Het is de natuurlijke taak der vrouw, de bij den man sluimerende

zinnelijkheid op haar persoon te vestigen. Dit kan op groote schaal

het best en daarom met de meeste kans op succes geschieden door te

werken op den gezichtszin. Deze manier van lokking levert de meeste

kans een groot aantal te bekoren; zij verschaft dus een ruime keuze. En

doordat de gezichtszin fijnere, edeler instincten wakker roept, levert

de lokking, die zich wendt tot den gezichtszin, tevens de meeste kans

op tot bekoring der beste, meest begeerenswaardige exemplaren; lokking,

gericht op den gezichtszin, verschaft daardoor niet alleen een ruime

keuze, maar tevens keus uit het beste. Om deze redenen trachten alle

vrouwen in de eerste plaats schoon te zijn, d.w.z. te beantwoorden

aan de heerschende _schoonheids-idealen_ voor de vrouw. Om haar

schoonheid te verhoogen en gebreken daarin te verbergen vindt het

vrouwelijk geslacht dan ook altijd weer nieuwe hulpmiddelen uit.

Tot die hulpmiddelen behoort in de allereerste plaats de

kleeding. C. H. Stratz neemt als vaststaande aan, dat het

oorspronkelijk doel der kleeding niet lichaamsbedekking geweest

is, maar _lichaamsversiering_. Reeds vroeg zal de ondervinding

de vrouwen hebben geleerd, dat bedekking en verberging der

bekoorlijkheden de zinnelijkheid meer prikkelt, dan openlijk

tentoonstellen daarvan. Tegenwoordig is bij de meeste volken het

bedekken van het lichaam wel schijnbaar de hoofdzaak, vooral in de

gematigde en koude luchtstreken, maar overal is niettemin voor het

vrouwelijk geslacht verhooging der schoonheid ter verhooging der

sexueele aantrekkingskracht de ware en eigenlijke hoofdzaak bij haar

kleeding. Het is voor de vrouw bij het kiezen harer kleeding vrijwel

onverschillig wat bedekt of niet bedekt wordt, mits de kleeding haar

slechts goed, d. i. verleidelijk en verlokkend staat. Bij den man

is dit geheel anders. In de mannenwereld dient de kleeding behalve

tot lichaamsbedekking allereerst tot aanduiding van standsverschil;

door zijn kleeding vestigt de man de aandacht op zijn stand in de

maatschappij; hij demonstreert er zijn werkelijken of denkbeeldigen

welstand mee, maar sexueele oogmerken spelen in de mannenkleeding geen

noemenswaardige rol. Vandaar overal een veel grootere eenvormigheid

in de mannen- dan in de vrouwenkleeding, Natuurlijk staat dit

rechtstreeks in verband met de schijnbare activiteit en de even

schijnbare passiviteit van man en vrouw in het leven der liefde.

De vrouw is in het liefdeleven de aantrekkende magneet, en alle

middelen waarmee zij die aantrekking van nature vermag uit te oefenen,

tracht zij--natuurlijk veelal zonder zich daarvan duidelijk bewust te

zijn--kunstmatig te versterken. Daar zekere geuren de geslachtelijke

aantrekking blijken te versterken, hult zij zich in wolken van

erotische geuren. Daar opzichtigheid en opschik in nog hoogere mate

sexueele aantrekking uitoefenen, hult zij zich tevens in wolken van

opzichtigen opschik. Iedere vrouw, die zich opschikt en mooi kleedt,

heeft daarmee de al of niet bewuste bedoeling hare natuurlijke

geslachtelijke aantrekkingskracht te verhoogen.

Om het oog der mannen te bekoren en zoodoende hun zinnelijkheid op te

wekken, versierden de vrouwen zich aanvankelijk met elk veelkleurig en

fraai voorwerp, dat zij maar machtig konden worden. Daaruit ontwikkelde

zich de kleeding, die ook daar waar bescherming van het lichaam tegen

koude of warmte een gebiedende noodzakelijkheid is, toch, vooral wat

de vrouwen betreft, in de eerste plaats wordt dienstbaar gemaakt aan

schoonheid, ter verhooging van de sexueele aantrekkingskracht. De

leiding gaat daarbij sinds onheugelijke tijden uit van een factor,

die deze neiging tegelijkertijd aanwakkert, exploiteert en bevredigt:

de mode. Wat deze op een gegeven oogenblik mooi verklaart, daaraan

onderwerpen zich nagenoeg alle vrouwen, ook al gemakshalve, wijl dat

haar ontslaat van de moeite, zelf uit te vinden, wat mooi is. Bij

deze onderwerping blijkt steeds, hoezeer het schijnbare hoofddoel

der kleeding: bescherming van het lichaam tegen koude of warmte, in

werkelijkheid bijzaak is. Als de mode zulks voorschrijft, ontblooten

alle vrouwen gewillig boezem, schouders, armen enz.

Bij vele dusgenaamde onbeschaafde volksstammen dragen alleen gehuwde

vrouwen kleederen. De mannen beschouwen haar als een bezit, dat zij

angstvallig en ijverzuchtig aan alle nieuwsgierige en begeerige blikken

wenschen te onttrekken. Bij zulke stammen is het dan tevens regel,

dat zelfs volwassen jongedochters geheel naakt loopen. Daarentegen zijn

er ook stammen bij welke de ongehuwde vrouwelijke leden zich kleeden,

met het bewuste doel, hare sexueele aantrekkingskracht te verhoogen

en zich begeerenswaardiger te maken, terwijl de gehuwde vrouwen zulks

niet meer noodig achten en ongekleed gaan. Hier gaat men derhalve

uit van de--zielkundig juiste--opvatting, dat van verbergende,

bedekkende kleeding, wijl zij de nieuwsgierigheid opwekt en de

phantasie in werking brengt, machtiger bekoring uitgaat dan van

de algeheele naaktheid, die niets meer te raden overlaat, en wier

bekoring door de gewoonte zeer snel afneemt, zooals iedereen weet,

die een tijdlang onder naaktlevende wilden vertoefd heeft. Datzelfde

beginsel is thans ongeveer overal doorgedrongen, niet alleen in wat men

noemt de beschaafde wereld, maar ook overal waar men die beschaving,

zij het in nog zoo geringe mate, heeft leeren kennen.

Bekleeding en bedekking van het lichaam sluiten echter de mogelijkheid

in, dat zich ook in het verleidelijkste en bekoorlijkste hulsel,

inplaats van een begeerenswaardige Venus, een Megera verbergt. Deze

mogelijkheid matigt en vermindert weer de aantrekkingskracht

der bekleeding. De kleeding moet daarom niet slechts verbergen,

maar tegelijkertijd zooveel mogelijk aanduidingen geven van wat zij

verbergt, en het hoogste raffinement der vrouwenkleeding bestaat dan

ook hierin: zoo weinig mogelijk te toonen, doch op een wijze dat er

zooveel mogelijk valt te raden, volgens den paradox: _in kleederen

naakt_. Een nauwsluitend tricotcostuum of een kleed van dunne, zich

aan het lichaam leggende stoffen verbergt alles, doch laat tevens

alles raden en oefent daardoor een machtige erotische werking uit,

wat reeds de Ouden wisten. Dit feit, dat een doelmatige gedeeltelijke

bedekking of ontblooting sexueel sterker behaagt en bekoort dan de

volle naaktheid, is een onderdeel van een veel omvattender verschijnsel

in het leven der sexen. De mannelijke zinnelijkheid wenscht geen

dadelijke, lijdelijke overgave, zij verlangt integendeel verzet,

tegenstand, zij wil de zege stuk voor stuk bevechten, wat zich aanbiedt

wordt weinig of niet meer begeerd, wat zich al te licht prijsgeeft

trekt niet aan, stoot eer af. Evenzoo is het met de zich vrijelijk

aan den blik prijsgevende naaktheid. De berekende schijnbeschaamdheid

der half bekleede Venus van Medici is verleidelijker en aanlokkender

voor de mannelijke zinnelijkheid dan de onbekommerde naaktheid van

de Venus van het Vatikaan.

Is het doel der bovenkleeding verlokking in het algemeen, dat

der onderkleeding is in hoofdzaak persoonlijke verlokking van

den begunstigden man. Hoe dichter de vrouwelijke kleeding de huid

nadert, des te ingewikkelder en gecompliceerder en teven des te

meer zinnenbedwelmend wordt zij. Kanten, borduursels, linten,

strikken, de meest phantastische stoffen, de geraffineerdste

kleurencontrasten. Natuurlijk ligt in dat alles een diepere

bedoeling. De schatten van vinding en phantasie, die de linnenkast

eener welgestelde dame vertegenwoordigt, verraadt te duidelijk,

hoezeer men zich in die schijnbaar zoo onbeduidende bijzaak

als de onderkleeding heeft verdiept. De artistieke pracht en

de erotische doelmatigheid van elk onderdeel van het vrouwelijk

dessous bewijzen voldoende, dat hiermee iets anders wordt beoogd dan

lichaamsbekleeding. Het dessous is weer een dier middelen waarmee

de vrouw zich kwijt van de taak haar door de natuur toegewezen: zich

tegenover den man schijnbaar passief te gedragen en hem toch op het

geraffineerdst te bekoren en te verlokken en hem bij voortduring

door haar erotische overmacht aan zich onderworpen te houden. Zoo

zien wij dan ook, dat geen vrouw die zichzelf respecteert zich bij

de keus harer onderkleeding alleen door hygiënische overwegingen

laat leiden; integendeel, de dame van heden kleedt zich, wat haar

dessous betreft, 's winters vrijwel precies zoo als in den zomer,

hoezeer zij zoodoende haar gezondheid in gevaar brengt. Heel het

vrouwelijk dessous is een wolk van erotische verlokking. Moet de

vrouw bij haar bovenkleeding zich om tal van redenen beperken, bij

haar onderkleeding kan zij vrijelijk en ongehinderd haar lokkende

zinnelijkheid uitleven; de onderkleeding immers ligt buiten het

gebied der openbare zedelijkheid. Hierbij kan men alle beschikbare

phantasie te hulp roepen en kan men zich alles veroorloven. En zoo

is aan de vrouwelijke onderkleeding alles verleidelijk, pikant, een

ware orgie van vormen en kleuren. Wij zullen het thema der kleeding

in het volgend hoofdstuk uitwerken.

Behalve de kleeding zijn er nog tal van andere factoren, die der vrouw

de mogelijkheid openen om door middel van den gezichtszin erotischen

invloed uit te oefenen en overal en in alle tijden zien wij de vrouwen

zich in ruime mate van die mogelijkheid bedienen. En tevens met

voorliefde. De blikken te bekoren is voor de vrouw eenerzijds voor

haar ijdelheid het meest streelend, en anderzijds is dit tegelijk

het zekerst en het veiligst. De oogen een verrukkelijk schouwspel te

bereiden is bovendien de eerste gunst, die de vrouw den man bewijst,

het is de gebruikelijke ouverture van alle vrouwelijke flirt, en het

gansche spel der vrouwelijke coquetterie bestaat voornamelijk hierin,

door pikante poses, verleidelijke houdingen en schijnbaar achteloos

aan den blik prijsgeven van intieme bekoorlijkheden den man te

behagen. Door zoo op den gezichtszin te werken kan de vrouw, zonder

haar schijnbaar passieve rol in het leven der liefde af te leggen,

toch actief optreden, en dat met onweerstaanbare macht. De sexueele

gevoeligheid van den gezichtszin biedt de vrouw de mogelijkheid,

de mannelijke zinnelijkheid reeds op een afstand te doen ontvlammen

en tot de begeerde uitbarsting te brengen.

De gezichtszin staat bij sommige, vooral mannelijke individuen

dermate onder den invloed der zinnelijkheid, dat het zien alleen

van een individu der andere sexe de verbeelding zoodanig prikkelt,

dat bevrediging der geslachtsdrift plaats vindt. Hammond beschrijft

dit als volgt: "Bijvoorbeeld een man ziet een vrouw, die zinnelijke

bekoring op hem uitoefent. Hij concentreert al zijn aandacht op haar,

laat zijn verbeelding werken, stelt zich voor dat hij haar nadert,

trapsgewijze brengt hij dan met zijn phantasie alle stadiën van den

coïtus voor zijn geestesoog, tot het tenslotte tot orgasme komt. Er

zijn mannen, die alleen dezen vorm van zinnelijke prikkeling kennen,

doch dan deze methode meermalen op een dag kunnen toepassen". In

enkele gevallen is het zien van een afbeelding eener vrouw of het

denken aan een vrouw, al voldoende, orgasme te veroorzaken. Tot

de natuurlijke cohabitatie zijn zulke personen in den regel ten

volle impotent. Dit verschijnsel is ongetwijfeld een gevolg van het

feit, dat het schoonheids-ideaal, dat op de zinnelijkheid inwerkt,

en deze in actie brengt, het individu overweldigt door middel van

den gezichtszin. Alle zinnelijkheid verlangt in de eerste plaats te

zien. De masturbant beschouwt bij zijn practijken veelal een vrouw of

een afbeelding, of zijn verbeelding plaatst hem deze voor oogen. En

ook bij het gewone en normale geslachtsleven speelt deze ideëele

coïtus een belangrijke rol: men cohabiteert met een persoon en denkt

daarbij aan een andere.

Het zintuig van het gezicht, het oog, speelt in het liefdeleven nog een

andere rol. Liefde wordt allereerst verklaard met het oog. Het is de

blik die de vonk schiet welke de hartstocht der liefde tot uitbarsting

brengt, evenals een bliksemstraal de met electriciteit geladen

onweerswolken. De blikken dergenen, die door duistere sympathiën

zich tot elkaar voelen aangetrokken en tot elkander worden gevoerd,

ontmoeten elkander en toonen elkander de diepte der ziel, waarin

reeds de geheimzinnige en geurige bloem der liefde tot ontluiking

is gekomen. Zoo is het dat de echte liefde wordt verklaard. Het

overige is vooreerst maar het overige en komt later. Het oog vermag

in de liefde onuitsprekelijke dingen te zeggen. Het is de blik die

de eerste liefdesverklaring stamelt.

VIII.

DE KLEEDING ALS BONDGENOOTE DER ZINNELIJKHEID.

De kleeding heeft onder het voorwendsel het lichaam bescherming te

verleenen tegen allerlei uitwendige invloeden, een geheel andere

functie te vervullen. Kleeding is lichaamsversiering in dienst der

zinnelijkheid en der ijdelheid.

Is voor den man in het algemeen de kleeding een der middelen om zijn

maatschappelijke positie te demonstreeren, voor de vrouw is de kleeding

gedurende een groot deel van haar leven een direct erotisch probleem,

een vraagstuk, waarmee zij zich in den sexueelen strijd om het bestaan

aanhoudend moet bezighouden. Vandaar dat wij ons hier uit den aard

der zaak voornamelijk bij de kleeding der vrouw moeten bepalen.

Het allervoornaamste, zoo niet het eenige doel van het decoratief

vertoon van de kleeding der vrouw is: verhooging der erotische bekoring

van het vrouwelijk lichaam. De vrouw kleedt zich, niet om bekleed te

zijn, maar om te bekoren en te behagen. De rest is bijzaak.

Tot op zekere hoogte is ook bij de mannen de kleeding een erotisch

probleem, maar zij is dit in veel geringere mate en op geheel andere

wijze. De man heeft in het liefdeleven de oogenschijnlijk actieve rol

van aanvallende partij; daarbij kan de kleeding, die zijn stand en

zijn welstand al of niet overeenkomstig de werkelijkheid te kennen

geeft, hem behulpzaam zijn in den eersten stormloop. En ook streeft

de man er bij de keuze van kleeding naar, dat ze hem zoo voordeelig

mogelijk late uitkomen. Maar bij de vrouw is de kleeding het groote

middel om hare natuurlijke sexueele aantrekkingskracht onberekenbaar

te verhoogen en tot op gevorderden leeftijd intact te houden. En dit

geldt niet alleen van de geraffineerde pronk en van den opzettelijken

opschik, maar van elke lichaamsbedekking der vrouw in het algemeen.

Men weet thans, en de vergelijkende volkenkunde levert daarvoor dag

aan dag nieuwe bewijzen, dat het een dwaling is, als men spreekt

van een den mensch van den beginne af aangeboren schaamtegevoel,

dat hem er toe zou hebben gedreven zekere deelen van het lichaam te

bedekken. Wij weten verder, dat integendeel elke vorm van kleeding

oorspronkelijk nooit eenig ander doel heeft gehad dan om te strekken

ter versiering ten behoeve van oogmerken, die in laatste instantie

bevrediging der zinnelijkheid beoogen.

De vrouw is, en wordt nog om haar hartstocht voor kleeding, waarmee de

tegenwoordige vrouw als erfelijk is belast, veel gesmaad en bespot. De

mannen maken zich gaarne vroolijk over al die linten en strikken,

al dat kant en bont, al dien blinkenden en kleurigen opschik, die

sinds duizenden jaren in het leven der schoone sexe een zoo voorname

rol spelen, en zij zien er minachtend en geringschattend op neer

en verbeelden zich daarboven verheven te zijn. Ten onrechte, want

de vrouw neemt al die hulpmiddelen te baat, wijl ondervinding haar

heeft geleerd en nog dagelijks leert, dat juist die hulpmiddelen op

den man een onweerstaanbare uitwerking hebben. De vrouw kleedt en

tooit zich en schikt zich op, niet in de eerste plaats, omdat zij

zelf daar zoo op gesteld is, maar omdat zij den man daartegen zwak

weet. Als de man den spot drijft met de zucht naar opschik der vrouw,

bespot hij eenvoudig zijn eigen voorliefde voor de opgeschikte vrouw.

Gewoonlijk beschouwt men het geheimzinnige hulsel, waarin de vrouw

hare natuurlijke bekoorlijkheden verbergt, als een lustig spel der

grillige phantasie, waaraan de vrouwelijke ijdelheid zich te buiten

gaat. Evenwel is hier allerminst sprake van een spel. De kleeding

is voor de vrouw de oorlogsrusting in haar lijdelijk offensief in

den strijd der liefde. Van de doelmatigheid dier wapenrusting hangt

haar overwinning af. Zich opschikken is het zwak der vrouwen dat haar

sterk maakt--het is voor haar een erotisch machtsmiddel.

Dat het erotisch probleem der kleeding op zoo uiteenloopende wijze

is opgelost, is te verklaren als volgt. Bij het versieren van het

lichaam gaat de mensch, op welken trap van beschaving hij zich ook

bevindt--zoowel op den hoogsten als op den laagsten trap--steeds

er naar uit, de speciale eigenschappen van het ras, die natuurlijk

als voordeelen boven andere rassen worden aangemerkt, zoo scherp

en zoo gunstig mogelijk te laten uitkomen. Voor een zoo volmaakt

mogelijk exemplaar van zijn ras te worden aangezien, daarnaar

streeft onwillekeurig ieder mensch. De meest in 't oog springende

ras-eigenschappen der Europeanen, speciaal der Europeesche vrouwen,

zijn: betrekkelijk lange beenen, een natuurlijke taillevorming

met merkbare insnoering van den middel, verder een breed bekken,

ronde heupen en stevige borsten, als halve bollen op de borstkas

staande. Deze speciale eigenschappen der Europeesche rassen hebben

de richting bepaald, waarin de kleeding zich in dit werelddeel heeft

ontwikkeld. Uit het streven om de lengte der beenen te laten uitkomen,

ontstond de rok, die het mogelijk maakt met een oogopslag de verhouding

daarvan tot het bovenlichaam op te nemen. Evenzoo danken gordels en

ceinturen hun ontstaan aan de zucht om er de aandacht op te vestigen,

dat men in taillevorming niet achterstond. Toen de kleeding zich zoover

had ontwikkeld, dat ze zich gesplitst had in een geheel afzonderlijke

onder- en bovenkleeding, werden ten behoeve van ditzelfde oogmerk

de achtereenvolgende vormen van het corset uitgedacht, als een

hulpmiddel om de verdere vrouwelijke eigenschappen van het blanke

ras--breed bekken en staande borsten--aan het geheel bekleede lichaam

toch nog te kunnen tentoonstellen. Dat dit geen hypothese is, leert

een vergelijking met een menigte andere rassen, bij welke een breed

bekken, taille-insnoering en een opgerichte boezem niet tot de speciale

raskenmerken behooren. Bij zulke rassen, het Chineesche bijvoorbeeld,

is in de kleeding geen spoor te ontdekken van een streven om de taille

in te snoeren of den boezem kunstmatig omhoog te persen.

Het corset is dus een hulpmiddel in dienst der erotische instincten

der vrouwen van het blanke ras, en dit verklaart, waarom men deze

vrouwen er tot dusver nog niet toe heeft kunnen krijgen, en er

wellicht nimmer toe zal krijgen, van het corset afstand te doen, en

waarom zelfs eenmaal van dit folterwerktuig bekeerde dames het onder

een andere benaming al of niet onder eenigszins gewijzigden vorm,

al spoedig weer binnen smokkelen.

In het algemeen is de kleeding ontstaan uit de ervaring, dat

het verhulde lichaam meer en langduriger bekoort dan het naakte

lichaam. Hierover is al nader uitgewijd in het hoofdstuk dat handelt

over den invloed der zintuigen in het liefdeleven en in dat over

de schaamte.

Een natuurlijk gevolg van de zucht om de bijzondere raseigenschappen

te laten uitkomen en voor een volmaakt vertegenwoordigster van het

ras te kunnen doorgaan, is gelijk van zelf spreekt: overdrijving. Wie

een verlangde eigenschap in den hoogsten graad bezit of schijnt te

bezitten, valt het eerst en het meest in het oog. Zoodoende zoekt de

kleeding gewoonlijk een bijzondere ontwikkeling van de bovengenoemde

raseigenschappen voor te wenden. Daarbij wordt in den regel weinig of

geen rekening gehouden met de natuurlijke harmonie, grondslag en eerste

eisch van elke ware schoonheid. Maar, esthetische overwegingen komen

bij de kleeding zoo goed als niet aan het woord. Met de kleeding toch

worden geen esthetische, maar practisch-erotische oogmerken beoogd. En

nu moge het waar zijn, dat hoogstzelden vrouwen met de breedste

heupen, den weelderigsten boezem en de omvangrijkste callipygische

bekoorlijkheden als werkelijke schoonheden en esthetische idealen

worden aangemerkt, toch leert de ondervinding maar al te duidelijk,

dat in werkelijkheid toch diegenen de voorkeur genieten, bij wie deze

raseigenschappen het krachtigst ontwikkeld zijn. De vrouw wil niet in

de eerste plaats schoon genoemd zijn, maar zij wil bovenal gezocht en

begeerd zijn, en zoo strekt de kleeding niet om de schoonheid der vrouw

te verhoogen, maar om hare zinnelijke aantrekkingskracht te verhoogen.

De passieve rol van de vrouw in het geslachtsleven dwingt haar,

als zij in haar passiviteit toch actief wil optreden--d.w.z. als

zij schijnbaar lijdelijk wil blijven en toch erotische actie wil

voeren--de kleeding als bondgenoote te aanvaarden.

Deze bondgenoote toch stelt haar meer dan iets anders in staat,

verdekt offensief op te treden. Zij mag er met zekerheid meer effect

van verwachten dan zelfs van de meest verleidelijke coquetterie,

het andere groote actieve middel der vrouw; deze wordt tot een nauw

verstaanbaar gefluister, vergeleken bij de beeldrijke lofrede,

die de vrouw door haar kleeding op zich kan laten houden tot den

man. De kleeding is, kort gezegd, de hoogste troef in het spel der

verlokking. Door de pracht in haar kleeding en door steeds up to

date daarmee te zijn, kan de vrouw bovendien haar welstand ten toon

spreiden. Door daarbij een goede keuze en eenigen smaak aan den dag

te leggen kan zij tenslotte met haar kleeding zelfs hooggespannen

verwachtingen wekken omtrent hare geestelijke kwaliteiten. Zoo

is de kleeding voor de vrouw een onuitputtelijk arsenaal en haar

operatiebasis in den sexueelen strijd om het bestaan.

Het zou der vrouw geringe moeite kosten al datgene, wat zij met haar

kleeding vermag, op de edelste en meest esthetische manier te doen,

en haar natuurlijk schoon met behulp der kleeding eenige malen te

verdubbelen. In plaats daarvan is als regel de bekleeding der vrouw,

met esthetisch oog bezien, een toonbeeld hetzij van leelijkheid, hetzij

van dwaasheid. De kleeding, die zou kunnen dienen het vrouwenschoon

te verhoogen, doet eigenlijk niet anders dan dat schoon onkenbaar

maken. Wat de bestaande schoonheid kon versterken en vermeerderen,

verwoest haar. De natuurlijke schoonheid wordt bedekt met leelijkheid;

om mooi te zijn, maakt men zich leelijk!

De oplossing van deze tegenstrijdigheid is eenvoudig.

De kleeding is voor de vrouw geen doel, maar middel. Het doel is niet

schoon te zijn, maar begeerd te worden. Niet de roem der schoonheid

is het doel in den sexueelen wedstrijd, maar de verovering van den

man. En daarbij staan de kansen niet het gunstigst voor het schoone

en harmonische, maar voor het opzichtige en buitensporige. De vrouw

moet in de eerste plaats den bruidssluier machtig worden. Daartoe is

het niet voldoende schoon te zijn. Integendeel, het welslagen is zeer

weinig gewaarborgd, als de oplossing van dit vraagstuk wordt gezocht

in de richting van het esthetisch zuiver schoone; zekerheid bijna van

slagen daarentegen is er, als men de kunst verstaat de aandacht op

zich te vestigen, en door iets opvallends boven de eindelooze massa van

mededingsters weet uit te steken. Het zwakste punt van de te veroveren

vesting, den man, is diens zinnelijkheid. Op dit punt moet hij dus

bij voorkeur worden aangetast. Aanvallen in dezen zin, zoo, dat de

schijn van lijdelijkheid blijft bewaard, kan de vrouw het best met haar

kleeding. Daarin dus zoekt zij zonder te spreken de verleidelijkste

zinnelijke beloften te doen. Het slagen is zeker voor wie daarin

slaagt. Ieder costuum moet aan de mannenwereld de verzekering geven:

ik ben datgene, of ik ben _nog_ datgene, wat de vrouw in de eerste

plaats zijn moet--instrument der zinnelijkheid. Alles moet daarbij

voor de brute logica van der vrouwen strijd om het bestaan wijken.

Geen der schijnbare dwaasheden in de vrouwenkleeding is dan ook

dwaasheid. Integendeel, alles is daarbij altijd verwonderlijk doelmatig

ingericht op het verlangde effect.

De leiding heeft daarbij de mode!

De mode is het, die het bovengeschetste probleem op telkens nieuwe

wijze oplost. Deze voert de vrouwen, die haar uniform aannemen,

naar een vrijwel zekere overwinning. In dienst der mode bereiken de

vrouwen bijna zeker haar doel--zij het verminkt.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid · 第 11 / 15 段