Het wordt zelfs wel eens betwijfeld of de gevoelens van de vrouw in

het minst te vergelijken zijn met de gevoelens van de man voor de

vrouwelijke sexe. Zulke twijfelaars zijn er volstrekt niet zeker van,

of bijvoorbeeld de vrouwen wel een schoonheids-ideaal ten opzichte

van den man bezitten. Wat ten slotte den man de sympathie eener vrouw

doet winnen, is gewoonlijk niet in de eerste plaats, misschien zelfs

eerst in de laatste plaats, zijn lichaamsschoon. En in de literatuur,

afkomstig van vrouwenhand, zijn genoeg aanwijzingen te vinden, die

voor deze meening schijnen te pleiten. Volgens Laura Marholm (in _Das

Buch der Frauen_) is de man voor de vrouw niets meer dan een komisch

dier. "Onder de vrouwen", zegt zij, "is het nu juist niet gebruikelijk

zoo plechtig tegen den man op te zien als deze zich dat wel verbeeldt

en zoo als zij hem zich dat maar laat verbeelden. Zij vinden hem

komisch; en dat niet pas na het huwelijk, maar dan al wanneer zij,

wat men noemt verliefd op hem is. De mannen weten niet half hoe

komisch de vrouwen hen vinden, niet slechts als individuen, maar ook

in het algemeen als man. Het komische, dat zij in hem zien, is juist

al datgene waarop hij het meest trotsch is. Hoe teerder, leniger en

fijner gebouwd de vrouw is, des te belachelijker vindt zij het komische

groote dier, dat zoo plomp is en zoo log-onbeholpen manoeuvreert,

om z'n in haar oog zoo komisch doel te bereiken. Vooral voor jonge

meisjes is de man een altijddurende bron van vroolijkheid. Als de

mannen een kring van dames zooveel onbedaarlijke pret zien hebben,

schijnen zij maar niet te kunnen begrijpen, dat zij zelf en niets

anders de bron zijn van die pret. En dat is ook weer zoo komisch. En

hoe braver, verliefder, inniger enz. de man is, des te pathetischer

droomt hij van een groote liefde en is toch zoo ernstig daarbij, en

zijn snoezig wijfje, die er behalve uit utiliteitsoverwegingen ook uit

louter katachtigheid behagen in schept een beetje valsch te zijn, doet

even ernstig en plechtig als hij--en dit beetje spel is wat haar in

haar beetje liefde nog het meeste bekoort. Want de vrouw wil spelen,

afwisseling hebben, haar natuur is veranderlijk; de man gedijt in

eenvormigheid, tracht al zijn geestelijke krachten op één punt en één

enkel doel te concentreeren, de vrouw gruwt daarvan. Hoe begaafder de

man is, des te meer behoefte heeft hij aan eenvormigheid; hoe begaafder

de vrouw is, des te sterker is haar behoefte aan afwisseling en aan

vele en velerlei indrukken van buiten af."

De vraag, wie schooner zijn, de mannen of de vrouwen, wordt volstrekt

niet eenparig ten gunste van het vrouwelijk geslacht beantwoord. Voor

sommigen mogen niet de vrouwen, maar de mannen er aanspraak op maken,

het schoone geslacht te worden geheeten. Weliswaar is er misschien geen

voorbeeld van dat een vrouw zoo oordeelde. Maar dat er mannen zijn,

die deze meening zijn toegedaan is al opmerkelijk genoeg om er een

oogenblik bij stil te staan en te vernemen op welke gronden sommigen

zich verstouten het schoone geslacht het monopolie van schoonheid

te betwisten.

Natuur gaf den man een veelzijdiger taak te vervullen, rustte hem veel

ruimer toe met allerlei vermogens, en zij vormde dienovereenkomstig

zijn lichaam en zijn uiterlijke verschijning. De verhoudingen der

ledematen tot den romp zijn onberispelijk, alle onderdeelen van

het mannelijk lichaam zijn esthetisch in overeenstemming met het

geheel. Vaster en zekerder, fier in zijn hooger stabiliteitsgevoel,

staat de man op zijn voeten--hij is het beeld van massieve, majestueuse

schoonheid. De natuur schonk hem in het geheel, zoowel als in

de deelen, meer vorm (in artistieken zin), daar zij zijn spieren

duidelijker aan de oppervlakte legde, waardoor bij elke beweging

zich op de vlakken een kunstvol lijnenspel vertoont (zie bijlage:

De Sabijnsche Maagdenroof). En vooral ook is de schoonheid van het

mannenlichaam bestendiger. Wel onderwerpt Natuur ook den man aan de

onverbiddelijke wet der zichtbare veroudering, maar zij stelde het

merkbare begin daarvan op veel hooger leeftijd dan bij de vrouw. En

zij stelt in den regel bij den man voor de schoonheden die zij ontneemt

nieuwe in de plaats. Zelfs de grijsaard kan voor het artistiek geoefend

oog heerlijk schoon zijn. En niet alleen voor den kunstenaar, maar

voor ieder die eenigen smaak heeft voor vormen zijn vele koppen van

oude mannen werkelijk mooi.

Maar zelfs degenen, die op deze gronden den man in het algemeen den

prijs der schoonheid wenschen te zien toegekend, moeten toegeven,

dat er in elk geval een tijd is in het leven beider sexen, waarin

het recht op de eer van het schoone geslacht te worden genoemd,

onvoorwaardelijk toekomt aan de vrouw. En dat is in de jeugd. Zelfs

de minst galante onder alle schoonheidsrechters, Schopenhauer, kan

zulks niet ontkennen. Maar toch philosofeert genoemde wijsgeer--en

op zijn voorbeeld allen, die aan de vrouw den eeretitel van het

schoone geslacht misgunnen--daaruit nog een even kleineerende als

hatelijke voorstelling van de zaak. Hij oreert als volgt: "Bij het

meisje veroorlooft de natuur zich iets, wat men in de tooneeltaal

noemt een knaleffect. Zij schenkt namelijk genoemd schepseltje voor

enkele jaren een overmatige schoonheid en bekoorlijkheid, evenwel op

kosten van geheel haar verder leven. In die jaren is zij in staat,

op de phantasie van den man zulk een indruk te maken, dat hij er

zich toe laat verleiden voor het heele verdere leven de zorg voor

haar in een of anderen vorm op zich te nemen, iets, waartoe hij

waarschijnlijk nooit zou komen, als hij alleen te rade ging met het

gezond verstand. Zoo heeft de natuur ook de vrouw, evenals elk ander

levend wezen, toegerust met de wapenen en werktuigen, die haar in

staat stellen haar bestaan te verzekeren; waarbij de natuur ook in

dit geval weer hare gebruikelijke schriele zuinigheid betracht. Want

evenals de wijfjesmier na haar bevruchting haar vleugels verliest, daar

deze voortaan toch overbodig zijn en voor het behoorlijk vervullen

der dan komende plichten zelfs gevaarlijk en dus ongewenscht, zoo

ook verliest gewoonlijk de vrouw na een of twee kraambedden haar

schoonheid; en dit waarschijnlijk om dezelfde reden."

Veel ingang hebben intusschen deze en dergelijke meeningen nimmer

gevonden. Hetzij bewust, hetzij instinctief, heeft men ten allen tijde

begrepen, dat er onderscheiden moet worden tusschen een esthetisch

en een erotisch ideaal, en dat het erotisch ideaal in het leven der

liefde een geheel andere factor is dan het abstracte esthetische ideaal

van geslachtlooze schoonheid. En inzonderheid Schopenhauer, hoewel

deze zich schijnbaar grondig met de vrouwen heeft bezig gehouden,

ontzegt men algemeen het recht en de bevoegdheid om over vrouwen te

oordeelen. Zijn geheele opvatting van de vrouw is zoo instinctief

antipathiek jegens de zwakke sexe, dat hij dikwijls onwillekeurig een

onnatuurlijken afkeer van de vrouw bij zich doet veronderstellen. Zijn

oordeel over de vrouw vat hij ergens samen als volgt: "De in elkaar

geschrompelde, smalschouderige, breedheupige en kortbeenige sexe

kan alleen door den man, wiens intellect is verduisterd door de

geslachtsdrift, de _schoone_ sexe genoemd worden. De heele schoonheid

dier sexe is een waandenkbeeld der mannelijke zinnelijkheid. In plaats

van haar het schoone geslacht te noemen, zou men de vrouwelijke sexe

met meer recht als het leelijke, het onesthetische geslacht kunnen

aanduiden. Noch voor muziek of poëzie, noch voor de beeldende kunst

hebben zij zin of ontvankelijkheid, en als zij zulks voorwenden en

voorgeven is dit niet anders dan louter na-aperij, om des te beter

te kunnen behagen. Om deze reden zijn zij in het minst niet in staat

persoonlijk het geringste tot stand te brengen, en de reden daarvan

is naar mijn meening deze: de man streeft in alles naar de directe

heerschappij over de dingen, hetzij door ze te begrijpen, hetzij

door ze te bedwingen. Maar de vrouw kan nooit anders dan indirect

de dingen beheerschen, namelijk door den man te beheerschen. Daarom

ligt het in den aard der vrouwen, in alles niets dan een middel te

zien om den man in haar macht te krijgen."

Schoon is volgens Kant datgene, waaraan men algemeen een welgevallen

heeft. Er zijn nog vele andere definities beproefd, maar deze verliezen

zich allen in het onverstaanbare. En een zeer belangrijke omstandigheid

wordt daarbij gewoonlijk buiten beschouwing gelaten, n.l. deze, dat

datgene, waaraan men algemeen een welgevallen heeft, veranderlijk

is. De Fransche anthropoloog Cordier heeft in 1860 in een verhandeling

over de schoonheid van den mensch het eerst voor de beoordeeling van de

menschelijke schoonheidsidealen het juiste standpunt geformuleerd. Hij

zegt: "De schoonheid is in geenen deele het uitsluitend bezit van een

of ander ras. Daarom kunnen er geen algemeene schoonheidsregelen worden

aangegeven, ze moeten voor ieder ras afzonderlijk worden gezocht." En

niet alleen zijn de schoonheidsidealen verschillend naar de rassen,

dat is naar plaats, maar evenzeer naar tijd. Wat in een gegeven

milieu in den eenen tijd schoon heet, geldt in een anderen tijd als

onschoon. Zoo is er zelfs in de West-Europeesche kunst een periode

geweest (Goltzius en Dürer zijn daarvan twee vertegenwoordigers)

waarin sterke corpulentie het schoonheidsideaal was voor de vrouw;

een bepaalde reden daarvan is niet aan te geven; misschien was het

een symboliek van de zwangerschap. Zeker is, dat corpulentie alleen

bij primitieve volken schoon pleegt te worden gevonden.

Ook de schoonheidsidealen zijn onderworpen aan mode. En onderzoek leert

wel wat bij de verschillende volken en in verschillende tijden schoon

werd gevonden, maar zelden of nooit blijkt, waarom dat zoo was. De

wet van oorzaak en gevolg houdt zich hierbij zoo volkomen schuil,

dat het buitengesloten is in deze verborgenheid door te dringen, en

nog meer om gevolgtrekkingen te maken voor de toekomst. Wat hierna

mooi zal gevonden worden valt hoegenaamd niet te zeggen; evenmin

onder welke omstandigheden de smaak zich zal beginnen te wijzigen.

Nu is het een feit, dat het menschelijk lichaam in den loop van vele

duizenden jaren niet is veranderd. Men heeft skeletten opgegraven uit

tijden, toen de mensch nog slechts zeer gebrekkige steenen werktuigen

had, niets dan ruwe vuursteensplinters, en dus nog stond aan het

begin van het steentijdvak. En deze skeletten, wier ouderdom nog

niemand zelfs heeft durven schatten, maar waarbij men minstens aan

honderdduizend jaar moet denken, verschillen in het minst niet van

die van den tegenwoordigen mensch. Van den lichaamsvorm van den mensch

moet dan ook worden aangenomen, dat hij binnen de grenzen van het ras

zoo goed als constant en onveranderlijk is. Als nu de kunst ten allen

tijde eenzelfde ideaal van schoonheid had gehad, dan zou men overal en

altijd steeds dezelfde vormen en proporties ontmoeten. Dit is echter

niet het geval. Integendeel, elke eeuw levert weer nieuwe menschen in

het marmer en op het doek. De kunst streeft er dus niet in de eerste

plaats naar, de menschelijke vormen natuurgetrouw weer te geven,

zij kiest en corrigeert die vormen naar het schoonheids-ideaal dat

voor het oogenblik in de mode is; wat zij geeft zijn geen portretten,

maar willekeurige scheppingen der door mode en heerschenden smaak

beïnvloede verbeelding. Dit geldt zonder uitzondering voor alle

tijden en voor alle volken, wier kunst zich met het weergeven van

den mensch heeft beziggehouden. Dus geldt het ook voor de oudheid,

en daarom laat zich uit de antieke kunstwerken al evenmin een kanon

van eeuwige en onveranderlijke schoonheid afleiden, evenmin als uit

de scheppingen der hedendaagsche kunstenaars, die zich reeds bij het

kiezen hunner modellen al of niet bewust door den heerschenden smaak

en de eischen der mode van het oogenblik laten leiden.

Zoo is in het gebied der esthetische idealen nu eens dit schoon

en dan weer het tegendeel. Conclusie: de esthetische schoonheid is

veranderlijk, wat in het eene tijdperk aantrekt, stoot in een ander

tijdperk af.

Het effect der erotische schoonheid op de gezonde zinnelijkheid is

daarentegen vrijwel onveranderlijk. In dit opzicht vormt het erotisch

schoonheids-ideaal de tegenstelling van het esthetische ideaal. Het

erotisch verlangen van den man bijvoorbeeld reageert veel minder op

slankheid en regelmaat, dan op gezondheid en gevulde vormen. En het is

niet moeilijk daarin de wijze voorzorg der Natuur te ontdekken: het

vet is als krachtreservoir, als de opzameling van latente energiën,

voor het mannelijk geslachts-instinct onbewust het schoonste aan

het vrouwenlichaam, en dit komt de nakomelingschap ten goede. Van

de vol-weelderige vrouw gaat voor de mannelijke zinnelijkheid de

krachtigste erotische aantrekkingskracht uit. Haar omzwerft steeds

een wolk van aanbidders, terwijl de slank-schrale magerheid, ook al is

deze het esthetisch ideaal van het oogenblik, in haar vleeschloosheid

alleen blijft staan. Zoo drijft de Natuur in haar wijsheid de meesten

naar de besten, d.i. de voor haar doel de meest geschikten.

Als men op de straat mannen bijna allen ziet omkijken naar een

vrouwenfiguur, dan is dit bijna altijd een weelderig-gevulde

vrouw die dit geldt, tenzij de buitensporigheid van het toilet

de aanleiding is. Het is vooral de weelderige ontwikkeling van de

dusgenaamde secundaire geslachtskenmerken: boezem en bekkenstreek,

die magnetisch aantrekt. Menige vrouw, die in bijzondere mate aan

het erotisch ideaal der mannen beantwoordt, kan zich nauwelijks in

het openbaar vertoonen zonder bijna onmiddellijk zich te zien gevolgd

door een drom stomme vereerders.

En nu is het wel opmerkelijk, dat het erotisch en het esthetisch ideaal

voor vrouwenschoon misschien in geen tijdperk zoo lijnrecht tegenover

elkander hebben gestaan als in onze dagen het geval is. Er heerscht

tusschen beide idealen een letterlijk diametrale tegenstelling. Dit

heeft voor de sexueele zeden zijn eigenaardige consequenties. In

kringen, waar het op geld niet aankomt, en de vervulling van wenschen

geenerlei hindernis in den weg staat, komt het tamelijk veelvuldig

voor, dat mannen veel meer om deze reden, dan krachtens polygamische

geaardheid, met twee vrouwen betrekkingen onderhouden. Met een slanke

modepop, levende op de grenzen der lichaamloosheid, en daardoor erkend

als ideaal van schoonheid, vertoont hij zich in het openbaar, in de

opera, bij wedrennen, in badplaatsen en op soupers. En een tweede,

toegerust met alle weelden van het erotisch ideaal, vormt den harem

van den bezitter en wordt dienovereenkomstig in een met die functie

overeenkomende afzondering gehouden.

Er zijn echter ook tijden geweest, waarin het esthetisch of

mode-ideaal en het natuurlijke erotische ideaal van schoonheid

vrijwel samenvielen en ineensmolten. Dit valt af te leiden uit de

voortbrengselen der kunst uit sommige tijden. En hoe standvastig en

onveranderlijk het erotisch ideaal leeft in de mannelijke phantasie,

blijkt wel hieruit, dat juist die kunstwerken zoo lang ze bestaan,

ook dan als het esthetisch ideaal het tegengestelde schoon noemde,

ten allen tijde de gezonde zinnelijkheid in verrukking hebben gebracht

en eveneens ten allen tijde de ontsteltenis der shocking-apostelen

hebben gaande gemaakt. Zulke kunstwerken zijn in de eerste plaats die

van Rubens, Titiaan, Paolo Veronese, Palma il Vecchio, Giorgione en

de scheppingen hunner navolgers. In werken dezer meesters ziet men,

hoe weelderige volheid, regelmatigheid van vormen en kracht zich in

grandiose harmonie in het vrouwenlichaam kunnen vereenigen. Wel is de

volmaaktheid, zooals wij ze in die werken zien, in de werkelijkheid

uiterst zeldzaam, maar een utopie is zij allerminst.

Het zuiverste erotische schoonheidsideaal triumfeerde machtig en

schitterend in de werken van P.P. Rubens.

Het meerendeel der werken van Rubens zijn verheven erotische

orgiën, vergoddelijkte Venusfeesten van in wellust-begeerte

zich rekkende volmaakt-schoone mannen en vrouwen, ja elk werk

van dezen meester is een hooglied van gloeiende zinnelijkheid,

oorsprong des levens. Alle werk van Rubens is in beeld gebrachte

grootsch-heerlijke erotiek. Zinnelijkheid is vuur en vuur is leven,

kracht en potentie. Rubens werk is als stroomend vuur. Alles in zijn

werken is aangegrepen door zinnelijk vuur, zijn mannen, zijn vrouwen,

de dieren, zelfs de planten, alles ademt paardrift, alles straalt

levenverwekking. Rubens' vrouwenfiguren hebben slechts één doel:

zinnelijke verlangens te wekken, de begeerte te doen opvlammen

in die stroomen van vrouwelijke heerlijkheid onder te gaan. En

zijn vrouwen hebben slechts één wensch: zinnelijke verlangens te

bevredigen. Het zijn zonder uitzondering heerlijke tempels van

onmetelijken wellust, tempels die waard zijn er telkens en altijd

weer aan de liefde te offeren. De vrouwen van Rubens hebben geen

andere dan deze goddelijk-animale bestemming, hetzij hij boerinnen

schildert of voorname dames, of hij ons Diana te aanschouwen geeft of

de vrome Angelica, aan wier ontbloote schoonheid het oog van een oude

kluizenaar zich in een laatste begeeren verzadigt. En dat alles neemt

bij hem overal zoo edele en heerlijk-heroïsche vormen aan, dat voor

ons oog zich ook het laagste vergoddelijkt. Steeds vertoont zich de

geslachtsliefde als de heilige, allesbeheerschende wet der bestendiging

van het leven, nooit als in lijfsgenot zwelgende liederlijkheid. De

boezem is de algemeene voedingsbron van het menschelijk leven, hij

is het heerlijkste symbool van gezondheid en van kracht en daarom

ook der schoonheid. Verheerlijking van den boezem is dan ook de

boventoon in de vurige hymne in kleuren, die elk werk van Rubens

te zien geeft. In zijn apotheose van het vleesch is de schoonheid

van den boezem hem steeds het belangrijkste. Hij schildert slechts

vrouwen van den leeftijd, waarop de boezem zich in volrijpheid moet

hebben ontwikkeld, en hij schildert slechts vrouwen met heerlijke

borsten. Boezem en schoonheid zijn bij Rubens onafscheidbare begrippen,

en zoo hebben bij Rubens alle vrouwen prachtvolle borsten. Telkens

en altijd weer opnieuw schildert Rubens Helena Fourment, zijn vrouw,

maar eigenlijk schildert hij alleen haar overheerlijken, juister:

haar Rubenschen boezem, evenals van haar zuster Susanna. Aan die

schoonheid kan hij zich niet verzadigen en in zijn verrukking noodt

hij de gansche wereld bij die heerlijke pracht te gast.

Dat de zinnelijkheid van nature haar ideaal vindt in gevulde,

weelderige vormen, dat leeren ook de erotische voorstellingen van

den primitieven mensch. Onlangs is uit de diluviale aardlagen van

Frankrijk een verzameling reliefbeeldhouwwerk opgegraven, grootendeels

bestaande uit vrouwenfiguren. Dit zijn de oudste vrouwenbeelden die

wij thans kennen. Het opmerkelijkste van deze beelden is de kolossale

ontwikkeling van heupen, dijen, buik en borsten. De geleerden hebben

zich het hoofd gebroken met de vraag, of dit als met dikke vetkussens

bezaaide vrouwentype slechts als een schepping van de phantasie dier

primitieve kunstenaars moest worden beschouwd, dan of men er een

natuurgetrouwe uitbeelding der toenmalige vrouwen in had te zien. Men

achtte ten slotte dit laatste het aannemelijkste, vooral wijl bij deze

oudste voortbrengselen der sculptuur blijkbaar in alles naar realisme

was gestreefd en alle idealiseerende overdrijving er vreemd aan was;

ongetwijfeld stelden zij dus een werkelijk door de makers waargenomen

type voor. De vrouwen bij dit volk, zoo redeneerde men, bleven het

grootste deel van haar leven in hare veilige holen, terwijl de mannen

op voedsel uitgingen. Zoo ondergingen zij, door ruime voeding bij

weinig of geen lichaamsbeweging, een levenslange mestkuur.

Hier werd dus toegegeven, dat deze diluviale menschen nog geen

esthetisch schoonheidsideaal bezaten; maar op het denkbeeld, dat

deze beelden het erotisch ideaal dier voor-historische menschelijke

wezens uitdrukte, kwam men niet. Toch schijnt dit vrij duidelijk. Die

beelden geven niet aan, hoe de vrouwen bij dit oer-ras er uitzagen;

maar hoe men zich de vrouw erotisch het schoonst, d.i. zinnelijk het

meest begeerlijk, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk vonden de makers

dier beelden in hun omgeving enkele individuen, die dit ideaal min

of meer nabij kwamen. Aan karikaturen valt hier natuurlijk niet te

denken--het wezen der karikatuur veronderstelt een veel hoogeren trap

van ontwikkeling en is den oermensch nog ten volle vreemd.

Wel echter is het mogelijk, dat deze dikvleezige vrouwen nog iets

anders vertegenwoordigen dan het erotisch ideaal der mannen van dien

tijd. Vet wordt alleen die vrouw, die veel te eten heeft en niets

behoeft te doen, dus niet behoeft te werken. Dus moeten anderen voor

haar werken. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat een enkele man, die

toenmaals als jachtgereedschap niet anders had dan een knuppel en een

paar steenen, in staat was om zijn gezin zoo in overvloed te doen

baden. Derhalve bezigde men slaven, die men voor zich liet werken,

en de vruchten van wier arbeid men zich toeëigende. Zoo leeren ons

deze vrouwen-beelden niet alleen het erotisch ideaal dier oermenschen

kennen, maar ook bijzonderheden omtrent hun maatschappijvorm, welke

blijkbaar berustte op de slavernij. De schoone, d. i. vetvleezige vrouw

symboliseert het erotisch ideaal en tevens de rijke, d. i. voorname

vrouw. Ditzelfde vinden wij terug zoowel in de eerste tijden der

geschiedenis als bij de volken die nog thans op bijna voorhistorischen

trap van beschaving staan--voornaamheid, macht en rijkdom zinnebeeldig

voorgesteld door corpulentie.

De volkenkunde leert ons tal van merkwaardige voorbeelden van

erotische vereering der gemeste vrouw. Speke heeft in het landschap

Karagwé ter westkust van het Victoriameer in Afrika waargenomen,

dat de vrouwen der dorpshoofden zoo monsterachtig dik waren, dat zij

nauwelijks meer konden staan. Emir Pacha vermeldt hetzelfde uit de

streken van de beneden-Kagera. Stoll vestigt er de aandacht op, dat

ook het oud-Egyptische beeldhouwwerk meest zeer zwaarlijvige vrouwen

te zien geeft, en dan zijn dit blijkbaar steeds voorname vrouwen en

vorstinnen. In het zooveel beschaafdere Nieuwe Rijk blijkt daarentegen

het slank-meisjesachtige het ideaal te zijn.

Bij de Guanchen der Canarische eilanden speelde volgens Barros, die in

de 15e eeuw die eilanden bezocht, in de sexueele zeden dikvleezigheid

der vrouw een voorname rol. "De vrouwen, zegt deze schrijver, moeten

daar bij den bruidsschouw in de eerste plaats dik en vet zijn, en

daarom worden zij al van jongsaf opzettelijk letterlijk gemest. Magere

meisjes worden voor het huwelijk ongeschikt geacht; men meent, dat dan

haar buik nog te klein en te nauw is om flinke kinderen ter wereld

te brengen." De voor Westersche begrippen afzichtelijke steatopygie

(dikbilligheid) der Hottentotsche schoonen is overbekend. En wanneer

de Tunesische jodin heden ten dage den huwbaren leeftijd bereikt,

moet zij zes weken het bed houden en zich zeer zwaar voeden. Want

eerst als zich op haar lichaam vetkussens hebben gevormd, komen er

minnaars opdagen. In al deze gevallen wordt steeds een nauw verband

tusschen deze welgedaanheid en de maatschappelijke positie der vrouw

verondersteld; magerheid bij de vrouw wordt beschouwd als een gevolg

van werken en werken geldt als het zekere bewijs van arme afkomst. Zoo

tracht men bij deze primitieve volken door de dikte zijner vrouwen

eigen maatschappelijken welstand te demonstreeren. Wat in de beschaafde

landen de paleizen der koningen, de kasteelen van den adel en de

voorname huizen en de villa's der gegoede burgers zijn, dat zijn bij

de onbeschaafde of anders dan de westersch beschaafde volken de vet- en

vleeschmassa's hunner vrouwen--uiterlijke blijken van macht en rijkdom.

Sexueele Zeden in Woord en Beeld: Liefde en Zinnelijkheid · 第 6 / 15 段