker ooit aan gedacht, dat het evenzeer onze plicht is,
de menschen te prijzen; en toch is het om dezelfde reden, als die ons
gebiedt Gods goedheid te verheerlijken ook onze plicht het goede in den
mensch te erkennen.
Wij moeten onze vrienden prijzen, hen, die ons 't naast zijn en 't
naast aan het hart liggen; wij moeten zoodanig op hunne deugden letten,
totdat hunne gebreken verdwijnen; en wanneer wij anderen 't hartelijkst
liefhebben en zij in ons oog 't beminnelijkst zijn, dan is het de rechte
tijd, met omzichtigheid te spreken over hetgeen nog verandering behoeft.
Ouders moeten de gelegenheid om hunne kinderen te prijzen, met evenveel
zorg opzoeken, als zij dit doen om te berispen: en heeren en vrouwen
behooren het goede in hunne dienstboden even nauwgezet te erkennen, als
zij het verkeerde in hen laken.