van de vrouw en de bekendste en daarom de meest en het luidst gesmade
misdadigster tegen de heerlijke schoonheid der vrouw. Het is volstrekt
geen phrase als men zegt, dat de meeste modes meer vrouwen te gronde
richten dan eenige oorlog mannen het leven gekost heeft. Wel vergiet
de mode geen bloed, zij doodt niet direct, maar des te meer gewonden
en verminkten vallen er op hare slagvelden. Maar juist daarom is de
mode barbaarscher nog dan de oorlog. Want de nakomelingen, die uit
de verminkte en verzwakte slachtoffers der mode geboren worden,
moeten mede boeten. Aan tienduizenden onschuldigen worden door
een vergald leven de zonden der ouders gewroken. En het schijnbaar
zonderlingste daarbij is, dat er waarschijnlijk nog nimmer een mode
geweest is, die niet, behalve tegen de gezondheid, tevens tegen
de schoonheid zondigde. De mode is doorgaans met alle begrippen
van schoonheid volkomen in strijd en heden ten dage is de naar de
regelen der mode bekleede vrouw zoover als maar mogelijk schijnt van
eenig natuurlijk schoonheidsideaal verwijderd. Woorden als "chique"
vervangen bij de aangekleede vrouw het begrip schoon; een chique vrouw,
ontkleed, is niet zelden de meest afschrikkende tegenstelling van
het vrouwen-schoonheidsideaal, zooals ons dat in de Aphrodite's der
oudheid nog altijd op het heerlijkst belichaamd is. En een evenbeeld
eener Aphrodite, naar de regelen van welke mode ook aangekleed,
volkomen onherkenbaar zijn.
Het schijnt ten allen tijde de opzettelijke bedoeling van de
mode te zijn geweest, alles wat de natuur aan vrouwenschoon laat
ontstaan, te misvormen en te vernielen. En ook heeft de mode de
vrouw verlaagd. Iedere mode toch streeft er alleen naar, de vrouw
als geslachtswezen kunstmatig meer presentabel te maken. Zij vestigt
daarom als met schreeuwende reclame de aandacht op alles wat de
vrouw tot vrouw maakt. Niet de innerlijke en uiterlijke harmonie,
het psychische en geestelijke wezen in de vrouw komt in de kleeding
tot uiting, maar wel beijvert de mode zich de intieme lichamelijke
_bekoorlijkheden_ der vrouw aan te prijzen en te laten uitkomen,
zoo, dat ieders aandacht er dadelijk bij wordt bepaald, dat zij
lichamelijk over de middelen beschikt, die haar als geslachtswezen
bruikbaar maken. De mode verlaagt de vrouw door dit alles tot een
levende reclamezuil der zinnelijkheid.
En doordat de mode om haar doel te bereiken gedurig moet zoeken naar
iets nieuws dat opzien verwekt, maakt zij de vrouw van tijd tot tijd
tot een afzichtelijk monster, dat eer schrik aanjaagt dan bekoring
uitoefent.
De mode heeft de vrouw nooit anders dan misvormd en daarvan ook
in ruime mate blijvende sporen nagelaten. Iedere modegril is een
nieuwe zonde tegen de natuurlijke schoonheid. Altijd zoekt de mode
het in het abnormale, dwaze en onredelijke. Dit geldt zoowel van
de constante plaatselijke of nationale modedrachten--met eenige
weinige uitzonderingen--als van de zeer veranderlijke grootsteedsche
en mondaine modes. Wat de mode dicteert is als regel onnatuurlijk en
in zijn zotte onzinnigheid belachelijk.
Niets bijvoorbeeld is schooner en heerlijker dan de blos der
gezondheid, het frissche bloeiende rood der wangen. De mode veracht
die natuurlijke schoonheid, en verklaart haar voor ordinair, boersch,
de eerste de beste boerin ziet er immers ook zoo uit! En bovendien,
de dame, die in de wereld verkeert, zich angstvallig wacht voor
elke inspanning, in de salons haar leven slijt en meer kunstlicht
dan daglicht ziet, kan onmogelijk anders dan vale, bleeke wangen
hebben. De mode weet echter raad, zij verklaart de bleeke, vale tint,
waarmee boudoir, salon en balzaal het aangezicht kenteekenen, voor
voornaam, deftig en interessant. Zoo wordt het ziekteverschijnsel
tot schoonheidsregel verheven en de kleur der gezondheid wordt
veracht, geschuwd, zelfs kunstmatig verwijderd en vervangen door de
doodsch-vale modekleur. Bleekheid wordt interessant en pikant, zij
schijnt te spreken van smachtend verlangen en aan de liefde gewijde
nachten. En als de bleekheid niet vanzelf wil komen, dan wordt zij
kunstmatig op het aangezicht gebracht.
Op dezelfde wijze heeft de mode bij elk deel van het vrouwelijk
lichaam als met voorbedachten rade gestreefd naar ontaarding en
misvorming. Van den schedel tot aan de voeten heeft zij de vrouw
verminkt, van haar natuurlijk schoon beroofd en voor het geroofde
ergerlijke reclame-achtige surrogaten in de plaats gesteld.
Bepalen wij ons een oogenblik bij den voet. De voet is een
der meest delicate schoonheden van het vrouwelijk lichaam. De
heerlijke volmaaktheid van dit lichaamsdeel maakt het tot een klein
scheppingswonder op zichzelf. De voet is echter niet uitsluitend
sieraad, hij heeft een functie, en deze is, het geheele lichaam een
bevallige en vlugge bewegelijkheid te verleenen--zonder krachtigen
voet geen gracieusen en zekeren gang. Nu geldt terecht een kleine voet
als schoon. Maar de mode, wier wezen bestaat in karikatuur-achtige
overdrijving, is niet tevreden met klein; schoonheid moet niet
twijfelachtig zijn, maar zich duidelijk manifesteeren. De voet
moet derhalve niet slechts klein zijn, maar zeer klein, abnormaal,
wanstaltig klein. Zoo luidt de wet der mode voor alle vrouwen en
naar het schijnt voor alle tijden. En negen tienden der vrouwen
wringen haar leven lang haar voeten in te kleine schoenen, waarin
de voeten zoo onnatuurlijk worden samengeperst, dat het eenvoudig
onmogelijk is behoorlijk rechtop te staan, om maar niet te spreken
van een paar uur flink loopen. Zoo verandert de sierlijke rythmus
van het gaan in een onbeholpen, erbarmelijk gewaggel in eendachtige
lompheid. En deze inbreuk op de harmonische schoonheid is nog het
_geringste_ nadeel, want de onmogelijkheid, behoorlijk te kunnen
loopen, is vrij wat ernstiger. Maar, zoo fluistert de _verdwaasde_
mode, waarom behoeft een dame eigenlijk te loopen? En zij troost haar
verminkte slachtoffers met de dwaasheid, dat toeren te voet voor een
dame ongepast en onbetamelijk zijn. Er zijn zelfs tijden geweest, dat
loopen voor een vrouw ronduit onfatsoenlijk werd genoemd. Abnormaal
kleine voeten getuigen er tevens van, dat de bezitster zich de
weelde heeft kunnen verlooven zich van het vermogen van het gaan
te berooven--daarom zijn zulke verminkte voeten tevens het symbool
geworden van maatschappelijke voornaamheid, waardoor men zich nog
met des te vuriger ijver aan deze zelfverminking overgeeft.
Zoo zijn er nog tallooze mode-dwaasheden, waardoor het vrouwenschoon
voor altijd wordt vernietigd. Het lichaam van iedere vrouw, die
bij voortduring concessies doet aan de Draconische wetten der mode,
vertoont onuitwischbare sporen van de aangerichte verwoesting--ze is
in den volsten zin des woords voor haar gansche leven geteekend. Aan
de voeten liggen de teenen niet meer regelmatig naast elkander, maar
ze zijn tot een afzichtelijk kluwen over elkaar gewrongen. En dan de
taille-snoering! Deze vult dag aan dag de ziekenkamers en de zalen der
vrouwenklinieken met een talloos leger van slachtoffers, die allen met
de afschuwelijke insnoering van het corset, het Kaïnsteeken der mode,
zijn gestriemd.
Hierbij schijnt het inderdaad, of een booze geest een afschuwelijk spel
van dwaasheden drijft met de vrouw. De grootste trots en het schoonste
sieraad van het opgroeiend meisje zijn hare borsten. Honderden
hoogstaande vrouwen hebben ons dit geheime welgevallen geschetst. Vol
schuchterheid ontwaart zij de eerste ronding, met onschuldig welbehagen
volgt zij den langzamen aanwas, en met klimmende verrukking ziet zij
de beide halfronden van vrouwelijke heerlijkheid zich verheffen in
maagdelijke volheid. Ze weet instinctief, dat dit het verhevenste
sieraad is van de jonge vrouw, dat het haar dagelijks begeerlijker
maakt voor den geliefde. En hoewel ze dit alles gevoelt en weet,
toch snoert zij zich in en perst zich ineen, dag aan dag, week aan
week. Het onvermijdelijk gevolg blijft niet uit en doet zich weldra
gevoelen. Zij voelt de vastheid en elasticiteit van den mishandelden
jongen boezem verminderen en verdwijnen, nog vóór hij zich in volrijpe
schoonheid heeft kunnen ontplooien. Maar zij gaat door met zich in te
snoeren--de mode gebiedt het. En zij troost zich met de drogreden,
dat men het immers toch niet ziet. De ergerlijke, ja misdadige
zotternij van de mode springt hier wel het duidelijkst in het oog:
om den schijn van schoonheid van een jongen boezem te fingeeren,
wordt de werkelijk bestaande schoonheid verwoest. Dit staat inderdaad
gelijk met den leugen te verkiezen boven de waarheid, uit louter lust
tot liegen. Het is de werkelijkheid prijsgeven en opofferen voor iets
wat diezelfde werkelijkheid verzwakt nabootst.
Zoo is de mode de boosaardigste vijandin, die de vrouwenwereld heeft
en tevens de meest bedriegelijke schijnvriendin.
Maar in weerwil van dat alles schijnt de heerschappij van de mode
nog ongeschokt, neen, zich nog altijd hechter te vestigen.
De reden daarvan is, dat zij de vindingrijkste en meest succesvolle
bondgenoote is van de vrouw in haar strijd om het bestaan. Daardoor
kan de mode de gansche vrouwenwereld slaafsch aan zich onderwerpen
en oppermachtig over haar heerschen als een despotieke gebiedster,
die geenerlei inbreuk op haar tiranieke wetten duldt.
Het hoofddoel der kleeding is voor de vrouw zinnelijk begeerlijk te
zijn. Zinnelijk nu werken op den gezonden doorsnee-man van nature die
vormen, die getuigen van bijzondere geschiktheid voor de functie,
die aan de vrouw is toebedeeld: een breed bekken en weelderige
borsten. Een breed bekken verzekert een krachtige ontwikkeling van
het wordende kind, en een goed-ontwikkelde boezem belooft voor dat
kind een overvloedige voedselbron te zijn. De kleeding moet de vrouw
daarbij te hulp komen, zij moet de vormen in de gewenschte richting
corrigeeren. Om die reden is de vrouwenkleeding in hoofdzaak een
erotisch probleem, dat de mode ten koste desnoods van alles, helpt
oplossen.
De mode streeft volstrekt niet, wij zeiden het reeds, naar schoonheid;
zij streeft alleen naar het telkens weer op nieuwe manier versterken
der zinnelijke bekoring van de vrouw. Het is een dwaling te meenen,
dat de mode dwaas is; zij doet alleen dwaas voor zoover dit ter
bereiking harer oogmerken noodig is. Hare dwaasheid is berekend. Hare
buitensporigheden zijn wel overwogen. Er heerscht in het rijk
der mode allerminst willekeur, niet de caprice roept modes in het
leven, maar de eisch der strengste doelmatigheid. De mode is dwaas
uit overleg, en met volmaakte kennis van de zwakke punten van den
tegenstander. De dwaasheden der mode blameeren minder de vrouw, dan
den man; zij getuigen niet van voorliefde voor het dwaze bij de vrouw,
maar bij den man. Want de mode kleedt de vrouw alleen hierom dwaas,
wijl dit het welslagen van het beoogde doel verzekert.
In de mode heerscht niet het toeval, evenmin de gril van het oogenblik;
alles in de mode is nuchteren berekening, vooral hare vermeende
onbestendigheid. In die onbestendigheid toch ligt voor een belangrijk
gedeelte het geheim van haar succes. De mode immers bedoelt aandacht
te trekken. Het meest trekt de aandacht het nieuwe. Daarom, ieder
oogenblik wat nieuws, ieder seizoen nieuwe vormen, om het der vrouw
mogelijk te maken in steeds nieuwe combinaties al hare bekoorlijkheden
en al hare lichamelijke, geestelijke en materieele eigenschappen en
bezittingen ten toon te spreiden. Zoo is de mode veranderlijk niet
uit grilligheid, maar uit berekening. Als de zinnelijke bekoring
eener modedracht begint te verminderen, dan heeft de mode al weer een
nieuwe gereed, Zoo vult zij de "beschaafde" wereld aanhoudend met
nieuwe vrouwen, die er geheel anders uitzien dan die van gisteren,
en waarvan weer opnieuw het maximum van zinnelijke lokking uitgaat.
Hoe ten volle mode en kleeding in directen dienst staan der
zinnelijkheid blijkt allereerst uit het antwoord op de vraag,
waar de modes eigenlijk vandaan komen. Hieromtrent worden wij
voldoende ingelicht door de zedemeesters van alle tijden. Steeds
hooren wij dezen in alle toonaarden jammeren en met de grootste
zedelijke verontwaardiging ontsteld verzekeren, dat de meeste en
succesvolste scheppingen der mode door de beroepspriesteressen van
Venus zijn uitgedacht. Deze bewering is volkomen juist, het bewijs
er voor is zonder eenige moeite te leveren. Maar in het feit zelf
ligt niets verwonderlijks, het is een zeer natuurlijk en volkomen
logisch gevolg van het bovengeschetste doel van de kleeding. Het is de
dagelijks en ieder uur beoefende taak der bedoelde priesteressen van
Venus: geslachtswerktuig en niets anders dan dat te zijn; om goede
zaken te maken zijn zij gedwongen op het geraffineerdst te werk
te gaan. Omdat haar geest zich daar voortdurend bij moet bepalen,
vinden zij natuurlijk de beste oplossingen van de vraag: hoe met de
kleeding de krachtigste bekoring uit te oefenen en zij zijn steeds
de eersten om de uitwerking van nieuwe vindingen te beproeven. Het
succes dat deze klasse van vrouwen daarmee heeft, blijft bij de rest
niet onopgemerkt en ook der op eerbaarheid gestelde vrouw blijft
niets over dan het voorbeeld te volgen, willen zij niet riskeeren in
de niets ontziende concurrentie ten onder te gaan, d. w. z. over het
hoofd gezien en terzijde geschoven te worden.
Het is de taak der mode, haar eenige taak eigenlijk, de
geslachtsverschillen te laten uitkomen, op hunne aanwezigheid
opmerkzaam te maken, alle lijnen, die sexeverschillen markeeren,
als te onderstreepen en zoo noodig te corrigeeren.
Voor het blanke menschenras is de boezem het voornaamste uiterlijke
geslachtskenmerk der vrouw. Daarvan gaat naar den man de krachtigste
bekoring uit. Stratz merkt terecht hieromtrent op: "Bijzonder
sterk en eigenaardig is de bekoring, die de vrouwelijke borsten
op ons uitoefenen. Terwijl de natuurvolken daarvoor ten eenenmale
onverschillig zijn en zelfs bij de Japanners en Chineezen, die toch
ook geheel bekleed gaan, de boezem geen zinnelijke beteekenis schijnt
te hebben, zijn de borsten bij de op hoogeren trap staande volken van
het Kaukasische ras het zinnebeeld der vrouwelijke aantrekkingskracht
geworden en zij gelden, als zij goed zijn ontwikkeld, als het hoogste
sieraad van het vrouwelijk lichaam."
Naar een teekening van Hans Holbein den Jongere (1497-1543),
Museum, Bazel. Natuurlijk is dit de mode niet onbekend. Zij maakt
integendeel het meeste werk van den boezem. Hare vernuftigste en
meest geraffineerde scheppingen gelden altijd den boezem. Zij doet de
middelen aan de hand om deze al of niet voorhanden schoonheid op het
duidelijkst te laten uitkomen, en waar ze geheel ontbreekt, ze voor te
wenden. Dit begint al bij het jonge meisje, want een vroege krachtige
ontwikkeling van de buste heeft ten alle tijde gegolden voor een
benijdenswaardig geschenk der natuur. Het tot puberteit komende meisje
vestigt met haar kleeding dan ook het eerst de aandacht op haar boezem;
daarmee opent zij haar lijdelijk offensief tegen de mannenwereld;
met den boezem begint het tentoonstellen der vrouwelijkheid. En van
dat oogenblik blijft steeds de boezem de stelling van waar uit de
erotische strijd wordt gevoerd, het geheele leven door, tot in den
ouderdom toe. Nog altijd een mooien gevulden, weelderigen boezem te
hebben, dat is de grootste triumf der volrijpe vrouw. En wijl het de
mode nooit te doen is om werkelijkheid, maar alleen om schijn, en zij
met de werkelijkheid zelfs geen rekening wenscht te houden, verwoest
zij, naar we boven zagen, eerst de werkelijkheid, om vervolgens met
schijn het door haar vernielde weer aan te vullen. Zij handelt als
een berekenend speculant, die kunstmatig gebrek schept om zich een
vlotter afzetgebied te verzekeren. Alle mode is voor de ontwerpers
trouwens niets dan koopmanschap.
Vandaar is dus het verlokkend presenteeren van den boezem ten allen
tijde het voornaamste probleem geweest, dat de mode zich ter oplossing
zag voorgelegd. En zij heeft dat probleem in den loop der tijden op
honderden verschillende manieren weten op te lossen. Het liefst,
wijl het meeste effect verzekerend, bedient zij zich daarbij van
gedeeltelijke ontblooting, de decolletage. Het decolleté bedoelt
niets anders, dan bekoring uit te oefenen op den man. Wel oefent
het bekleede lichaam krachtiger erotische aantrekking uit dan
het naakte lichaam. Maar bij het decolleteeren staat men voor een
dier gecompliceerde gevallen, die aan toepassing der homeopathie
doen denken. Zoo blijft er voor den leugenaar als laatste middel
over om te misleiden: de waarheid te zeggen, wijl niemand die dan
van hem gelooft. Langs een gelijksoortigen omweg gaat de erotische
bekoring met behulp van decolleté. Het bekleede lichaam werkt op den
Europeeschen mensch veel zinnelijker, dan het naakte lichaam. Door de
bekleeding is in de plaats van de onverschilligheid der wilden voor
het alledaagsche naakte een brandende nieuwsgierigheid gekomen voor
het zich in kleederen verbergende lichaam. Treffend zou dit blijken
als een vrouw in negligé, maar geheel bekleed, zich op straat zou
begeven in gezelschap van een andere met ontbloote armen, beenen
enz.--aller blikken zouden zich wenden naar het negligé, de slechts
gedeeltelijk bekleede gezellin zou ternauwernood worden opgemerkt.
Het bekleede lichaam prikkelt de phantasie, die, eenmaal aan
het werk, zich het verborgene en onbekende in de gloeiendste
en heerlijkste kleuren afmaait. De steeds weer opnieuw opgewekte
nieuwsgierigheid en de steeds opnieuw in werking gebrachte verbeelding
verschaffen het bekleede lichaam een nimmer verzwakkende zinnelijke
bekoring. Het decolleteeren nu schijnt een tegemoetkoming aan
deze nieuwsgierigheid. Niet echter om die nieuwsgierigheid te
bevredigen--daarmee ware niets gewonnen--maar integendeel om haar
nog sterker te prikkelen.
Zoo blijkt uit het decolleté hoe diep en hoe grondig de mode zich in
het haar ter oplossing gegeven thema heeft ingedacht. Zij maakt met de
strategie van een wereldveroverend veldheer geniaal gebruik van elke
voor de hand liggende en meer nog van elke niet voor de hand liggende
gunstige omstandigheid. Met de decolletage benut zij het feit, dat
gedeeltelijke en beperkte tegemoetkoming niet leidt tot bevrediging
der nieuwsgierigheid, maar tot nog grootere nieuwsgierigheid:
zij exploiteert met de ten deele ontbloote boezems met weergalooze
handigheid het verschijnsel, dat een enkel woord van een geheim de
nieuwsgierigheid om alles te weten opvoert tot de uiterste grens
van spanning.
Dat het decolleteeren geen ander dan het hier geschetste doel beoogt,
en dat men dit ten allen tijde ook zeer goed geweten heeft, valt direct
te bewijzen met tal van verbodsbepalingen dienaangaande. Zoo waren
er in tijden, waarin het decolleté niet alleen binnenshuis maar ook
daarbuiten mode was, veelal allerlei voorschriften, hetzij wettelijke
verordeningen, hetzij decreeten van den goeden toon, die de aanwending
van dit lokmiddel aan zekere regelen onderwierpen. Herhaaldelijk komt
men daarbij voorschriften tegen die aan ongehuwde vrouwen een lager
decolleté toestaan dan aan getrouwde vrouwen. Weduwen worden dan
in dit opzicht als gehuwd aangemerkt totdat de wettelijke termijn,
binnen welke zij geen nieuw huwelijk mochten aangaan, verstreken
was. Daarna mochten zij zich weer decolleteeren als jonge meisjes. Met
deze regeling werd natuurlijk zonder meer erkend, dat het decolleté
mannenvangst beoogde, en dat dit recht eigenlijk alleen aan ongehuwde
vrouwen toekwam.
De bedoeling van het decolleté is ontegenzeggelijk alleen deze, den
boezem prijs te geven aan de blikken der mannen teneinde zinnelijke
bekoring uit te oefenen. Of daarbij precies doelbewust dan wel
werktuigelijk en uit navolgingssleur wordt gehandeld, is natuurlijk
vrijwel om het even.
Nu laat de zinnelijkheid zich het allerminst bekoren door openlijk
vertoon, zonder meer. Er is een vorm van decolleté, die slechts
weinig bekoort en waarbij de bekorende kracht in elk geval slechts
van korten duur is: het toonen van den boezem in zijn eenvoudige
naaktheid, zooals men het gezicht en de handen bloot laat. Er zijn
tijden geweest, waarin dit de mode was. En steeds bleek dan, dat er
in een ommezien van tijd ook van dit, als kostbaarste sieraad der
vrouw en als het heerlijkst erotisch wonder der schepping zoo vaak
bezongen uitgangspunt van zinnelijke aantrekkingskracht, niet meer
bekoring uitging, dan van gezicht of handen. Naaktheid heeft geen
blijvende bekoorlijkheid. Deze vorm van decolleté beantwoordde dan ook
allerminst aan het gestelde doel en is dan ook waarschijnlijk zelden of
nooit als direct middel ter bekoring bedoeld. Daarvoor zijn een menigte
andere manieren van ontblooting uitgedacht--gedeeltelijke ontblooting,
waarbij het zichtbaar gedeelte de nieuwsgierigheid naar de rest had
te prikkelen; en de bedekte ontblooting, waarbij het kleed los den
boezem bedekte en op elk gewenscht oogenblik opengeworpen kon worden,
evenals de rok kan worden opgenomen om het been te toonen.
Zoo heeft het decolleté zoolang de mode de vrouwenkleeding beheerscht,
regelmatig heen en weer geschommeld tusschen een minimale en een
maximale ontblooting. Bij dat maximum werd het kleed zoover opengelegd,
dat vrijwel de geheele voorkant van het bovenlichaam aan de blikken
werd prijsgegeven. Koningin Isabella van Beieren bracht in de 16e
eeuw een mode in zwang, waarbij het kleed van den hals tot aan den
middel openhing, en aan haar hof moet deze mode onmiddellijk met een
waren hartstocht zijn aangenomen. In de 16e eeuw heerschte deze mode
herhaaldelijk en er werden toen nog allerlei middelen bedacht, om het
erotisch effect nog te verhoogen: rondom de borsten werden schitterende
versierselen gelegd; ook werden wel beide tepels verbonden door met
diamanten bezette borstketens.
Van langen duur zijn zulke modes echter nimmer geweest. Tegen een
zoo ver en zoo consequent doorgevoerden zin voor openbaarheid staken
steeds onmiddellijk zware stormen van oppositie op. En wel uit
de vrouwenwereld zelf. Misschien uit mededoogen met de bedreigde
zedelijkheid. Vermoedelijk en waarschijnlijk echter om nog een
andere reden, die dan tevens de eigenlijke reden was. Een zoo ver
gaand decolleté konden natuurlijk slechts de zeer weinige zeer ruim
met boezemschoon bedeelde vrouwen zich veroorloven. Zij die op dit
punt niet bijzonder op de vrijgevigheid der natuur hadden te roemen
of die reeds tot meer respectabelen dan bekoorlijken leeftijd waren
geklommen, gevoelden jegens zulke modes heel gauw onoverkomelijke
"gemoedsbezwaren", die zich dan lucht gaven in een categorisch non
possumus. Deze categorie van vrouwen nu maakt ten allen tijde de groote
meerderheid uit en door haar aantal reeds weten zij dan weldra een haar
zoozeer ongunstige en dus onwelgevallige mode in miscrediet te brengen.
De allereerste eisch voor een mode om wat haar hoofdlijnen betreft
langen tijd te kunnen heerschen is, dat zij alle vrouwen in staat
stelt erotische aantrekking uit te oefenen. Een mode, die de volle
werkelijkheid onthult, voldoet wel het minst aan dien eisch. Haar
bestaan is daarom altijd van korten duur. En de mode is daar om alle
vrouwen in den strijd om het sexueel bestaan een kans te geven. Om
die reden schommelde het decolleté meestal tusschen grenzen, waarbij
de mannelijke nieuwsgierigheid in voldoende mate geprikkeld werd,
zonder dat omtrent de werkelijkheid iets bepaalds viel waar te nemen,
en die elke mogelijkheid openlieten om de natuur te corrigeeren en
aan te vullen naar den eisch van het schoonheidsideaal van den dag.