Indogermaansche menschenras zoo niet alleen schoon, dan toch verreweg
het schoonste. Van de steatopygische Hottentot-Venus zoowel als van
de betatoeëerde Australiërs wendt zij zich vol afkeer af, om maar
niet te spreken van de Botokoeden, wier ideaal van vrouwenschoon
misvorming verlangt van het aangezicht door opspalking der lippen met
schijfjes hout. Maar afgezien van deze buitensporigheden, waartoe
ook de kunstmatige voetverschrompeling der Chineesche vrouwen
kan worden gerekend, bezit elk menschenras natuurlijke erotische
schoonheid. Zoodra de Europeaan zijn natuurlijke vooringenomenheid voor
het blanke ras een weinig heeft leeren afleggen, zal hij onwillekeurig
ook den elastischen bouw eener jonge Mina-negerin met haar rechte
postuur en haar lichten Diana-tred kunnen bewonderen en de sierlijke
fijnheid eener bronskleurige Egyptische schoon kunnen vinden.
Voor het leven der sexen heeft de esthetische schoonheid
een ondergeschikte beteekenis. Hoofdzaak is hier de erotische
schoonheid. "Niet alle schoonheid, zegt Gervantes in _Don Quichote_,
inspireert liefde. Er is veel schoonheid, die alleen het oog bekoort
en overigens koel laat." Als Goethe dan ook zegt: Schoonheid is overal
een welkome gast, dan heeft hij klaarblijkelijk de erotische schoonheid
op het oog. Want voor erotische schoonheid is ook het ruwste gemoed,
zoolang niet alle zinnelijkheid er in is gedoofd, ontvankelijk,
terwijl esthetische schoonheid alleen op den artistiek verfijnden
smaak indruk maakt.
V.
SCHAAMTE.
De welopgevoede Europeesche mensch schaamt zich zijn
naaktheid. Tegenover de logica en tegenover de natuur is die schaamte
onredelijk, even onredelijk als de angst en de afschuw dien de
menschen koesteren voor een geraamte, terwijl zij toch weten dat
zij zelf zulk een geraamte in zich omdragen. Toch schijnt zij als
een neiging in de ziel van ieder mensch te zijn gelegd en doet zij
zich gelden met een kracht, die soms de kracht der zinnelijkheid zelf
schijnt te overtreffen.
Waarom schamen wij ons?
Niet om daarin een soort beveiliging te vinden tegen de macht der
zinnelijkheid, maar om ons nog machteloozer tegenover deze natuurdrift
te maken! Ook het sexueele schaamtegevoel staat in directen dienst
der zinnelijkheid. Het is in ons de verraderlijke bondgenoot van de
andere sexe. De schaamte prikkelt en onderhoudt de zinnelijkheid. Het
is hier weer hetzelfde spel van schijn en wezen, dat het geheele
sexueele zijn van den mensch omgeeft, en dat er naar streeft steeds
den schijn te wekken van het tegenovergestelde der werkelijkheid.
"Het eerste wat men de vrouwen geleerd heeft, zegt Diderot (_Sur les
femmes_) is: het vijgenblad, dat haar oudste stammoeder haar heeft
nagelaten, smaakvol en coquet te dragen. Alles wat zij de eerste
kinderjaren te hooren krijgt komt neer op de vermaning: Mijn dochter,
let toch op je vijgenblad! Je vijgenblad zit goed, je vijgenblad
zit slecht."
Volgens Debay (_Physiologie des trente beautés de la femme_) is het
schaamtegevoel een natuurlijk instinct van de vrouw, dat haar zoeken
doet naar middelen om de teugellooze begeerte van den man van haar
af te leiden. Debay heeft hier zeer kernachtig het tegenovergestelde
van de werkelijkheid geformuleerd!
Het geldt bij het geheele blanke menschenras als iets vanzelfsprekends,
dat beide geslachten buitenshuis alleen gezicht, hals en handen
onbedekt laten, al het overige wordt met kleederen aan het gezicht
onttrokken en wie meer laat zien doet iets onbetamelijks en
onfatsoenlijks. Diezelfde menschen, die hun eigen en anderer naakt
lichaam onfatsoenlijk vinden, bewonderen het naakte lichaam in de
kunst. En ook schaamt men zich niet voor zijn naaktheid als men alleen
is. Uit een en ander schijnt reeds te blijken, dat de schaamte met
de naaktheid op zichzelf niets uitstaande heeft.
Waar in dit hoofdstuk het woord schaamte wordt gebezigd, wordt het
steeds bedoeld in zijn beteekenis van naaktheidsschaamte. Het woord
schaamte toch duidt een heele reeks zeer uiteenloopende gewaarwordingen
aan.
De schaamte in dezen zin is een dier vele schijnbare
tegenstrijdigheden, zooals het sexueele leven van den mensch er
zoovele te zien geeft. Het is een uiterst veranderlijke, ten volle
individueele gewaarwording, die met naaktheid en zedelijkheid niets
gemeens heeft. Men kan naakt gaan zonder begrip te hebben van schaamte
daarvoor. Het is geheel iets anders, of een Europeesch philosoof
dan wel een inboorling van Brazilië of van den Bismarck-Archipel
zijn naaktheid toont. De naaktheid is het niet die van nature het
schaamgevoel kwetst, zoo min bij de nog op primitieven trap van
beschaving staande volken als bij onze Europeesche kinderen in de
eerste levensjaren.
De oorsprong van het schaamtegevoel is gelegen in de natuurlijke
neiging van het vrouwtje om voor den blik van het mannetje hare
geslachtskenmerken te verbergen, nu eens om zich voor een ongewenschte
benadering te beschermen, dan weer om de begeerte sterker te
prikkelen of uit vrees afkeer en walging op te wekken. Het verborgene
trekt sterker aan dan het zichtbare, het onbekende prikkelt de
nieuwsgierigheid, terwijl het bekende onverschillig laat. In deze zucht
tot verbergen heeft zoodoende de Natuur de vrouw van een zinnelijk
machtsmiddel temeer tegenover den man voorzien. En de vrouw heeft
ten allen tijde van dit machtsmiddel een ruim gebruik gemaakt. Door
het hanteeren van het wapen der dusgenaamde schaamte heeft de vrouw
het vermogen meer en langer interessant te zijn voor de mannelijke
zinnelijkheid, en deze op te voeren tot de gewenschte hoogte, dan van
eenvoudige naaktheid redelijkerwijze ware te verwachten. En gelijk in
de natuur neigingen zoowel als organen meerdere functiën vervullen,
zoo ook met het sexueele schaamtegevoel: het werpt hinderpalen en
beletselen op tegen te groote agressiviteit van den man, en werkt
als stimulans bij te geringe agressiviteit van den man.
Algemeen zijn physiologen zoowel als psychologen het er over eens,
dat het schaamtegevoel geen oorspronkelijk instinct bij den mensch
is, maar een verworven eigenschap. Daarvoor pleit ten eerste het
verschijnsel, dat het schaamtegevoel zich onder de menschen in alle
denkbare richtingen heeft ontwikkeld, zoodat de manieren waarop,
of juister nog, de lichaamsdeelen waarvoor men zich schaamt, zeer
verschillend zijn. Er is nauwelijks een lichaamsdeel op te noemen,
waarop niet hier of daar in de wereld het schaamtegevoel zich heeft
neergezet. Een natuurlijk instinct nu is niet zoo verplaatsbaar. Een
tweede bewijs tegen het aangeboren zijn van het schaamtegevoel is
het volkomen ontbreken daarvan bij jonge kinderen. Het kind, dat nog
vrij is van de sexueele zinnelijkheid, kent de schaamte niet. Eerst
met het ontwaken van de zinnelijkheid, ontwaakt ook de schaamte. Bij
ieder menschelijk wezen herhaalt zich zoo de Paradijslegende--de
zinnelijkheid roept de schaamte voor de naaktheid wakker.
De natuur is altijd naakt, de onschuld is het evenzeer; bij ieder
vergrijp jegens de natuur en bij iedere ontwijding der onschuld
werpt de mensch het beeld der liefde nieuwe hulsels om de schouders,
zegt Mantegazza.
En als met de intrede der geslachtelijke rijpheid het schaamtegevoel
zich doet gelden, dan schaamt het kind zich juist precies voor
dezelfde lichaamsdeelen als waarvoor het zijn omgeving zich ziet
schamen. Evenals het kind moet leeren spreken, moet het zich leeren
schamen en het komt daarin onder gewone omstandigheden nooit buiten
de desbetreffende opvattingen van zijn naaste omgeving. Zoo kan men
evenals van een moedertaal ook spreken van een moederschaamte en even
verschillend als de talen is ook het schaamtegevoel.
Schaamte is in hinderlaag liggende zinnelijkheid. Zij staat in
directen dienst van de zinnelijke lokking. Als zoodanig is zij het
sterkst ontwikkeld bij de vrouwelijke sexe, wier rol in het sexueele
leven juist bestaat in aanlokken. De pure naaktheid lokt minder
dan de zich beschaamd verbergende naaktheid. Omdat schaamte ten
slotte hierop uitloopt, dat zij de vrouw begeerlijker maakt, daarom
zorgt de vrouw onmiddellijk bij het tot rijpheid komen, dat zij zich
schaamt, naar dit in haar omgeving betaamt, nooit anders. Die schaamte
geldt dan altijd in de allereerste plaats lichaamsdeelen, die op de
mannelijke omgeving de sterkste erotische aantrekking blijken uit
te oefenen. Waar dit de voet is, daar zit de schaamte in den voet,
waar het 't aangezicht is, daar zit de schaamte in het aangezicht, en
zoo voort. De vrouwelijke schaamte gaat op en neer met de mannelijke
zinnelijkheid. Waar de schaamte haar doel voorbij schiet, d.w.z. als
zij zoo goed slaagt in haar wel schijnbaar, maar niet werkelijk beoogd
doel: het erotisch offensief der mannen te keeren--daar wordt zij
onmiddellijk gecorrigeerd en in de gewenschte richting gewijzigd en
men haast zich het zoo schaamachtig verborgene desnoods openlijk aan
de blikken prijs te geven. Wat het sterkst de mannelijke zinnelijkheid
prikkelt, dat wordt bewust of onbewust als regel toegepast. Is dit de
ingetogen schaamte, dan schaamt men zich ingetogen; wordt met luchtige
opvattingen meer effect verkregen, dan worden die luchtige opvattingen
gehuldigd. De schaamte is grootendeels modezaak en het is dan ook de
mode die uitmaakt hoe en waarvoor men zich schamen moet. Blijkbaar
denken ook de vrouwen er zelf ongeveer zoo over. "De reden, waarom de
menschen zich hun naaktheid schamen," zegt Marie Bashkirtseff in haar
_Journaal_, "is deze, dat zij hun kleine gebreken kennen. Was men er
zeker van, geen vlekje op de huid noch een slechtgevormde spier of
een misvormden voet te hebben, dan zou men zonder zich te schamen,
naakt loopen. Men geeft zich hiervan geen voldoende rekenschap, en
toch is dit en niets anders de oorzaak van onze schaamachtigheid. Hoe
zou men ook kunnen aarzelen iets werkelijk schoons, iets waarop men
trotsch kan zijn, te vertoonen? Wie heeft ooit sinds den tijd van
koning Candaules, die zijn gasten met de onverhulde heerlijkheid zijner
schoone vrouw verrukte, een schat of schoonheid bezeten en zich daarop
niet beroemd? Even licht als men tevreden is met zijn aangezicht,
even angstvallig en behoedzaam is men ten opzichte van de gebreken
van het overig lichaam. Wie zich volmaakt weet kent de schaamte niet,
de schoonheid is almachtig, ook tegenover de schaamte. Schaamte is
vrees voor kritiek op de schoonheid van het lichaam."
De sexueele schaamte is een erotisch lokmiddel. Dit lokmiddel is
als zoodanig oorspronkelijk alleen der vrouw eigen en bij haar een
natuurlijke neiging. Het ligt geheel in de lijn van de vrouwelijke
rol in het geslachtsleven, die in schijnbaar afweren bij werkelijk
lokken bestaat. Ook thans nog is het sexueele schaamtegevoel sterker
ontwikkeld bij de vrouw dan bij den man. In den loop der tijden is
de schaamte tot gewoonte geworden, een gewoonte zoo sterk, dat zij
zich ook nog doet gelden in die momenten, waarin zij het minst op
haar plaats lijkt. In de sexueele zeden en de sexueele moraal neemt
deze gewoonte gewoonlijk het karakter aan van een deugd, waardoor
haar voortbestaan ook van dien kant voldoende is gewaarborgd.
Naaktheid wordt door natuurvolken nimmer als naaktheid gevoeld, zij
weten niet dat zij naakt gaan; bij hen is de naaktheid natuurlijk
en schaamte daarvoor is hun onbekend. Eerst als men het bekleeden
van het lichaam heeft leeren kennen, ontstaat de schaamte over
naaktheid. Waar naaktheid gewoonte is, werkt zij niet erotisch. Waar
bekleeding gewoonte is, werkt reeds de minste ontblooting in hooge mate
erotisch. En de bekleeding zelf werkt ook erotisch. Waar dit wordt
ontdekt of begrepen, daar begint men zich onmiddellijk te gewennen
aan kleeding en kiest terstond het dubbele erotische voordeel der
kleeding boven de naaktheid.
Men schuwt derhalve in beginsel de naaktheid niet uit schaamte,
maar wijl daarvan onvoldoende erotische aantrekking uitgaat. Men
grijpt naar kleeding niet uit schaamte voor de naaktheid, maar om de
naaktheid begeerlijker te houden.
Er is allerlei naaktheid: de nooit bekleed zijnde of natuurlijke
naaktheid en de ontbloote of zinnelijke naaktheid. Verder nog
artistieke naaktheid, die welke de kunst phantaseert.
Aangezien de rol der vrouw in het liefdeleven bestaat in het passief
uitoefenen van erotische aantrekking op de andere sexe, is de kleeding
voor het vrouwelijk geslacht in meerdere mate een erotische kwestie
dan voor den man, wiens rol van actieven aard is. Overal en ten allen
tijde interesseert dan ook de vrouw zich veel meer voor kleeding dan de
man. De hartstocht der vrouw voor kleeding is daarom, zij het veelal
onbewust, van zinnelijken aard. Door haar kleeding verhoogt zij hare
zinnelijke aantrekkingskracht, terwijl de natuurlijke zinnelijke
bekoring der naaktheid er eveneens door verhoogd wordt. Ook als
zoodanig vervult het sexueele schaamtegevoel getrouw zijn dubbele
functie--het is tegelijkertijd het buitenste bolwerk der bedreigde
kuischheid, en de uiterste voorpost in het gebied van de tegenpartij.
Het schaamtegevoel brengt er toe de naaktheid te bedekken. Daardoor
ontneemt het echter aan de naaktheid niet haar zinnelijke bekoring,
maar onderhoudt die juist. De gewoonte, naaktheid te zien, verstompt
zeer snel voor den zinnelijken prikkel daarvan. Door het schaamtegevoel
blijft dus de zinnelijke bekoring van de naaktheid behouden.
Het schaamtegevoel doet tevens voorwendsels aan de hand, om de
natuurlijke zinnelijke bekoring van het lichaam tot in het onbegrensde
te verhoogen. En wel door de kleeding. De kleeding, schijnbaar
het middel om de naaktheid te bedekken, staat in werkelijkheid
geheel en al in dienst der zinnelijke lokking, en vervult die
rol onberekenbaar beter, zekerder en aanhoudender, dan de bloote
naaktheid zou kunnen. Het schaamtegevoel, dat gebiedt de naaktheid te
bedekken, stelt daarmee tevens instaat, de gebreken dier naaktheid te
verbergen, de werkelijkheid te corrigeeren, omtrent die werkelijkheid
in elke gewenschte richting volkomen om den tuin te leiden, al wat
de zinnelijkheid maar verlangen kan te fingeeren.
Zoo bezit speciaal de vrouw in het schaamtegevoel het voorwendsel
om zich met alle ten dienste staande middelen begeerlijker te
maken. Zoodoende dient haar het schaamtegevoel niet om het andere
geslacht op kuischen afstand te houden en de gevaarlijke aandacht
der licht ontvlambare zinnelijkheid van het andere geslacht af te
leiden, maar juist om de phantasie van de andere sexe te prikkelen
en nieuwsgierigheid op te wekken naar het schijnbaar zoo angstvallig
verborgene.
De schaamte prikkelt de zinnelijkheid ook door de aarzeling, die zij
bij het verleenen van de eerste tot de laatste gunst doet betoonen. Het
is toch het eigenaardige in het wezen van het geslachtsleven, dat
elk beletsel, elk uitstel, iedere tegenstand de begeerte verhoogt
en versterkt. De geslachtslust vereischt voor zijn bevrediging,
zelfs dat aanvankelijk de bevrediging hopeloos schijnt. Alleen
wanneer de voldoening stap voor stap nader komt, en de vesting
stelling na stelling onder allerlei moeielijkheden wordt genomen,
waarbij de eindoverwinning lang onzeker blijft, alleen dan wordt de
eindelijke zege zoo genoten dat zij bevrediging schenkt. Naarmate de
citadel gemakkelijker capituleert, wordt de overwinning minder op prijs
gesteld. En tot dit gansche spel van zich stap voor stap en van gunst
tot gunst te laten veroveren, wordt de passieve partij voor een groot
gedeelte in staat, gesteld door het schaamtegevoel, dat aan dit spel
tevens de natuurlijkheid verleent, die het effect ervan nog verhoogt.
Schrijvers als Bachofen en anderen hebben uit de geschriften der
klassieke oudheid een menigte mededeelingen verzameld, waaruit blijkt,
dat bij tal van volken de geslachtelijke schaamte zich zelfs niet
uitstrekte tot de handeling der geslachtsgemeenschap. Wij leeren
daaruit volken kennen, die reeds een zekere mate van beschaving
bezaten, en wier sexueele zeden op volgens onze begrippen nog
zoo lagen trap stonden, dat zij in het openbaar en voor aller
oogen geslachtsgemeenschap hadden. Zenobius verhaalt, dat de
Berg-Massageten het iets heel gewoons vonden, op de publieke straat
geslachtsgemeenschap te hebben. Strabo en Herodotus vermelden hetzelfde
van andere Tartaarsche rassen. Apollonius, Xenophon en Diodorus hebben
zulke zeden waargenomen bij de bergbevolking ter zuidkust van de
Zwarte Zee. Wij mogen hieruit besluiten, dat er menschenmaatschappijen
hebben bestaan, in wier beschaving schaamtegevoel voor sexueele dingen
onbekend was.
De schaamte heeft ook nog een anderen psychologischen ondergrond,
ten minste bij den geciviliseerden mensch. Deze schaamt zich min
of meer voor zijn geslachtelijke neigingen, wijl ze weinig in
overeenstemming schijnen met zijn bewustzijn van waardigheid en
superieuriteit. Het zwichten voor de zinnelijkheid schokt het met
zooveel zorg gekweekte besef van verre verheven te zijn boven den
"alledaagschen" mensch. Het zich vatbaar weten voor de paardrift brengt
den eigenwaan aan het wankelen, want het dwingt tot de vernederende
erkenning dat men zich trots alle zelfverheffing nog evenmin als
wie ook heeft kunnen emancipeeren van de dierlijkheid. De maskers der
beschaving en der inbeelding vallen af, de gedroomde meerderwaardigheid
blijkt denkbeeldig; men blijkt nog altijd evenzeer dier te zijn
als wie ook onder de verachten uit de omgeving. En dit alles wekt
bij den geciviliseerden mensch een gevoel van vernedering en van
schaamte tegenover zichzelven en tegenover anderen. Men voelt zijn
waardigheid wankelen onder het besef dat men zwak is, hoe sterk men
ook moge schijnen; dat men willoos tegenover de begeerte het andere
geslacht naloopt, terwijl men den schijn aanneemt zooiets beneden
zich te achten; dat men in het openbaar van esthetiek spreekt en
van zelfbeheersching en zelfbedwang en deze in het geheim in het
gezicht slaat. Nergens zoozeer als op het gebied der zinnelijkheid
wordt de mensch, wat hij zich ook inbeeldt, zoo vernederend met
den neus neergedrukt op het feit van zijn zwakte tegenover de
natuur. Op geen enkel ander gebied drijft de natuur zoo den spot met
's menschen hoogmoed en trots, en wordt zijn fierheid ieder oogenblik
zoozeer geknakt en verootmoedigd. Op geen ander gebied bevindt de
mensch zich zoozeer een willoos werk- en speeltuig van redelooze
natuurkrachten. En zelfs al slaagde hij erin, deze voor een tijd
of voor altijd te overwinnen, dan zou hij wel iets hebben verloren,
maar niet iets hebben gewonnen.
Al deze overwegingen kunnen tot een zekeren afkeer van de
geslachtelijke dingen leiden, tot minachting en tot schaamte over het
feit, dat men niettemin dat verachte niet missen kan en niet missen
wil, dat men doet wat men niet zou willen doen en evenmin zou willen
laten, en dat men ten slotte evenzeer als het dier zijn schatting
betaalt aan de natuur die in haar eischen geen verschil kent tusschen
den mensch en het dier, en den mensch alleen den schralen troost laat
van de mogelijkheid, bedoelde schatting te betalen in het geheim.
Een ander merkwaardig verschijnsel bij het schaamtegevoel is de zeer
verschillende localisatie van zijn hoofdzetel. Geen neiging is aan
het lichaam zoo verplaatsbaar als de schaamte, geen aandrift kiest
zich zoo grillig zijn zitplaats als deze.
Het schaamtegevoel toch heeft volstrekt niet zijn zetel in de
eigenlijke erotische sferen van het lichaam. De Mohammedaansche vrouw
schaamt zich vooral voor haar aangezicht. In ongekleeden staat verrast
is zij er alleen op bedacht haar aangezicht te verbergen. En zoo
vertoont het schaamtegevoel naar tijd, ras en zeden, de zonderlingste
wisselingen en ook daaruit blijkt dat het geen natuurlijk instinct is,
maar een uitvloeisel van zede, gewoonte en opvoeding. De plaats aan
het lichaam, waar de schaamte haar hoofdzetel heeft, is louter een
kwestie van mode. Een absoluut schaamtegevoel bestaat niet, het is
veranderlijk en van allerlei invloeden afhankelijk.
In vele streken was of is het schaamtegevoel bijvoorbeeld
gelocaliseerd op den voet. De ontblooting van den voet gold daar
voor de vrouw als iets, wat de grenzen der coquetterie overschreed,
dus als onfatsoenlijk en onbetamelijk. Wijl het schaamtegevoel altijd
zetelt aan gedeelten van het lichaam waarvan sterke erotische bekoring
uitgaat, of waaraan tenminste bijzondere erotische beteekenis wordt
gehecht, mag men aannemen, dat daar, waar het schaamtegevoel der
vrouw was neergestreken op den voet, de mannen op een óf anderen
grond zich speciaal erotisch bezighielden met den voet. Wat toch
voor de eene sexe erotische bekoring heeft, wordt door de andere
sexe onmiddellijk schaamachtig verborgen gehouden. Vermoedelijk
heeft men bij deze erotische belangstelling voor den voet der
vrouw te doen met een verschijnsel van masochistisch servilisme,
d.i. erotisch genieten in zelfvernedering voor de vrouw. En de vrouw,
als gewoonlijk zonder zich al te veel rekenschap te geven van het
wezen van het verschijnsel, was er met des te meer ijver op bedacht,
het erotisch te exploiteeren. Men schaamde zich voor den voet minstens
even sterk als voor de geheimste verborgenheden der genitale sferen. De
coquetteerende voet werd zorgvuldig bekleed en verborgen gehouden en
kwam slechts als bijzondere gunst uit zijn schuilhoek te voorschijn.
De galante abbé Brantôme bericht: "In den vroegeren tijd had een mooie
voet zooveel verleidelijks, dat kuische Romeinsche vrouwen en allen
die kuisch wilden schijnen, beschroomd waren, hem openlijk den blikken
prijs te geven, zoodat zij hem zooveel zij konden onder haar lang kleed
verborgen hielden, waardoor haar gang zoo terughoudend en afgemeten
was, dat hij nooit onder het kleed zichtbaar werd; en ook thans nog
doen in navolging van dien ouden tijd desgelijks nog in Italië vele
vrouwen". Gravin d'Aulnoy deelt van de Spaansche vrouwen der 17e eeuw
mede: "Hare rokken zijn van voren en aan de zijden zoo lang, dat zij
slepen, van achteren echter slepen zij niet. Zij dragen ze tot op
den grond reikend, zoodat ze er bij het loopen op trappen, opdat men
hare voeten niet zien kan, want deze lichaamsdeelen zoeken zij op het
zorgvuldigst te verbergen. Naar ik verneem komt een dame eerst dan, als
zij een heer reeds alle mogelijke tegemoetkomingen heeft betoond, er
toe hem haar voet te toonen, als uiterste blijk van haar genegenheid;
dit noemt men hier (in Spanje) de laatste gunst der liefde. Men moet
toegeven, dat niemand zulke snoezige voetjes heeft, haar schoentjes
zijn niet grooter dan onze poppenschoentjes. Die schoentjes zijn van
kleurig marroquin, zonder hak, en omsluiten den voet even nauw als
een handschoen. Als zij loopen, schijnt het of zij zweven; in geen
eeuw zouden wij Françaises die manier van loopen kunnen leeren". Deze
zelfde gravin vertelt ook, dat zij eens een voorname dame bezocht, die
nog te bed lag, en alvorens op te staan, haar verzocht de deur af te
sluiten, om verzekerd te zijn niet te worden verrast op bloote voeten.