erotische manoeuvres met de kleeding bijna niet voorkomen, heeft
natuurlijk een andere oorzaak, dan dat zij het uitsluitend recht
der bemiddelden op het toepassen van deze erotische kunstmiddelen
zouden erkennen. De ware oorzaak is, dat deze modes een zeer hoog
minimum van luxe in de kleeding vereischen, een luxe die verre boven
haar pecunaire draagkracht gaat. De mode is echter een industrie, en
als elke industrie streeft zij er voortdurend naar, haar afzetgebied
te vergrooten en uit te breiden. En weinige industrieën hebben het
zoozeer in haar macht, haar afzetgebied zoo oneindig en nog altijd
meer uit te breiden, als de mode. Zoo zij hare wonderproducten
slechts financieel binnen het bereik brengt der massa, dan is die
massa onmiddellijk bereid die producten te koopen. Veel heeft de
mode al in die richting gedaan. Met een variant op een stelling van
een vermaard philosoof kan men zeggen, dat met de goedkoopte van de
scheppingen der mode alle Chineesche muren van standsverschil, voor
het uiterlijk tenminste, zijn weggevallen. Sinds het meisje uit het
volk zich goedkoop naar de mode kan kleeden, is zij een even gedweëe
slavin dezer tiranieke heerscheres gebleken, als haar beter met
geldelijke middelen toegeruste sexegenooten. Haar offervaardigheid
jegens dezen afgod is zelfs nog grooter, want veelal moet zij zich
in diens dienst verder nagenoeg alles ontzeggen. Gewillig offert zij
hem haar eersten en laatsten stuiver.
De kleeding als uiterlijk kenmerk der sexe is reeds vroeg een onderwerp
geweest, waarmee ook de wetgever zich inliet. En daarbij doet zich
het eigenaardig verschijnsel voor, dat de wetten zich meer inlieten
met den aard der kleeding, dan met het gekleed-zijn zelf. Blijkbaar
heeft zich maar hoogstzelden de noodzakelijkheid voorgedaan--en dan
nog slechts in enkele alleenstaande gevallen--dat een gemeenschap haar
leden de verplichting moest opleggen zich te kleeden. De voordeelen
der kleeding in sexueel zoowel als in ander opzicht, zijn ten allen
tijde zoo ten volle begrepen, dat alleen dwepers, krankzinnigen en
andere geestelijk-abnormalen de voorkeur hebben gegeven aan naakt
loopen. Anders schijnt het echter gesteld met de kleederdracht, die
voor de eigen sexe de algemeen gebruikelijke was. Ten alle tijde
schijnt het noodig te zijn geweest, den mannen te verbieden zich
te verkleeden als vrouw, en omgekeerd. Reeds Mozes vaardigde een
dusdanig verbod uit: Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw,
en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet,
is den Heere uwen God een gruwel (Deut. 22: 5).
IX.
KUISCHHEID.
Kan de mensch de zinnelijkheid onder bedwang brengen van zijn wil? De
zinnelijkheid is nevens de begeerte naar voedsel de krachtigste
neiging door de natuur in ieder individu gelegd. Wijl de zinnelijkheid
een natuurdrift is, kan zij op zichzelf niet onzedelijk zijn. De
aandrang der zinnelijkheid volgen op de wijze door de natuur gewild
en aangewezen, staat in zedelijk opzicht niet hooger of lager dan
honger stillen en dorst lesschen.
In weerwil van het voor de hand liggende dezer eenvoudige waarheid,
zijn er ten allen tijde personen geweest, die krachtens een of ander
beginsel zich van de zinnelijkheid trachtten te ontdoen en die haar
met alle kracht in zich zochten te keer te gaan en te dooden.
Als men zoodanig streven eenvoudig beoordeelt naar de natuurwetten,
dan is zulk pogen om de zinnelijkheid in zich uit te roeien
niet verdienstelijker dan het zijn zou den drang naar voedsel te
onderdrukken. De consequentie van het streven de zinnelijkheid te
dooden zou zijn: uitsterving van het menschelijk geslacht, iets wat
de natuur juist met alle middelen zoekt te voorkomen.
Op verstandsargumenten steunt deze strijd tegen den sterkste
aller menschelijke hartstochten dan ook zelden. Meestal zijn het
gevoelsredenen, die tot dezen kamp tegen de natuur leiden. Voor
het overige zijn deze redenen van even uiteenloopenden als dikwijls
zonderlingen aard en daardoor vormt deze strijd tegen de zinnelijkheid
een der interessantste hoofdstukken in de geschiedenis der sexueele
zeden.
Er zijn ten allen tijde zedemeesters en zelfs levensbeschouwingen
geweest, en zij bestaan heden ten dage misschien in ruimer mate
dan ooit te voren, die het geslachtsleven en inzonderheid zijn
vleeschelijke zijde eenvoudig voor onzedelijk verklaarden en het
voorstelden als iets minderwaardigs, verachtelijks en verlagends
voor den mensch. De katholieke kerk bijvoorbeeld legt haar geheele
geestelijkheid het celibaat op. Hoewel het huwelijk een der heilige
sacramenten is, wordt toch het geslachtsleven door deze kerk als
iets onreins beschouwd. De onthouding van het huwelijksleven wordt
door de katholieke kerk gewoonlijk aangemerkt als een apostolische
verordening en in elk geval neemt men aan, dat de onthoudingsstaat,
de maagdelijke toestand, meer bij de hooge roeping van den geestelijke
past dan de huwelijksstaat--een maagdelijk priesterschap alleen mag de
geheimen vieren van den Zoon, die geboren werd uit een Maagd. Zoover
gaat weliswaar geen der andere variaties van het Christendom, maar
opvattingen die het geslachtsleven als onrein en van lager orde
aanmerken, vindt men overal terug, ook in andere religies en in
tallooze andere ethische wereldbeschouwingen.
Ook individueel is de meening vrij algemeen verbreid dat het sexueele
leven in wezen minderwaardig is en er zijn menschen, bij wie dit gevoel
zoo sterk leeft, dat het leiden kan tot geslachtelijke impontentie.
Uit de heidensche Oudheid zijn zoodanige opvattingen evenzeer
bekend. De dochter van Zeus' zuster Hestia of Vesta, werd, omdat zij
een eed zwoer van ongehuwd en altijd maagd te willen blijven, door den
oppergod verheven tot godin van den huiselijken haard. Ter harer eere
werden in vele steden door maagden, die gelofte van kuischheid hadden
gedaan, altijd-brandende vuren onderhouden. In haar groot heiligdom te
Rome werd door zes priesteressen, de Vestaalsche maagden, een eeuwig
vuur gebrand. Deze Vestaalsche maagden stonden als reine wezens in
hoog aanzien. Als meisjes van ten hoogste 10 jaar werden zij voor den
Vestadienst uitgekozen en zij moesten 30 jaren in rein-maagdelijken
staat de kuische godin dienen. Op inbreuk op de gelofte van kuischheid
stond de doodstraf. Ook hier dus een bijzondere beteekenis gehecht
aan de vrijwillige sexueele onthouding.
Wanneer men in het zinnelijke en dus in het geslachtsverkeer iets
minderwaardigs ziet, het beschouwt als zonde, dan treft deze opvatting
in den regel allermeest, zoo niet uitsluitend, de vrouw. In zulke
voorstellingen wordt de vrouw als vanzelf de verleidster van den
onschuldigen man; zij is de eenige oorsprong van het kwaad, een
voortbrengsel der hel, de bondgenoote in menschengedaante van den
satan, enz.
Dat de strijd tegen de zinnelijkheid zich vooral aan het gevoel
van den man voordoet als verdienstelijk en van hooge zedelijke
waarde, is een bewijs te meer voor de grootere zinnelijkheid van den
man. In de voorstelling van den door zinnelijkheid als verteerden en
voortgezweepten man moet het bestrijden van dien fellen en hevigen
hartstocht zich als vanzelf als iets bijzonder verdienstelijks voordoen
en in het bewustzijn der minder zinnelijke vrouw moet die verdienste
ook evenveel minder worden gevoeld--ook in de wereld der ideeën hangt
de waarde af van de inspanning die het verkrijgen kost.
Strijd tegen de zinnelijkheid, met het doel die volkomen te dooden,
gaat in alle godsdiensten die dien strijd tot een verdienstelijke
zaak verheffen, gepaard met een principiëele onreinverklaring van de
vrouw. Het sterkst komt dit uit in den christelijken godsdienst. Reeds
in de leer van de erfzonde wordt de vrouw kortweg tot de bron van
alle zedelijke onreinheid verklaard. Door de vrouw is de zonde in de
wereld gekomen, de vrouw is het symbool aller onreinheid, zoo ongeveer
luiden de grondstellingen van het Christendom betreffende de vrouw. De
kerkvaders hebben dit thema in den loop der tijden uitgewerkt, daarbij
geleid door hun individueele neiging tot ascese. Met zulke opvattingen
tot uitgangspunt is het maar een stap om te komen tot de overtuiging,
dat de schoot der vrouw ongeveer de poort is van de hel.
Met de opvatting, dat de vrouw de verpersoonlijking is van de zonde
in de wereld, verbond zich nog een andere voorstelling. De man,
willooze slaaf zijner zinnelijkheid, die hem de vrouw ten allen
tijde in zijn verbeelding doet rondspoken, zoekt de oorzaak van zijn
onmacht tegenover de bekoring, die van de vrouw tot hem uitgaat,
niet in eigen zinnelijkheid, maar hij geeft er de voorkeur aan zulks
toe te schrijven aan een geheime macht, die de vrouw zou bezitten,
waardoor zij in den sexueelen strijd steeds de meerdere blijft. Zoo
ontstond de voorstelling, die omschreven wordt door de formule: de
vrouw is een raadsel. En door dat raadselachtige neemt de vrouw in
de opvatting van den man als vanzelf de gedaante aan van een demon,
welke te bestrijden een verdienstelijke zaak moet zijn, die opvoert
tot hoogere zedelijke volkomenheid.
In de meeste godsdiensten, die voortgekomen zijn uit het Jodendom,
is de eerste zonde en daarmee de oorzaak van alle zonden het
geslachtsverkeer van het eerste menschenpaar, Adam en Eva. Dit verhaal
is in het eerste bijbelboek van Mozes gehuld in het dichterlijk
kleed van den zondenval in het Paradijs, het eten van de verboden
vrucht. En het is de vrouw, die daarin optreedt als de verleidster
van den man. Nadat de zonde gepleegd was zagen zij hunne naaktheid
en schaamden zich.
In dit verhaal wordt en passant het onmiddellijk verband tusschen
zinnelijkheid en schaamte erkend. Inderdaad, zonder zinnelijkheid
geen schaamte. En omgekeerd, waar schaamte is, daar is zinnelijkheid.
Het gronddenkbeeld van het dooden der zinnelijkheid ligt voor
de hand. Als alle heil gelegen is in het hiernamaals, dus in
de geestelijke wereld, dan vloeit daar rechtstreeks uit voort,
dat al wat daarbuiten ligt, al het aardsche, onheilig moet zijn,
en inzonderheid datgene, wat zich het krachtigst doet gelden: de
zinnelijkheid, het vleeschelijke. Vandaar moet dat vleeschelijke het
allereerst gedood worden.
De grondslag der ascese is derhalve een eenzijdige overschatting
van het dusgenaamd geestelijke. Het dooden van het vleeschelijke,
om geheel te kunnen leven voor het geestelijke, doet zich aan elk
hartstochtelijk-godsdienstig gemoed voor als het hoogste en het
eerst noodige. Men vindt dan ook de ascese in een of anderen vorm
bij ongeveer alle godsdiensten terug en zelfs in vele wijsgeerige
stelsels van den jongsten tijd. De profeten bij uitnemendheid der
moderne ascese zijn Schopenhauer en Tolstoi. Beiden, zij het op geheel
verschillende gronden, ontkennen alle zedelijkheid der sexualiteit.
De ascese heeft echter een keerzijde. Door den voortdurenden strijd
tegen de zinnelijkheid en de sexueele verzoeking wordt de phantasie
juist bovenmate geprikkeld, en op oogenblikken, dat de wilskracht
onder den opstand van het vleesch bezwijkt, wreekt zich de mishandelde
natuur en drijft den vromen asceet dan niet zelden tot de ongehoordste
natuurlijke en onnatuurlijke uitspattingen.
Toch is aan te nemen, dat het dooden der zinnelijkheid naar het ideaal
der ascese mogelijk is. "Zoo worden, zegt Hammond, in de verschillende
religies, waarin de sexueele geheelonthouding als een verdienstelijke
zaak geldt, de priesters, die het celibaat hebben aanvaard, met
den tijd volkomen vrij van elke zinnelijke aanvechting en allengs
impotent. Hetzelfde geldt voor heele secten, wier godsdienstleer
sexueele geheelonthouding voorschrijft." Maar alvorens de zinnelijkheid
ten volle is gedood, de geslachtsdrift is opgeheven, is er een lang
tijdperk van de hevigste kwellingen te doorworstelen, gelijk blijkt uit
het leven van tal van vrome kerkvaders, inzonderheid van den heiligen
Antonius, wien de volkomen vrijmaking van elk geslachtsinstinct een
Gode welgevallig werk toescheen.
Ook verschillende wijsgeeren der Oudheid, Seneca en anderen, hebben nu
en dan tot sexueele onthouding en vooral tot oefening in zelfbedwang
in zinnelijke dingen, aangemaand. Zij gingen bij dit laatste uit van
zuiver verstandelijke overwegingen en voor zoover zij zich wisten te
onthouden van overdrijving, hebben hunne vermaningen hooge zedelijke
waarde. Veel invloed op de sexueele zeden van hun tijd hebben zij
echter niet kunnen uitoefenen, daarvoor waren hunne leeringen te
bloot verstandelijk en richtten zij zich te weinig tot het gevoel,
dat ten slotte de machtigste factor is om uit de bespiegeling te
komen tot een daad.
De Oudheid had ook haar personificatie der kuischheid: Puditia,
die te Rome in een afzonderlijk heiligdom werd vereerd, doch haar
eeredienst was nooit zeer algemeen, en ontaardde weldra en verdween
spoedig geheel.
Het is een eigenaardig kenmerk van tal van godsdiensten dat zij
een sterke neiging bezitten om de kuischheid, in het bijzonder de
levensgelofte van kuischheid, te verheerlijken als een daad van zeer
bijzondere beteekenis voor het aardsche leven zoowel als voor het
hemelsche. En natuurlijk vloeit daar als vanzelf uit voort, dat het
gehoor geven aan de stem der natuur als iets van lager orde wordt
beschouwd, dat, hoewel niet bepaaldelijk te veroordeelen en tot
op zekere hoogte geoorloofd, niettemin blijk geeft van zedelijke
minderwaardigheid en onvolkomenheid. Naarmate men de kuischheid
vereert, moet men noodzakelijkerwijze de niet-kuischheid--het
zwichten voor den drang der vleeschelijke zinnelijkheid--zien als iets
minderwaardigs, dat van de bovenaardsche dingen afleidt en daarmee
eigenlijk onvereenigbaar is.
Men heeft het celibaat der priesters, monniken en nonnen in de
Katholieke kerk een verdwazing en een idiotisme van den menschelijken
geest genoemd, een vorm van krankzinnigheid, waarbij de andere
sexe het verafschuwde idee fixe was. Deze verklaring van een zoo
ingrijpend en tevens zoo massaal opgetreden verschijnsel, voorzeker
een der merkwaardigste in de geheele geschiedenis der sexueele zeden,
is misschien wel de eenvoudigste, maar in geenen deele de meest
aannemelijke. Een instelling, die zoovele eeuwen lang zich vrijwel
ongeschokt heeft kunnen handhaven, moet andere redenen van bestaan
hebben. En in dit geval laten die redenen zich ook wel aanwijzen.
De twee groote drijfveren, die in de menschheid en in ieder mensch
individueel werken en alle handelingen in eerste instantie beheerschen
en besturen, zijn de stoffelijke belangen en de zinnelijkheid. Tezamen
doen deze beide drijfveren, door de natuur als machtige neigingen in
den mensch gelegd, hem streven naar instandhouding van zijn individueel
bestaan en naar instandhouding van de soort. Het eene zoowel als het
andere is dan ook genoegzaam daardoor gewaarborgd.
Al 's menschen handelingen zijn uit deze twee neigingen, hetzij
rechtstreeks te verklaren, hetzij er sterk door beïnvloed. En hoe
algemeener en gelijkmatiger een verschijnsel in de menschheid optreedt,
met des te meer zekerheid kan men het als een uitvloeisel van een
dezer of van beide neigingen beschouwen. De individueele mensch
toch wordt bij zijn handelingen ook nog gedreven door verschillende
andere neigingen, die zijn bijzondere eigenaardigheden uitmaken. Hoe
algemeener daarom een verschijnsel zich voordoet, des te grooter
wordt de waarschijnlijkheid, dat de oorzaak daarvan niet in bijzondere
neigingen, maar in de beide genoemde algemeene neigingen is te zoeken.
Het celibaat nu is geen verschijnsel dat zich bepaalt tot eenige
weinige individuen. Millioenen en millioenen mannen en vrouwen hebben
in den loop der eeuwen zich door de kuischheidsgelofte tot het celibaat
verbonden. De oorzaak mag op boven aangegeven gronden dus veilig in
de beide voornaamste neigingen, die 's menschen handelingen regeeren,
worden gezocht. Waar de eene, de zinnelijkheid, hier uit den aard der
zaak als zoodanig niet in aanmerking kan komen, daar het celibaat
daar juist rechtstreeks tegen gekeerd is, blijft als vermoedelijke
oorzaak slechts de andere over, die van het stoffelijk levensonderhoud.
Ongetwijfeld heeft de instelling van het celibaat een economischen
ondergrond. De voorliefde voor den ongehuwden staat, het streven naar
emancipatie van de zinnelijkheid bewijst niet, dat de kloosterbewoners
krankzinnigen of idioten waren, maar alleen, dat onder bepaalde
omstandigheden de economische belangen, het materieele zijn, voor
den mensch sterker kunnen wezen dan de zinnelijkheid; en dat als
noodwendig een van beide natuurlijke neigingen moet wijken, de
zinnelijkheid het onderspit delft.
De eerste kloosters, zooals het Christendom ze heeft voortgebracht,
waren niets anders dan gemeenschappen van zeer arme lieden, die
zich vereenigden om zich te zamen beter door het leven te kunnen
slaan, dan zulks voor ieder afzonderlijk mogelijk was. Reeds in
de allereerste kloosters der Christenheid werden dan ook allerlei
beroepen uitgeoefend en de gemeenschappelijke arbeid van allen was het
middel van bestaan van het geheel. Het was een vorm van communisme,
waar ieder inbracht naar vermogen en ontving naar behoefte. Alleen
op deze wijze zagen in de eerste tijden van het Christendom de
Christenen een mogelijkheid, zich economisch tegen het Heidendom, dat
hen vijandig gezind was en hen uitsloot en vermeed, te handhaven. De
aard dezer kloosterinstellingen vereischte gemeenschappelijk bezit
zoowel van de middelen van voortbrenging als van de voortbrengselen,
want bij een gemeenschappelijke huishouding is private eigendom
onbestaanbaar, gelijk de geschiedenis aller communistische
stichtingen bewijst. Vandaar leefde men in de kloosters noodgedwongen
communistisch, deed afstand van allen privaten eigendom. Om dezelfde
reden moest men ook afstand doen van het huwelijk in een tijd,
waarin het eigendoms- en het erfrecht zich reeds volkomen hadden
ontwikkeld. Om het voortbestaan der kloostergemeenschap, die alle
leden het stoffelijk bestaan waarborgde, te verzekeren, mochten er
geen banden des bloeds ontstaan. Terecht vreesde men, dat die sterker
zouden blijken, dan de kunstmatige kloosterinstellingen. Aan het
verzekerd stoffelijk bestaan dat 't gemeenschapsleven bood, moest
noodzakelijk het familieleven worden opgeofferd.
De kloosters en het celibaat zijn dus volstrekt niet ontstaan uit
godsdienstig idiotisme, maar eenvoudig uit den drang der economische
omstandigheden. Het afzweren van het huwelijk, al of niet gepaard
met sexueele onthouding, had echter oorspronkelijk met kuischheid
niets uitstaande. Het beteekende aanvankelijk niet in de eerste
plaats afstand doen van geslachtelijk verkeer, maar alleen van den
toenmaals algemeen gebruikelijken en geijkten vorm van geslachtelijk
verkeer. Van de eerste monniken reeds namen duizenden hun toevlucht
tot andere manieren van bevrediging der geslachtelijke behoefte. Dat
niettemin de strengste kuischheid van begin af aan zoo krachtig
mogelijk werd gepropageerd, was in geenen deele uitsluitend en ook
niet voornamelijk om de kuischheid zelf, maar om andere redenen,
die allen het voortbestaan van de kloostergemeenschap en het ongerept
behoud van haar goeden naam en haar waardigheid op het oog hadden.
Als men het kloosterleven in dit licht beschouwt, dan wordt het ook
duidelijk, hoe deze instelling zoo heeft kunnen ontaarden. Naarmate
de economische omstandigheden veranderden, sloeg het klooster om
in zijn tegendeel--van een factor van ontwikkeling werd het een rem
voor de ontwikkeling, om ten slotte, hoewel schijnbaar nog levend en
levenskrachtig in ontbinding over te gaan en de geheele Christenheid
met zijn bederf te vergiftigen. Wijl namelijk deze communistische
vorm van samenleving belangrijke economische voordeden bood in
vergelijking met het gewone gezinsleven, zoodat er veel meer kon
worden voortgebracht dan er voor de gemeenschappelijke behoefte
noodig was, kwam het oorspronkelijk doel van het klooster weldra te
vervallen. De kloosters werden rijker en rijker en daarmee steeds
machtiger. Rijkdom en macht beteekenen, dat men beschikken kan over
den arbeid van anderen. De kloosters zagen zich, rijk en machtig
geworden, ontheven van de noodzakelijkheid om van eigen arbeid te
leven; de mogelijkheid was hun geopend, van anderer arbeid te leven,
en zij maakten van die mogelijkheid natuurlijk gebruik. Met al de
gevolgen, die hieruit noodwendig moeten voortvloeien. Deze gevolgen
zijn gewoonlijk van tweeërlei aard--eenerzijds verfijning van het
leven, door de gelegenheid zich te kunnen wijden aan wetenschap
en kunst, anderzijds ontaarding, door het voortleven in weelderige
doelloosheid. Beide gevolgen hebben zich in de rijk en machtig geworden
kloosters voorgedaan. Toen de kloosterbewoners niet meer werden
gekweld door stoffelijke zorgen, begonnen zij zich te wijden aan de
beoefening van kunsten en wetenschappen en daardoor zijn de kloosters
in de middeleeuwen de brand- en uitgangspunten geweest van alle hoogere
beschaving. Maar hoe meer de rijkdommen, zonder inspanning verkregen,
aanzwollen, ontstond in vele kloosters in diezelfde mate het tweede
der beide bovengenoemde gevolgen van in weelde niets-doen, de minder
edele en verheven vormen van genieten: luiheid, eten en drinken en
wellust. Zoo werd het klooster van een hefboom der ontwikkeling een
nuttelooze, niets inbrengende en veel verbruikende parasiet.
Precies zooals het gegaan is met de kloosters, is het ook gegaan met
de geheele kerkelijke hierarchie.
Te midden der grootste ontaarding bleef het celibaat ongeschokt
gehandhaafd. De belofte van kuischheid bleef de opperste deugd. Maar
met kuischheid had het kloostercelibaat reeds in de vroege middeleeuwen
weinig meer uitstaande. Het celibaat werd integendeel een vrijbrief
voor de meest ongehoorde uitspattingen. Een en ander blijkt daarvan uit
de middeleeuwsche aflaattarieven. Zoo moest in Italië een geestelijke
voor het houden van een concubine 7 grossi betalen; wie jaarlijks
deze som stortte had het recht er voortdurend een bedgenoote op na te
houden. Wie zich in de kerk met een vrouw afgaf, moest de absolutie
daarvoor betalen met 6 grossi. En hoe de kerk zich in deze dingen
verdiepte, hoezeer zij in zinnelijke dingen wist te nuanceeren, blijkt
nog uit dezen post uit dezen interessantste aller prijscouranten: wie
een vrouw of meisje verkrachtte onderweg uit de kerk naar haar woning,
moest meer betalen dan in gewone gevallen, want dan was zij rein.