De zinnelijkheid is voor het individu veelal eenvoudig doel, maar in de

ordening der natuur is zij het middel tot bestendiging van het leven,

en zij werkt bij alle menschelijke wezens, zonder uitzondering. En de

zinnelijkheid werkt zoo, dat ze den mensch met onweerstaanbare aandrang

er toe aandrijft, gemeenschap met de andere sexe te begeeren. Dit

doet den mensch hunkerend rondzoeken naar bevrediging, en zijn

begeeren, aanvankelijk gericht op de gansche andere sexe, vestigt

zich tenslotte op een bepaald persoon, en wel op die, welke het meest

overeenkomt met zijn erotisch ideaal, m.a.w. op de persoonlijkheid,

die het meest voldoet aan zijn zinnelijken smaak--verondersteld blijft

hierbij natuurlijk, dat geen andere factoren de keus bepalen. Is het

individu, welks keus is bepaald, een man, dan is het volgende wat hem

te doen staat, het voorwerp van zijn keuze op een of andere wijze van

dit feit in kennis te stellen. Bij den man is de keuze en het kenbaar

maken daarvan vrij en van zijn min of meer tactvol optreden kan dan

afhangen of zijn keus de verlangde gemeenschap tengevolge heeft of

niet. De vrouw daarentegen gevoelt in hetzelfde geval zich genoopt

haar keus te verzwijgen. Zij mag alleen kiezen uit wat zich haar

aanbiedt. Zij heeft ten deze niet de vrijheid, die de man heeft. Van

haar wordt een afwachtende houding verwacht. Vandaar is er bij de vrouw

van een vrije geslachtelijke keuze geen sprake. Wijl dit verschijnsel

in het zinneleven der dieren ook kan worden waargenomen, schijnt het

normaal en door de natuur gewild. Hoe dit zij, in de sexueele zeden

van alle tijden en volken vinden wij den man het recht toegekend--en

in toepassing brengen--zijn keus kenbaar te maken en openlijk naar

het bezit van het voorwerp zijner keuze te dingen; terwijl de keus

der vrouw beperkt is tot het recht om een desbetreffend aanbod

te accepteeren of van de hand te wijzen. Bij beide sexen heeft

zich deze verhouding ontwikkeld tot de hoogste wet in het sexueele

leven. De vrouw, die haar keus op dezelfde wijze als de man kenbaar

zou maken, zou daarmee tegen alle sexueele gebruiken zondigen. En

wat haar wellicht nog het meest in haar passieve rol doet berusten,

dat is dit andere verschijnsel, dat het bezit van de zich aanbiedende

vrouw in den regel door den man weinig of niet wordt begeerd, en in

elk geval niet hoog wordt gewaardeerd. Zoo werkt alles er toe mede

dit zoo in stand te houden.

De vrouwelijke passiviteit in het liefdeleven openbaart zich in

velerlei vormen en graden en soms is, oogenschijnlijk tenminste, het

verschil met de mannelijke activiteit zeer gering. Er zijn vrouwen,

die als Mohammed tot den berg weten te gaan, als de berg niet tot

Mohammed komt. Tal van vrouwen erkennen dit openlijk en eischen het

recht daartoe voor de vrouwenwereld op. Zoo schrijft Frieda von

Bülow in _Einsame Frauen_: "Men zegt: de man moet kiezen en der

vrouw het hof maken, de vrouw moet afwachten. Dit generaliseeren

is domme onzin, zooals zooveel wat zich voor wijsheid uitgeeft. Er

zijn mannen die beslist het hof gemaakt en ook gekozen moeten worden

en uit zichzelf nooit den moed zullen vinden zich aan een vrouw te

verklaren. Daarentegen zijn er vrouwen, met wier aard lijdelijkheid

geheel en al in strijd is en die zich daar volstrekt niet in zouden

kunnen schikken. Ik zelf bijvoorbeeld ben gewoon mij altijd zelf mijn

tafelburen en mijn cavalier bij den dans uit te kiezen. Mannen, wier

omgang mij van te voren niet aanstaat, laat ik ook niet de gelegenheid

mij te naderen."

Intusschen, al moet men toegeven, dat er vrouwen zijn, die de kunst

verstaan gracieus de rollen om te keeren en toch ten volle vrouw te

blijven, valt toch niet te ontkennen, dat dit uitzonderingen zijn op

den algemeenen regel. De meeste vrouwen geven er de voorkeur aan zich

het hof te laten maken en weten zich uitmuntend in hare dusgenaamde

passiviteit, die in werkelijkheid zeer actief is, te schikken en

daarin te berusten.

Uit den aard der zaak is de rol der vrouw in het liefdeleven

gecompliceerder, dus interessanter, dan die van den man. Om deze reden

zal elke studie van den sexueelen omgang zich meer met de vrouw bezig

houden dan met den man. De rol der vrouw is wel schijnbaar passief en

afwachtend, maar in werkelijkheid is zij even actief en offensief als

de rol van den man. Maar bij de vrouw is de erotische activiteit van

geheel anderen aard--zij trekt den man, bewust of onbewust, tot zich,

zij wekt den zinnelijken honger der mannen op en prikkelt die door

te dralen met de bevrediging en op honderd andere manieren en zoo is

de passieve vrouw in het liefdeleven de eigenlijke hoofdpersoon. De

man is de betooverde, die handelt onder den invloed van sexueele

dwanggevoelens.

De toenadering der beide sexen voltrekt zich, wanneer het door

de natuur aangewezen pad wordt bewandeld, niet plotseling, maar

integendeel zeer langzaam en geleidelijk. Vóór het komt tot de

handeling die de natuur wil, en die beide sexen al of niet klaar

bewust willen, doorloopen beide partijen velerlei phases, die elk

voor zich de bron kunnen zijn van aangename gewaarwordingen en van

die zielstoestanden, die men in het algemeen noemt geluk. Langzaam en

geleidelijk brengen geheimzinnige krachten met onuitputtelijk geduld

beide helften van het geslachtelijk geheel in elkanders sfeer van

sexueele aantrekking, laden ze beide met de levenwekkende electriciteit

van den hartstocht, en voeren ze zoo tot elkander als twee wolken die

den bliksem dragen. Tot tenslotte op een gegeven moment plotseling

het contact tot stand komt en het tusschen beide partijen tot een

verklaring komt, die over beider toekomst beslist.

Aanvankelijk is er bij beide sexen schuwheid jegens elkander, de

ontluikende bloemen schijnen elkander eer te ontwijken dan te zoeken;

tusschen beide bestaat een onbewuste schroomvalligheid, die zich uit

in onhandige verlegenheid.

Het eerste ochtendgloren van het mysterie der liefde hult zich in

onbestemde nevelen, en jonge onbedorven zielen worden aanvankelijk

gescheiden gehouden door een zwijgend misverstand. Het eerste ontluiken

der liefde is als een half-onbewuste worsteling, waarbij de jongeling

beschroomdheid aan den dag legt en het meisje stoutmoedigheid--in deze

eerste phase, waarin beide sexen elkander pogen te naderen, nemen zij

als het ware elkanders hoedanigheid aan. Er is eerst vereering op een

afstand, zwijgende aanschouwing, onbegrepen vergoding, waarvan men

het niet waagt te spreken, waarvan men zich alleen bewust is, dat het

iets is en dat men het moet verbergen. Zoo kan het liefdeleven in zijn

eindelooze verscheidenheid een aanzienlijk deel van het bestaan der

individuën vullen, alvorens de natuur _haar_ doel met dit alles ziet

bereikt. En vooral dit voorspel, dat dit gezamenlijk bezwijken voor

den machtigen drang der natuur voorafgaat, is voor ons in dit werk

van belang en hiermede zullen wij ons dan ook in hoofdzaak bezighouden.

Bij het tot elkander voeren der geslachten bedient de natuur zich van

ongeveer alle zintuigen, gelijk wij in een afzonderlijk hoofdstuk,

hierover handelend, zullen trachten aan te toonen. Ieder individu is

met al zijn zintuigen gevoelig voor de bekoring die tot hem uitgaat

van het andere geslacht. Deze bekoring neemt gewoonlijk den vorm aan

eener opzettelijk aangewende lokking. Dit lokken geschiedt niettemin

slechts tot op zekere hoogte opzettelijk, het zetelt niet in den

overleggenden wil, evenmin als dit het geval is met de aantrekking

die van de magneet uitgaat naar het ijzer. De lokking, die het eene

geslacht uitoefent op het andere, is een bloot natuurlijke functie,

die echter, evenals iedere natuurlijke functie, door den mensch min

of meer kan worden beheerscht, geoefend en versterkt.

Het groote natuurlijke en daarom op zichzelf onbewuste lokmiddel der

vrouw is de _maagdelijkheid_. De bekoring der maagdelijke onschuld

op de sexueele psyche van den man is onweerstaanbaar, en de jacht

van de mannelijke zinnelijkheid geldt in de eerste plaats de virga

intacta. "De maagdelijkheid", zegt Hippel in _Ueber die Ehe_, "is de

Meimaand van het jaar, de bloesem der boomen, de dageraad van den dag;

de maagdelijkheid is een zoo teere zaak, dat men er ternauwernood

van kan spreken, zonder ze te bezoedelen".

Onder de Alexandersagen komt een sprookje voor van heerlijke bloemen

in het woud, uit wier roode en witte kelken, als in de lente de

sneeuw gesmolten is, liefelijke feeën te voorschijn treden, die

den ganschen zomer bij vogelenzang en bloemengeur hun heerlijke

jeugd genieten. Maar als de herfst komt, als de bronnen ophouden te

vlieten, bloemen en bladeren verwelken en verdorren, dan verdwijnen

deze liefelijke kinderen der bloemen en hun kort leven vergaat. De

wonderkinderen van dit sprookje zijn de maagdelijke vrouw, zooals de

mannelijke phantasie zich die gaarne droomt.

De maagdelijke vrouw straalt een onuitsprekelijke bekoring uit. In de

voorstelling veler volken en godsdiensten is de maagd een wezen van

bovenmenschelijke reinheid, toegerust met bovennatuurlijke krachten. Er

is nauwelijks iets, dat in de sexueele zeden een zoo groote rol speelt

als de maagdelijkheid.

De eeredienst der maagdelijkheid, zegt Ploss in _Das Weib in der

Natur- und Völkerkunde_, is een esthetisch dogma, dat uitgaat van

de opvatting, dat de sexueele ongereptheid der jonge vrouw een zeer

bijzondere zedelijke waarde heeft. In deze waardeering van de intacte

sexualiteit der vrouw valt door de gansche beschavingsgeschiedenis heen

een naturalistische en een idealistische opvatting waar te nemen. Zelfs

bij de natuurvolken vallen sporen van een zekeren graad van eerbied en

zedelijk ontzag voor de maagdelijkheid te bespeuren. Bij de beschaafde

rassen geldt het als iets natuurlijks, in de ongereptheid en reinheid

van den maagdelijken toestand het ideaal der kuische en heerlijke

vrouwelijkheid te vereeren. Reeds in het oudste Germaansche recht

werd de maagdelijkheid als iets eerbiedwaardigs beschouwd, en de

Christelijke godsdienst kende aan een kuisch maagdelijk leven een zoo

hooge beteekenis toe, dat vele gehuwd geweest zijnde vrouwen later tot

heiligen zijn verheven, omdat zij ook in den echtelijken staat haar

maagdelijkheid ongeschonden hadden bewaard. En hoewel bij de Germanen,

sinds zij tot het Christendom overgingen, de oorspronkelijke eerbied

voor de vrouw in het algemeen allengs verminderde, wijl de geestelijke

met het oog op den zondeval in het Paradijs hen leerde de vrouw als

een onrein wezen, als de verleidster van den man te beschouwen, toch

bleef bij hen de eerbied voor de maagdelijke reinheid ongeschokt. In

den Christelijken godsdienst, hoewel die de _vrouw_ als de oorzaak van

de eerste zonde en daarmee van alle zonde beschouwt, heeft de vereering

der moeder Gods als de onbevlekte maagd Maria de _maagdelijke vrouw_

omgeven met een wolk van hemelschen luister. En nog allerlei andere

dingen hebben er toe bijgedragen, dat de ideale beteekenis van het

begrip maagdelijkheid in onze hedendaagsche beschaving behouden

is gebleven.

De legende van de heilige Ursula en haar elfduizend maagden, zegt

Mantegazza, is door de geleerden en de geschiedvorschers slecht

uitgelegd. Zij beteekent, dat de maagdelijke vrouw een gansch legioen

kleinere maagdelijkheden in zich omdraagt, die de een na de ander

bemind en veroverd willen worden. Zelfs in het oogenblik des doods

blijft er in de vrouw nog veel maagdelijks over.

De oude beschavingen kenden aan de maagdelijkheid allerlei mystieke

beteekenissen toe. Aan den hemel der oudheid reeds schitterde het

sterrenbeeld van de Maagd als personificatie van Dice, de strenge

godin van de straffe, onbuigzame gerechtigheid, die in de gouden eeuw

als Astrea, Sterrenmaagd, op aarde leefde en in de ijzeren eeuw als

de laatste der godheden naar den hemel ging.

Door de Maria-vereering kreeg vooral in de sexueele zeden der

Christenheid de maagdelijkheid der vrouw een verheven-mystieke

beteekenis. In de eerste tijden van het Christendom hebben de

kerkvaders zich beijverd om de opvattingen omtrent de virginiteit der

christenvrouw een heiliger en verhevener karakter te verleenen, dan

zij had bij de concurreerende heidensche religies. Ook in dit opzicht

moest met alle middelen het Christendom worden voorgesteld als een

geheel nieuwe leer, van hooger orde en direct van bovenaardschen

oorsprong. En zoo werd bij elke gelegenheid, die zich voordeed,

de christelijke maagdelijkheid voorgesteld als bij uitstek rein en

verheven, stralende met den luister van hemelsche heerlijkheid. De

kerkvaders hebben geen woorden genoeg om de reinheid der christelijke

maagden te verheerlijken en op de Vestaalsche maagden der Romeinen

te smalen en deze verdacht te maken en hare echtheid of wel hare

belangeloosheid te betwijfelen. "Hoe zou men de Vestaalsche maagden

kunnen prijzen?" vraagt Ambrosius; "maagdelijkheid als kostwinning

is geen maagdelijkheid, alleen die, welke ontspruit uit liefde voor

de deugd; het is geen maagdelijkheid, die in het openbaar wordt

gekocht of gehuurd". En aan keizer Valentinianus II schreef hij:

"Gij bezit hoogstens een zevental Vestaalschen, en die waren nog

jonge kinderen, toen zij zich aan Vesta wijdden. En dat zijn dan

alle maagden, waarop het heidendom bogen kan. Zeven ongelukkigen,

die men met het vooruitzicht op pracht, weelde, tallooze slaven

en groote inkomsten heeft verleid tot haar maagdelijkheid, en die

daarin alleen staande blijven door de hoop dat zij in weerwil van haar

gelofte toch niet als maagd zullen behoeven te sterven".--"Kan men",

zoo vraagt dezelfde Ambrosius in het eerste boek van zijn werk _De

Virginitate_, "de Vestaalsche maagden en de priesteressen van Pallas

Athene vergelijken met onze christelijke maagden? Wat beteekent

een maagdelijkheid zonder zuiverheid van zeden, wat is de waarde

van een maagdelijkheid die als een drukkenden last tegen belooning

wordt aanvaard voor een bepaalden termijn, inplaats dat men uit

innerlijken aandrang haar vrijwillig zich oplegt? Maagdelijkheid,

die men zich heeft voorgenomen op een zeker tijdstip te verbreken,

staat niet hooger dan gewone lichtzinnigheid. En wat te denken van

een godsdienst, die op die manier van de jeugd schijn-kuischheid

koopt en bij de ouderen onkuischheid toelaat! Neen, de Vestaalsche

maagden zijn niet waarlijk maagdelijk, want zij zijn het gedwongen,

en evenmin eerbaar, daar zij haar maagdelijkheid verlagen tot een

beroep, en wijl zij zich elken dag prijsgeven aan de onreine blikken

van het bedorven en losbandige volk".

Door deze mystieke opvatting der maagdelijkheid werd deze in

de christenkerk weldra een hooge en verdienstelijke wijding. De

kerk werd de reine bruid, aan wie men zich wijdde, Christus werd

de hemelsche bruidegom, met wien men zich door een mystiek huwelijk

wenschte te verbinden. De maagdelijkheid werd daardoor minder begeerd

om haar zelf, dan wel als een verheven toestand, die recht gaf uit de

hoogte neer te zien op anderen. Zij werd een heroïeke deugd, die hare

beoefenaarsters recht verleende om te worden beschouwd als wezens van

hoogere orde. Inderdaad droegen de christelijke vrouwen der eerste

eeuwen, die zich tot levenslange maagdelijkheid hadden verbonden,

een onderscheidingsteeken, n.l. een kap, die vrijwel overeenkwam met

de Romeinsche mitra.

Naast de esthetische en idealistische vereering der maagdelijkheid

is er nog een andere, een louter zinnelijke vereering, die weinig

of niets moois heeft en niets anders is dan een naturalisme van

de grofste soort. Deze vorm van vereering is intusschen de meest

algemeene, wijl hij eigen is aan de grof-aangelegde en zeer zinnelijke

naturen, die in aantal overal en altijd verreweg in de meerderheid

zijn. Ook deze naturen stellen maagdelijkheid op hoogen prijs, doch

hunne motieven daarvoor zijn van zeer nuchteren aard en alles behalve

idealistisch. Wel blijft daarin dikwijls een min of meer esthetische

afkeer van de reeds door anderen bezoedelde vrouw meespreken,

maar de eigenlijke en wezenlijke grond van hun voorliefde voor den

maagdelijken staat van de vrouw, die zij met huwelijksoogmerken het

hof maken is, dat zij gaarne zekerheid hebben, dat er niet reeds met

anderen uitersten al of niet met gevolgen zijn voorgevallen waarbij

dikwijls nog komt de onbehagelijke vrees, steeds met de voorgangers

vergeleken te worden.

De hooge waarde, die er op idealistische en naturalistische gronden

aan de maagdelijkheid wordt gehecht, brengt mede, dat verlies daarvan

voor de vrouw gelijk staat met verlies van haar voornaamste natuurlijk

lokmiddel. De ontmaagde vrouw daalt sterk in sexueele waarde. Vandaar

zijn er reeds tamelijk vroeg in de geschiedenis bepalingen gemaakt,

die de vrouw het recht gaven vergoeding te eischen van dengene,

die haar zonder haar te trouwen van dezen schat had beroofd. In de

volgende deelen van dit werk zullen wij daarvan tal van interessante

gevallen en niet minder interessante verwikkelingen, daaruit soms

voortvloeiende, leeren kennen.

Een verder gevolg van de buitensporige beteekenis die er gehecht wordt

aan den maagdelijken staat der vrouw is, dat zij verlies daarvan

zoo mogelijk zoekt te verbergen. Dit leidt er toe, dat er zeer

veel maagdelijkheid wordt gesimuleerd. Er zijn altijd meer maagden,

dan er maagdelijkheid is; de vrouw blijft maagd, niet totdat zij in

werkelijkheid den maagdelijken staat komt te verliezen, maar zoolang

het tegendeel niet kan worden bewezen, d.i. zoolang er zich geen

gevolgen voordoen.

Dit feit is aan de mannenwereld niet onbekend, en in de geschiedenis

der sexueele zeden wemelt het van gebruiken, voorzorgsmaatregelen enz.,

die er op zijn berekend zich aangaande het bestaan der maagdelijkheid

zekerheid te verschaffen. Zoo rustte in vele landen eeuwenlang op het

huwende meisje de verplichting, het bewijs te leveren, dat zij als

ongerepte jonkvrouw het huwelijksbed had beklommen. In vele streken

bestond dat bewijs hierin, dat des daags na het huwelijk het bruidshemd

met de bloedige sporen der ontmaagding zegevierend uit het venster

moest worden gehangen. Alleen dit gold als een bewijs, dat de laatste

gunst het eerst aan den echtgenoot was verleend en wel eerst in den

bruidsnacht. En hoe overvloediger de sporen in het linnen aanwezig

waren, met des te meer trots werd het kennissen en buren getoond,

want des te grooter was de roem der kuischheid van de bruid.

In de Pentateuch geeft Mozes herhaaldelijk tal van voorschriften

en ritueel-hygiënsche beschouwingen ten aanzien der maagdelijkheid

der meisjes van het volk Israël. De man had volgens de Mozaïsche

wetten het recht bij zijn bruid maagdelijkheid te verlangen. En

uit Deuteronomium XXII : 13 v.v. blijkt ten duidelijkste, dat hij

reeds methoden aangaande het constateeren der maagdelijkheid heeft

aangegeven, die wij later in de verschillendste oorden der wereld als

een gevestigd gebruik terugvinden, nl. het vertoonen van het met bloed

bevlekte bruidslinnen. De methode door Mozes aangegeven komt neer op

het volgende. Ingeval een man na het huwelijk zich beklaagde haar niet

meer maagdelijk te hebben bevonden, dan hadden haar ouders het recht

het tegendeel te bewijzen en wel door aan de raad der oudsten het met

bloed bevlekte bruidslaken te toonen. Waren zij daartoe in staat,

dan werd de klagende echtgenoot gekastijd en beboet, hij moest de

vrouw in kwestie bij zich houden en haar ouders kregen de opgelegde

boete. Kon het verlangde bewijs echter niet worden vertoond, dan

werd de klacht van de echtgenoot als gegrond beschouwd en de vrouw

werd gesteenigd, "omdat zij eene dwaasheid in Israël gedaan had,

hoereerende in haars vaders huis". Uit dezen rechtsgang valt af te

leiden, dat de ouders het bewuste linnen, waarvan te eeniger tijd

het leven van hun dochter zou kunnen afhangen, langen tijd als een

belangrijk document zullen hebben bewaard. En ook dit valt er uit af

te leiden, dat een zich schuldig wetende bruid alles zal hebben gedaan

om haar bruidegom in den bruidsnacht aan haar ongerepte maagdelijkheid

te doen gelooven. Verder blijkt uit de Mozaïsche methode, dat zij zich

niet in het minst verheft boven het primitieve weten van dien tijd

en op geheel onjuiste voorstellingen berust omtrent de anatomische

bijzonderheden van den maagdom.

Dit gebruik bestaat in onzen tijd nog in verschillende Slavische

landen en o.a. ook in Rumenië in sommige plattelandstreken,

waaromtrent een auteur, met de zeden van dat land grondig bekend,

het volgende mededeelt: "De man houdt de ontdekkingen, die hij in den

bruidsnacht gedaan heeft ten aanzien van de eerbaarheid zijner bruid,

voorloopig voor zich. Eerst na verloop van drie dagen, wanneer er

bezoeken worden afgelegd bij de verwanten der vrouw, mag de zaak ter

sprake worden gebracht. Deze tocht op den derden huwelijksdag heet de

"groote weg", wijl hij den ouders eer of veel schande brengt. Is het

meisje ongerept bevonden, dan heerscht daarover in den familiekring

de uitbundigste vreugde, waarbij het bevlekte linnen als teeken van

het onbevlekt verleden der bruid op een schotel wordt rondgereikt;

elk der aanwezigen bewijst daaraan eer door een geldstuk in de schaal

te leggen. In deftiger kringen wordt de bezichtiging van het bruidshemd

alleen toegestaan aan de wederzijdsche schoonouders".

Door Brantôme, Aretin en tal van andere novellisten en schrijvers wordt

gewag gemaakt van het bestaan van deze en soortgelijke gebruiken in

Spanje, Italië, in verschillende Duitsche landen en elders. Steeds

blijkt daarbij, dat bij den minderen man het tepronkstellen van

het bebloede bruidshemd zoo openlijk mogelijk en met allerlei

feestelijkheden plaats had, terwijl bij de voorname lieden deze

ceremonie in den huiselijken kring werd verricht, uitsluitend in het

bijzijn van de ouders en verdere nauwe verwanten en vrienden. Daarbij

tegenwoordig te mogen zijn gold dan ook als een groote eer.

In de meeste streken hebben dit soort gebruiken mettertijd meer en

meer een symbolischen vorm aangenomen, vooral toen de anatomische

bijzonderheden der lichamelijke maagdelijkheid meer en meer

algemeen bekend werden. De eerste stap tot symboliseeren van het

grof-naturalistische maagdelijkheidsbewijs bestond in den regel

hierin, dat men wel het werkelijk bruidshemd vertoonde, maar met

sterk geretoucheerde sporen van het bloedbad, dat men zoo gaarne wilde

hebben aangericht. Daartoe moest men trouwens ook om andere redenen al

dikwijls zijn toevlucht nemen. Het geheele gebruik toch berust op een

dwaling en het moet toch reeds vroeg algemeen bekend zijn geweest,

dat het verlies der maagdelijkheid volstrekt niet noodzakelijk

gepaard behoeft te gaan met het nalaten van de zoo vurig begeerde

sporen, en dat uitblijven daarvan nog hoegenaamd geen recht geeft

de maagdelijkheid in twijfel te trekken. Het gebruik zelf verraadt

algemeene losheid van zeden--de wensch naar zichtbare bewijzen ten

deze veronderstelt twijfel aan de gegeven verzekering en acht de

mogelijkheid van verzwegen voorechtelijke geslachtsgemeenschap niet

buitengesloten!

Intusschen komt in de hooge vereering der vrouwelijke ongereptheid bij

volkomen onverschilligheid voor de maagdelijkheid van de mannelijke

partij de dubbele moraal, die er in het sexueele leven gesteld wordt

voor man en vrouw, scherp uit. Met die vereering toch wordt aan de

vrouw geslachtsverkeer vóór het huwelijk ontzegd, en als het plaats

heeft gehad, zeer zwaar aangerekend, terwijl voor den man ten deze

de grootste vrijheid als vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Natuurlijk hebben ten allen tijde de eenmaal ten sexueelen val

gekomen vrouwen getracht, dit feit te verbergen. En ten tijde, dat

bovengeschetste bruidshemdsgebruiken in zwang waren, hebben zulke

vrouwen gezocht naar middelen om in den bruidsnacht den man de illusie

van de maagdelijkheid zijner bruid te doen behouden. Wat verloren was

gegaan trachtte men kunstmatig te herstellen. Daaruit heeft zich in den

bloeitijd van dit soort sexueele gebruiken een heele reparatiekunst

ontwikkeld, waarvan apothekers, handelaars in wonderdoende kruiden

en kwakzalvers de voornaamste beoefenaars waren. En met behulp van

allerlei samentrekkende zalven en preparaten schijnt men er werkelijk

in te zijn geslaagd de verloren maagdelijkheid telkens in voldoende

mate te vernieuwen om den eerstvolgenden geliefde of den echtgenoot

niet alleen de illusie te laten, dat hij de eerste was die de bloem

der onschuld plukte, maar hem daarvan ook de zichtbare bewijzen in den

vorm van duidelijke en onmiskenbare sporen te leveren. Zoo kon men met

behulp van wat schijnheiligheid en der niet al te dure middelen der

kwakzalvers zoo lang maagd blijven als men verkoos, zoodat dit soort

vereering der maagdelijkheid allerminst de maagdelijkheid hoog hield.

De vereering der maagdelijkheid draagt derhalve allerminst een

verheven karakter. Integendeel, in de geschiedenis der sexueele

zeden treft men steeds weer het eigenaardig verschijnsel aan, dat in

tijden van algemeene losheid van zeden de virginiteit het hoogst staat

aangeschreven en het vurigst wordt begeerd. Hetzelfde doet zich voor in

alle zedelooze kringen en ook valt zulks op te merken bij loszinnige

individuën. De vrouwelijke zoowel als de mannelijke sybariet verlangt

iets, wat maar eenmaal en door één kan genoten worden. Hun begeerte

haakt naar niets zoo sterk als naar het nog ongerepte. En voor dezulken

is de maagdelijkheid niet iets, wat met heiligen eerbied vervult,

maar als het kostelijkste gerecht dat voor den genotmensch bestaat. Dit

soort verheerlijking van de maagdelijkheid der vrouw kan zelfs leiden,

en leidt dan ook dikwijls, tot een ziekelijke ontaarding, waarvoor men

den naam van ontmaagdingsmanie heeft uitgevonden, een manie, die in

de nieuwere geschiedenis vooral in Engeland heeft gewoed, gelijk bij

de Pall Mall-onthullingen, waarop wij later terugkomen, is gebleken.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid · 第 9 / 15 段